Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:7369
2026-09-28
Bestuursrecht
ARN 26/3992
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
voorlopige voorziening, beroep, woonurgentie, schimmel in woning, geen persoonlijke noodsituatie
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2023:1050 Raad van State 15-03-2023
- ECLI:NL:RVS:2019:1247 Raad van State 17-04-2019
- ECLI:NL:RVS:2025:1495 Raad van State 03-04-2025
- ECLI:NL:RVS:2019:2903 Raad van State 28-08-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (24.885 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 26/3992 en 26/3993
uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 september 2026
op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats 1] , eisers
(gemachtigde: mr. Y. Seyran),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen
(gemachtigden: [gemachtigde] en mr. W.A. van Osch).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers om een woonurgentieverklaring. Bij beslissing op bezwaar is het besluit in stand gebleven. Eisers hebben beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voeren een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eisers daartegen.
1.1.
De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Procesverloop
2. Eisers wonen met drie minderjarige kinderen in een woning aan het [adres 1] in [woonplaats 1] . Kort na de verhuizing ontstonden vocht-, schimmel-, ventilatie- en verwarmingsproblemen en volgens eisers veroorzaakt het binnenklimaat in de woning
gezondheidsklachten. Eisers hebben daarom een aanvraag voor een woonurgentieverklaring ingediend. Bij besluit van 18 maart 2026 is deze aanvraag afgewezen. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
2.1.
Bij beslissing op bezwaar van 21 mei 2026 is het bezwaar ongegrond verklaard.
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
2.3.
Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 28 mei 2026 (26/2854 en 26/5584) is het besluit van 21 mei 2026 vernietigd en heeft de voorzieningenrechter het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.
2.4.
Bij nieuwe beslissing op bezwaar van 23 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
2.5.
Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
2.6.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Toetsingskader
4. Op grond van artikel 10, vierde lid, van de Huisvestingsverordening gemeente Nijmegen 2024 (hierna: Verordening) kan het college een noodurgentieverklaring verstrekken aan een woningzoekende die zich in een persoonlijke noodsituatie bevindt, indien deze noodsituatie:
a. niet door betrokkene zelf is veroorzaakt, of kon worden voorkomen;
b. niet door betrokkene zelf kan worden opgelost;
c. zodanig ernstig is dat het onverantwoord is deze situatie langer dan 4 maanden te laten
voortbestaan, geteld vanaf het moment van de aanvraag om een urgentieverklaring.
4.1.
Op grond van artikel 28 van de Verordening is het college bevoegd om, in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar haar oordeel tot een bijzondere hardheid leidt, ten gunste van de aanvrager af te wijken van bepalingen in deze verordening.
4.2.
In artikel 20 van het Reglement aanvragen urgentie woonruimteverdeling Groene Metropoolregio 2024 (hierna: Reglement) wordt het vereiste van de persoonlijke noodsituatie verder uitgewerkt. Op grond van dit artikel is sprake van een persoonlijke noodsituatie als:
het probleem een directe relatie heeft met de woning of de woonomgeving. Een (andere) woning in de woningmarktregio moet een oplossing zijn voor de huidige noodsituatie;
de huidige woning niet geschikt is (te maken) om het probleem, waarin het huishouden verkeert, te verhelpen; en
de noodsituatie zodanig ernstig is dat het onverantwoord is deze langer dan vier maanden te laten voortbestaan, geteld vanaf het moment van de behandeling van de aanvraag om een urgentieverklaring.
Bij de beoordeling van de aanvraag wordt de eigen verantwoordelijkheid betrokken.
Wat staat er in de uitspraak van de voorzieningenrechter?
5. De voorzieningenrechter heeft in haar uitspraak van 28 mei 2026 geoordeeld dat het besluit tot afwijzing van de aanvraag om urgentie onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. De woning vertoont sinds 2021 gebreken vanwege schimmel-, vocht-, verwarmings- en ventilatieproblemen, dat is aannemelijk geworden door de onderbouwing van eiser. Het is in algemene zin bekend dat dit kan leiden tot gezondheidsproblemen bij minderjarige kinderen. Volgens het advies van [adviesbureau] van 9 februari 2026 zijn de medische problemen van de gezinsleden momenteel onvoldoende objectiveerbaar. Het advies gaat niet in op de vraag of het medisch gezien verantwoord is om het gezin, met een jonge baby, nog 4 maanden in de woning in deze staat te laten wonen. De voorzieningenrechter overweegt dat dit wel had gemoeten.
5.1.
Verder wordt door het adviesbureau geconcludeerd dat er voldoende maatregelen mogelijk zijn om de luchtvochtigheid in de woning te verminderen en om het binnenklimaat te verbeteren. Het is onduidelijk waar deze conclusie op is gebaseerd. Ter zitting heeft het college niet kunnen toelichten of [adviesbureau] zelf over de (bouwkundige) expertise beschikt om deze conclusie te kunnen trekken. Bovendien is onduidelijk welke maatregelen dan getroffen kunnen worden, of dat duurzame oplossingen zijn en op welke termijn dat gerealiseerd zou kunnen worden. De eerder toegepaste maatregelen hebben volgens eiser namelijk onvoldoende geholpen om het probleem duurzaam te verhelpen.
