Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2017:932

2017-02-02 Civiel recht; Burgerlijk procesrecht C/03/228783 / KG ZA 16-611
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2017-02-02
Publicatiedatum
2017-02-02
Rechtsgebied
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
C/03/228783 / KG ZA 16-611
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vordering tot doorhaling tweede hypothecaire inschrijving afgewezen omdat niet vastgesteld kon worden dat eisers niets meer verschuldigd zijn aan gedaagde. Dat gedaagde onrechtmatig jegens hen handelt door niet mee te werken aan doorhaling van de tweede hypothecaire inschrijving is daardoor niet komen vast te staan.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.623 tekens)
vonnis
RECHTBANK LIMBURG


Burgerlijk recht



Zittingsplaats Maastricht




zaaknummer / rolnummer: C/03/228783 / KG ZA 16-611




Vonnis in kort geding van 2 februari 2017




in de zaak van





1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,
2. [eiseres sub 2],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisers,
advocaat mr. A.J.J. Kreutzkamp,



tegen





[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats 2] , zaakdoende te [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
verschenen in persoon.



Partijen zullen hierna [eisers] c.s. en [gedaagde] genoemd worden.





1De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding,


het schrijven van mr. Kreutzkamp, ontvangen 11 januari 2017, met 6 producties,


het e-mailbericht van mr. Kreutzkamp van 12 januari 2017 met productie 7,


de mondelinge behandeling op 16 januari 2017,


de pleitnota van [eisers] c.s.,


de pleitnota van [gedaagde] ,


het e-mailbericht van mr. Kreuzkamp van 17 januari 2017 met productie (brief Deken der Orde van Advocaten in het arrondissement Maastricht van 15 januari 1998).





1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten

2.1.

[gedaagde] heeft in het verleden als advocaat en procureur voor [eisers] c.s. werkzaamheden verricht.



2.2.
Tussen partijen zijn declaratiegeschillen gerezen. In verband daarmee hebben partijen een overeenkomst gesloten en is bij notariële akte van 20 februari 1998 ten overstaan van notaris Pas te Beek door [eisers] c.s. ten gunste van [gedaagde] zekerheid gesteld in de vorm van het recht van tweede hypotheek op het pand van [eisers] c.s. aan de [adres] te [woonplaats 1] voor een bedrag van ƒ 123.000,00 (€ 55.814,97).





3Het geschil


3.1.

[eisers] c.s. vorderen, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om terstond na betekening van dit vonnis over te gaan tot doorhaling van de tweede hypothecaire inschrijving, op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag en voor iedere dag dat [gedaagde] aan deze veroordeling geen gevolg geeft, kosten rechtens.



3.2.

[eisers] c.s. zijn van mening dat al hetgeen aan [gedaagde] betaald moest worden uit hoofde van honorarium is betaald; zelfs meer dan dat. Zij hebben [gedaagde] verzocht en gesommeerd om de tweede hypothecaire inschrijving door te halen. [gedaagde] weigert dit. Volgens [eisers] c.s. handelt [gedaagde] hierdoor onrechtmatig jegens hen.



3.3.

[gedaagde] is van mening dat door [eisers] c.s. niet alles is voldaan. Hij stelt nog recht te hebben op € 1.584,89 vermeerderd met de wettelijke rente sinds 26 maart 2013. [gedaagde] wil alleen meewerken aan doorhaling als een andere vorm van zekerheid wordt gesteld.



3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.





4De beoordeling
Spoedeisendheid


4.1.
De spoedeisendheid is voldoende aangetoond omdat [eisers] c.s., indien inderdaad alles is voldaan, niet langer behoeven te accepteren dat het recht van tweede hypotheek blijft rusten op de hen in eigendom toebehorende onroerende zaak, zeker nu zij hierdoor belemmerd worden in de uitvoering van hun voornemen om het betreffende pand te verkopen.



De gevorderde doorhaling





4.2.
In de notariële akte van 20 februari 1998 staat vermeld dat tussen [eisers] c.s. en [gedaagde] is overeengekomen dat “de betaling van hetgeen terzake nog voldaan moet worden zal geschieden na definitieve afloop van de betreffende procedures, conform de brief van de Deken der Orde van Advocaten in het Arrondissement Maastricht, Mr. A.L.W.G. Houtakkers, de dato 15 januari 1998, van welke brief een kopie aan deze akte zal worden gehecht”.



