Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:1236

2026-02-05 Civiel recht; Personen- en familierecht C/03/340212 / FA RK 25-626
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-02-05
Publicatiedatum
2026-02-05
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/03/340212 / FA RK 25-626
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wijziging hoofdverblijfplaats en kinderbijdrage, opheffing kinderrekening en spaarrekening kinderen. Wijziging van de bijdrage in de verblijfs- en verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen waarbij is uitgegaan van een hogere verdiencapaciteit aan de zijde van de moeder. De moeder heeft kort na het ondertekenen van het ouderschapsplan het bedrijf van haar ouders overgenomen en is sindsdien directeur/ aanmerkelijk belanghouder. De moeder heeft de jaarstukken van de onderneming niet ingebracht; zij moet de te veel ontvangen bijdrage in de verblijfskosten terugbetalen, maar de op de kinderrekening te veel betaalde bijdrage voor de verblijfsoverstijgende kosten mag niet worden verrekend met de toekomstige betalingen omdat niet inzichtelijk is gemaakt of er voldoende saldo op de kinderrekening is. De beslissing over de hoofdverblijfplaats, kinderrekening en spaarrekening aangehouden in afwachting van de resultaten van de hulpverlening die partijen zullen aangaan.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (44.310 tekens)
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats Roermond


Familie en jeugd



Zaaknummer : C/03/340212 / FA RK 25-626




Beschikking van 5 februari 2026 betreffende kinderalimentatie en ouderlijke verantwoordelijkheden




in de zaak van:





[naam man]


wonende in [woonplaats] , gemeente Gennep ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. A.A.M. Olde Loohuis, kantoorhoudend in Boxmeer , gemeente Land van Cuijk,



e n





[naam vrouw] ,

wonende in [woonplaats] , gemeente Mook en Middelaar,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. J.W.J. Hopmans, kantoorhoudend in Groesbeek, gemeente Berg en Dal.






1Het verloop van de procedure


1.1.
Het procesverloop blijkt uit het volgende:
- het verzoekschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 25 maart 2025;
- het verweerschrift van de vrouw met daarin een aantal zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken), binnengekomen op 19 mei 2025;
- het verweerschrift van de man op de zelfstandige verzoeken van de vrouw, binnengekomen op 3 juli 2025;
- het F9-formulier van de vrouw met bijlage, binnengekomen op 31 juli 2025;
- het F9-formulier met bijlagen van de man van 16 december 2025;
- het F9-formulier met bijlage van de vrouw van 31 december 2025,
- de mondelinge behandeling, die heeft plaatsgevonden op 6 januari 2026 en waarbij zijn verschenen:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad.



1.2.

Gelet op de leeftijd van de kinderen heeft de rechtbank hen in de gelegenheid gesteld om hun mening over het verzoek van de moeder over de hoofdverblijfplaats van [kind 2] kenbaar te maken. [kind 2] heeft hiervan gebruik gemaakt en heeft een brief geschreven. [kind 1] en [kind 3] hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om hun mening te geven.

2. De vaststaande feiten





2.1.
Op grond van de overgelegde - niet weersproken - producties gaat de rechtbank uit van de navolgende feiten.



2.2.
Tijdens het huwelijk van partijen zijn geboren de nog minderjarige kinderen:



[naam kind 1] , geboren te [plaatsnaam] op [geboortedatum] 2010, hierna te noemen: [kind 1] ;



[naam kind 2] , geboren te [plaatsnaam] op [geboortedatum] 2013, hierna te noemen: [kind 2] ;



[naam kind 3] , geboren te [plaatsnaam] op [geboortedatum] 2016, hierna te noemen: [kind 3] .





2.3.
Het huwelijk tussen de ouders is op 16 maart 2023 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 17 februari 2023 van de rechtbank Overijssel in de registers van de burgerlijke stand.



2.4.
Bij de hiervoor genoemde beschikking is, voor zover hier van belang, bepaald dat het ouderschapsplan dat de ouders zijn overeengekomen, deel uitmaakt van de beschikking.



2.5.
De ouders hebben in voornoemd ouderschapsplan, voor zover hier van belang, afspraken gemaakt over de hoofdverblijfplaats van de kinderen, de zorgregeling en de verdeling van de kosten van de kinderen. Zij zijn een co-ouderschapsregeling overgekomen en hebben afgesproken dat [kind 2] in de Basisregistratie Personen (BRP) staat ingeschreven op het adres van de man en [kind 1] en [kind 3] staan ingeschreven op het adres van de vrouw. Verder hebben zij afgesproken dat de man met ingang van 1 februari 2023 € 193,- per maand aan de vrouw betaalt voor de verblijfskosten van de kinderen en een bedrag van € 342,- per maand voor de verblijfsoverstijgende kosten.





