Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2025:1796

2025-02-12 Civiel recht 11539612 BT VERZ 25-999, VB-nr. 22518
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2025-02-12
Publicatiedatum
2025-02-26
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
11539612 BT VERZ 25-999, VB-nr. 22518
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | Notamail 2025/49 | JERF Actueel 2025/120 | Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2025/145 | ERF-Updates.nl 2025-0154 | VEAN-ERF-Updates.nl 2025-0154

Inhoudsindicatie

Minderjarigenbewind/testamentair bewind. Nalatenschap. Executele. Machtiging om onroerend goed te gelde te maken in dit geval niet nodig.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (3.956 tekens)
RECHTBANK LIMBURG

Team Toezicht
Zittingsplaats Roermond



Zaaknummer: 11539612 BT VERZ 25-999
VB-nummer: 22518
Uitspraakdatum: 12 februari 2025




Beschikking op een machtigingsverzoek


op het verzoek van:




[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 1970,
wonende te [adres 1] , [woonplaats 1] ,
hierna: de verzoeker.



met betrekking tot:





[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 2008,
wonende te [adres 2] , [woonplaats 2] ,
hierna: de betrokkene.




procedure


De kantonrechter heeft kennisgenomen van:



het verzoekschrift, per mail ingekomen op 11 februari 2025,


een aanvulling van het verzoek, per mail ingekomen op 11 en 12 februari 2025.




De kantonrechter heeft op grond van de ontvangen informatie afgezien van een mondelinge behandeling.




verzoek


Het verzoek strekt tot het verlenen van een machtiging om als executeur in een nalatenschap over te gaan tot de verkoop en levering van de woning van de erflater, die onder andere aan de minderjarige betrokkene toekomt.




beoordeling


De verzoeker is een van de executeurs/afwikkelingsbewindvoerders in de nalatenschap van de erflater. Op grond van het bepaalde in artikel 4:147 lid 1 BW is de executeur bevoegd door hem beheerde goederen te gelde te maken, voor zover dit nodig is voor de tot zijn taak behorende voldoening van schulden der nalatenschap en de nakoming der hem opgelegde lasten. Uit het in het geding gebrachte testament volgt dat erflater gebruik heeft gemaakt van de hem in artikel 4:147 lid 2 BW gegeven mogelijkheid om de executeur de bevoegdheid te geven, zonder overleg of toestemming van de erfgenamen, keuzes te maken over het te gelde maken van goederen en de wijze van tegeldemaking.

De kantonrechter begrijpt uit het verzoek dat de woning mede wordt verkocht, omdat dit nodig is voor de voldoening van schulden van de nalatenschap en nakoming van aan de executeur opgelegde lasten. De executeur kan dus zonder medewerking of toestemming van de erfgenamen tot de verkoop en levering van de woning overgegaan. Een machtiging ex artikel 1:345 BW jo 1:253k BW ten behoeve van de minderjarige erfgenaam behoeft in dat geval niet te worden gegeven. Het verzoek wordt daarom afgewezen.



De kantonrechter heeft de mogelijkheid om ambtshalve te bepalen dat het aan de minderjarige toekomende deel van de opbrengst van de verkoop van de woning wordt gestort op een bankrekening ten name van de minderjarige die is voorzien van een zogenoemde BEM-clausule. De kantonrechter ziet hiervan af, omdat het testamentaire bewind voldoende is om de vermogensrechtelijke belangen van de minderjarige te beschermen. Daarom acht de kantonrechter het openen van een bankrekening met een BEM-clausule niet noodzakelijk, nuttig of wenselijk.




beslissing


De kantonrechter:



- wijst het verzoek af.




Deze beschikking is gegeven door mr. G.M. Drenth, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier, R. Beenkens.























Tegen deze beschikking kan – door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te
‘s-Hertogenbosch, door de verzoeker en de in de procedure verschenen belanghebbenden binnen drie maanden vanaf de uitspraakdatum en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van de uitspraak of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.