4.3.
Na de mondelinge behandeling hebben [eisers] c.s. met instemming van [gedaagde] de betreffende brief van de Deken van 15 januari 1998 in het geding gebracht. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling kenbaar gemaakt dat hij geen behoefte heeft om zich nog uit te laten over de inhoud van die brief. De brief bevat onder meer de volgende tekst: “In opgemelde kwestie stem ik in met het vestigen van een hypothecaire zekerheid door Mr. [gedaagde] op het onroerend goed gelegen te [woonplaats 1] aan de [adres] voor het door mij reeds in eerdere correspondentie genoemde bedrag.”



4.4.
De notariële akte bepaalt dat het recht van tweede hypotheek strekt tot meerdere zekerheid voor de betaling van “de honoraria en verschotten” door [eisers] c.s. verschuldigd aan [gedaagde] terzake van de bedoelde procedures tot een bedrag van ƒ 123.000,00.



4.5.
Uit het debat van partijen blijkt dat zij van mening verschillen wat [eisers] c.s. aan [gedaagde] moeten betalen.



4.6.
Volgens [eisers] c.s. hebben zij inmiddels meer dan ƒ 123.000,00 betaald en zijn zij daarom niets meer aan [gedaagde] verschuldigd. Ter onderbouwing van die stelling hebben zij productie 7 in het geding gebracht.



4.7.

[gedaagde] stelt dat hij niet alleen recht heeft op honorarium en verschotten, maar ook op 8% rente en kosten. Volgens [gedaagde] hebben partijen namelijk, voordat de notariële akte is opgesteld, bij de Deken een afspraak gemaakt over betaling van 8% rente. [eisers] c.s. hebben in het verleden betalingen aan hem gedaan die mede zagen op rente, zo ook de betaling van [eisers] c.s. van € 37.757,47, aldus [gedaagde] .



4.8.
Volgens [eisers] c.s. is blijkens de tekst van de notariële akte voor rente en kosten geen zekerheid gesteld.



4.9.

[gedaagde] betoogt dat de betalingen die in het verleden gedaan zijn door [eisers] c.s. op grond van artikel 6:44 BW eerst in mindering strekken van de kosten, dan in mindering van de verschenen rente en ten slotte in mindering van de hoofdsom en de lopende rente. Gelet op de kosten en de rente die [eisers] c.s. (ook) aan hem verschuldigd zijn, resteert na toepassing van artikel 6:44 BW thans nog een door [eisers] c.s. te betalen bedrag van € 1.584,89, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2013.



4.10.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat in de notariële akte alleen gesproken wordt over een zekerheidsrecht dat verstrekt wordt vanwege honorarium en verschotten.



4.11.
De brief van de Deken van 15 januari 1998 meldt niets over een rente-afspraak. Nu andere correspondentie van de Deken niet is overgelegd, kan de voorzieningenrechter niet vast stellen of partijen in het verleden bij de Deken een afspraak gemaakt hebben over betaling van 8% rente door [eisers] c.s. Dat een dergelijke afspraak bestaat, kan niet uitgesloten worden, omdat [eisers] c.s. ter zitting de stelling van [gedaagde] dat zij in het verleden betalingen gedaan hebben die mede strekten ter betaling van verschuldigde rente niet weersproken hebben. Productie 7 van [eisers] c.s. biedt op dit punt geen helderheid. Het overzicht vermeldt niet ten titel waarvan de vermelde betalingen in het verleden gedaan zijn. De voorzieningenrechter kan op basis van de inhoud van het procesdossier evenmin vaststellen of partijen in het verleden zijn overeengekomen dat [gedaagde] geen buitengerechtelijke incassokosten in rekening mag brengen bij [eisers] c.s.



4.12.

[eisers] c.s. hebben niet betwist dat als zij rente en kosten verschuldigd zouden zijn, zijn na toepassing van artikel 6:44 BW aan honorarium (waarvoor zekerheid is verstrekt) nog € 1.584,89 moeten betalen.



4.13.
Gelet op hetgeen onder 4.11. en 4.12. is overwogen kan in deze procedure niet vastgesteld worden dat [eisers] c.s. niets meer verschuldigd zijn aan [gedaagde] . Dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hen handelt door niet mee te werken aan doorhaling van de tweede hypothecaire inschrijving is daardoor niet komen vast te staan. De vorderingen van [eisers] c.s. zullen worden afgewezen.



4.14.
De proceskosten komen ten laste van [eisers] c.s. omdat zij in het ongelijk zijn gesteld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden tot op heden begroot op:
- griffierecht € 287,00
- reis- en verletkosten 50,00
totaal € 337,00.





5De beslissing
De voorzieningenrechter


5.1.
wijst de vorderingen af,



5.2.
veroordeelt [eisers] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 337,00,



5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2017.








type: JvdH