Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2025:11556
2025-11-26
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/03/338825 HA ZA 25-67
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Afwikkeling samenwerkingsovereenkomst. Geen gezag van gewijsde uitspraak eerdere procedure, omdat die procedure niet tussen dezelfde partijen is gevoerd. Verwijzing naar stukken die een andere procedure zijn gewisseld volstaat niet. Niet voldaan aan stelplicht, afwijzing vorderingen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2020:2099 Hoge Raad 18-12-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.827 tekens)
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/338825 / HA ZA 25-67
Vonnis van 26 november 2025
in de zaak van
[naam eiser]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. H.C. Ingelse,
tegen
[naam gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. I.P. Sigmond.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 7- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 3
- de akte eiswijziging van [eiser]
- de mondelinge behandeling van 26 september 2025
- de antwoordakte eiswijziging van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Partijen hebben een samenwerkingsovereenkomst gesloten ter zake de uitvoering van het project “Een baan in de ICT, daar kom je verder mee!”. Het project was gericht op het verkrijgen van subsidies ten behoeve van het begeleiden en opleiden van werklozen tot ICT’ers.
2.2.
In de samenwerkingsovereenkomst is voor zover van belang het volgende opgenomen:
“spreken af dat:
Alle inkomsten die voortkomen uit de ICT omscholing en/of ICT bijscholingstrajecten van studenten of anderszins die de samenwerkende partners vanaf 1 december 2017 activeren, delen [gedaagde] en [eiser] in gelijke mate. De partners declareren hun inspanning derhalve 50% - 50%. Inkomsten vanaf 1 december 2017 gelden vertrekpunt voor de gelijke verdeling die is overeengekomen. De partners informeren elkaar steeds vooraf voordat ze een hun declaraties indienen en stemmen die op elkaar af zodat er gelijktijdig en gelijkwaardig wordt gedeclareerd. Dit steeds wel zo snel mogelijk na binnenkomst van inkomsten.
Aanvragen en uitbetalingen van subsidies en/of andere vormen van inkomsten welke gerelateerd zijn aan de bedoelde ICT omscholing en/of ICT bijscholingstrajecten, vinden plaats aan een door de twee samenwerkende partners aan te wijzen rechtspersoon. Daartoe is gekozen voor [naam besloten vennootschap] . Deze BV is tevens inkoper van diensten en penvoerder van het project. Daarnaast treedt [de besloten vennootschap] op als werkgever. Alleen in samenspraak en na gezamenlijke goedkeuring kan daarvan worden afgeweken. Tijdens de looptijd van dit project is en blijkt [gedaagde] DGA van [de besloten vennootschap] met 100% beslissingsbevoegdheid en verantwoordelijkheid.
(…)
(…)
[gedaagde] en [eiser] stappen op een gelijkwaardige en ondernemende basis in deze de ICT omscholing en/of ICT bijscholingstrajecten vanaf 1 december 2017. Daarmee wordt ook het risico van mogelijke, niet uitbetaalde bedragen gelijk gedeeld; ook wanneer daar vooraf wel op was gerekend.
In de geest van de overeengekomen samenwerking vindt uitbetaling van de declaraties van de partners steeds gelijktijdig en op evenredige basis plaats zodat er op geen onderlinge verschillen in uitbetaling ontstaan.
(...)
(…)
(…)
Met betrekking tot [de besloten vennootschap] : ten behoeve van dit project hebben de samenwerkende partners voor verwerking van inkomsten en uitgaven overwogen: een eenmanszaak, een VOF en een BV. om risico te dekken, hebben de samenwerkende partners gekozen voor een rechtspersoon. Daarbij is de keuze gevallen op [de besloten vennootschap] . Dit omdat deze BV per direct inzetbaar was, contractspartner is van MKB Sectorplan Limburg en dus bekend bij de penvoerder van het MKB sectorplan Limburg,”
2.3.
Partijen hebben bij verschillende overheidsinstanties subsidies aangevraagd via de besloten vennootschap van [gedaagde] , [de besloten vennootschap] , welke BV als penvoerder werd aangewezen. [gedaagde] is enig bestuurder en aandeelhouder (geweest) van [de besloten vennootschap] .