3Het verzoek


3.1.
De man heeft verzocht, uitvoerbaar bij voorraad:


de bijdrage van de man in de kosten van de kinderen te wijzigen, in die zin dat met ingang van 1 februari 2023 zijn bijdrage in de verblijfskosten van de kinderen op nihil wordt gesteld, dat hij met ingang van 1 februari 2025 voor de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen een bijdrage van € 135,- op de kinderrekening voldoet en dat de vrouw voor de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen een bijdrage van € 206,- per maand op de kinderrekening voldoet;


te bepalen dat de vrouw € 5.237,51 aan de man moet terugbetalen;


te bepalen dat de man het te veel betaalde bedrag op de kinderrekening mag verrekenen met toekomstige betalingen op de kinderrekening;


de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure.





4Het verweer tevens zelfstandig verzoek


4.1.
De vrouw voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn verzoeken, althans afwijzing daarvan.



4.2.
De vrouw verzoekt verder, bij wege van zelfstandig verzoek:


wijziging van de hoofdverblijfplaats van [kind 2] , in die zin dat [kind 2] voortaan zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw zal hebben en in de BRP op haar adres zal worden ingeschreven;


te bepalen dat de kinderrekening en de spaarrekeningen van de kinderen worden opgeheven en dat de door de man te betalen bijdrage van € 386,81 voortaan rechtstreeks aan de vrouw wordt betaald;


de man te veroordelen in de kosten van deze procedure.





4.3.

De vrouw heeft daartoe aangevoerd dat zij veel voor [kind 2] en de andere kinderen moet regelen, zoals afspraken bij instanties en bezoeken aan de huisarts, de orthodontist en de tandarts. De man regelt vrijwel niets voor [kind 2] . Ook moet de vrouw het merendeel van de kleding voor de kinderen regelen. De vrouw is daarom van mening dat het voor haar als verzorgende ouder het meest praktisch is als [kind 2] , net als de andere kinderen, zijn hoofdverblijfplaats bij haar heeft.
Ten aanzien van haar verzoek over de kinderrekening en de spaarrekening heeft de vrouw naar voren gebracht dat er tot nu toe in weerwil van de afspraken tal van uitgaven door de man zijn gedaan zonder daarover voorafgaand met de vrouw te overleggen. Ook worden er afschrijvingen gedaan van de kinderrekening zonder uit te leggen waarvoor dat is gebeurd. Om ergernissen en vervelende discussies te voorkomen vindt de vrouw het verstandig om tot opheffing van de kinderrekening over te gaan. Ook de spaarrekeningen van de kinderen moeten worden opgeheven omdat het saldo dat daarop staat bestemd is voor de kinderen en het niet zonder overleg mogelijk zal zijn om af te stemmen wanneer de kinderen daarover kunnen beschikken. Na opheffing van de spaarrekeningen kan ieder van partijen zijn/haar eigen spaarrekeningen voor de kinderen openen.






5Het verweer op het zelfstandig verzoek

5.1.
De man concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar verzoeken, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.



5.2.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





6De mening van [kind 2]

6.1.
heeft geschreven dat hij het onzin vindt dat de vrouw hem bij de man wil weghalen. [kind 2] vindt dat de man dat niet verdient vooral omdat hij hard werkt om voor hem en zijn zusjes te zorgen. [kind 2] geeft zijn ouders mee dat het gedoe tussen hen moet stoppen en dat zij zich niet meer zo kinderachtig naar elkaar moeten opstellen. Ook moet er een oplossing worden gevonden voor de kinderfeestjes. [kind 2] wil namelijk dat zijn ouders tijdens de kinderfeestjes samen kunnen zijn. Ook wil [kind 2] dat de ouders er niet meer zo’n probleem van maken als ze de spullen van de kinderen bij de andere ouder moeten ophalen. Als de ouders nog bij elkaar zouden zijn geweest dan zouden ze er ook geen probleem van maken als ze een keer extra moeten rijden, aldus [kind 2] .





7De beoordeling
De hoofdverblijfplaats van [kind 2] en de kinderrekening

7.1.
Na een schorsing van de mondelinge behandeling hebben de ouders afgesproken dat zij zich zullen wenden tot het CJG voor een hulpverleningstraject gericht op het verbeteren van hun onderlinge communicatie en het vormgeven van het gezamenlijk ouderschap. De rechtbank is het daarmee eens omdat gebleken is dat de verstandhouding tussen de ouders is verstoord en zij onvoldoende in staat zijn om met elkaar op een conflictarme wijze te communiceren en afspraken te maken. De kinderen hebben hier last van, zoals ook blijkt uit de brief die [kind 2] aan de rechtbank heeft geschreven. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw over de hoofdverblijfplaats van [kind 2] en de kinderrekening daarom aanhouden voor de duur van acht maanden, in afwachting van de resultaten van het hulpverleningstraject. Deze resultaten zullen dan bij de verdere beoordeling van de rechtbank worden betrokken om tot een weloverwogen beslissing te komen die in het belang van de kinderen is. De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank op de na te melden datum te informeren over de resultaten van de hulpverlening en of de voortzetting van de behandeling noodzakelijk is. De rechtbank zal de ouders vervolgens informeren over de voortgang van de procedure.



