Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:10050
Inhoudsindicatie
Besluit oplegging maatwerkvoorschriften naar aanleiding van beroepsprocedure en voorlopige voorziening over de weigering om handhavend op te treden tegen geluidsoverlast van bevoorrading apotheek in de nachtelijke uren. Maatwerkvoorschrift 1 over het gebruik van de toegangspoort wijkt af van de uitgangspunten die in de uitspraak van de voorzieningenrechter zijn opgenomen, maar dat maakt niet dat verweerder het maatwerkvoorschrift niet heeft mogen opleggen of in strijd heeft gehandeld met het rechtszekerheid- en vertrouwensbeginsel. Het maatwerkvoorschrift is naar het oordeel van de rechtbank ook niet te verstrekkend of onevenredig. Ook maatwerkvoorschrift 2 over piepgeluid bij achteruitrijden is niet onevenredig. Het beroep is ongegrond. De maatwerkvoorschriften blijven in stand.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2018:406 Raad van State 07-02-2018
- ECLI:NL:RVS:2021:2217 Raad van State 06-10-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (26.258 tekens)
Zittingsplaats Maastricht
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 24/4184
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2026 in de zaak tussen
Sunplein B.V., uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. A.P.C. Houben),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Landgraaf
(gemachtigde: mr. L.M.E. Embregts).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [woonplaats]
(gemachtigde: mr. M.R.A. Arntz).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aan eiseres bij besluit van 13 augustus 2024 opgelegde maatwerkvoorschriften over de bevoorrading van de apotheek in de nachtelijke uren (tussen 23:00 uur en 07:00 uur) op het adres [adres 1] in [woonplaats] . Eiseres is het niet eens met de door verweerder opgelegde maatwerkvoorschriften. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder de maatwerkvoorschriften aan eiseres heeft kunnen opleggen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiseres ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 e.v. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 8. Daarbij gaat de rechtbank in op de door eiseres aangevoerde beroepsgronden. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan voor partijen.
Procesverloop
2. Met het besluit van 13 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft verweerder, naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 juni 2024 (met zaaknummers ROE 24/1831 en ROE 24/1176), een nieuwe beslissing genomen op het bezwaar van de derde-partij tegen de weigering om handhavend op te treden tegen geluidsoverlast van de bevoorrading van de apotheek op het adres [adres 1] in [woonplaats] . Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan eiseres maatwerkvoorschriften opgelegd die zien op voorkoming en beperking van geluidsoverlast van de bevoorrading van de apotheek in de nachtelijke uren tussen 23:00 uur en 07:00 uur.
2.1.
Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vertegenwoordigd door [naam 1] , de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van verweerder en de derde-partij.
Overwegingen
Inleiding
3. De derde-partij woont op het naastgelegen perceel aan de [adres 2] in [woonplaats] en heeft op 3 juni 2022 aan verweerder verzocht om handhavend op te treden vanwege geluidsoverlast van activiteiten die plaatsvinden op het perceel van eiseres waar het [naam 2] ( [naam 2] ) met een apotheek is gevestigd. In het handhavingsverzoek heeft de derde-partij aangevoerd dat hij lichthinder ondervindt van de belichting en dat bij geluidsoverlast ondervindt van de bevoorrading van de apotheek die
’s nachts plaatsvindt, waarbij het gaat om het openen en sluiten van de toegangspoort, de zijdeur, de autoportieren en laaddeuren, en het verplaatsen van kratten en voertuigbewegingen. De derde-partij heeft daarom verzocht om handhavend op te treden op grond van het Activiteitenbesluit.
3.1.
Bij besluit van 21 juni 2022 heeft verweerder het handhavingsverzoek van de derde-partij van 3 juni 2022 over geluid- en lichthinder van het adres [adres 1] in [woonplaats] afgewezen. De derde-partij heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van
9 januari 2024 heeft verweerder dat bezwaar van de derde-partij gegrond verklaard en de afwijzing van het handhavingsverzoek onder aanvulling van de motivering in stand gelaten. De derde-partij heeft tegen het besluit van 9 januari 2024 beroep ingesteld (zaaknummer ROE 24/1176) en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (zaaknummer ROE 24/1831).