5.2.
Gelet op het voorgaande kon het college volgens de voorzieningenrechter in de besluitvorming niet volledig afgaan op het advies van [adviesbureau] . Er zal dan ook een nieuwe beslissing op bezwaar genomen moeten worden, waarbij de hiervoor genoemde punten nader onderzocht en/of gemotiveerd moeten worden. In de nieuwe beoordeling moet ook betrokken worden in hoeverre de verhuurder überhaupt welwillend is om gebreken aan de woning te herstellen en is het aan eisers om aan het college alle relevante medische informatie ter beschikking te stellen.
Het bestreden besluit
6. Naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter heeft het college wederom advies gevraagd aan het adviesbureau [adviesbureau] en verzocht te beoordelen of er sprake is van een woonnoodsituatie. In het rapport van 9 februari 2026 staat dat er geen sprake is van een woonnoodsituatie op basis van medische gronden, omdat de gestelde frequente luchtweginfecties bij eisers en de kinderen onvoldoende objectiveerbaar zijn op basis van de aangeleverde informatie.
6.1.
Naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter hebben eisers een huisartsenjournaal overgelegd. Dit is door het college voorgelegd aan [adviesbureau] . Op 22 juli is daarop gereageerd. Het huisartsenjournaal is beoordeeld door [persoon] , arts bij [adviesbureau] . Voor [adviesbureau] geeft dit geen aanleiding tot het herzien van het eerdere advies. Het college heeft zich onder verwijzing naar het aanvullend advies van 22 juli 2026 in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een persoonlijke noodsituatie. Verder heeft het college erop gewezen dat Woonwaarts, de woningcorporatie, verschillende maatregelen heeft genomen waaronder het plaatsen van een extra verwarming, aanvullende luchtroosters en tochtstrips. Niet is gebleken dat deze maatregelen niet toereikend zouden zijn. Ook wordt eisers tegengeworpen dat ze een eerdere woning hebben geweigerd, zodat ze zelf verantwoordelijk worden gehouden voor het voortduren van de huidige situatie.
Ze hadden hun woonprobleem immers kunnen oplossen door de woning aan de [adres 2] in Druten te accepteren. Tot slot ziet het college geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule.
Had het college eisers moeten horen alvorens hij het bestreden besluit nam?
7. Eisers stellen zich allereerst op het standpunt dat het college hen op grond van artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had moeten horen voordat hij het bestreden besluit nam. Na de eerdere rechterlijke uitspraak hebben eisers op 6 juli 2026 aanvullende medische informatie verstrekt. Het college heeft deze informatie opnieuw aan [adviesbureau] voorgelegd. Het aanvullende deskundigenadvies is gedateerd 22 juli 2026. De beslissing op bezwaar is van één dag later. Eisers zijn niet over het aanvullend deskundigenadvies gehoord. Dit had wel gemoeten. Zij wijzen in dit kader op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 maart 2023. Het gaat niet om een zuivere herhaling van een eerder standpunt. Het advies bevat een nieuw medisch deskundigenoordeel over de huisartsgegevens, daarnaast de uitdrukkelijke mededeling dat de eerdere technische conclusie niet op bouwkundige beoordeling berustte en dat voor haalbaarheid, effectiviteit en duurzaamheid bouwkundige expertise nodig is. Het college heeft beide onderdelen in de motivering van het bestreden besluit gebruikt.
7.1.
Ingevolge artikel 7:9 van de Awb wordt, wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord.
7.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De voorzieningenrechter stelt vast dat het advies van [adviesbureau] van 22 juli 2026 voortbouwt op het eerdere advies van 9 februari 2026. Immers [adviesbureau] wordt gevraagd om, onder andere, naar aanleiding van nieuwe medische informatie nogmaals te kijken naar de vraag of sprake is van een persoonlijke noodsituatie en in te gaan op de vraag of het medisch verantwoord is dat het gezin van eisers nog enkele maanden in hun huidige woning verblijft. Hierbij motiveert [adviesbureau] nogmaals en nader waarom er geen sprake is van een persoonlijke noodsituatie. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat een advies dat voortbouwt op een eerder advies in de regel niet wordt beschouwd als een na het horen aan het bestuursorgaan bekend geworden feit als bedoeld in artikel 7:9 de Awb, dat voor het op bezwaar te nemen besluit van aanmerkelijk belang kan zijn. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 maart 2023 leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan in de onderhavige zaak, was in die zaak sprake van een geheel nieuw deskundigenadvies in plaats van een advies dat voortbouwt op een eerder advies.
Is er sprake van een persoonlijke noodsituatie?
8. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit de aanvraag blijkt dat de aanleiding van de aanvraag tweeledig was. Allereerst hebben eisers gewezen op de vocht- en schimmelproblematiek in de woning en de gezondheidsproblemen die dit veroorzaakt bij de kinderen. Daarnaast zitten eisers in hun huidige woning een sociaal isolement.