2.4.
De potentiële kandidaten werden aangeleverd door het UWV en vervolgens door partijen geselecteerd om te starten met een ICT-opleiding bij Novi Hogeschool.
2.5.
Partijen hebben uitvoering gegeven aan dit project en inkomsten gegenereerd ter hoogte van in totaal € 428.386,18.
2.6.
[eiser] heeft facturen ingediend bij [de besloten vennootschap] voor een totaalbedrag van € 155.506,46. Daarvan is een bedrag van € 102.246,62 uitbetaald aan [eiser] en een bedrag van € 53.259,84 niet.
2.7.
In 2019 is [de besloten vennootschap] een procedure gestart tegen [eiser] . [de besloten vennootschap] vorderde in conventie een verklaring voor recht dat [eiser] tekort was geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht en betaling van diverse bedragen van circa € 170.000,-. [eiser] heeft in reconventie onder meer gevorderd dat [de besloten vennootschap] wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 53.259,84.
2.8.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 26 juli 2023 de vorderingen van [de besloten vennootschap] in conventie afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank de vorderingen van [eiser] grotendeels toegewezen. De rechtbank heeft – kort gezegd – geoordeeld dat geen sprake is van een overeenkomst van opdracht tussen [de besloten vennootschap] en [eiser] , maar van een samenwerkingsovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] . De rechtbank heeft [de besloten vennootschap] onder meer veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 53.259,84. Daarnaast is [de besloten vennootschap] veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis van 26 juli 2023 is in kracht van gewijsde gegaan.
2.9.
Op 22 augustus 2023 is [de besloten vennootschap] failliet verklaard. Het faillissement is opgeheven wegens gebrek aan baten.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert – na eiswijziging – dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot:
primair: betaling aan [eiser] van een bedrag aan hoofdsom van € 72.458,07 en een bedrag aan buitengerechtelijke kosten van € 3.863,40, te voldoen binnen twee weken na betekening van het vonnis;
subsidiair: betaling aan [eiser] van een bedrag aan hoofdsom van € 61.273,50 en een bedrag aan buitengerechtelijke kosten van € 3.304,17, te voldoen binnen twee weken na betekening van het vonnis;
primair en subsidiair: betaling aan [eiser] van de wettelijke handelsrente, subsidiair de wettelijke rente, over ieder bedrag tot betaling waarvan [gedaagde] wordt veroordeeld, rente te rekenen met ingang van de datum van de door [eiser] verstuurde facturen, althans met ingang van 12 juli 2019, zijnde twee weken na verzending van de eerste aanmaning (27 juni 2019; productie 3 bij dagvaarding), althans met ingang van de datum van de dagvaarding, te voldoen binnen twee weken na betekening van het vonnis;
primair en subsidiair: tot betaling aan [eiser] van de kosten van deze procedure, met inbegrip van de nakosten, te voldoen binnen twee weken na betekening van het vonnis.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
De eiswijziging
4.1.
[eiser] heeft de dag voorafgaand aan de mondelinge behandeling een akte eiswijziging ingediend. Aangezien [gedaagde] voorafgaand aan de zitting onvoldoende gelegenheid heeft gehad om de eiswijziging te bestuderen en daar adequaat tijdens de mondelinge behandeling op te reageren, is de zaak verwezen naar de rol voor antwoordakte. [gedaagde] heeft bij akte van 15 oktober 2025 bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging.
4.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, is de eiser bevoegd zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk, bij conclusie of akte, te veranderen of te vermeerderen. Gedaagde is bevoegd hiertegen bezwaar te maken, op grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. [gedaagde] heeft bezwaren geuit tegen de eiswijziging, omdat deze te laat in de procedure zou zijn ingebracht. De rechtbank overweegt dat [eiser] weliswaar de eiswijziging eerder had kunnen aankondigen, maar het late moment van aankondigen heeft naar het oordeel van de rechtbank niet geleid tot een onredelijke bemoeilijking van de mogelijkheden van [gedaagde] om verweer te voeren. Immers ziet de eiswijziging uitsluitend op een wijziging van het gevorderde bedrag, welke wijziging voortvloeit uit een door [gedaagde] bij conclusie van antwoord ingenomen standpunt over de hoogte van de gerealiseerde projectinkomsten. Daar komt bij dat aan [gedaagde] een extra schriftelijke termijn is gegund om op de eiswijziging te reageren, van welke gelegenheid [gedaagde] ook gebruik heeft gemaakt.