Uitspraak van de voorzieningenrechter
4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 april 2024 op zitting behandeld en heeft de zaak ter zitting aangehouden in afwachting van een te verrichten nader onderzoek door verweerder en eiseres in verband met de door de derde-partij gestelde geluidsoverlast. Ter zitting heeft verweerder toegezegd nieuwe geluidsmetingen uit te voeren en heeft eiseres toegezegd nader onderzoek te doen naar mogelijk te nemen maatregelen ter beperking van geluidsoverlast. Vervolgens is de zaak op 29 mei 2024 op een nadere zitting behandeld. Ter zitting zijn tussen partijen afspraken gemaakt over te nemen maatregelen om de geluidsproductie gedurende de nachtelijke uren als gevolg van het aanrijden van voertuigen en de laad- en losactiviteiten op het terrein (zo veel mogelijk) te beperken.
4.1.
Bij uitspraak van 28 juni 2024 heeft de voorzieningenrechter uitspraak gedaan op het beroep en op het verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft daarbij het beroep van de derde-partij gegrond verklaard, het besluit van 9 januari 2024 vernietigd en aan verweerder opgedragen om, met in achtneming van de uitspraak, een nieuwe beslissing op het bezwaar van de derde-partij te nemen. De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak, ter voorkoming van overschrijding van de geluidsnormen, aan verweerder opgedragen om maatwerkvoorschriften op te leggen aan eiseres. Daarover is in de uitspraak van de voorzieningenrechter het volgende opgenomen:
‘Over de nadere invulling van de op te leggen maatwerkvoorschriften hebben partijen ter zitting afspraken gemaakt. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om overeenkomstig die afspraken aan verweerder op te dragen om bij de op te leggen maatwerkvoorschriften aan [naam 2] uit te gaan van de volgende uitgangspunten:
het aan- en oprijden van het terrein zal plaatsvinden aan de andere kant (linkerkant) van het perceel, op verdere afstand van het perceel van eiser, en daarvoor zal de toegangspoort, die in de huidige situatie uitsluitend voor het uitrijden wordt gebruikt, door de derde-partij technisch worden aangepast zodat deze poort ook kan worden gebruikt om het terrein op te rijden. De toegangspoort aan de andere kant van het perceel (rechterkant), grenzend aan het perceel van eiser, zal niet meer worden gebruikt om het terrein op te rijden;
tijdens het laden en lossen zal de geluidsproductie zo veel mogelijk worden voorkomen en beperkt. Dit zal al dan niet gereguleerd worden door gedragsvoorschriften en/of fysieke maatregelen, bijvoorbeeld door het voorkomen van piepgeluiden bij het achteruit rijden en door het aanbrengen van markeringen op het terrein om de (begrenzing van de) laad- en losplek aan te duiden (witte streep of parkeervak); en
tijdens het laden en lossen zal in acht worden genomen dat bij de levering via de linker zijingang niet verder wordt gereden dan noodzakelijk om de bevoorrading en levering op zo ver mogelijke afstand van het perceel van eiser te kunnen laten plaatsvinden’
Het bestreden besluit
5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder een nieuwe beslissing op het bezwaar van de derde-partij genomen en heeft verweerder in navolging van de uitspraak van de voorzieningenrechter de volgende maatwerkvoorschriften opgelegd aan eiseres:
Het aan- en afrijden van het terrein van [naam 2] tussen 23:00 en 07:00 uur dient enkel plaats te vinden via de linkerzijde van het perceel, op verdere afstand van het perceel van bezwaarmaker, en niet meer via de rechterzijde. De poort aan de rechterzijde, grenzend aan het perceel van bezwaarmaker, mag niet gebruikt worden tussen 23:00 en 07:00 uur met uitzondering van het gebruik door hulpdiensten.