Wijziging kinderbijdrage





De grondslag van het verzoek





7.2.
De man stelt dat hem korte tijd na het ondertekenen van het ouderschapsplan is gebleken dat de vrouw één dag voor de echtscheidingsbeschikking, te weten op 16 februari 2023, is ingeschreven als [naam functie] van [naam besloten vennootschap] . Dit heeft de vrouw niet kenbaar gemaakt aan de man. De vrouw heeft dan ook vanaf het aanvangsmoment een hogere draagkracht dan in het ouderschapsplan is opgenomen, althans dient uit te worden gegaan van een hogere verdiencapaciteit van de vrouw. Hierdoor heeft de alimentatie nimmer aan de wettelijke maatstaven voldaan nu is uitgegaan van onjuiste/onvolledige gegevens. Subsidiair is sprake van een wijziging van omstandigheden omdat het inkomen van de vrouw hoger is en/of er uitgegaan moet worden van een hogere verdiencapaciteit van de vrouw.



7.3.
De man stelt primair dat de kinderalimentatie in het ouderschapsplan van het begin af aan niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord. De man refereert daarmee kennelijk aan artikel 401 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dat bepaalt dat een rechterlijke uitspraak kan worden gewijzigd of ingetrokken indien zij van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Nu de kinderalimentatie door partijen is overeengekomen in het ouderschapsplan kan de man zich niet op artikel 401 lid 4 BW beroepen. Artikel 401 lid 5 BW is evenmin van toepassing. Dit artikel bepaalt dat een overeenkomst betreffende levensonderhoud kan worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen geen duidelijkheid kunnen geven over de gegevens die ten grondslag hebben gelegen aan de berekening van de draagkracht in verband met de kinderalimentatie. De rechtbank overweegt dat als partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven een dergelijke overeenkomst in beginsel niet gewijzigd kan worden als ten gunste van de kinderen is afgeweken. Dat kan anders zijn als de onderhoudsplichtige ouder ook onderhoudsverplichtingen heeft jegens andere kinderen, maar daarvan is niet gebleken. Dan zou wijziging van afspraken ook mogelijk kunnen zijn als de omstandigheden van het geval toepassing rechtvaardigen van artikel 6:216 BW jo. art. 6:248 lid 2 BW en 6:258 BW, maar dat is evenmin gebleken.


7.4.
De man heeft subsidiair gesteld dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. Op grond van artikel 401 lid 1 BW kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Gebleken is dat de vrouw samen met haar broer en zus het bedrijf van haar ouders, een kleinschalig vakantiepark, heeft overgenomen. De vrouw is samen met haar broer en zus [naam functie] in [de besloten vennootschap] . Nu dit feit heeft plaatsgevonden na de ondertekening van het ouderschapsplan op 30 januari 2023 is sprake van een relevante wijziging van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van de overeengekomen kinderalimentatie rechtvaardigt. De vrouw is immers niet meer op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam in het bedrijf van haar ouders maar is samen met haar broer en zus [naam functie] in het bedrijf en dus ook gerechtigd tot de winst van het bedrijf.



Ingangsdatum





7.5.
De man wenst de kinderalimentatie met ingang van 1 februari 2023 te wijzigen. De vrouw verzet zich tegen een wijziging met terugwerkende kracht.



7.6.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de man kort na het ondertekenen van het ouderschapsplan erachter is gekomen dat de vrouw het bedrijf van haar ouders heeft overgenomen. Hij heeft dit niet meteen bij de vrouw aan de orde willen stellen om de toch al verstoorde en gespannen verhouding niet verder op scherp te stellen. De vrouw van haar kant heeft betoogd dat de man al lang op de hoogte was van het feit dat de vrouw het bedrijf van haar ouders samen met haar broer en zus zou overnemen, aangezien daar tijdens het huwelijk al naar toe werd gewerkt. De rechtbank overweegt dat dat zo moge zijn maar dat het op de weg van de vrouw had gelegen de man te informeren zodra de overname was gerealiseerd en hem te informeren over de wijzigingen in haar inkomen Dit maakt dat de rechtbank 16 februari 2023 als ingangsdatum zal hanteren.