De familie en het sociaal netwerk van eisers bevinden zich voornamelijk in Druten, terwijl eisers in [woonplaats 1] wonen. Bovendien durft eiser nauwelijks auto te rijden door een eerder scooterongeluk. In de huidige procedure gaat het enkel nog over de medische problematiek. Het sociale isolement wordt daarom niet meer bij de beoordeling betrokken.
8.1.
Eisers betogen dat het college niet onder verwijzing naar het aanvullend advies van [adviesbureau] van 22 juli 2026 heeft kunnen concluderen dat geen sprake is van een persoonlijke noodsituatie. In dit advies is immers niet (expliciet) beoordeeld of het medisch gezien verantwoord is dat het gezin nog vier maanden in de woning in de bestaande staat verblijft. Bovendien legt het college het begrip ‘persoonlijke noodsituatie’ te beperkt uit. Voor het ontstaan van een dergelijke situatie hoeft het causaal verband tussen de luchtwegenklachten en de schimmel- en vochtproblematiek niet te worden aangetoond. De directe relatie die het Reglement verlangt ziet op het woonprobleem en de woning of woonomgeving. Hier staat juist de langdurige vocht-, schimmel-, ventilatie- en verwarmingsproblematiek in de woning centraal. Voor de beoordeling is daarom niet beslissend of uit de huisartsjournaals een rechtstreeks causaal verband tussen de woning en iedere afzonderlijke klacht volgt. Van belang is welke betekenis de gedocumenteerde klachten, in samenhang met het objectief beschreven binnenklimaat, de duur van de problematiek, drie jonge kinderen waaronder een baby en het ontbreken van een aangetoonde duurzame oplossing, hebben voor de viermaandentoets. Dat is ook de vraag die de voorzieningenrechter in de eerdere uitspraak uitdrukkelijk open heeft gelaten. Deze vraag is door [adviesbureau] niet beantwoord. Bovendien is door het college niet beoordeeld of de woning binnen vier maanden duurzaam geschikt kan worden gemaakt. Weliswaar zijn er verschillende maatregelen uitgevoerd, maar daarmee is het probleem niet verholpen. Ook op dit onderdeel is er geen uitvoering gegeven aan de uitspraak van de voorzieningenrechter.
8.2.
De door eisers overgelegde medische informatie is beoordeeld door arts [persoon] , werkzaam bij [adviesbureau] . Uit het aanvullend advies van 22 juli 2026 blijkt dat volgens deze arts de frequentie waarmee de kinderen van eisers zich met bovenste luchtwegklachten en oorpijnklachten presenteren niet afwijkend hoog is en past bij hetgeen op deze leeftijd redelijkerwijs verwacht mag worden. De uit het huisartsenjournaal op te maken frequentie valt daar zelfs ruim onder. De aangeleverde medische informatie geeft daarom geen reden tot herzien van het eerder gegeven advies.
8.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college zich onder verwijzing naar het aanvullend advies van [adviesbureau] van 22 juli 2026 terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een persoonlijke noodsituatie. Het college stelt terecht dat uit het advies niet blijkt dat de huidige woning de directe oorzaak is van de gezondheidsklachten van de kinderen en evenmin dat sprake is van een acuut medisch probleem dat enkel kan worden opgelost door verhuizing naar een andere woonruimte. Hieruit volgt ook dat niet is gebleken dat voortzetting van het verblijf in de woning gedurende een periode van vier maanden medisch gezien onverantwoord is. Daarmee is geen sprake van een persoonlijke noodsituatie zoals bedoeld in artikel 20 van het Reglement. Daar is immers pas sprake van als het probleem, in dit geval de gezondheidsproblematiek, een directe relatie heeft met de woonomgeving. Daar is hier niet van gebleken. Op zitting hebben eisers nog aangevoerd dat de frequentie, zoals dit blijkt uit het huisartsenjournaal, niet representatief is voor de gezondheidsklachten van de kinderen. De kinderen zijn veel vaker ziek, maar worden dan ook vaak geholpen door de huisartsenpost. Dit wordt niet genoteerd in het huisartsenjournaal. Aan deze stelling gaat de voorzieningenrechter voorbij. Het college heeft terecht opgemerkt dat eisers de kans hebben gekregen om medische informatie aan te leveren. De aangeleverde medische informatie, het huisartsenjournaal, is door [adviesbureau] betrokken in het aanvullend advies van 22 juni 2026. Als er meer informatie zou zijn geweest, dan was het aan eisers om dit (tijdig) aan te leveren. Dit hebben zij niet gedaan. Verder volgt de voorzieningenrechter eisers niet in hun betoog dat het college het begrip persoonlijke noodsituatie te beperkt opvat. Immers uit de aanvraag blijkt dat de medische problematiek van de kinderen de directe aanleiding is voor de aanvraag. Een urgentieverklaring is niet bedoeld om problemen in de sociale huurwoning op te lossen. Deze problemen kunnen eisers eventueel via een civielrechtelijke procedure aan de orde stellen. Op zitting is gebleken dat eisers inmiddels een dergelijke procedure zijn gestart tegen de woningcorporatie.
8.4.
