Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2025:2111
2025-03-05
Civiel recht
11321685 \ CV EXPL 24-4878
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzekeringsrecht; dekking
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.569 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11321685 \ CV EXPL 24-4878
Vonnis van 5 maart 2025
in de zaak van
CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: CZ,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 september 2024 met producties 1 tot en met 3- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek met producties 1 tot en met 3 - de rolinstructie inhoudende dat het recht van [gedaagde] om te concluderen voor dupliek is vervallen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
CZ heeft medische kosten van [gedaagde] vergoed die betrekking hadden op de periode 1 maart 2022 tot en met 19 december 2022. Nadien is gebleken dat [gedaagde] hiervoor in die periode niet verzekerd was.
2.2.
Bij brief van 5 december 2023 heeft CZ [gedaagde] geïnformeerd dat hij een bedrag van € 1.388,11 dient terug te betalen aan CZ. [gedaagde] is, na aanmaning, niet overgegaan tot betaling.
3Het geschil
3.1.
CZ vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.780,47 (€ 1.388,11 aan hoofdsom, € 208,22 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 184,14 aan wettelijke rente), vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.388,11 vanaf datum dagvaarding, alsmede de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
CZ legt aan haar vordering ten grondslag dat zij een bedrag van € 1.388,11 onverschuldigd betaald heeft aan [gedaagde] . CZ stelt daartoe dat [gedaagde] in de periode van 6 mei 2022 tot en met 30 november 2022 gebruik heeft gemaakt van zorg, dat CZ de kosten van deze behandelingen vergoed heeft en dat later bleek dat [gedaagde] geen basisverzekering had afgesloten bij CZ in voornoemde periode. Volgens CZ dekt de aanvullende Jongerenzorgverzekering die [gedaagde] wel had deze kosten niet.
4.2.
[gedaagde] stelt altijd netjes de verzekeringspremie betaald te hebben. Mocht [gedaagde] het gevorderde bedrag verschuldigd zijn, dan wil hij graag een betalingsregeling treffen met CZ.
4.3.
CZ heeft bij repliek uitgelegd hoe het kwam dat [gedaagde] in de bedoelde periode geen basisverzekering had. Aangezien [gedaagde] niet meer heeft gereageerd op de conclusie van repliek en hij in de conclusie van antwoord de vordering inhoudelijk niet althans onvoldoende betwist heeft, ligt de vordering voor toewijzing gereed. De kantonrechter kan geen betalingsregeling opleggen. Om een betalingsregeling te verkrijgen, moet [gedaagde] zich tot CZ wenden.
4.4.
CZ vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 208,22. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief. CZ heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden op grond van het voorgaande toegewezen.
4.5.
De wettelijke rente zal worden toegewezen zoals gevorderd.
4.6.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
136,72
- griffierecht
€
372,00
- salaris gemachtigde
€
408,00
(2 punten × € 204,00)
- nakosten
€
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.018,72
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan CZ te betalen een bedrag van € 1.780,47, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 1.388,11, met ingang van 17 september 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.018,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2025.
SH
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11321685 \ CV EXPL 24-4878
Vonnis van 5 maart 2025
in de zaak van
CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: CZ,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 september 2024 met producties 1 tot en met 3- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek met producties 1 tot en met 3 - de rolinstructie inhoudende dat het recht van [gedaagde] om te concluderen voor dupliek is vervallen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
CZ heeft medische kosten van [gedaagde] vergoed die betrekking hadden op de periode 1 maart 2022 tot en met 19 december 2022. Nadien is gebleken dat [gedaagde] hiervoor in die periode niet verzekerd was.
2.2.
Bij brief van 5 december 2023 heeft CZ [gedaagde] geïnformeerd dat hij een bedrag van € 1.388,11 dient terug te betalen aan CZ. [gedaagde] is, na aanmaning, niet overgegaan tot betaling.
3Het geschil
3.1.
CZ vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.780,47 (€ 1.388,11 aan hoofdsom, € 208,22 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 184,14 aan wettelijke rente), vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.388,11 vanaf datum dagvaarding, alsmede de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
CZ legt aan haar vordering ten grondslag dat zij een bedrag van € 1.388,11 onverschuldigd betaald heeft aan [gedaagde] . CZ stelt daartoe dat [gedaagde] in de periode van 6 mei 2022 tot en met 30 november 2022 gebruik heeft gemaakt van zorg, dat CZ de kosten van deze behandelingen vergoed heeft en dat later bleek dat [gedaagde] geen basisverzekering had afgesloten bij CZ in voornoemde periode. Volgens CZ dekt de aanvullende Jongerenzorgverzekering die [gedaagde] wel had deze kosten niet.
4.2.
[gedaagde] stelt altijd netjes de verzekeringspremie betaald te hebben. Mocht [gedaagde] het gevorderde bedrag verschuldigd zijn, dan wil hij graag een betalingsregeling treffen met CZ.
4.3.
CZ heeft bij repliek uitgelegd hoe het kwam dat [gedaagde] in de bedoelde periode geen basisverzekering had. Aangezien [gedaagde] niet meer heeft gereageerd op de conclusie van repliek en hij in de conclusie van antwoord de vordering inhoudelijk niet althans onvoldoende betwist heeft, ligt de vordering voor toewijzing gereed. De kantonrechter kan geen betalingsregeling opleggen. Om een betalingsregeling te verkrijgen, moet [gedaagde] zich tot CZ wenden.
4.4.
CZ vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 208,22. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief. CZ heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden op grond van het voorgaande toegewezen.
4.5.
De wettelijke rente zal worden toegewezen zoals gevorderd.
4.6.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
136,72
- griffierecht
€
372,00
- salaris gemachtigde
€
408,00
(2 punten × € 204,00)
- nakosten
€
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.018,72
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan CZ te betalen een bedrag van € 1.780,47, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 1.388,11, met ingang van 17 september 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.018,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2025.
SH