Tijdens de nachtelijke laad- en losactiviteiten (tussen 23:00 en 07:00 uur) wordt de hierdoor veroorzaakte geluidsproductie zo veel mogelijk voorkomen en beperkt. Hierbij geldt dat het gebruikte voertuig geen piepgeluid mag veroorzaken bij het achteruit rijden.
Het aan- en afrijden en het laden en lossen dient tussen 23:00 en 07:00 uur plaats te vinden overeenkomstig onderstaande afbeelding waarbij de groene pijl het inrijden verbeeldt en de gele pijl het uitrijden. De chauffeur mag niet verder rijden dan de op onderstaande afbeelding ingetekende rode streep en dient het voertuig aldaar aan de achterzijde van het gebouw te parkeren ten tijde van het laden en lossen. Na het laden en lossen dient de chauffeur achteruit te rijden tot links van het gebouw om daar te draaien en weer vooruit te rijden. Het keren van het voertuig aan de achterzijde van het gebouw (ter plaatse van de laad- en losactiviteiten) is niet toegestaan.
Om de (begrenzing van de) laad- en losplek aan te duiden, dient [naam 2] een witte markering op het wegdek aan te (laten) brengen die parallel loopt aan de rechter zijgevel, conform de op onderstaande afbeelding ingetekende rode streep. Daarnaast dient [naam 2] een bord op te hangen dat in de nachtelijke uren zichtbaar is en waarop is vermeld dat het omkeren van het voertuig aan de achterzijde van gebouw (ter plaatse van de laad- en losactiviteiten) tussen 23:00 en 07:00 uur niet toegestaan is.
Over deze maatwerkvoorschriften gaat de onderhavige procedure.
Standpunt eiseres
6. Eiseres is het niet eens met de aan haar opgelegde maatwerkvoorschriften 1 en 2. Eiseres stelt dat verweerder bij voorschrift 1 (tweede zin) het gebruik van de toegangspoort aan de rechterkant ten onrechte in zijn geheel heeft verboden tussen 23:00 uur en 07:00 uur. Volgens eiseres is hierdoor sprake van een afwijking van de eerdere afspraken en uitgangspunten uit de uitspraak van de voorzieningenrechter en is het voorschrift op dit punt in strijd met het rechtszekerheid- en vertrouwensbeginsel. Ook vindt eiseres het voorschrift vanwege het verbod om de betreffende toegangspoort te gebruiken onevenredig omdat zij daardoor wordt benadeeld en beperkt in de uitoefening van haar bedrijfsactiviteiten. Ten aanzien van voorschrift 2 stelt eiseres zich op het standpunt dat het daarin opgenomen verbod om piepgeluid te veroorzaken bij het achteruit rijden voor eiseres niet uitvoerbaar en daarom onevenredig is.
Toetsingskader en uitgangspunten voor de beoordeling
7. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. In dit geval blijft daarom het oude recht van toepassing.
7.1.
De rechtbank stelt vast, wat tussen partijen ook niet in geschil is, dat verweerder bevoegd is om ter zake het onderwerp geluid maatwerkvoorschriften vast te stellen. Het college heeft beleidsruimte bij de beslissing of het gebruik maakt van deze bevoegdheid. Indien wordt besloten tot het stellen daarvan, heeft het college beoordelingsruimte bij de vaststelling van wat nodig is ter bescherming van het milieu.
7.2.
Partijen verschillen wel van mening over de vraag of verweerder op de juiste wijze van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, waarbij het geschil zich specifiek toespitst op voorschriften 1 en 2. De rechtbank beoordeelt daarom alleen, op basis van de door eiseres aangevoerde beroepsgronden, of verweerder de maatwerkvoorschriften 1 en 2 aan eiseres heeft mogen opleggen.
