Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2018:4388

2018-05-08 Civiel recht; Burgerlijk procesrecht C/03/249186 KG ZA 18/229
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2018-05-08
Publicatiedatum
2018-05-08
Rechtsgebied
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
C/03/249186 KG ZA 18/229
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | NJF 2018/340

Inhoudsindicatie

Rechtbank onbevoegd in vordering in kort geding ter zake van het niet-betalen van een voorschot op grond van de Participatiewet. Voorliggende voorziening aanwezig (voorzitter van gedeputeerde staten), en gesloten systeem van rechtsmiddelen sluit het treffen van een voorziening door de civiele rechter uit.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.527 tekens)
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Burgerlijk recht


Zaaknummer C/03/249186 KG ZA 18/229




Vonnis in kort geding van 8 mei 2018




in de zaak van





[eiser] ,

wonend te [woonplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde mr. I.M. van den Heuvel



tegen



de publiekrechtelijke rechtspersoon gemeente stein,
zetelend te Stein,
gedaagde partij, hierna: de gemeente,
gemachtigde C.J. Schoute, juridisch adviseur bedrijfsvoering.





1De procedure


Het verloop van de procedure blijkt uit:



de dagvaarding d.d. 23 april 2018


de mail van de zijde van [eiser] d.d. 26 april 2018, inhoudende een vermindering van eis,


het op 1 mei 2018 ontvangen verweerschrift met bijlagen


de mondelinge behandeling ter zitting van 1 mei 2018, waar partijen hun standpunten nader hebben toegelicht, mr. Van den Heuvel aan de hand van een pleitnota.


Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden.




2De feiten


2.1.
Op 23 januari 2018 heeft [eiser] bij het UWV een digitaal formulier, bestemd als aanvraagformulier voor een bijstandsuitkering in het kader van de Participatiewet, verzonden aan de gemeente. Op 6 februari 2018 heeft hij een intakegesprek gehad bij de gemeente.



2.2.
De gemeente heeft op 21 februari 2018, 5 maart 2018 en 14 maart 2018 [eiser] schriftelijk verzocht om nadere gegevens teneinde het recht op uitkering te kunnen vaststellen. Daarbij heeft de gemeente steeds een termijn gesteld voor het inleveren van de nog ontbrekende stukken en te kennen gegeven dat zij de termijn waarbinnen zij de aanvraag dient af te handelen, verlengt ex art. 4:15 Awb.



2.3.

Bij besluit van 18 april 2018 is [eiser] voor het eerst sinds zijn aanvraag een voorschot toegekend ter hoogte van € 848,00, zijnde 90% van de bijstandsnorm waar hij mogelijk recht op heeft. Dit bedrag is een dag later betaalbaar gesteld. In dit besluit omtrent het voorschot is tevens te kennen gegeven dat de gemeente nog bezig is met de aanvraag.

3. De vordering





3.1.

[eiser] vordert de veroordeling van de gemeente tot - kort gezegd - betaling van voorschotten op de bijstandsuitkering ex art. 52 Participatiewet totdat de gemeente op het recht op bijstand heeft beslist.



3.2.
De gemeente voert gemotiveerd verweer.





4De beoordeling


4.1.

De onderliggende aanspraak heeft een zuiver bestuursrechtelijke grondslag, immers: een voorschot op een bijstandsuitkering. Primair stelt de gemeente dat de rechtbank niet bevoegd is omdat er een bestuursrechtelijke voorliggende voorziening is, te weten de rechtsgang naar de voorzitter van gedeputeerde staten, zoals bepaald in art. 81 lid 1 Participatiewet:

1. In geval het college geen of ontoereikend toepassing heeft gegeven aan artikel 52 kan de voorzitter van gedeputeerde staten, indien naar zijn oordeel de noodzaak tot onverwijlde bijstand aanwezig is, op verzoek van de belanghebbende besluiten dat het college algemene bijstand verleent.





4.2.


[eiser] heeft die weg niet bewandeld. Volgens hem is deze rechtsgang geen adequate voorliggende voorziening, maar hij heeft dat onvoldoende onderbouwd. Als, zoals hij met zoveel woorden stelt, de procesgang bij de voorzitter van gedeputeerde staten niet behoorlijk geregeld is, betekent dat op zichzelf nog niet dat het geen adequate voorliggende voorziening is. Ook volgt dat niet uit het feit dat op grond van art. 81 lid 2 Participatiewet de beslissing van de voorzitter vervalt als een door de voorzieningenrechter van de rechtbank getroffen voorlopige voorziening in werking treedt.
Wat daar ook verder van zij, de wetgever heeft deze rechtsgang in het leven geroepen juist voor situaties als de onderhavige, waarin een belanghebbende (zoals [eiser] ) meent dat geen of ontoereikend toepassing is gegeven aan art. 52 lid 1 Participatiewet. Daar komt nog bij dat de wetgever een beslissing van de voorzitter van gedeputeerde staten uitdrukkelijk heeft uitgesloten van beroep (art. 1 Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak).
Het gesloten systeem van rechtsmiddelen sluit het treffen van een voorziening door de civiele rechter in deze situatie uit. Dit betekent dat de voorzieningenrechter onbevoegd is (nog daargelaten dat het aan te spreken bestuursorgaan het college van burgemeester en wethouders is, niet de gemeente).




4.3.

[eiser] zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van de gemeente begroot op € 633,- aan salaris gemachtigde.





5De beslissing


De rechtbank



5.1.
verklaart zich onbevoegd,



5.2.
veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van de gemeente begroot op € 633,-.


Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.F. Gerard, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2018.