4.3.
De rechtbank ziet dan ook geen reden waarom de eis in dit geval in strijd zou zijn met een goede procesorde, zodat de eiswijziging wordt toegestaan.
Inhoudelijke beoordeling
4.4.
De vorderingen van [eiser] strekken primair tot betaling van een geldbedrag uit hoofde van de tussen partijen gesloten samenwerkingsovereenkomst. De hoogte van het gevorderde bedrag is door [gedaagde] gemotiveerd betwist. [gedaagde] heeft daarbij aangevoerd dat [eiser] uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst geen recht meer heeft op enige betaling.
4.5.
Het is aan [eiser] om zijn stelling dat hij recht heeft op betaling van enig bedrag met voldoende feiten te onderbouwen en bij betwisting deze feiten te bewijzen (artikel 150 Rv). [eiser] heeft op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt op basis waarvan hij recht meent te hebben op betaling van een bedrag van € 72.458,07. De stelling dat partijen inkomsten hebben gegenereerd van € 428.386,18 en [eiser] dus recht zou hebben op een bedrag van € 72.458,07 is te kort door de bocht en zonder nadere toelichting – die ontbreekt – onnavolgbaar.
4.6.
De discussie tussen partijen onttrekt zich voor een groot deel aan het zicht van de rechtbank. Het geschil dat thans aan de rechtbank is voorgelegd, is het puntje van de ijsberg, terwijl de rest van het geschil niet met de rechtbank is gedeeld. De oorzaak hiervan lijkt erin te zijn gelegen dat partijen (althans [eiser] ) ervan uit lijken te gaan dat de rechtbank kennis heeft kunnen nemen van alle stukken die zijn gewisseld in de procedure tegen [de besloten vennootschap] . [eiser] heeft namelijk tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat de berekeningen die ten grondslag liggen aan zijn vorderingen zijn gedeeld in de procedure tegen [de besloten vennootschap] en een beroep gedaan op het gezag van gewijsde van het vonnis van 26 juli 2023.
4.7.
Dit beroep op het gezag van gewijsde faalt. Het gezag van gewijsde kan worden ingeroepen als in een geding tussen dezelfde partijen eenzelfde geschilpunt wordt voorgelegd als in een eerder geding, en de in het dictum van de eerdere uitspraak gegeven beslissing (mede) berust op een beslissing over dat geschilpunt, ongeacht of wat gevorderd wordt hetzelfde is (zie o.a. HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099). Het vonnis van 26 juli 2023 voldoet echter niet aan deze vereisten; het is gewezen tussen [de besloten vennootschap] en [eiser] – [gedaagde] was geen partij in die procedure. Het vonnis heeft dan ook enkel bindende kracht tussen [de besloten vennootschap] en [eiser] .
4.8.
De rechtbank heeft partijen tijdens de mondelinge behandeling voorgehouden dat de procedure tegen [de besloten vennootschap] een separate procedure betreft, dat in de onderhavige procedure uitsluitend kennis kan worden genomen van de stukken die in deze procedure zijn gedeeld, het vonnis van 26 juli 2023 in onderhavige procedure geen gezag van gewijsde heeft en [eiser] niet kan volstaan met verwijzing naar de procedure tegen [de besloten vennootschap] . [eiser] heeft in reactie daarop aangeboden het gehele procesdossier van de procedure tegen [de besloten vennootschap] in het geding te brengen. Echter, [eiser] heeft nagelaten voldoende feiten te stellen die zijn vordering kunnen dragen, welke feiten eventueel zouden kunnen worden onderbouwd door overlegging van nadere stukken. Het enkele overleggen van stukken volstaat niet. [eiser] dient (eerst) feiten te stellen die zijn vordering kunnen dragen. Nu hij dat heeft nagelaten kan de vordering reeds om die reden niet worden toegewezen en zal het aanbod tot het overleggen van het procesdossier worden gepasseerd.