Omdat geen sprake is van een persoonlijke noodsituatie heeft het college ook niet hoeven te beoordelen of de getroffen maatregelen de schimmel- en vochtproblematiek kunnen verhelpen dan wel of de al getroffen maatregelen een duurzame oplossing vormen. Immers de vraag of een woning geschikt is te maken is, zo blijkt uit artikel 20 van het Reglement, enkel van belang als sprake is van een persoonlijke noodsituatie. Daar is hier niet van gebleken. Dat de voorzieningenrechter het college in haar uitspraak van 26 mei 2026 opdracht heeft gegeven dit nader te onderzoeken leidt niet tot een ander oordeel. De voorzieningenrechter heeft het college deze opdracht gegeven, omdat in het eerdere advies van [adviesbureau] van 9 februari 2026 de opmerking is gemaakt dat er afdoende maatregelen mogelijk zijn om het binnenklimaat te verbeteren en de luchtvochtigheid in de woning te reduceren. De voorzieningenrechter merkt op dat niet duidelijk is waarop deze conclusie gebaseerd is. In het aanvullend advies van 22 juli 2026 geeft [adviesbureau] hier duidelijkheid over en stelt dat deze uitspraak niet is gebaseerd op een bouwkundige beoordeling en dat voor een uitspraak over de haalbaarheid, effectiviteit en duurzaamheid van dergelijke maatregelen een bouwkundige expertise is aangewezen. Hieruit volgt, anders dan eisers lijken te stellen, niet dat een dergelijke bouwkundige keuring nog nodig is. Immers, deze keuring is enkel noodzakelijk, als sprake is van een persoonlijke noodsituatie. Daar is niet van gebleken.
8.5.
De voorzieningenrechter komt dan ook tot het oordeel dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat geen sprake is van een persoonlijke noodsituatie.
De voorzieningenrechter zal daarom niet ingaan op de vraag of eisers zelf verantwoordelijk zijn voor voortduren van de huidige situatie. Deze vraag is immers alleen relevant als sprake is van een persoonlijke noodsituatie. De hierover naar voren gebrachte gronden laat zij dan ook onbesproken.
Had het college de hardheidsclausule moeten toepassen en toch urgentie moeten verlenen?
9. Eisers stellen dat het college de hardheidsclausule, opgenomen in artikel 28 van de Verordening, had moeten toepassen. Weliswaar heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) aanvaard dat het college, gelet op de schaarste, een restrictief beleid mag voeren en toepassing van de hardheidsclausule tot zeer uitzonderlijke situaties mag beperken, maar dit neemt niet weg dat de omstandigheden van het concrete huishouden in hun samenhang moeten worden beoordeeld. In de beslissing op bezwaar staat slechts dat de hardheidsclausule wordt toegepast in zeer incidentele, levensbedreigende of daarmee vergelijkbare gevallen en dat de situatie van eisers onvoldoende onderscheidend is van die van vele andere woningzoekenden. Daarmee blijft onbesproken wat de combinatie van de langdurige woonproblematiek, drie minderjarige kinderen, de beperkingen van eiser, de zeer geringe mogelijkheden op de reguliere woningmarkt en het ontbreken van een aantoonbaar duurzame technische oplossing, voor dit gezin betekent. De afzonderlijke omstandigheden hoeven ieder voor zich geen urgentiegrond te vormen. Het beroep op de hardheidsclausule ziet juist op hun gezamenlijke effect.
9.1.
Het college heeft in het bestreden besluit gesteld dat de hardheidsclausule enkel wordt toegepast bij zeer incidentele noodgevallen waarbij sprake is van levensbedreigende of daarmee vergelijkbare situaties. Het college acht de situatie van eisers onvoldoende onderscheidend van vele andere woningzoekenden in de regio in een vergelijkbare onwenselijke situatie. Op zitting heeft het college hier nog aan toegevoegd dat de hardheidsclausule, gelet op de grote schaarste aan woningen, slechts wordt toegepast als het langer voortduren van de huidige situatie medisch onverantwoord is. In dit kader heeft het college gewezen op een uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019. Omdat hier geen sprake van is, wordt geen toepassing gegeven aan de hardheidsclausule.
9.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat het college een restrictief beleid mag voeren en dat het college daarbij ook tot uitgangspunt mag nemen dat alleen in zeer uitzonderlijke situaties aanleiding bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule, gelet op het grote tekort aan sociale huurwoningen in de regio en het belang van een rechtvaardige verdeling van de beschikbare woonruimte. Alhoewel de woonsituatie van eisers verre van ideaal is, heeft het college daarin geen aanleiding hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen. Het college wijst er terecht op dat niet is gebleken van een medische noodsituatie. Dat vocht- en schimmelproblematiek niet goed is voor de gezondheid van de kinderen maakt de situatie van eisers, hoe vervelend ook, onvoldoende onderscheidend van andere gezinnen die zich in een onwenselijke woonsituatie bevinden. Hetzelfde geldt voor de moeilijkheden op de woningmarkt en het ontbreken van een sociaal netwerk in de directe omgeving. In deze omstandigheden heeft het college dan ook geen aanleiding hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
ECLI:NL:RVS:2023:1050, r.o. 4.2..