Behoefte kinderen





7.7.
Partijen zijn het eens dat de behoefte van de kinderen in 2023 € 380,- per kind per maand bedroeg.



Draagkracht vrouw





7.8.
Blijkens de jaaropgave heeft de vrouw in 2023 een inkomen genoten van € 19.122,-. In 2024 heeft zij een inkomen genoten van € 22.880,- op grond van een akkoord met de belastingdienst tot verlaging van het gebruikelijk loon voor een AB houder. Daarbij is ervanuit gegaan dat de vrouw 20 uur in de onderneming werkzaam is. Blijkens de salarisstrook van december 2025 heeft de vrouw in 2025 een inkomen genoten van € 24.390,-. De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw fulltime kan werken en aldus het dubbele kan verdienen van hetgeen zij daadwerkelijk verdient. Tijdens het huwelijk heeft de vrouw naast de werkzaamheden die zij voor het bedrijf van haar ouders verrichtte ook altijd een gastouderbureau gehad. Ter zitting heeft de man nog betoogd dat uit de gedeponeerde jaarrekening blijkt dat het eigen vermogen van de BV in 2024is gestegen met € 70.000 tot € 1.100.000. Kennelijk bedroeg het resultaat € 70.000,- tot welk resultaat de vrouw voor een derde gerechtigd is. Dit alles maakt dat ten aanzien van de vrouw met een hogere draagkracht gerekend dient te worden.



7.9.
De vrouw heeft daartegenover gesteld dat zij niet méér kan werken dan zij nu doet. Zij werkt op maandag de hele dag en op vrijdag tot 13:30 uur. De resterende uren verdeelt zij over de andere dagen. De vrouw kan niet meer werken omdat zij de zorg voor de kinderen heeft. Zij heeft tijdens het huwelijk ook altijd parttime gewerkt. Daarnaast wenst de vrouw geen inzage te geven in de jaarrekeningen van de onderneming. Het resultaat van de onderneming kan niet uitgekeerd worden omdat er gereserveerd moet worden voor toekomstige uitgaven. Verder zal de vrouw een arbeidsongeschiktheidsverzekering nodig hebben en een pensioenvoorziening moeten treffen nu zij niet meer in loondienst werkzaam is.



7.10.

De rechtbank stelt vast dat de vrouw ervoor kiest de rechtbank niet volledig te informeren. Het is volstrekt gebruikelijk om jaarrekeningen over te leggen, ook als er meerdere aandeelhouders zijn. De vrouw dient de rechtbank van alle gegevens te voorzien die nodig zijn voor het maken van een draagkrachtberekening. Het feit dat zij ervoor kiest dit niet te doen, komt voor haar rekening en risico en heeft consequenties voor de vraag of de vrouw gehouden is de door haar te veel ontvangen bijdrage terug te betalen.
Ten aanzien van de verdiencapaciteit van de vrouw overweegt de rechtbank dat uit de brief van de belastingdienst blijkt dat de vrouw de dagelijkse leiding heeft, mede aanspreekpunt voor de gasten is, contactpersoon is voor het bedrijf dat de reserveringen verzorgt en dat zij de medewerkers van het schoonmaakbedrijf aanstuurt. De vrouw heeft zelf aangegeven op maandag de hele dag werkzaam te zijn, op vrijdag tot 13:30 uur en de overige uren over de andere dagen te verspreiden.




7.11.

Dit alles maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de vrouw meer inkomen kan verdienen of mogelijk al verdient vanwege dividenduitkeringen, dan zij thans doet.
De rechtbank zal daarbij niet met terugwerkende kracht van een hoger inkomen uitgaan, nu de vrouw daar geen rekening mee heeft kunnen houden en partijen er in het ouderschapsplan ook niet vanuit zijn gegaan dat de vrouw in de toekomst meer zou moeten gaan werken. . Met ingang van 1 januari 2026 zal de rechtbank wel uitgaan van een hogere verdiencapaciteit, waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat de vrouw 32 uur per week werkzaam kan zijn. Rekening houdend met het salaris dat de vrouw in 2025 bij [de besloten vennootschap] (€ 2.032,50) heeft verdiend op basis van 20 uur per week werken gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 3.252,- op basis van 32 uur per weekwerken. De rechtbank zal daarom voor de berekening van de draagkracht van de vrouw hierna uitgaan van vier periodes.




Vanaf 16 februari 2023 tot 1 januari 2024





7.12.
De rechtbank gaat zoals hiervoor is overwogen voor het inkomen van de vrouw uit van € 19.122,-. De vrouw heeft met dit inkomen recht op een kindgebonden budget van € 3.452 - en een alleenstaande ouderkop van 3.848,- op jaarbasis. De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de daarnaast verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw bedraagt dan € 2.202, - per maand.



7.13.
Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van de kinderen.



7.14.
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’ die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. In die formule wordt ervan uitgegaan dat iemand 30% van zijn netto besteedbaar inkomen aan woonlasten mag uitgeven. Dat komt hier neer op (30% van 2.202,- =) € 661,- per maand. Daarnaast wordt rekening gehouden met het voor 2023 geldende minimumbedrag voor overige vaste lasten van € 1.175,- per maand.