4.9.
Datzelfde geldt voor het (subsidiaire) beroep van [eiser] op bestuurdersaansprakelijkheid. [eiser] heeft gesteld dat [gedaagde] al hetgeen aan [eiser] dient te voldoen waartoe het failliete [de besloten vennootschap] is veroordeeld. [eiser] heeft gesteld dat [gedaagde] de samenwerkingsovereenkomst mede als bestuurder van [de besloten vennootschap] heeft gesloten terwijl hij wist althans behoorde te weten dat [de besloten vennootschap] niet binnen een redelijke termijn aan haar verplichtingen uit de overeenkomst aan [eiser] zou kunnen voldoen en dat zij geen verhaal zou bieden voor de schade die [eiser] als gevolg van de wanprestatie zou lijden, aldus [eiser] . [eiser] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die kunnen leiden tot de conclusie dat [de besloten vennootschap] partij bij de samenwerkingsovereenkomst was. Sterker nog, [eiser] heeft enkel verwezen naar de procedure tegen [de besloten vennootschap] , waar nota bene is geoordeeld dat [de besloten vennootschap] geen partij is bij de samenwerkingsovereenkomst. Verder heeft [eiser] niets gesteld ten aanzien van de vraag waarom [gedaagde] wist of had moeten weten dat [de besloten vennootschap] geen verhaal zou bieden. [de besloten vennootschap] was volgens de eigen toelichting van [eiser] in feite slechts een administratieve rol toebedeeld en fungeerde als een soort doorgeefluik van de ontvangen subsidiegelden aan [eiser] en [gedaagde] . Waarom [gedaagde] ten tijde van het sluiten van de samenwerkingsovereenkomst had moeten weten dat [de besloten vennootschap] geen verhaal zou bieden, wordt door [eiser] niet nader toegelicht.
4.10.
Samengevat heeft [eiser] niet aan zijn stelplicht voldaan. De rechtbank zal de vorderingen van [eiser] reeds om die reden afwijzen en komt dan ook niet toe aan een bespreking van de verweren van [gedaagde] .
Proceskosten
4.11.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
€
1.374,00
- salaris advocaat
€
3.035,00
(2,5 punten × € 1.214,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.587,00
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 4.587,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. dr. R. Kluin en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.
MS
Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/338825 / HA ZA 25-67
Vonnis van 26 november 2025
in de zaak van
[naam eiser]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. H.C. Ingelse,
tegen
[naam gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. I.P. Sigmond.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 7- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 3
- de akte eiswijziging van [eiser]
- de mondelinge behandeling van 26 september 2025
- de antwoordakte eiswijziging van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Partijen hebben een samenwerkingsovereenkomst gesloten ter zake de uitvoering van het project “Een baan in de ICT, daar kom je verder mee!”. Het project was gericht op het verkrijgen van subsidies ten behoeve van het begeleiden en opleiden van werklozen tot ICT’ers.
2.2.
In de samenwerkingsovereenkomst is voor zover van belang het volgende opgenomen:
“spreken af dat:
Alle inkomsten die voortkomen uit de ICT omscholing en/of ICT bijscholingstrajecten van studenten of anderszins die de samenwerkende partners vanaf 1 december 2017 activeren, delen [gedaagde] en [eiser] in gelijke mate. De partners declareren hun inspanning derhalve 50% - 50%. Inkomsten vanaf 1 december 2017 gelden vertrekpunt voor de gelijke verdeling die is overeengekomen. De partners informeren elkaar steeds vooraf voordat ze een hun declaraties indienen en stemmen die op elkaar af zodat er gelijktijdig en gelijkwaardig wordt gedeclareerd. Dit steeds wel zo snel mogelijk na binnenkomst van inkomsten.
Aanvragen en uitbetalingen van subsidies en/of andere vormen van inkomsten welke gerelateerd zijn aan de bedoelde ICT omscholing en/of ICT bijscholingstrajecten, vinden plaats aan een door de twee samenwerkende partners aan te wijzen rechtspersoon. Daartoe is gekozen voor [naam besloten vennootschap] . Deze BV is tevens inkoper van diensten en penvoerder van het project. Daarnaast treedt [de besloten vennootschap] op als werkgever. Alleen in samenspraak en na gezamenlijke goedkeuring kan daarvan worden afgeweken. Tijdens de looptijd van dit project is en blijkt [gedaagde] DGA van [de besloten vennootschap] met 100% beslissingsbevoegdheid en verantwoordelijkheid.