Zie o.a. ABRvS d.d. 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1247.
Eiser wijst op een uitspraak van de Afdeling van 3 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1495.
ECLI:NL:RVS:2019:2903.
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 26/3992 en 26/3993
uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 september 2026
op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats 1] , eisers
(gemachtigde: mr. Y. Seyran),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen
(gemachtigden: [gemachtigde] en mr. W.A. van Osch).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers om een woonurgentieverklaring. Bij beslissing op bezwaar is het besluit in stand gebleven. Eisers hebben beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voeren een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eisers daartegen.
1.1.
De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Procesverloop
2. Eisers wonen met drie minderjarige kinderen in een woning aan het [adres 1] in [woonplaats 1] . Kort na de verhuizing ontstonden vocht-, schimmel-, ventilatie- en verwarmingsproblemen en volgens eisers veroorzaakt het binnenklimaat in de woning
gezondheidsklachten. Eisers hebben daarom een aanvraag voor een woonurgentieverklaring ingediend. Bij besluit van 18 maart 2026 is deze aanvraag afgewezen. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
2.1.
Bij beslissing op bezwaar van 21 mei 2026 is het bezwaar ongegrond verklaard.
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
2.3.
Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 28 mei 2026 (26/2854 en 26/5584) is het besluit van 21 mei 2026 vernietigd en heeft de voorzieningenrechter het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.
2.4.
Bij nieuwe beslissing op bezwaar van 23 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
2.5.
Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
2.6.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Toetsingskader
4. Op grond van artikel 10, vierde lid, van de Huisvestingsverordening gemeente Nijmegen 2024 (hierna: Verordening) kan het college een noodurgentieverklaring verstrekken aan een woningzoekende die zich in een persoonlijke noodsituatie bevindt, indien deze noodsituatie:
a. niet door betrokkene zelf is veroorzaakt, of kon worden voorkomen;
b. niet door betrokkene zelf kan worden opgelost;
c. zodanig ernstig is dat het onverantwoord is deze situatie langer dan 4 maanden te laten
voortbestaan, geteld vanaf het moment van de aanvraag om een urgentieverklaring.
4.1.
Op grond van artikel 28 van de Verordening is het college bevoegd om, in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar haar oordeel tot een bijzondere hardheid leidt, ten gunste van de aanvrager af te wijken van bepalingen in deze verordening.
4.2.
In artikel 20 van het Reglement aanvragen urgentie woonruimteverdeling Groene Metropoolregio 2024 (hierna: Reglement) wordt het vereiste van de persoonlijke noodsituatie verder uitgewerkt. Op grond van dit artikel is sprake van een persoonlijke noodsituatie als:
het probleem een directe relatie heeft met de woning of de woonomgeving. Een (andere) woning in de woningmarktregio moet een oplossing zijn voor de huidige noodsituatie;
de huidige woning niet geschikt is (te maken) om het probleem, waarin het huishouden verkeert, te verhelpen; en
de noodsituatie zodanig ernstig is dat het onverantwoord is deze langer dan vier maanden te laten voortbestaan, geteld vanaf het moment van de behandeling van de aanvraag om een urgentieverklaring.
Bij de beoordeling van de aanvraag wordt de eigen verantwoordelijkheid betrokken.
Wat staat er in de uitspraak van de voorzieningenrechter?
5. De voorzieningenrechter heeft in haar uitspraak van 28 mei 2026 geoordeeld dat het besluit tot afwijzing van de aanvraag om urgentie onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. De woning vertoont sinds 2021 gebreken vanwege schimmel-, vocht-, verwarmings- en ventilatieproblemen, dat is aannemelijk geworden door de onderbouwing van eiser. Het is in algemene zin bekend dat dit kan leiden tot gezondheidsproblemen bij minderjarige kinderen. Volgens het advies van [adviesbureau] van 9 februari 2026 zijn de medische problemen van de gezinsleden momenteel onvoldoende objectiveerbaar. Het advies gaat niet in op de vraag of het medisch gezien verantwoord is om het gezin, met een jonge baby, nog 4 maanden in de woning in deze staat te laten wonen. De voorzieningenrechter overweegt dat dit wel had gemoeten.
5.1.
Verder wordt door het adviesbureau geconcludeerd dat er voldoende maatregelen mogelijk zijn om de luchtvochtigheid in de woning te verminderen en om het binnenklimaat te verbeteren. Het is onduidelijk waar deze conclusie op is gebaseerd. Ter zitting heeft het college niet kunnen toelichten of [adviesbureau] zelf over de (bouwkundige) expertise beschikt om deze conclusie te kunnen trekken. Bovendien is onduidelijk welke maatregelen dan getroffen kunnen worden, of dat duurzame oplossingen zijn en op welke termijn dat gerealiseerd zou kunnen worden. De eerder toegepaste maatregelen hebben volgens eiser namelijk onvoldoende geholpen om het probleem duurzaam te verhelpen.
5.2.