Beoordeling door de rechtbank
Maatwerkvoorschrift 1: het gebruik van de toegangspoort bij het perceel van de derde-partij
8. De rechtbank stelt voorop dat in maatwerkvoorschrift 1 het volgende is opgenomen:
‘Het aan- en afrijden van het terrein van [naam 2] tussen 23:00 en 07:00 uur dient enkel plaats te inden via de linkerzijde van het perceel, op verdere afstand van het perceel van bezwaarmaker, en niet meer via de rechterzijde. De poort aan de rechterzijde, grenzend aan het perceel van bezwaarmaker, mag niet gebruikt worden tussen 23:00 en 07:00 uur met uitzondering van het gebruik door hulpdiensten.’
8.1.
Eiseres voert aan dat dit maatwerkvoorschrift in strijd is met het rechtszekerheid- en vertrouwensbeginsel. Eiseres stelt daartoe dat het door verweerder opgelegde maatwerkvoorschrift verder gaat en strenger is dan de gemaakte afspraken tussen partijen en de uitspraak van de voorzieningenrechter. Eiseres leest de uitspraak van de voorzieningenrechter namelijk zo, dat was afgesproken dat de toegangspoort bij de derde-partij in de nacht slechts niet meer gebruikt mocht worden om het perceel op te rijden en dat het niet ook zou zijn verboden om via die poort in de nacht het terrein af te rijden. Een algeheel verbod voor het gebruik van de toegangspoort aan de rechterkant in de nachtelijke uren is daarom te verstrekkend en in strijd met het rechtszekerheid- en vertrouwensbeginsel. Verder vindt eiseres maatwerkvoorschrift 1 ook onevenredig vanwege de beperking hierdoor in de uitoefening van haar bedrijfsactiviteiten.
8.2.
De rechtbank stelt vast dat uit de uitspraak van de voorzieningenrechter het uitgangspunt volgt dat het oprijden van het terrein enkel zal plaatsvinden aan de andere kant (linkerkant) van het perceel en dat de poort aan de rechterkant bij het perceel van de derde-partij niet gebruikt mag worden om het terrein op te rijden. Uit de tweede zin van het door verweerder opgelegde maatwerkvoorschrift 1 volgt echter dat de poort aan de rechterzijde, grenzend aan het perceel van de derde-partij, niet gebruikt mag worden zonder dat daarbij onderscheid is gemaakt tussen het oprijden en het afrijden van het perceel. In zoverre volgt de rechtbank eiseres in haar standpunt dat hierdoor sprake is van een algeheel verbod voor het gebruik van de toegangspoort aan de rechterkant in de nachtelijke uren en dat het opgelegde maatwerkvoorschrift 1 (tweede zin) hierdoor verder gaat dan de uitgangspunten die zijn opgenomen in de uitspraak van de voorzieningenrechter. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat ter zitting is gebleken dat de tweede zin van dit maatwerkvoorschrift op verzoek van de derde-partij door verweerder is toegevoegd om meer zekerheid te krijgen dat de toegangspoort aan de rechterkant niet meer wordt gebruikt voor laad- en losactiviteiten en om het geluid van het openen en sluiten van de poort zo veel mogelijk te beperken.
8.3.
Het feit dat het maatwerkvoorschrift afwijkt van de uitgangspunten die zijn opgenomen in de uitspraak van de voorzieningenrechter, betekent naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat verweerder dit maatwerkvoorschrift in algemene zin niet heeft mogen opleggen. Daarvoor acht de rechtbank van belang dat in de uitspraak van de voorzieningenrechter enkel uitgangspunten zijn opgenomen over de invulling van de op te leggen maatwerkvoorschriften die door verweerder, al dan niet in overleg met de andere partijen, nader kunnen worden geconcretiseerd en uitgewerkt. Daarnaast heeft verweerder beoordelingsruimte bij de vaststelling van wat nodig is ter bescherming van het milieu en daarom ook bij de vaststelling van de inhoud van het maatwerkvoorschrift. De voorzieningenrechter heeft verweerder in zijn uitspraak ook niet opgedragen enkel maatwerkvoorschriften op te leggen die volledig in lijn waren met de uitgangspunten zoals partijen die waren overeengekomen. Er is slechts bepaald dat verweerder een nieuwe beslissing op het bezwaar van de derde-partij moest nemen met inachtneming van de uitspraak. Voorts overweegt de rechtbank dat een beroep op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel alleen kan slagen wanneer sprake is van vertrouwen gewekt door verweerder. In het onderhavige geval gaat het om uitgangspunten die het gevolg zijn van afspraken die tussen eiseres en de derde-partij zijn gemaakt. Verweerder heeft zich niet jegens partijen ertoe verbonden maatwerkvoorschriften van een specifieke inhoud op te leggen. De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, in de verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter daarom geen grond voor het oordeel dat verweerder dit voorschrift in algemene zin niet heeft mogen opleggen of dat verweerder hierdoor in strijd heeft gehandeld met het rechtszekerheid- en vertrouwensbeginsel.