(…)
(…)
[gedaagde] en [eiser] stappen op een gelijkwaardige en ondernemende basis in deze de ICT omscholing en/of ICT bijscholingstrajecten vanaf 1 december 2017. Daarmee wordt ook het risico van mogelijke, niet uitbetaalde bedragen gelijk gedeeld; ook wanneer daar vooraf wel op was gerekend.
In de geest van de overeengekomen samenwerking vindt uitbetaling van de declaraties van de partners steeds gelijktijdig en op evenredige basis plaats zodat er op geen onderlinge verschillen in uitbetaling ontstaan.
(...)
(…)
(…)
Met betrekking tot [de besloten vennootschap] : ten behoeve van dit project hebben de samenwerkende partners voor verwerking van inkomsten en uitgaven overwogen: een eenmanszaak, een VOF en een BV. om risico te dekken, hebben de samenwerkende partners gekozen voor een rechtspersoon. Daarbij is de keuze gevallen op [de besloten vennootschap] . Dit omdat deze BV per direct inzetbaar was, contractspartner is van MKB Sectorplan Limburg en dus bekend bij de penvoerder van het MKB sectorplan Limburg,”
2.3.
Partijen hebben bij verschillende overheidsinstanties subsidies aangevraagd via de besloten vennootschap van [gedaagde] , [de besloten vennootschap] , welke BV als penvoerder werd aangewezen. [gedaagde] is enig bestuurder en aandeelhouder (geweest) van [de besloten vennootschap] .
2.4.
De potentiële kandidaten werden aangeleverd door het UWV en vervolgens door partijen geselecteerd om te starten met een ICT-opleiding bij Novi Hogeschool.
2.5.
Partijen hebben uitvoering gegeven aan dit project en inkomsten gegenereerd ter hoogte van in totaal € 428.386,18.
2.6.
[eiser] heeft facturen ingediend bij [de besloten vennootschap] voor een totaalbedrag van € 155.506,46. Daarvan is een bedrag van € 102.246,62 uitbetaald aan [eiser] en een bedrag van € 53.259,84 niet.
2.7.
In 2019 is [de besloten vennootschap] een procedure gestart tegen [eiser] . [de besloten vennootschap] vorderde in conventie een verklaring voor recht dat [eiser] tekort was geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht en betaling van diverse bedragen van circa € 170.000,-. [eiser] heeft in reconventie onder meer gevorderd dat [de besloten vennootschap] wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 53.259,84.
2.8.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 26 juli 2023 de vorderingen van [de besloten vennootschap] in conventie afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank de vorderingen van [eiser] grotendeels toegewezen. De rechtbank heeft – kort gezegd – geoordeeld dat geen sprake is van een overeenkomst van opdracht tussen [de besloten vennootschap] en [eiser] , maar van een samenwerkingsovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] . De rechtbank heeft [de besloten vennootschap] onder meer veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 53.259,84. Daarnaast is [de besloten vennootschap] veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis van 26 juli 2023 is in kracht van gewijsde gegaan.
2.9.
Op 22 augustus 2023 is [de besloten vennootschap] failliet verklaard. Het faillissement is opgeheven wegens gebrek aan baten.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert – na eiswijziging – dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot:
primair: betaling aan [eiser] van een bedrag aan hoofdsom van € 72.458,07 en een bedrag aan buitengerechtelijke kosten van € 3.863,40, te voldoen binnen twee weken na betekening van het vonnis;
subsidiair: betaling aan [eiser] van een bedrag aan hoofdsom van € 61.273,50 en een bedrag aan buitengerechtelijke kosten van € 3.304,17, te voldoen binnen twee weken na betekening van het vonnis;
primair en subsidiair: betaling aan [eiser] van de wettelijke handelsrente, subsidiair de wettelijke rente, over ieder bedrag tot betaling waarvan [gedaagde] wordt veroordeeld, rente te rekenen met ingang van de datum van de door [eiser] verstuurde facturen, althans met ingang van 12 juli 2019, zijnde twee weken na verzending van de eerste aanmaning (27 juni 2019; productie 3 bij dagvaarding), althans met ingang van de datum van de dagvaarding, te voldoen binnen twee weken na betekening van het vonnis;
primair en subsidiair: tot betaling aan [eiser] van de kosten van deze procedure, met inbegrip van de nakosten, te voldoen binnen twee weken na betekening van het vonnis.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
De eiswijziging
4.1.