Gelet op het voorgaande kon het college volgens de voorzieningenrechter in de besluitvorming niet volledig afgaan op het advies van [adviesbureau] . Er zal dan ook een nieuwe beslissing op bezwaar genomen moeten worden, waarbij de hiervoor genoemde punten nader onderzocht en/of gemotiveerd moeten worden. In de nieuwe beoordeling moet ook betrokken worden in hoeverre de verhuurder überhaupt welwillend is om gebreken aan de woning te herstellen en is het aan eisers om aan het college alle relevante medische informatie ter beschikking te stellen.
Het bestreden besluit
6. Naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter heeft het college wederom advies gevraagd aan het adviesbureau [adviesbureau] en verzocht te beoordelen of er sprake is van een woonnoodsituatie. In het rapport van 9 februari 2026 staat dat er geen sprake is van een woonnoodsituatie op basis van medische gronden, omdat de gestelde frequente luchtweginfecties bij eisers en de kinderen onvoldoende objectiveerbaar zijn op basis van de aangeleverde informatie.
6.1.
Naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter hebben eisers een huisartsenjournaal overgelegd. Dit is door het college voorgelegd aan [adviesbureau] . Op 22 juli is daarop gereageerd. Het huisartsenjournaal is beoordeeld door [persoon] , arts bij [adviesbureau] . Voor [adviesbureau] geeft dit geen aanleiding tot het herzien van het eerdere advies. Het college heeft zich onder verwijzing naar het aanvullend advies van 22 juli 2026 in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een persoonlijke noodsituatie. Verder heeft het college erop gewezen dat Woonwaarts, de woningcorporatie, verschillende maatregelen heeft genomen waaronder het plaatsen van een extra verwarming, aanvullende luchtroosters en tochtstrips. Niet is gebleken dat deze maatregelen niet toereikend zouden zijn. Ook wordt eisers tegengeworpen dat ze een eerdere woning hebben geweigerd, zodat ze zelf verantwoordelijk worden gehouden voor het voortduren van de huidige situatie.
Ze hadden hun woonprobleem immers kunnen oplossen door de woning aan de [adres 2] in Druten te accepteren. Tot slot ziet het college geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule.
Had het college eisers moeten horen alvorens hij het bestreden besluit nam?
7. Eisers stellen zich allereerst op het standpunt dat het college hen op grond van artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had moeten horen voordat hij het bestreden besluit nam. Na de eerdere rechterlijke uitspraak hebben eisers op 6 juli 2026 aanvullende medische informatie verstrekt. Het college heeft deze informatie opnieuw aan [adviesbureau] voorgelegd. Het aanvullende deskundigenadvies is gedateerd 22 juli 2026. De beslissing op bezwaar is van één dag later. Eisers zijn niet over het aanvullend deskundigenadvies gehoord. Dit had wel gemoeten. Zij wijzen in dit kader op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 maart 2023. Het gaat niet om een zuivere herhaling van een eerder standpunt. Het advies bevat een nieuw medisch deskundigenoordeel over de huisartsgegevens, daarnaast de uitdrukkelijke mededeling dat de eerdere technische conclusie niet op bouwkundige beoordeling berustte en dat voor haalbaarheid, effectiviteit en duurzaamheid bouwkundige expertise nodig is. Het college heeft beide onderdelen in de motivering van het bestreden besluit gebruikt.
7.1.
Ingevolge artikel 7:9 van de Awb wordt, wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord.
7.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De voorzieningenrechter stelt vast dat het advies van [adviesbureau] van 22 juli 2026 voortbouwt op het eerdere advies van 9 februari 2026. Immers [adviesbureau] wordt gevraagd om, onder andere, naar aanleiding van nieuwe medische informatie nogmaals te kijken naar de vraag of sprake is van een persoonlijke noodsituatie en in te gaan op de vraag of het medisch verantwoord is dat het gezin van eisers nog enkele maanden in hun huidige woning verblijft. Hierbij motiveert [adviesbureau] nogmaals en nader waarom er geen sprake is van een persoonlijke noodsituatie. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat een advies dat voortbouwt op een eerder advies in de regel niet wordt beschouwd als een na het horen aan het bestuursorgaan bekend geworden feit als bedoeld in artikel 7:9 de Awb, dat voor het op bezwaar te nemen besluit van aanmerkelijk belang kan zijn. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 maart 2023 leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan in de onderhavige zaak, was in die zaak sprake van een geheel nieuw deskundigenadvies in plaats van een advies dat voortbouwt op een eerder advies.
Is er sprake van een persoonlijke noodsituatie?
8. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit de aanvraag blijkt dat de aanleiding van de aanvraag tweeledig was. Allereerst hebben eisers gewezen op de vocht- en schimmelproblematiek in de woning en de gezondheidsproblemen die dit veroorzaakt bij de kinderen. Daarnaast zitten eisers in hun huidige woning een sociaal isolement.
De familie en het sociaal netwerk van eisers bevinden zich voornamelijk in Druten, terwijl eisers in [woonplaats 1] wonen. Bovendien durft eiser nauwelijks auto te rijden door een eerder scooterongeluk. In de huidige procedure gaat het enkel nog over de medische problematiek. Het sociale isolement wordt daarom niet meer bij de beoordeling betrokken.
