Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2021:8925
2021-11-26
Civiel recht
C/03/294935 / KG ZA 21-283
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding. Verstek. Inbreuk eigendomsrecht
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.046 tekens)
vonnis
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer: C/03/298267 / KG ZA 21-397
Vonnis in kort geding van 26 november 2021
in de zaak van
[eiseres] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres,
advocaat mr. E.H.M. Harbers,
tegen
[gedaagde]
,
wonend te [woonplaats] ,
gedaagde,
niet verschenen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties 1 tot en met 15
de door eiseres ingediende aanvullende producties 16 tot en met 19
het door gedaagde op 22 november 2021 ingediende schriftelijke verweer met producties, waarvan de voorzieningenrechter gelet op het bepaalde in artikel 255 Rv geen kennis heeft genomen
de mondelinge behandeling van 25 november 2021
het tijdens de mondelinge behandeling tegen gedaagde verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De beoordeling
2.1.
De vraag of eiseres voldoende spoedeisend belang heeft bij het onder 2 gevorderde voorschot op de schadevergoeding van € 7.000,-, dient te worden beantwoord aan de hand van de afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. Voorts geldt dat voor een toewijzing van een geldsom in kort geding slechts plaats is als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, bij afweging van de belangen van partijen, aan toewijzing niet in de weg staat. Het gevorderde voorschot op de schadevergoeding is zodanig onvoldoende onderbouwd dat deze als ongegrond zal worden afgewezen.
2.2.
Het gevorderde komt de voorzieningenrechter voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal worden toegewezen. De vordering tot betaling van de dwangsom moet, nu gedaagde niet is verschenen, zo letterlijk mogelijk worden uitgelegd, en wel zoals hierna is opgenomen in het dictum.
2.3.
Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eiseres worden begroot op:
- betekening oproeping € 101,32
- griffierecht 667,00
- salaris advocaat 656,00
Totaal € 1.424,32
3De beslissing
De voorzieningenrechter
3.1.
verbiedt gedaagde om eigendommen van eiseres te gebruiken c.q. in gebruik te nemen en aldus inbreuk te maken op het eigendomsrecht van eiseres,
3.2.
veroordeelt gedaagde zich te onthouden van inbreuk op het eigendomsrecht van eiseres,
3.3.
verbiedt gedaagde de percelen van eiseres te betreden c.q. derden opdracht te geven de percelen in zijn opdracht te bewerken,
3.4.
bepaalt dat gedaagde een dwangsom verbeurt van € 500,00 per dag dat gedaagde aanspraak maakt op gebruik van de gronden, zulks in de meest ruime zin des woords, met een maximum van € 500.000,00,
3.5.
veroordeelt gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op € 1.424,32,
3.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2021.
type: CJ
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer: C/03/298267 / KG ZA 21-397
Vonnis in kort geding van 26 november 2021
in de zaak van
[eiseres] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres,
advocaat mr. E.H.M. Harbers,
tegen
[gedaagde]
,
wonend te [woonplaats] ,
gedaagde,
niet verschenen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties 1 tot en met 15
de door eiseres ingediende aanvullende producties 16 tot en met 19
het door gedaagde op 22 november 2021 ingediende schriftelijke verweer met producties, waarvan de voorzieningenrechter gelet op het bepaalde in artikel 255 Rv geen kennis heeft genomen
de mondelinge behandeling van 25 november 2021
het tijdens de mondelinge behandeling tegen gedaagde verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De beoordeling
2.1.
De vraag of eiseres voldoende spoedeisend belang heeft bij het onder 2 gevorderde voorschot op de schadevergoeding van € 7.000,-, dient te worden beantwoord aan de hand van de afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. Voorts geldt dat voor een toewijzing van een geldsom in kort geding slechts plaats is als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, bij afweging van de belangen van partijen, aan toewijzing niet in de weg staat. Het gevorderde voorschot op de schadevergoeding is zodanig onvoldoende onderbouwd dat deze als ongegrond zal worden afgewezen.
2.2.
Het gevorderde komt de voorzieningenrechter voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal worden toegewezen. De vordering tot betaling van de dwangsom moet, nu gedaagde niet is verschenen, zo letterlijk mogelijk worden uitgelegd, en wel zoals hierna is opgenomen in het dictum.
2.3.
Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eiseres worden begroot op:
- betekening oproeping € 101,32
- griffierecht 667,00
- salaris advocaat 656,00
Totaal € 1.424,32
3De beslissing
De voorzieningenrechter
3.1.
verbiedt gedaagde om eigendommen van eiseres te gebruiken c.q. in gebruik te nemen en aldus inbreuk te maken op het eigendomsrecht van eiseres,
3.2.
veroordeelt gedaagde zich te onthouden van inbreuk op het eigendomsrecht van eiseres,
3.3.
verbiedt gedaagde de percelen van eiseres te betreden c.q. derden opdracht te geven de percelen in zijn opdracht te bewerken,
3.4.
bepaalt dat gedaagde een dwangsom verbeurt van € 500,00 per dag dat gedaagde aanspraak maakt op gebruik van de gronden, zulks in de meest ruime zin des woords, met een maximum van € 500.000,00,
3.5.
veroordeelt gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op € 1.424,32,
3.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2021.
type: CJ