[eiser] heeft de dag voorafgaand aan de mondelinge behandeling een akte eiswijziging ingediend. Aangezien [gedaagde] voorafgaand aan de zitting onvoldoende gelegenheid heeft gehad om de eiswijziging te bestuderen en daar adequaat tijdens de mondelinge behandeling op te reageren, is de zaak verwezen naar de rol voor antwoordakte. [gedaagde] heeft bij akte van 15 oktober 2025 bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging.
4.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, is de eiser bevoegd zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk, bij conclusie of akte, te veranderen of te vermeerderen. Gedaagde is bevoegd hiertegen bezwaar te maken, op grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. [gedaagde] heeft bezwaren geuit tegen de eiswijziging, omdat deze te laat in de procedure zou zijn ingebracht. De rechtbank overweegt dat [eiser] weliswaar de eiswijziging eerder had kunnen aankondigen, maar het late moment van aankondigen heeft naar het oordeel van de rechtbank niet geleid tot een onredelijke bemoeilijking van de mogelijkheden van [gedaagde] om verweer te voeren. Immers ziet de eiswijziging uitsluitend op een wijziging van het gevorderde bedrag, welke wijziging voortvloeit uit een door [gedaagde] bij conclusie van antwoord ingenomen standpunt over de hoogte van de gerealiseerde projectinkomsten. Daar komt bij dat aan [gedaagde] een extra schriftelijke termijn is gegund om op de eiswijziging te reageren, van welke gelegenheid [gedaagde] ook gebruik heeft gemaakt.
4.3.
De rechtbank ziet dan ook geen reden waarom de eis in dit geval in strijd zou zijn met een goede procesorde, zodat de eiswijziging wordt toegestaan.
Inhoudelijke beoordeling
4.4.
De vorderingen van [eiser] strekken primair tot betaling van een geldbedrag uit hoofde van de tussen partijen gesloten samenwerkingsovereenkomst. De hoogte van het gevorderde bedrag is door [gedaagde] gemotiveerd betwist. [gedaagde] heeft daarbij aangevoerd dat [eiser] uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst geen recht meer heeft op enige betaling.
4.5.
Het is aan [eiser] om zijn stelling dat hij recht heeft op betaling van enig bedrag met voldoende feiten te onderbouwen en bij betwisting deze feiten te bewijzen (artikel 150 Rv). [eiser] heeft op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt op basis waarvan hij recht meent te hebben op betaling van een bedrag van € 72.458,07. De stelling dat partijen inkomsten hebben gegenereerd van € 428.386,18 en [eiser] dus recht zou hebben op een bedrag van € 72.458,07 is te kort door de bocht en zonder nadere toelichting – die ontbreekt – onnavolgbaar.
4.6.
De discussie tussen partijen onttrekt zich voor een groot deel aan het zicht van de rechtbank. Het geschil dat thans aan de rechtbank is voorgelegd, is het puntje van de ijsberg, terwijl de rest van het geschil niet met de rechtbank is gedeeld. De oorzaak hiervan lijkt erin te zijn gelegen dat partijen (althans [eiser] ) ervan uit lijken te gaan dat de rechtbank kennis heeft kunnen nemen van alle stukken die zijn gewisseld in de procedure tegen [de besloten vennootschap] . [eiser] heeft namelijk tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat de berekeningen die ten grondslag liggen aan zijn vorderingen zijn gedeeld in de procedure tegen [de besloten vennootschap] en een beroep gedaan op het gezag van gewijsde van het vonnis van 26 juli 2023.