8.1.
Eisers betogen dat het college niet onder verwijzing naar het aanvullend advies van [adviesbureau] van 22 juli 2026 heeft kunnen concluderen dat geen sprake is van een persoonlijke noodsituatie. In dit advies is immers niet (expliciet) beoordeeld of het medisch gezien verantwoord is dat het gezin nog vier maanden in de woning in de bestaande staat verblijft. Bovendien legt het college het begrip ‘persoonlijke noodsituatie’ te beperkt uit. Voor het ontstaan van een dergelijke situatie hoeft het causaal verband tussen de luchtwegenklachten en de schimmel- en vochtproblematiek niet te worden aangetoond. De directe relatie die het Reglement verlangt ziet op het woonprobleem en de woning of woonomgeving. Hier staat juist de langdurige vocht-, schimmel-, ventilatie- en verwarmingsproblematiek in de woning centraal. Voor de beoordeling is daarom niet beslissend of uit de huisartsjournaals een rechtstreeks causaal verband tussen de woning en iedere afzonderlijke klacht volgt. Van belang is welke betekenis de gedocumenteerde klachten, in samenhang met het objectief beschreven binnenklimaat, de duur van de problematiek, drie jonge kinderen waaronder een baby en het ontbreken van een aangetoonde duurzame oplossing, hebben voor de viermaandentoets. Dat is ook de vraag die de voorzieningenrechter in de eerdere uitspraak uitdrukkelijk open heeft gelaten. Deze vraag is door [adviesbureau] niet beantwoord. Bovendien is door het college niet beoordeeld of de woning binnen vier maanden duurzaam geschikt kan worden gemaakt. Weliswaar zijn er verschillende maatregelen uitgevoerd, maar daarmee is het probleem niet verholpen. Ook op dit onderdeel is er geen uitvoering gegeven aan de uitspraak van de voorzieningenrechter.
8.2.
De door eisers overgelegde medische informatie is beoordeeld door arts [persoon] , werkzaam bij [adviesbureau] . Uit het aanvullend advies van 22 juli 2026 blijkt dat volgens deze arts de frequentie waarmee de kinderen van eisers zich met bovenste luchtwegklachten en oorpijnklachten presenteren niet afwijkend hoog is en past bij hetgeen op deze leeftijd redelijkerwijs verwacht mag worden. De uit het huisartsenjournaal op te maken frequentie valt daar zelfs ruim onder. De aangeleverde medische informatie geeft daarom geen reden tot herzien van het eerder gegeven advies.
8.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college zich onder verwijzing naar het aanvullend advies van [adviesbureau] van 22 juli 2026 terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een persoonlijke noodsituatie. Het college stelt terecht dat uit het advies niet blijkt dat de huidige woning de directe oorzaak is van de gezondheidsklachten van de kinderen en evenmin dat sprake is van een acuut medisch probleem dat enkel kan worden opgelost door verhuizing naar een andere woonruimte. Hieruit volgt ook dat niet is gebleken dat voortzetting van het verblijf in de woning gedurende een periode van vier maanden medisch gezien onverantwoord is. Daarmee is geen sprake van een persoonlijke noodsituatie zoals bedoeld in artikel 20 van het Reglement. Daar is immers pas sprake van als het probleem, in dit geval de gezondheidsproblematiek, een directe relatie heeft met de woonomgeving. Daar is hier niet van gebleken. Op zitting hebben eisers nog aangevoerd dat de frequentie, zoals dit blijkt uit het huisartsenjournaal, niet representatief is voor de gezondheidsklachten van de kinderen. De kinderen zijn veel vaker ziek, maar worden dan ook vaak geholpen door de huisartsenpost. Dit wordt niet genoteerd in het huisartsenjournaal. Aan deze stelling gaat de voorzieningenrechter voorbij. Het college heeft terecht opgemerkt dat eisers de kans hebben gekregen om medische informatie aan te leveren. De aangeleverde medische informatie, het huisartsenjournaal, is door [adviesbureau] betrokken in het aanvullend advies van 22 juni 2026. Als er meer informatie zou zijn geweest, dan was het aan eisers om dit (tijdig) aan te leveren. Dit hebben zij niet gedaan. Verder volgt de voorzieningenrechter eisers niet in hun betoog dat het college het begrip persoonlijke noodsituatie te beperkt opvat. Immers uit de aanvraag blijkt dat de medische problematiek van de kinderen de directe aanleiding is voor de aanvraag. Een urgentieverklaring is niet bedoeld om problemen in de sociale huurwoning op te lossen. Deze problemen kunnen eisers eventueel via een civielrechtelijke procedure aan de orde stellen. Op zitting is gebleken dat eisers inmiddels een dergelijke procedure zijn gestart tegen de woningcorporatie.
8.4.
