Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:2013

2026-03-06 Civiel recht; Verbintenissenrecht 12090540 \ CV EXPL 26-514
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-03-06
Publicatiedatum
2026-02-27
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
12090540 \ CV EXPL 26-514
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verstek. Vordering tot ontruiming gehuurde en betaling huurachterstand en gebruiksvergoeding in kort geding toegewezen. Vordering tot schadevergoeding en betaling waarborgsom afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.674 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Roermond



Zaaknummer: 12090540 \ CV EXPL 26-514




Vonnis in kort geding van 6 maart 2026




in de zaak van





[verhuurder]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [verhuurder] ,
gemachtigde: mr. P.J.L. Tacx,



tegen





1 [huurder 1] ,

te [plaats] ,2. [huurder 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [huurders] ,
niet verschenen.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de mondelinge behandeling van 20 februari 2026
- het tegen [huurders] verleende verstek.





2De feiten


2.1.

[verhuurder] verhuurt met ingang van 1 september 2025 aan [huurders] een niet-zelfstandige woonruimte aan [adres] (hierna: het gehuurde) voor een maandelijkse huurprijs van € 900,00, welke huur bij vooruitbetaling verschuldigd is. De huurovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd, namelijk voor de duur van drie maanden.



2.2.
Naast dat [huurders] het gehuurde tot op heden niet hebben ontruimd, is er een aanzienlijke huurachterstand ontstaan. Ondanks aanmaningen is de huurachterstand niet betaald en de woning niet ontruimd.





3Het geschil


3.1.

[verhuurder] vordert samengevat – dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:



[huurders] veroordeelt tot ontruiming van de niet-zelfstandige woonruimte aan [adres] , met machtiging van [verhuurder] om, voor zover [huurders] hier niet binnen vijftien dagen na de betekening van dit vonnis aan voldoen, dit zelf te bewerkstelligen door een gerechtsdeurwaarder, zo nodig met behulp van de sterke arm, op kosten van [huurders] , en,



[huurders] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van:



o € 3.850,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de huurpenningen tot aan de dag van volledige betaling,
o de maandelijkse gebruiksvergoeding van € 900,00 vanaf 1 december 2025 tot het gehuurde volledig is ontruimd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de eerste dag na 30 november 2025 tot aan de dag van volledige betaling,
o € 900,00 ter zake de verschuldigde waarborgsom,
o € 10.880,71 aan schadevergoeding, dan wel een voorschot, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarden tot de dag van volledige betaling,
o de proceskosten, inclusief nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente voor zover betaling van deze kosten binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis uitblijft.




3.2.

[verhuurder] legt aan zijn vordering ten grondslag dat sprake is van een huurachterstand en dat [huurders] gehouden zijn om na het einde van de huurovereenkomst tot aan de dag van de ontruiming een maandelijkse gebruiksvergoeding te betalen. Daarnaast zijn [huurders] in overtreding van het huishoudelijk reglement zodat zij aan [verhuurder] de waarborgsom verschuldigd zijn. Verder hebben [huurders] schade aan het gehuurde toegebracht en moeten zij deze schade vergoeden, aldus [verhuurder] .





4De beoordeling



Verstekverlening




4.1.

[huurders] zijn niet op de mondelinge behandeling verschenen. Uit het exploot van dagvaarding blijkt dat zij correct en tijdig zijn opgeroepen voor de mondelinge behandeling van 20 februari 2026. Aangezien ook de overige bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen, is verstek verleend tegen [huurders] .



4.2.
Het verlenen van verstek houdt in beginsel in dat de vordering wordt toegewezen als deze de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Daarnaast geldt het toetsingskader voor toewijzing van een (geld)vordering in kort geding.



Spoedeisend belang





4.3.
De gevorderde voorziening strekt tot ontruiming van het gehuurde en betaling van meerdere geldsommen.



4.4.
Een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming is een maatregel die diep in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder ingrijpt. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet volgens vaste jurisprudentie grote terughoudendheid worden betracht, nu in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een (diepgaand) onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is. Voorts is voor de toewijzing van een vordering tot ontruiming in kort geding vereist dat het in hoge mate waarschijnlijk is dat een gelijkluidende vordering in een te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen.



4.5.
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is ook terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die uit hoofde van onverwijlde spoed meebrengen dat een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de voorzieningenrechter in de afweging van de belangen van partijen mede moet betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.



4.6.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vordering tot ontruiming van het gehuurde en betaling van de huurachterstand en de gebruiksvergoeding kunnen worden toegewezen. De overige vorderingen moeten worden afgewezen. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.



Huurachterstand en ontruiming





4.7.
Als niet weersproken staat vast dat sprake is van een aanzienlijke huurachterstand. Dat maakt dat het in hoge mate waarschijnlijk is dat in een gelijkluidende vordering in een te voeren bodemprocedure zal worden geoordeeld dat sprake is van een tekortkoming die een ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.



4.8.

[verhuurder] vordert, zo begrijpt de voorzieningenrechter, € 3.850,00 aan huurachterstand en een gebruiksvergoeding van € 900 per maand vanaf 1 december 2025. Aangezien uit het lichaam van de dagvaarding volgt dat aan huurachterstand € 2.050,00 (te weten € 250,00 in september, € 900 in oktober en € 900 in november) is gevorderd en een gebruiksvergoeding vanaf 1 december 2025, komt het meerdere de voorzieningenrechter als een dubbeltelling en zodoende onrechtmatig en ongegrond voor. Dit meerdere zal daarom worden afgewezen.



4.9.
De wettelijke rente over de gebruiksvergoeding zal worden toegewezen zoals in het dictum vermeld.



4.10.
De gevorderde machtiging de ontruiming door de deurwaarder zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie te bewerkstelligen zal worden afgewezen, omdat zij ingevolge artikel 556 lid 1 en artikel 557 Rv overbodig is.



4.11.
Het overige komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en kan daarom worden toegewezen.




Waarborgsom en schadevergoeding





4.12.
Daargelaten of het bestaan van een vordering van [verhuurder] op [huurders] tot betaling van de waarborgsom en schadevergoeding voldoende aannemelijk is, ligt het op de weg van [verhuurder] om het spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening te onderbouwen. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het belang om betaling te verkrijgen een algemeen belang is dat nagenoeg automatisch inherent is aan het hebben van een geldvordering, maar dit maakt deze vordering nog niet spoedeisend. [verhuurder] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die maken dat wegens onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening tot betaling van de waarborgsom en een schadevergoeding is vereist.



4.13.
Vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang wijst de voorzieningenrechter de vorderingen af.



Proceskosten





4.14.

[huurders] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verhuurder] worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


154,09







- griffierecht


€


753,00







- salaris gemachtigde


€


577,00







- nakosten


€


126,50


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.610,59











4.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.



4.16.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.





5De beslissing


De kantonrechter



5.1.
veroordeelt [huurders] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de niet-zelfstandige woonruimte aan [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [verhuurder] zijn, en de sleutels af te geven aan [verhuurder] ,



5.2.
veroordeelt [huurders] hoofdelijk om te betalen aan [verhuurder] :
a. a) € 2.050,00 aan achterstallige huur tot en met 30 november 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van de huurtermijnen tot de dag van volledige betaling,
b) € 900,00 per maand vanaf 1 december 2025 tot en met het einde van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde gebruiksvergoeding, telkens te rekenen vanaf de vervaldatum van de termijnen aan gebruiksvergoeding tot de dag van volledige betaling,



5.3.
veroordeelt [huurders] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.610,59, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurders] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,



5.4.
veroordeelt [huurders] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe zijn betaald,



5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. Van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026.