7.15.
Van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw blijft dan een bedrag van (2.202 -/- 1.175 -/- 661 =) € 366,- over. Daarvan is volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie 70% beschikbaar voor kinderalimentatie, dus € 256,- per maand. De overige 30% mag de vrouw vrij besteden (de ‘vrije ruimte’). De draagkracht van de vrouw bedroeg dus in 2023 € 256,- per maand.



Vanaf 1 januari 2024 tot 1 januari 2025





7.16.
De rechtbank gaat voor het inkomen van de vrouw, zoals hiervoor is overwogen, uitgaan van € 22.880,- bruto per jaar. Op jaarbasis heeft de vrouw met dit inkomen recht op een kindgebonden budget van € 5.566,- en een alleenstaande ouderkop van € 3.480,-. De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de daarnaast verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw bedraagt dan € 2.660,- per maand.



7.17.
Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van de kinderen.



7.18.
De draagkracht van de vrouw is volgens de draagkrachtformule die in 2024 gold 70% x (netto besteedbaar inkomen – (0,3 x netto besteedbaar inkomen + 1.270) € 414,-,- per maand.



Vanaf 1 januari 2025 tot 1 januari 2026





7.19.
De rechtbank zal voor het jaar 2025 conform de salarisstrook van december 2025 uitgaan van een inkomen van € 24.390,- bruto per jaar.



7.20.
Op jaarbasis heeft de vrouw met dit inkomen recht op een kindgebonden budget van € 5.725,- en een alleenstaande ouderkop van € 3.389,-. De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de daarnaast verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw bedraagt dan € 2.792,- per maand.



7.21.
De draagkracht van de vrouw is volgens de draagkrachtformule die in 2025 gold 70% x (netto besteedbaar inkomen – (0,3 x netto besteedbaar inkomen + 1.310) € 451,- per maand.



Vanaf 1 januari 2026





7.22.
De rechtbank zal voor het inkomen van de vrouw met ingang van 1 januari 2026 uitgaan van een verdiencapaciteit van € 3.252,- bruto per maand.



7.23.
Op jaarbasis heeft de vrouw met dit inkomen recht op een kindgebonden budget van € 5.437,- en een alleenstaande ouderkop van € 3.157,-. De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de daarnaast verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw bedraagt dan € 3.731,- per maand.



7.24.
De draagkracht van de vrouw is volgens de draagkrachtformule die in 2026 geldt 70% x (netto besteedbaar inkomen – (0,3 x netto besteedbaar inkomen + 1.365) € 873,- per maand.



Draagkracht man





7.25.
De rechtbank zal ook voor de man zijn draagkracht over de vier voornoemde periodes berekenen.



Vanaf 16 februari 2023 tot 1 januari 2024





7.26.
Het inkomen van de man bedroeg in 2023 conform de overgelegde jaaropgave € 37.065 bruto per jaar. De man heeft met dit inkomen recht op een kindgebonden budget van € 1.410,- en een alleenstaande ouderkop van € 3.282 op jaarbasis. De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de daarnaast verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Het netto besteedbaar inkomen van de man bedroeg dan in 2023 € 3.166,- per maand



7.27.
De draagkracht van de man was volgens de draagkrachtformule die in 2023 gold 70% x (netto besteedbaar inkomen – (0,3 x netto besteedbaar inkomen + 1.175) € 729,- per maand.



Vanaf 1 januari 2024 tot 1 januari 2025





7.28.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de man per 1 september 2024 bij een andere BV van zijn werkgever in dienst is getreden maar dat dat geen consequenties heeft gehad voor zijn salaris in die zin dat de man minder is gaan verdienen. De rechtbank rekent dan ook met een salaris van € 3.318,60 bruto per maand te vermeerderen met de wettelijke vakantietoeslag.



7.29.
De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatie). Vervolgens houdt de rechtbank rekening met de belasting die de man jaarlijks over zijn bruto-inkomsten moet betalen en met het kindgebonden budget van € 1.986,- en de alleenstaande ouderkop van € 2.837,- waarop hij op jaarbasis aanspraak kon maken. Het netto besteedbaar inkomen van de man bedroeg dan in 2024 € 3.531,- per maand



7.30.
De draagkracht van de man is volgens de draagkrachtformule die in 2024 gold 70% x (netto besteedbaar inkomen – (0,3 x netto besteedbaar inkomen + 1.270) € 841,- per maand.



Vanaf 1 januari 2025 tot 1 januari 2026





7.31.
Het salaris van de man bedroeg in 2025 conform de overgelegde salarisspecificaties € 3.451,34 bruto per maand te vermeerderen met de wettelijke vakantietoeslag. De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatie). Vervolgens houdt de rechtbank rekening met de belasting die de man jaarlijks over zijn bruto-inkomsten moet betalen en met het kindgebonden budget van € 2.650,- en de alleenstaande ouderkop van € 2.794,- waarop hij op jaarbasis aanspraak kon maken. Het netto besteedbaar inkomen van de man bedroeg dan in 2025 € 3.713,- per maand



7.32.
De draagkracht van de man is volgens de draagkrachtformule die in 2025 gold 70% x (netto besteedbaar inkomen – (0,3 x netto besteedbaar inkomen + 1.310) € 902,- per maand.



