Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:10019

2026-09-22 Civiel recht; Verbintenissenrecht 12316975 \ EZ VERZ 26-207
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-09-22
Publicatiedatum
2026-09-22
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
12316975 \ EZ VERZ 26-207
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoek verlenging termijn als bedoeld in artikel 4:72 BW (verwerpen inferieure making) op grond van bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:77 BW. Verzoek afgewezen wegens gebrek aan bijzondere omstandigheden.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.358 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Roermond



Zaaknummer / rekestnummer: 12316975 \ EZ VERZ 26-207




Beschikking van 22 september 2026




in de zaak van





1 [verzoeker 1] ,

te [plaats 1] ,2. [verzoeker 2],
te [plaats 2] (België),
verzoekende partijen,
hierna samen te noemen: [verzoekers] ,
gemachtigde: mr. R. Teerink,



tegen



[verweerder]
tevens in hoedanigheid van executeur en afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap van [erflater],
te [plaats 3] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] .
gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.



Tevens worden als belanghebbenden aangemerkt:

1. [belanghebbende 1],
te [plaats 4] ,
2. [belanghebbende 2],

te [plaats 5] ,
hierna samen te noemen: [belanghebbenden] ,
beiden niet verschenen.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift
- de mondelinge behandeling van 22 september 2026
- de berichten van partijen van 15 september 2026 waarin zij de kantonrechter verzoeken om uitspraak te doen.



1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.





2De feiten


2.1.
Op [datum 1] 2021 is overleden de heer [erflater] (hierna: erflater). Uit het huwelijk tussen erflater en [persoon] (hierna: [persoon] ) zijn twee kinderen, [verzoekers] , geboren. Door het overlijden van [persoon] is het huwelijk op [datum 2] 2017 ontbonden.



2.2.
Op [datum 3] 2018 is erflater gehuwd met [verweerder] . [verweerder] heeft twee kinderen uit een eerdere relatie, te weten [belanghebbenden] .



2.3.
Erflater heeft bij testament van 1 oktober 2021 over zijn nalatenschap beschikt. Hij heeft daarin – voor zover hier van belang – onder meer bepaald dat [verweerder] voor 1/2e deel erfgenaam is van zijn nalatenschap en [verzoeker 1] , [verzoeker 2] , [belanghebbenden] samen voor het andere 1/2e deel. [verweerder] is verder benoemd tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap. [verweerder] heeft deze benoeming aanvaard.



2.4.

[verweerder] heeft op 18 juli 2022 een boedelbeschrijving opgemaakt, welke ook aan [verzoekers] is verstrekt.



2.5.
Op 24 februari 2023 is [verzoeker 1] bij deze rechtbank een kort geding gestart om af te dwingen dat [verweerder] in hoedanigheid van executeur en afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap informatie en stukken ten aanzien van de omvang en samenstelling van de nalatenschap aan haar verstrekt, een en ander op straffe van een dwangsom. Bij vonnis van 13 maart 2023 is [verweerder] daartoe veroordeeld.






3Het verzoek en het verweer


3.1.

[verzoekers] verzoeken om verlenging van de termijn voor de verwerping van de nalatenschap van erflater als bedoeld in artikel 4:72 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) in samenhang met artikel 4:77 BW.



3.2.
Aan het verzoek hebben [verzoekers] het volgende ten grondslag gelegd. Zij stellen dat hun erfrechtelijke verkrijging is belast met een voorwaarde (inferieure making) zodat hetgeen zij als erfgenaam kunnen verkrijgen bij verwerping niet in mindering komt van de legitieme portie (straffeloze verwerping). Een straffeloze verwerping dient binnen drie maanden na het overlijden plaats te vinden. Onder bijzondere omstandigheden kan de kantonrechter die termijn verlengen, zelfs nadat de termijn is verlopen. Zulke omstandigheden doen zich hier voor, omdat er nog altijd onvoldoende inzicht is in de omvang en samenstelling van de nalatenschap, er geen overeenstemming is over de hoogte van de vordering die zij op de nalatenschap van erflater hebben uit hoofde van de nalatenschap van [persoon] en er lange tijd de indruk bestond dat partijen er onderling uit zouden komen, aldus [verzoekers] .



3.3.

[verweerder] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe het volgende aan. Er is geen sprake van een bijzondere omstandigheid om tot verlenging van de termijn over te gaan. Zij voert aan dat [verzoekers] bekend waren met het testament van erflater, de omvang en samenstelling van de nalatenschap en de daaruit voortvloeiende rechtspositie als erfgenaam dan wel legitimaris.



3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna voor zover van belang nader ingegaan.






4De beoordeling


4.1.
Uit artikel 4:72 BW volgt dat wat een legitimaris als erfgenaam uit een nalatenschap kan verkrijgen niet in mindering wordt gebracht op zijn legitieme portie wanneer er sprake is van een zogenoemde inferieure making. Met dat laatste wordt onder andere bedoeld dat er in het testament van de erflater een voorwaarde is verbonden aan dat wat aan iemand wordt nagelaten. Indien van een inferieure making sprake is en de erfgenaam de nalatenschap wil verwerpen om vervolgens een beroep te kunnen doen op zijn legitieme portie, waarbij hetgeen hij uit de nalatenschap had kunnen verkrijgen daarop niet in mindering komt, moet dat op grond van artikel 4:72 BW plaatsvinden binnen drie maanden na het overlijden.