9. Dan komt de rechtbank nu toe aan een inhoudelijke beoordeling van het opgelegde maatwerkvoorschrift en meer specifiek de vraag of het maatwerkvoorschrift onevenredig is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, tegen de achtergrond van het voorliggende geschil en ter beperking van geluidsoverlast bij het perceel van de derde-partij, als voorschrift aan eiseres mogen opleggen dat de poort aan de rechterkant niet gebruikt mag worden in de nachtelijke uren om het terrein op en af te rijden. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dit maatwerkvoorschrift voor eiseres te verstrekkend of onevenredig is. De rechtbank motiveert dit als volgt.
9.1.
Het voorschrift heeft voor eiseres tot gevolg dat de toegangspoort aan de rechterzijde niet gebruikt mag worden tussen 23:00 en 07:00 uur met uitzondering van het gebruik door hulpdiensten. Niet is gebleken dat eiseres hierdoor zodanig wordt beperkt in de uitoefening van haar bedrijfsactiviteiten, dat naleving van dit voorschrift niet van eiseres gevergd kan worden. Eiseres heeft namelijk niet gesteld of onderbouwd dat het gebruiken van deze toegangspoort in de nachtelijke uren noodzakelijk is voor de uitoefening van haar bedrijfsactiviteiten of voor bevoorrading van de apotheek. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat eiseres nog steeds, ook voor de nachtelijke uren, toegang heeft tot het perceel via de toegangsweg aan de linkerzijde en dat eiseres voor de bevoorrading ook van die toegangsweg gebruik maakt. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat het op- en afrijden van het perceel voor het laden en lossen via de toegangsweg aan de linkerkant kan plaatsvinden en dat dit in de huidige situatie ook gebeurt, zonder dat daarbij is gebleken dat dit voor eiseres tot problemen leidt. Eiseres heeft ook niet gesteld of onderbouwd dat dit voor haar een zodanige impact heeft voor haar bedrijfsvoering, dat het laden en lossen via de linker toegangsweg voor haar bezwaarlijk zou zijn of niet van haar gevergd kan worden. Dat het afrijden van het perceel specifiek aan de rechterkant bij het perceel van de derde-partij in de nachtelijke uren noodzakelijk zou voor de bevoorrading van de apotheek, heeft eiseres ook niet aannemelijk gemaakt. Eiseres heeft bovendien erkend dat er mogelijkheden worden onderzocht om de bevoorrading in de nachtelijke uren te beëindigen door middel van verandering van tijdsafspraken met de leveranciers. Hieruit volgt dan ook niet dat op voorhand duidelijk zou zijn dat naleving van het voorschrift voor eiseres onmogelijk is of niet van haar gevergd kan worden. Daartegenover staat dat de derde-partij belang heeft bij voorkoming van geluidsoverlast en beperking van het geluid van het openen en sluiten van de toegangspoort aan de rechterzijde. Ter zitting is gebleken dat het geluid van het openen en sluiten van de toegangspoort voor de derde-partij een belangrijke bron van de geluidsoverlast is die hij ondervindt van het laden en lossen in de nachtelijke uren. Het niet gebruiken van de toegangspoort in de nachtelijke uren is een effectieve maatregel om dat te voorkomen. De rechtbank concludeert daarom dat verweerder, gelet op de betrokken belangen, het maatwerkvoorschrift heeft mogen opleggen en dat dit voorschrift niet onevenredig is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Maatwerkvoorschrift 2: het verbod om piepgeluiden te veroorzaken bij achteruit rijden
10. De rechtbank stelt voorop dat in maatwerkvoorschrift 2 het volgende is opgenomen:
‘Tijdens de nachtelijke laad- en losactiviteiten (tussen 23:00 en 07:00 uur) wordt de hierdoor veroorzaakte geluidsproductie zo veel mogelijk voorkomen en beperkt. Hierbij geldt dat het gebruikte voertuig geen piepgeluid mag veroorzaken bij het achteruit rijden.’