Vanaf 1 januari 2026





7.33.
Niet gesteld of gebleken is dat het inkomen van de man met ingang van 1 januari 2026 is gewijzigd. De rechtbank zal daarom voor deze periode eveneens rekenen met een inkomen van € 3.451,- bruto per maand te vermeerderen met de wettelijke vakantietoeslag. De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatie). Vervolgens houdt de rechtbank rekening met de belasting die de man jaarlijks over zijn bruto-inkomsten moet betalen en met het kindgebonden budget van € 2.744,- en de alleenstaande ouderkop van € 2.837,- waarop hij op jaarbasis aanspraak kan maken. Het netto besteedbaar inkomen van de man bedraagt dan in 2026 € 3.756,- per maand.



7.34.
De draagkracht van de man is volgens de draagkrachtformule die in 2026 geldt 70% x (netto besteedbaar inkomen – (0,3 x netto besteedbaar inkomen + 1.365) € 885,- per maand.



Verdeling van de kosten





7.35.
Als partijen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kinderen, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt ook wel de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.



Vanaf 16 februari 2023 tot 1 januari 2024





7.36.
Zoals hiervoor is berekend, had de man in 2023 een draagkracht van € 729,- per maand en de vrouw een draagkracht van € 256,- per maand. Samen hadden ze dus een draagkracht van € 985,- per maand. Dit is niet genoeg om alle kosten van de kinderen te betalen, want die bedroeg in 2023 (380 x 3 =) € 1.140,- per maand. De ouders hadden samen een bedrag van € 155,- tekort. Zij zullen daarom ieder hun volledige draagkracht moeten gebruiken. Dat betekent dat de man een kinderbijdrage van (729 / 3 =) € 243,- per kind per maand moet betalen en de vrouw een (256 / 3 =) € 85 per kind per maand.



Vanaf 1 januari 2024 tot 1 januari 2025





7.37.
De ouders hadden in 2024 gezamenlijk een draagkracht van (414 + 841 =) € 1.255,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van de kinderen te betalen, want die bedroegen in 2024 na indexering (404 x 3 =) 1.212,- per maand. Dit betekent dat de man (841 / 1.255 x 404 =) €271,- per kind per maand moet dragen. De vrouw moet (414 / 1.255 x 404 =) € 133,- per kind per maand dragen.



Vanaf 1 januari 2025 tot 1 januari 2026





7.38.
De ouders hadden in 2025 gezamenlijk een draagkracht van (451 + 902 =) € 1.353,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van de kinderen te betalen, want die bedroegen in 2025 na indexering (430 x 3 =) 1.290,- per maand. Dit betekent dat de man (902 / 1.353 x 430 =) € 287,- per kind per maand moet dragen. De vrouw moet (451 / 1.353 x 430 =) € 144,- per kind per maand dragen.



Vanaf 1 januari 2026





7.39.
De ouders hebben vanaf 1 januari 2026 gezamenlijk een draagkracht van (873+ 885 =) € 1.758,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van de kinderen te betalen, want die bedragen in 2025 na indexering (450 x 3 =) 1.350,- per maand. Dit betekent dat de man (885 / 1.758 x 450 =) € 227,- per kind per maand moet dragen. De vrouw moet (873 / 1.758 x 450 =) € 223,- per kind per maand dragen.



Zorgkorting





Vanaf 16 februari 2023 tot 1 januari 2024





7.40.
Partijen zijn het eens over toepassing van een zorgkorting van 35%. Nu de behoefte van de kinderen in 2023 € 380,- per kind per maand bedroeg, beloopt de zorgkorting voor zowel de man als de vrouw (35% van 380 =) € 133,- per kind per maand. Het aandeel van beide ouders wordt verminderd met dit bedrag. Die berekening ziet er als volgt uit:


voor de vrouw
(85 -/-133=) € – 48 per kind per maand



voor de man
(243 -/- 133=) € 110,- per kind per maand.




7.41.
Gelet op het voorgaande moet de man met € 48,- per kind per maand bijdragen in de verblijfskosten van de kinderen bij de vrouw. Verder moet de man (110 -/- 48=) € 62,- per kind per maand op de kinderrekening storten voor de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen.



Met ingang van 1 januari 2024 tot 1 januari 2025





7.42.
Nu de behoefte van de kinderen in 2024 € 404,- per kind per maand bedroeg, beloopt de zorgkorting voor zowel de man als de vrouw (35% van 404 =) € 141,- per kind per maand. Het aandeel van beide ouders wordt verminderd met dit bedrag. Die berekening ziet er als volgt uit:


voor de vrouw
(133 -/-141=) € – 8 per kind per maand



voor de man
(271 -/- 141=) € 130,- per kind per maand.