4.7.
Dit beroep op het gezag van gewijsde faalt. Het gezag van gewijsde kan worden ingeroepen als in een geding tussen dezelfde partijen eenzelfde geschilpunt wordt voorgelegd als in een eerder geding, en de in het dictum van de eerdere uitspraak gegeven beslissing (mede) berust op een beslissing over dat geschilpunt, ongeacht of wat gevorderd wordt hetzelfde is (zie o.a. HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099). Het vonnis van 26 juli 2023 voldoet echter niet aan deze vereisten; het is gewezen tussen [de besloten vennootschap] en [eiser] – [gedaagde] was geen partij in die procedure. Het vonnis heeft dan ook enkel bindende kracht tussen [de besloten vennootschap] en [eiser] .
4.8.
De rechtbank heeft partijen tijdens de mondelinge behandeling voorgehouden dat de procedure tegen [de besloten vennootschap] een separate procedure betreft, dat in de onderhavige procedure uitsluitend kennis kan worden genomen van de stukken die in deze procedure zijn gedeeld, het vonnis van 26 juli 2023 in onderhavige procedure geen gezag van gewijsde heeft en [eiser] niet kan volstaan met verwijzing naar de procedure tegen [de besloten vennootschap] . [eiser] heeft in reactie daarop aangeboden het gehele procesdossier van de procedure tegen [de besloten vennootschap] in het geding te brengen. Echter, [eiser] heeft nagelaten voldoende feiten te stellen die zijn vordering kunnen dragen, welke feiten eventueel zouden kunnen worden onderbouwd door overlegging van nadere stukken. Het enkele overleggen van stukken volstaat niet. [eiser] dient (eerst) feiten te stellen die zijn vordering kunnen dragen. Nu hij dat heeft nagelaten kan de vordering reeds om die reden niet worden toegewezen en zal het aanbod tot het overleggen van het procesdossier worden gepasseerd.
4.9.
Datzelfde geldt voor het (subsidiaire) beroep van [eiser] op bestuurdersaansprakelijkheid. [eiser] heeft gesteld dat [gedaagde] al hetgeen aan [eiser] dient te voldoen waartoe het failliete [de besloten vennootschap] is veroordeeld. [eiser] heeft gesteld dat [gedaagde] de samenwerkingsovereenkomst mede als bestuurder van [de besloten vennootschap] heeft gesloten terwijl hij wist althans behoorde te weten dat [de besloten vennootschap] niet binnen een redelijke termijn aan haar verplichtingen uit de overeenkomst aan [eiser] zou kunnen voldoen en dat zij geen verhaal zou bieden voor de schade die [eiser] als gevolg van de wanprestatie zou lijden, aldus [eiser] . [eiser] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die kunnen leiden tot de conclusie dat [de besloten vennootschap] partij bij de samenwerkingsovereenkomst was. Sterker nog, [eiser] heeft enkel verwezen naar de procedure tegen [de besloten vennootschap] , waar nota bene is geoordeeld dat [de besloten vennootschap] geen partij is bij de samenwerkingsovereenkomst. Verder heeft [eiser] niets gesteld ten aanzien van de vraag waarom [gedaagde] wist of had moeten weten dat [de besloten vennootschap] geen verhaal zou bieden. [de besloten vennootschap] was volgens de eigen toelichting van [eiser] in feite slechts een administratieve rol toebedeeld en fungeerde als een soort doorgeefluik van de ontvangen subsidiegelden aan [eiser] en [gedaagde] . Waarom [gedaagde] ten tijde van het sluiten van de samenwerkingsovereenkomst had moeten weten dat [de besloten vennootschap] geen verhaal zou bieden, wordt door [eiser] niet nader toegelicht.
4.10.
Samengevat heeft [eiser] niet aan zijn stelplicht voldaan. De rechtbank zal de vorderingen van [eiser] reeds om die reden afwijzen en komt dan ook niet toe aan een bespreking van de verweren van [gedaagde] .
Proceskosten
4.11.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
€
1.374,00
- salaris advocaat
€
3.035,00
(2,5 punten × € 1.214,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.587,00
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 4.587,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. dr. R. Kluin en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.
MS