10.1.
Eiseres voert aan dat maatwerkvoorschrift 2 onzorgvuldig en praktisch niet uitvoerbaar is. Het is volgens eiseres niet werkbaar om de chauffeur te verbieden om een piepgeluid te veroorzaken bij het achteruit rijden omdat in busjes en vrachtwagens standaard een piepgeluid is ingebouwd dat bij achteruit rijden wordt geactiveerd en niet met een enkele druk op een knop kan worden uitgeschakeld. Dat is volgens eiseres ook niet wenselijk nu met het piepsignaal een veiligheidsdoel wordt gediend. Verweerder heeft daarom ook dit voorschrift niet aan eiseres mogen opleggen.
10.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder maatwerkvoorschrift 2 heeft mogen opleggen en dat dit voorschrift voor eiseres niet onevenredig is. De rechtbank motiveert dit oordeel als volgt.
10.3.
Verweerder mocht bij het opleggen van dit maatwerkvoorschrift onder meer uitgaan van informatie die door eiseres zelf is verstrekt bij haar mailbericht van 30 mei 2024. Daarin heeft eiseres verklaard dat de bus bij het achteruitrijden geen piepgeluid maakt. Verweerder heeft daarom ten tijde van het bestreden besluit geen aanleiding hoeven zien om het voorschrift niet uitvoerbaar te achten. De stelling van eiseres in beroep dat in (nieuwe) busjes en vrachtwagens in algemene zin standaard een piepgeluid is ingebouwd dat bij achteruit rijden wordt geactiveerd, strookt niet met de specifieke informatie die door eiseres in haar mailbericht van 30 mei 2024 aan verweerder is verstrekt. In deze enkele stelling van eiseres ziet de rechtbank ook geen grond om op voorhand aan te nemen dat maatwerkvoorschrift 2 voor eiseres niet uitvoerbaar is of dat naleving daarvan niet van eiseres gevergd kan worden. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat het veroorzaken van piepgeluid bij achteruit rijden tot nu toe geen problemen heeft opgeleverd bij het laden en lossen in de nachtelijke uren en dat het dus kennelijk mogelijk is om de bevoorrading zonder piepgeluid te laten plaatsvinden of om dat geluid uit te zetten. Eiseres heeft ook niet gesteld of onderbouwd dat de levering zonder piepgeluid in algemene zin onmogelijk is. Daarnaast is door partijen ter zitting erkend dat het voorkomen van piepgeluid bij achteruit rijden een effectieve maatregel is om geluidsoverlast bij de derde-partij van het laden en lossen in de nachtelijke uren te voorkomen. Voor zover in de toekomst mocht blijken dat het voorschrift voor eiseres, vanwege bijvoorbeeld een verandering van de transportbusjes, niet meer uitvoerbaar is, dan kan eiseres bij verweerder verzoeken om wijziging of opheffing van het maatwerkvoorschrift. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
11. De rechtbank komt, gelet op het voorgaande, tot de conclusie dat verweerder de in het geding zijnde maatwerkvoorschriften aan eiseres heeft mogen opleggen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de maatwerkvoorschriften in stand blijven en eiseres zich aan deze voorschriften moet houden.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.J.A. Smitsmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.A.M. Bergmans, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 23 september 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 23 september 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.
Op grond van artikel 2.20, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Zie bijvoorbeeld uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:406 en 6 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2217.