Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:7370
2026-09-28
Bestuursrecht
ARN 26/4085
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Voorlopige voorziening, sluiting woning, artikel 174a Gemeentewet
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2011:BP4697 Raad van State 16-02-2011
- ECLI:NL:RVS:2010:BO5718 Raad van State 01-12-2010
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.608 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/4085
uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 september 2026
in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. H.W. Omvlee),
en
de burgemeester van de gemeente Zutphen
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de burgemeester van 29 juli 2026 om de woning aan de [adres] in [woonplaats] met ingang van 3 augustus 2026 te sluiten voor een periode van drie maanden. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij heeft bezwaar gemaakt en verzoekt om een voorlopige voorziening. Hij voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Bij bestreden besluit van 29 juli 2026 heeft de burgemeester besloten de woning aan de [adres] in [woonplaats] op grond van artikel 174a, eerste lid, onder a, van de Gemeentewet, met ingang van 3 augustus 2026 om 11.00 uur te sluiten voor een periode van drie maanden.
2.1.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
2.2.
Verzoeker is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester. Verzoeker is niet op zitting verschenen.
Totstandkoming besluit
3. Verzoeker woont, samen met zijn twee kinderen, in een flat aan de [adres] in [woonplaats] . Dit betreft een huurwoning.
3.1.
Uit de bestuurlijke rapportage van de politie van 21 juni 2026, die aan de burgemeester is gestuurd, blijkt dat verzoeker op dit adres al langere tijd (in ieder geval vanaf begin 2025) dag en nacht zorgt voor ernstige (woon)overlast. Er is veel aanloop van personen naar de woning, waaronder drugsgebruikers. Die aanloop met de daarbij gepaard gaande geluidsoverlast in de woning gaat dag en nacht door. Regelmatig zijn er conflicten in en om de woning tussen verzoeker en zijn bezoekers en tussen bezoekers onderling. Een deel van de conflicten zijn drugsgerelateerd.
Op 1 juli 2026 heeft verzoeker zijn meerderjarige dochter vastgehouden en bedreigd in hun woning. De politie besloot de woning tegen de wil van verzoeker te betreden. Omdat het openen van de deur met een zogenaamde 'bonk' niet lukte, is een onderhandelaar en de Dienst Speciale Interventies (DSI) ingezet die uiteindelijk verzoeker in zijn woning heeft aangehouden en de dochter via de achterzijde van de woning via een balkon in veiligheid heeft gebracht. Na afloop van dit incident meldden diverse buren zich bij de politie met de mededeling dat dit incident er één was in een reeks van vele incidenten van overlast, conflicten en onveiligheid in en om de flatwoning van verzoeker.
3.2.
De burgemeester heeft hierin aanleiding gezien de woning van verzoeker voor de duur van drie maanden te sluiten.
3.3.
Op 1 augustus 2026 is een aanvullende bestuurlijke rapportage opgemaakt door de politie naar aanleiding van een gijzelingsincident in de woning. Deze bestuurlijke rapportage is naar de burgemeester gestuurd.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
4. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Om dit te beoordelen beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker of de burgemeester tot sluiting van de woning voor de duur van drie maanden over mocht gaan.
Mocht de burgemeester de woning sluiten voor de duur van drie maanden?
5. Op grond van artikel 174a, eerste lid, onder a, van de Gemeentewet, kan de burgemeester besluiten een woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te sluiten, indien door gedragingen in de woning of het lokaal of op het erf de openbare orde rond de woning, het lokaal of het erf ernstig wordt verstoord.
5.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de burgemeester op grond van voormeld artikel is overgegaan tot sluiting van de woning vanwege langdurige en ernstige overlast en verstoring van de openbare orde. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft uitgelegd wanneer de burgemeester dit artikel kan inzetten.
Dat kan als aan de hand van concrete, objectieve en verifieerbare gegevens moet worden vastgesteld dat de gedragingen zich in de woning of op het daarbij behorende erf voordoen, er langdurige overlast is die zich met grote regelmaat voordoet en die maatschappelijk onaanvaardbare vormen heeft aangenomen. Verder vergt verstoring van de openbare orde overlast waardoor de veiligheid en de gezondheid van mensen in de directe omgeving van de woning in ernstige mate worden bedreigd. Zodanige overlast kan slechts plaatsvinden bij gedragingen die op zichzelf ernstig zijn. Deze uitleg van de Afdeling sluit aan bij wat de wetgever wilde toen artikel 174a in de Gemeentewet is opgenomen.