7.43.
Gelet op het voorgaande moet de man met € 8,- per kind per maand bijdragen in de verblijfskosten van de kinderen bij de vrouw. Verder moet de man (130 -/- 8=) € 122,- per kind per maand op de kinderrekening storten voor de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen.



Met ingang van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026





7.44.
Nu de behoefte van de kinderen in 2025 € 430,- per kind per maand bedroeg, beloopt de zorgkorting voor zowel de man als de vrouw (35% van 430 =) € 151,- per kind per maand. Het aandeel van beide ouders wordt verminderd met dit bedrag. Die berekening ziet er als volgt uit:


voor de vrouw
(144 -/-151=) € -7 per kind per maand



voor de man
(287 -/- 151=) € 136,- per kind per maand.




7.45.
Gelet op het voorgaande moet de man met € 7,- per kind per maand bijdragen in de verblijfskosten van de kinderen bij de vrouw. Verder moet de man (136 -/- 7=) € 129,- per kind per maand op de kinderrekening storten voor de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen.



Met ingang van 1 januari 2026





7.46.
Nu de behoefte van de kinderen in 2026 € 450,- per kind per maand bedroeg, beloopt de zorgkorting voor zowel de man als de vrouw (35% van 450 =) € 158,- per kind per maand. Het aandeel van beide ouders wordt verminderd met dit bedrag. Die berekening ziet er als volgt uit:


voor de vrouw
(223 -/-158=) € 65,- per kind per maand



voor de man
(227 -/- 158=) € 69,- per kind per maand.




7.47.
Uit deze berekening blijkt dat de ouders elkaar geen kinderalimentatie hoeven te betalen omdat ze zelf voldoende draagkracht hebben om in de verblijfskosten van de kinderen te voldoen. Wat de verblijfsoverstijgende kosten betreft moet de vrouw € 65,- per kind per maand op de kinderrekening storten en de man € 69,- per kind per maand.



Conclusie




7.48.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat:


met ingang van 16 februari 2023 tot 1 januari 2024 de man een bijdrage in de verblijfskosten van de kinderen aan de vrouw moet betalen van € 48,- per kind per maand en dat hij daarnaast voor de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen een bedrag van € 62,- per kind per maand op de bestaande gezamenlijke kinderrekening moet storten;


met ingang van 1 januari 2024 tot 1 januari 2025 de man een bijdrage in de verblijfskosten van de kinderen aan de vrouw moet betalen van € 8,- per kind per maand en daarnaast voor de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen een bedrag van € 122,- per kind per maand op de bestaande gezamenlijke kinderrekening moet storten;


met ingang van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026 de man een bijdrage in de verblijfskosten van de kinderen aan de vrouw moet betalen van € 7,- per kind per maand en daarnaast voor de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen een bedrag van € 129,- per kind per maand op de bestaande gezamenlijke kinderrekening moet storten;


met ingang van 1 januari 2026 de man een bijdrage in de verblijfskosten van de kinderen aan de vrouw moet betalen van nihil, dat de man voor de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen een bedrag van € 69,- per kind per maand op de gezamenlijke kinderrekening moet storten en de vrouw een bedrag van € 65,- per kind per maand moet storten op de kinderrekening.





7.49.
De rechtbank zal de bijdrage met ingang van 1 januari 2026 als voorlopige bijdrage bepalen omdat de ouders hebben aangegeven dat zij tijdens het te doorlopen hulpverleningstraject willen bekijken of zij afspraken kunnen maken over het al dan niet blijven gebruiken van de kinderrekening. De rechtbank zal de definitieve beslissing over de kinderbijdrage daarom aanhouden tot na te melden datum. De rechtbank verwacht van de ouders dat zij, samen met hun advocaten, proberen in onderling overleg definitieve afspraken over de bijdragen in de kosten van de kinderen te maken nu de uitgangspunten duidelijk zijn.



7.50.
Een gewaarmerkt exemplaar van de door de rechtbank gemaakte berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.



Terugbetalingsverplichting en verrekening





7.51.
Zoals hiervoor reeds overwogen heeft de vrouw geen openheid van zaken gegeven over het feit dat zij sinds 16 februari 2026 [naam functie] is in [de besloten vennootschap] waarbij zij er ook voor gekozen heeft geen inzage te geven in de jaarrekeningen. Dat komt voor haar rekening en risico en dat betekent dat het ervoor gehouden moet worden dat de vrouw in staat is met door haar ontvangen dividenduitkeringen het door haar te veel ontvangen bedrag terug te betalen aan de man. De rechtbank zal daarom bepalen dat de vrouw het te veel ontvangen bedrag aan de man moet terugbetalen. Het bedrag dat de vrouw moet terugbetalen kan de rechter echter niet vaststellen. Dit komt omdat de man geen betalingsbewijzen heeft overgelegd, zodat de rechtbank niet in staat is om te berekenen hoeveel hij op grond van deze beschikking te veel heeft betaald. Partijen zullen dit zelf moeten berekenen.