Omdat geen sprake is van een persoonlijke noodsituatie heeft het college ook niet hoeven te beoordelen of de getroffen maatregelen de schimmel- en vochtproblematiek kunnen verhelpen dan wel of de al getroffen maatregelen een duurzame oplossing vormen. Immers de vraag of een woning geschikt is te maken is, zo blijkt uit artikel 20 van het Reglement, enkel van belang als sprake is van een persoonlijke noodsituatie. Daar is hier niet van gebleken. Dat de voorzieningenrechter het college in haar uitspraak van 26 mei 2026 opdracht heeft gegeven dit nader te onderzoeken leidt niet tot een ander oordeel. De voorzieningenrechter heeft het college deze opdracht gegeven, omdat in het eerdere advies van [adviesbureau] van 9 februari 2026 de opmerking is gemaakt dat er afdoende maatregelen mogelijk zijn om het binnenklimaat te verbeteren en de luchtvochtigheid in de woning te reduceren. De voorzieningenrechter merkt op dat niet duidelijk is waarop deze conclusie gebaseerd is. In het aanvullend advies van 22 juli 2026 geeft [adviesbureau] hier duidelijkheid over en stelt dat deze uitspraak niet is gebaseerd op een bouwkundige beoordeling en dat voor een uitspraak over de haalbaarheid, effectiviteit en duurzaamheid van dergelijke maatregelen een bouwkundige expertise is aangewezen. Hieruit volgt, anders dan eisers lijken te stellen, niet dat een dergelijke bouwkundige keuring nog nodig is. Immers, deze keuring is enkel noodzakelijk, als sprake is van een persoonlijke noodsituatie. Daar is niet van gebleken.
8.5.
De voorzieningenrechter komt dan ook tot het oordeel dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat geen sprake is van een persoonlijke noodsituatie.
De voorzieningenrechter zal daarom niet ingaan op de vraag of eisers zelf verantwoordelijk zijn voor voortduren van de huidige situatie. Deze vraag is immers alleen relevant als sprake is van een persoonlijke noodsituatie. De hierover naar voren gebrachte gronden laat zij dan ook onbesproken.
Had het college de hardheidsclausule moeten toepassen en toch urgentie moeten verlenen?
9. Eisers stellen dat het college de hardheidsclausule, opgenomen in artikel 28 van de Verordening, had moeten toepassen. Weliswaar heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) aanvaard dat het college, gelet op de schaarste, een restrictief beleid mag voeren en toepassing van de hardheidsclausule tot zeer uitzonderlijke situaties mag beperken, maar dit neemt niet weg dat de omstandigheden van het concrete huishouden in hun samenhang moeten worden beoordeeld. In de beslissing op bezwaar staat slechts dat de hardheidsclausule wordt toegepast in zeer incidentele, levensbedreigende of daarmee vergelijkbare gevallen en dat de situatie van eisers onvoldoende onderscheidend is van die van vele andere woningzoekenden. Daarmee blijft onbesproken wat de combinatie van de langdurige woonproblematiek, drie minderjarige kinderen, de beperkingen van eiser, de zeer geringe mogelijkheden op de reguliere woningmarkt en het ontbreken van een aantoonbaar duurzame technische oplossing, voor dit gezin betekent. De afzonderlijke omstandigheden hoeven ieder voor zich geen urgentiegrond te vormen. Het beroep op de hardheidsclausule ziet juist op hun gezamenlijke effect.
9.1.
Het college heeft in het bestreden besluit gesteld dat de hardheidsclausule enkel wordt toegepast bij zeer incidentele noodgevallen waarbij sprake is van levensbedreigende of daarmee vergelijkbare situaties. Het college acht de situatie van eisers onvoldoende onderscheidend van vele andere woningzoekenden in de regio in een vergelijkbare onwenselijke situatie. Op zitting heeft het college hier nog aan toegevoegd dat de hardheidsclausule, gelet op de grote schaarste aan woningen, slechts wordt toegepast als het langer voortduren van de huidige situatie medisch onverantwoord is. In dit kader heeft het college gewezen op een uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019. Omdat hier geen sprake van is, wordt geen toepassing gegeven aan de hardheidsclausule.
9.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat het college een restrictief beleid mag voeren en dat het college daarbij ook tot uitgangspunt mag nemen dat alleen in zeer uitzonderlijke situaties aanleiding bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule, gelet op het grote tekort aan sociale huurwoningen in de regio en het belang van een rechtvaardige verdeling van de beschikbare woonruimte. Alhoewel de woonsituatie van eisers verre van ideaal is, heeft het college daarin geen aanleiding hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen. Het college wijst er terecht op dat niet is gebleken van een medische noodsituatie. Dat vocht- en schimmelproblematiek niet goed is voor de gezondheid van de kinderen maakt de situatie van eisers, hoe vervelend ook, onvoldoende onderscheidend van andere gezinnen die zich in een onwenselijke woonsituatie bevinden. Hetzelfde geldt voor de moeilijkheden op de woningmarkt en het ontbreken van een sociaal netwerk in de directe omgeving. In deze omstandigheden heeft het college dan ook geen aanleiding hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
ECLI:NL:RVS:2023:1050, r.o. 4.2..
Zie o.a. ABRvS d.d. 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1247.
Eiser wijst op een uitspraak van de Afdeling van 3 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1495.
ECLI:NL:RVS:2019:2903.