5.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat uit de overgelegde stukken blijkt dat er sprake is van geluidsoverlast, aanloop van drugsgebruikers naar de woning van verzoeker en conflicten tussen bezoekers onderling en met verzoeker, waarbij incidenteel geweld wordt gebruikt. Verder blijkt uit de overgelegde stukken dat het vermoeden bestaat dat er vanaf het balkon van de zevende verdieping met glas/bloempotten naar beneden is gegooid. Daarnaast heeft verzoeker op 1 juli 2026 zijn dochter tegen haar wil in de woning vastgehouden. De dochter is bevrijd door een arrestatieteam via het balkon van de buren. Deze gijzeling heeft veel impact gehad op de omwonenden. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat de burgemeester zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er sprake is van langdurige en ernstige overlast en verstoring van de openbare orde. Deze overlast wordt door verzoeker ook niet weersproken.
5.3.
Voor de bevoegdheid om een woning te sluiten op grond van artikel 174a, eerste lid, onder a, van de Gemeentewet, is blijkens vaste rechtspraak van de Afdeling ook van belang of de veiligheid en de gezondheid van mensen in de directe omgeving in ernstige mate wordt bedreigd. Hoewel de overlast langdurig en ernstig is en de voorzieningenrechter volkomen begrijpt dat de overlast en het incident op 1 juli 2026 gevoelens van onveiligheid bij omwonenden opleveren, heeft de burgemeester onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het bij de gedragingen en beschreven incident op 1 juli 2026 gaat om een ernstige bedreiging van de veiligheid en gezondheid van mensen in de omgeving van de woning. De voorzieningenrechter stelt op basis van de overgelegde stukken en het besprokene op zitting vast dat alle conflicten en incidenten in en rondom de woning betrekking hebben op verzoeker, de dochter van verzoeker en de bezoekers van verzoeker. Van het incident met het gooien van glas/bloempotten heeft de burgemeester bovendien niet duidelijk kunnen maken wat er precies is gebeurd en wie er voorwerpen naar beneden heeft gegooid. Ook heeft de burgemeester niet onderbouwd dat ten tijde van de gijzeling van de dochter de veiligheid en gezondheid van omwonenden in het geding is geweest. Dat het arrestatieteam via de balkons van omwonenden de dochter van verzoeker heeft bevrijd, maakt dit niet anders. Hierdoor zijn de omwonenden, hoe vervelend die situatie ook was, niet in een gevaarlijke situatie terecht gekomen. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter had de burgemeester de woning daarom niet op grond van artikel 174a, eerste lid, onder a, van de Gemeentewet, mogen sluiten.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit is geschorst zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
7. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat verzoeker een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend.
Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe en schorst het besluit van 29 juli 2026 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP4697.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO5718.
Zie Kamerstukken II 1996/97, 24 699, nrs. 5 en 7.
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/4085
uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 september 2026
in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. H.W. Omvlee),
en
de burgemeester van de gemeente Zutphen
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de burgemeester van 29 juli 2026 om de woning aan de [adres] in [woonplaats] met ingang van 3 augustus 2026 te sluiten voor een periode van drie maanden. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij heeft bezwaar gemaakt en verzoekt om een voorlopige voorziening. Hij voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Bij bestreden besluit van 29 juli 2026 heeft de burgemeester besloten de woning aan de [adres] in [woonplaats] op grond van artikel 174a, eerste lid, onder a, van de Gemeentewet, met ingang van 3 augustus 2026 om 11.00 uur te sluiten voor een periode van drie maanden.
2.1.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
2.2.
Verzoeker is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester. Verzoeker is niet op zitting verschenen.
Totstandkoming besluit
3. Verzoeker woont, samen met zijn twee kinderen, in een flat aan de [adres] in [woonplaats] . Dit betreft een huurwoning.
3.1.
Uit de bestuurlijke rapportage van de politie van 21 juni 2026, die aan de burgemeester is gestuurd, blijkt dat verzoeker op dit adres al langere tijd (in ieder geval vanaf begin 2025) dag en nacht zorgt voor ernstige (woon)overlast. Er is veel aanloop van personen naar de woning, waaronder drugsgebruikers. Die aanloop met de daarbij gepaard gaande geluidsoverlast in de woning gaat dag en nacht door. Regelmatig zijn er conflicten in en om de woning tussen verzoeker en zijn bezoekers en tussen bezoekers onderling. Een deel van de conflicten zijn drugsgerelateerd.
Op 1 juli 2026 heeft verzoeker zijn meerderjarige dochter vastgehouden en bedreigd in hun woning. De politie besloot de woning tegen de wil van verzoeker te betreden. Omdat het openen van de deur met een zogenaamde 'bonk' niet lukte, is een onderhandelaar en de Dienst Speciale Interventies (DSI) ingezet die uiteindelijk verzoeker in zijn woning heeft aangehouden en de dochter via de achterzijde van de woning via een balkon in veiligheid heeft gebracht. Na afloop van dit incident meldden diverse buren zich bij de politie met de mededeling dat dit incident er één was in een reeks van vele incidenten van overlast, conflicten en onveiligheid in en om de flatwoning van verzoeker.