7.52.
Het verzoek van de man over de verrekening van het bedrag dat hij te veel op de kinderrekening heeft voldaan zal de rechtbank afwijzen. De rechtbank is namelijk van oordeel dat de man had moeten aantonen dat er meer dan voldoende saldo op de kinderrekening stond. Nu hij dat heeft nagelaten is de rechtbank van oordeel dat niet afgeweken moet worden van de hoofdregel dat verrekening van kinderalimentatie niet is toegestaan.



De spaarrekening van de kinderen





7.53.
De rechtbank overweegt dat geschillen tussen de ouders over de uitvoering van het gezamenlijk bewind, dat zij op grond van artikel 1:253i lid 2 in samenhang gelezen met artikel 1:253a BW als ouders met gezamenlijk gezag van rechtswege hebben over het vermogen van hun kinderen, moeten worden voorgelegd aan de kantonrechter en dus niet aan de familierechter van deze rechtbank. De kantonrechter houdt immers toezicht op het vermogen van minderjarigen. Aangezien de vrouw haar verzoek niet heeft ingediend bij de sector kanton, zal de rechtbank, anders dan ter zitting meegedeeld, het verzoek niet afwijzen maar naar die sector verwijzen mits partijen dat ook wensen. De rechtbank verzoekt partijen zich daarover uit te laten.



De proceskosten





7.54.
Ook de beslissing over de door partijen verzochte proceskostenveroordeling zal de rechtbank aanhouden in afwachting van de resultaten van het door partijen te volgen hulpverleningstraject.





8De beslissing
De rechtbank:


8.1.
wijzigt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie, zoals die was vastgelegd in het ouderschapsplan van 15 mei 2020, en bepaalt dat


met ingang van 16 februari 2023 tot 1 januari 2024 de man een bijdrage in de verblijfskosten van de kinderen aan de vrouw moet betalen van € 48,- per kind per maand en dat hij daarnaast voor de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen een bedrag van € 62,- per kind per maand op de bestaande gezamenlijke kinderrekening moet storten;


met ingang van 1 januari 2024 tot 1 januari 2025 de man een bijdrage in de verblijfskosten van de kinderen aan de vrouw moet betalen van € 8,- per kind per maand en daarnaast voor de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen een bedrag van € 122,- per kind per maand op de bestaande gezamenlijke kinderrekening moet storten;


met ingang van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026 de man een bijdrage in de verblijfskosten van de kinderen aan de vrouw moet betalen van € 7,- per kind per maand en daarnaast voor de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen een bedrag van € 129,- per kind per maand op de bestaande gezamenlijke kinderrekening moet storten;


met ingang van 1 januari 2026 de man voorlopig een bijdrage in de verblijfskosten van de kinderen aan de vrouw moet betalen van nihil, dat de man voor de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen een bedrag van € 69,- per kind per maand op de gezamenlijke kinderrekening moet storten en de vrouw een bedrag van € 65,- per kind per maand moet storten op de kinderrekening,


telkens bij vooruitbetaling te voldoen;



8.2.
bepaalt dat hetgeen door de vrouw met ingang van 16 februari 2023 tot heden meer mocht zijn ontvangen van de man dan hetgeen hij ingevolge deze beschikking is verschuldigd, door haar zal worden terugbetaald;



8.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



8.4.
stelt partijen in de gelegenheid zich te wenden tot het Centrum voor Jeugd en Gezin voor een hulpverleningstraject gericht op het verbeteren van hun communicatie en het gezamenlijk invullen van het ouderschap;



8.5.
houdt de (definitieve) beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [kind 2] , de kinderrekening, de kinderalimentatie vanaf 1 januari 2026 en de proceskosten aan in afwachting van het door partijen te volgen hulpverleningstraject, pro forma voor de duur van acht maanden;









8.6. verzoekt partijen de rechtbank, uiterlijk op 3 oktober 2026 (pro forma), te informeren over de resultaten van het hulpverleningstraject, het overleg over de definitieve kinderbijdrage en de voortgang van de procedure waarna de rechtbank partijen zal informeren over de verdere voortgang van de procedure;

8.7. wijst af het verzoek van de man over de verrekening.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.Th.M. Raab, rechter, en ter openbare civiele terechtzitting van 5 februari 2026 uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. H. Streefkerk-Kashefi Majd, griffier.




!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!





!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!




















Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.










!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!












HR 19-03-2021, ECLI:NL:HR:2021:422.



Op grond van artikel 71 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.