4.2.
Artikel 4:85 lid 1 BW bepaalt verder dat de mogelijkheid om aanspraak te maken op de legitieme portie vervalt als de legitimaris niet binnen vijf jaar na het overlijden heeft verklaard dat hij de legitieme portie wenst te ontvangen.



4.3.
De kantonrechter stelt vast dat de termijn zoals bedoeld in artikel 4:85 lid 1 BW in het onderhavige geval op zeer korte termijn verloopt. [verzoekers] dienen voor het einde van die termijn een keuze te maken om wel of geen beroep te doen op hun legitieme portie.



4.4.
De termijn van drie maanden zoals bedoeld in artikel 4:72 BW - om kort gezegd de nalatenschap straffeloos te verwerpen omdat sprake is van een inferieure making - is al lang verstreken. De vraag is of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de termijn door de kantonrechter kan worden verlengd op grond van artikel 4:77 BW. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat niet het geval. Daartoe overweegt zij als volgt.



4.5.
Een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 4:77 BW doet zich voor wanneer diegene redelijkerwijs niet in staat was een keuze te maken over het al dan niet (straffeloos) verwerpen van een nalatenschap. Te denken valt aan de omstandigheid dat de legitimaris in het buitenland woont of er nagenoeg geen kennis is over de omvang en samenstelling van de nalatenschap.



4.6.
Vaststaat dat [verzoeker 2] er bewust voor heeft gekozen zich niet actief bezig te houden met de kwestie. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn er aan de zijde van [verzoeker 2] dan ook geen bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen geven de termijn als bedoeld in artikel 4:72 BW te verlengen. De kantonrechter wijst het verzoek ten aanzien van [verzoeker 2] af.



4.7.
De gestelde bijzondere omstandigheden kunnen enkel betrekking hebben op [verzoeker 1] . De kantonrechter is van oordeel dat het feit dat de termijn ten tijde van het indienen van het verzoekschrift reeds vierenhalf jaar was verstreken maakt dat bijzondere omstandigheden niet snel zullen niet snel zullen worden aangenomen en extra motivering behoeven. De kantonrechter stelt echter vast dat [verzoeker 1] bekend was de met de inhoud van het testament en dat zij beschikte over een boedelbeschrijving met onderliggende stukken. Daaruit volgt dat zij, in ieder geval na het kort gedingvonnis van 13 maart 2023 en de stukken die zij daarna nog van [verweerder] heeft ontvangen, een duidelijk beeld had over wat het een en ander te betekenen kan hebben voor (het breukdeel van) haar erfrechtelijke positie als erfgenaam of legitimaris. Dit heeft zij ook zo bij brief van 11 september 2023 aan [verweerder] medegedeeld, waarbij zij tevens heeft aangegeven zich het recht voor te behouden een beroep te doen op de legitieme portie. Naar het oordeel van de kantonrechter was [verzoeker 1] dus in ieder geval op dat moment in staat een keuze te maken over het al dan niet aanvaarden van de nalatenschap en had het op haar weg gelegen om op dat moment verlenging van de termijn te verzoeken en/of een beroep te doen op de legitieme portie. Dat heeft [verzoeker 1] niet gedaan tot dit moment, pas drie jaar later.



4.8.

[verzoeker 1] stelt dat zij niet eerder om verlenging van de termijn heeft verzocht, omdat zij dacht met [verweerder] tot overeenstemming te kunnen komen en dat wilde zij niet belemmeren door een (nieuwe) procedure te voeren. Dat kan de kantonrechter echter niet volgen. De wet bepaalt immers dat je om verlenging van de termijn te bewerkstelligen een verzoek moet doen aan de kantonrechter. Er is geen sprake van een procedure tegen [verweerder] waarbij veroordeling van [verweerder] wordt gevraagd, zodat niet aannemelijk is dat dit aan het bereiken van overeenstemming in de weg zou staan. Zeker niet als daarover op voorhand duidelijk gecommuniceerd zou worden. Dit kwalificeert daarom ook niet als een bijzondere omstandigheid zoals bedoeld in artikel 4:77 BW.



4.9.
Naar het oordeel van de kantonrechter hebben zich aan de zijde van [verzoeker 1] sindsdien geen omstandigheden meer voorgedaan die nopen tot verlenging van de termijn. Dat tussen [verzoeker 1] en [verweerder] op bepaalde onderdelen van de nalatenschap discussie bestaat, zoals over de renteberekening ten aanzien van de vordering die [verzoeker 1] heeft op de nalatenschap van erflater uit hoofde van de nalatenschap van haar moeder, brengt niet met zich dat er onvoldoende inzicht bestaat over de omvang en samenstelling van de nalatenschap en betekent niet dat [verzoeker 1] daardoor niet in staat kon worden geacht een keuze te maken over het (straffeloos) verwerpen van de nalatenschap.



4.10.
De kantonrechter concludeert dat de verzoeken moeten worden afgewezen omdat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid aan de zijde van [verzoeker 1] noch aan de zijde van [verzoeker 2] .



4.11.

[verweerder] verzoekt de kantonrechter om [verzoekers] in de proceskosten te veroordelen. De kantonrechter ziet echter in de familierelatie tussen partijen aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.






5De beslissing


De kantonrechter



5.1.
wijst het verzoek af,



5.2.
compenseert de proceskosten.


Deze beschikking is gegeven door mr. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.