3.2.
De burgemeester heeft hierin aanleiding gezien de woning van verzoeker voor de duur van drie maanden te sluiten.
3.3.
Op 1 augustus 2026 is een aanvullende bestuurlijke rapportage opgemaakt door de politie naar aanleiding van een gijzelingsincident in de woning. Deze bestuurlijke rapportage is naar de burgemeester gestuurd.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
4. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Om dit te beoordelen beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker of de burgemeester tot sluiting van de woning voor de duur van drie maanden over mocht gaan.
Mocht de burgemeester de woning sluiten voor de duur van drie maanden?
5. Op grond van artikel 174a, eerste lid, onder a, van de Gemeentewet, kan de burgemeester besluiten een woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te sluiten, indien door gedragingen in de woning of het lokaal of op het erf de openbare orde rond de woning, het lokaal of het erf ernstig wordt verstoord.
5.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de burgemeester op grond van voormeld artikel is overgegaan tot sluiting van de woning vanwege langdurige en ernstige overlast en verstoring van de openbare orde. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft uitgelegd wanneer de burgemeester dit artikel kan inzetten.
Dat kan als aan de hand van concrete, objectieve en verifieerbare gegevens moet worden vastgesteld dat de gedragingen zich in de woning of op het daarbij behorende erf voordoen, er langdurige overlast is die zich met grote regelmaat voordoet en die maatschappelijk onaanvaardbare vormen heeft aangenomen. Verder vergt verstoring van de openbare orde overlast waardoor de veiligheid en de gezondheid van mensen in de directe omgeving van de woning in ernstige mate worden bedreigd. Zodanige overlast kan slechts plaatsvinden bij gedragingen die op zichzelf ernstig zijn. Deze uitleg van de Afdeling sluit aan bij wat de wetgever wilde toen artikel 174a in de Gemeentewet is opgenomen.
5.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat uit de overgelegde stukken blijkt dat er sprake is van geluidsoverlast, aanloop van drugsgebruikers naar de woning van verzoeker en conflicten tussen bezoekers onderling en met verzoeker, waarbij incidenteel geweld wordt gebruikt. Verder blijkt uit de overgelegde stukken dat het vermoeden bestaat dat er vanaf het balkon van de zevende verdieping met glas/bloempotten naar beneden is gegooid. Daarnaast heeft verzoeker op 1 juli 2026 zijn dochter tegen haar wil in de woning vastgehouden. De dochter is bevrijd door een arrestatieteam via het balkon van de buren. Deze gijzeling heeft veel impact gehad op de omwonenden. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat de burgemeester zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er sprake is van langdurige en ernstige overlast en verstoring van de openbare orde. Deze overlast wordt door verzoeker ook niet weersproken.
5.3.
Voor de bevoegdheid om een woning te sluiten op grond van artikel 174a, eerste lid, onder a, van de Gemeentewet, is blijkens vaste rechtspraak van de Afdeling ook van belang of de veiligheid en de gezondheid van mensen in de directe omgeving in ernstige mate wordt bedreigd. Hoewel de overlast langdurig en ernstig is en de voorzieningenrechter volkomen begrijpt dat de overlast en het incident op 1 juli 2026 gevoelens van onveiligheid bij omwonenden opleveren, heeft de burgemeester onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het bij de gedragingen en beschreven incident op 1 juli 2026 gaat om een ernstige bedreiging van de veiligheid en gezondheid van mensen in de omgeving van de woning. De voorzieningenrechter stelt op basis van de overgelegde stukken en het besprokene op zitting vast dat alle conflicten en incidenten in en rondom de woning betrekking hebben op verzoeker, de dochter van verzoeker en de bezoekers van verzoeker. Van het incident met het gooien van glas/bloempotten heeft de burgemeester bovendien niet duidelijk kunnen maken wat er precies is gebeurd en wie er voorwerpen naar beneden heeft gegooid. Ook heeft de burgemeester niet onderbouwd dat ten tijde van de gijzeling van de dochter de veiligheid en gezondheid van omwonenden in het geding is geweest. Dat het arrestatieteam via de balkons van omwonenden de dochter van verzoeker heeft bevrijd, maakt dit niet anders. Hierdoor zijn de omwonenden, hoe vervelend die situatie ook was, niet in een gevaarlijke situatie terecht gekomen. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter had de burgemeester de woning daarom niet op grond van artikel 174a, eerste lid, onder a, van de Gemeentewet, mogen sluiten.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit is geschorst zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
7. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat verzoeker een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend.
Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe en schorst het besluit van 29 juli 2026 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP4697.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO5718.
Zie Kamerstukken II 1996/97, 24 699, nrs. 5 en 7.