Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:7352
2026-09-25
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ARN 26/3582
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een tijdelijke blaashal met bijbehorende units en een survivalbaan. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af, ondanks dat het bestreden besluit een aantal gebreken heeft.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2021:2923 Raad van State 22-12-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (25.076 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/3582
uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 september 2026
in de zaak tussen
[Verzoeker 1], verzoeker 1
[Verzoekster 2], verzoekster 2 en;
[Verzoeker 3]
, verzoeker 3
allen uit [plaats], hierna gezamenlijk te noemen: verzoekers
(gemachtigde: mr. J.H.B. Averdijk),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oost Gelre
(gemachtigde: B. Ter Have).
Als derde-partijen nemen aan de zaken deel:
de gemeente Oost Gelre (vergunninghoudster) en;
Handbalvereniging Pacelli, uit Zieuwent.
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een tijdelijke blaashal met bijbehorende units en een survivalbaan op het perceel [adres] in Zieuwent.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. De voorzieningenrechter kent in dit geval een minder groot belang toe aan de belangen van verzoekers die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening dan aan de belangen van het college en de derde-partijen die pleiten tegen het treffen daarvan. De voorzieningenrechter ziet daarin aanleiding om in dit geval geen voorlopige voorziening te treffen, ondanks dat het bestreden besluit een aantal gebreken bevat.
1.2.
Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.3.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 10 juni 2026 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 september 2026 op zitting behandeld. Namens verzoekers zijn [Verzoeker 1] en de gemachtigde verschenen. Het college heeft zich op zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens Handbalvereniging Pacelli heeft [naam] deelgenomen aan de zitting.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter bespreekt hieronder eerst waar deze zaak over gaat. Daarna zet zij het wettelijk kader uiteen. Vervolgens beoordeelt de voorzieningenrechter of er aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Waar gaat deze zaak over?
4. Op 26 mei 2026 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een tijdelijke blaashal, met bijbehorende units en een survivalbaan op het perceel [adres] in Zieuwentgeplaatst. De aanvraag heeft betrekking op 3 activiteiten:
- Bouwactiviteit (technisch);
- Bouwactiviteit (omgevingsplan);
- Afwijken van regels in het omgevingsplan.
4.1.
Bij besluit van 10 juni 2026 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Uit de vergunning blijkt dat de blaashal, met bijbehorende units, en de survivalbaan aanwezig mogen zijn voor een termijn van maximaal 5 jaar. De blaashal is ondertussen gereed, de survivalbaan nog niet.
4.2.
Verzoekers zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij vrezen voornamelijk voor parkeeroverlast als gevolg van de verleende omgevingsvergunning.
Wettelijk kader
5. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waar de voorzieningen gerealiseerd zijn/worden, was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Kern Zieuwent’ van kracht. Dat bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Oost Gelre. Volgens dat bestemmingsplan geldt op het perceel de bestemming Sport. Op het perceel is geen bouwvlak aanwezig. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, omdat de blaashal met bijbehorende units in een bouwvlak gebouwd moeten worden.
5.1.
Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent. In artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.2.
De voornaamste vraag die in het kader van deze procedure moet worden beantwoord, is dus of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het toestaan van de blaashal en de survivalbaan op het perceel voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Wijze van beoordelen
6. Bij de vraag of aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening is van belang of het bezwaar van verzoekers een redelijke kans van slagen heeft. Als een besluit naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter onrechtmatig is, dan kan dat namelijk een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Maar ook als een bezwaar een redelijke kans van slagen heeft, kan het treffen van een voorlopige voorziening onder omstandigheden achterwege blijven op grond van een belangenafweging. Dat kan zich voordoen al er een zwaarwegend belang bestaat bij het niet treffen van een voorlopige voorziening, ondanks het onrechtmatige karakter van het besluit.
6.1.
De voorzieningenrechter geeft in deze uitspraak eerst een voorlopig rechtmatigheidsoordeel en daarna weegt zij de belangen van verzoekers die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het college en de derde-partijen die pleiten tegen het treffen daarvan.
Zijn verzoekers belanghebbenden?
7. Het college voert aan dat verzoekers geen belanghebbenden zijn en dat het bezwaar van verzoekers daarom niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Het verzoek om een voorlopige voorziening moet daarom ook afgewezen worden. Volgens het college ondervinden verzoekers namelijk geen gevolgen van enige betekenis van de verleende omgevingsvergunning.
7.1.
Uit vaste rechtspraak volgt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in dit geval de bouw van een woning, in beginsel belanghebbende is bij het besluit tot het verlenen ervan. Wel moeten deze gevolgen van enige betekenis zijn. Daarbij wordt gekeken naar de afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en de milieugevolgen (zoals geur, geluid, licht, trilling, emissie en risico) van de activiteit waar het besluit op ziet.
7.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat (in ieder geval) verzoekster 2 als belanghebbende is aan te merken. Verzoekster 2 woont op ongeveer 210 meter en heeft, zo erkent het college ook, (beperkt) zicht op de blaashal. Gelet op deze geringe afstand en het feit dat zij zicht heeft op de blaashal is de voorzieningenrechter reeds daarom van oordeel dat zij belanghebbende is bij deze omgevingsvergunning. Daar komt nog bij dat het college erkent dat er bij piekmomenten mogelijk in de straat voor haar huis geparkeerd zal worden. Verzoekster 2 ondervindt dus feitelijke gevolgen van het bestreden besluit, die ook van enige betekenis zijn.
7.3.
Omdat verzoekster 2 naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter belanghebbende is bij het bestreden besluit en de voorzieningenrechter reeds daarom het verzoek om een voorlopige voorziening inhoudelijk moet behandelen, kan de vraag of verzoeker 1 en verzoeker 3 belanghebbenden zijn onbesproken blijven.
Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
8. Verzoekers voeren aan dat geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zij dragen daar een aantal argumenten voor aan. Verzoekers wijzen er allereerst op dat het college niet onderkent dat de blaashal een multifunctionele sportaccommodatie is. Dergelijke accommodaties zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'sportcentrum'. In de ruimtelijke motivering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is niet onderkend dat de blaashal alleen kan worden gerealiseerd ter plaatse van de aanduiding ‘sportcentrum’. Daarnaast wijzen verzoekers erop dat de vergunning ruimte laat voor infiltratie én afvoer van hemelwater, terwijl in de ruimtelijke onderbouwing uitsluitend infiltratie als oplossing is benoemd. Ten slotte stellen verzoekers dat het parkeeronderzoek gebrekkig is en niet deugt.
Multifunctionele sportaccommodatie
9. De aangevraagde blaashal is niet toegestaan op grond van het omgevingsplan, omdat er geen bouwvlak op het perceel ligt en er alleen gebouwd mag worden binnen een bouwvlak. Het college moet dus motiveren waarom het toestaan van de blaashal (met voorzieningen) en het gebruik daarvan op deze locatie voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij de vergunningaanvraag is de ‘Motivering evenwichtige toedeling functies aan locaties Tijdelijke blaashal en survivalbaan Zieuwent’ van juni 2026 gevoegd. Hierin is getoetst aan alle relevante aspecten voor de beoordeling van het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Anders dan verzoekers menen is voor die beoordeling niet relevant of deze blaashal planologisch gezien als multifunctionele sportaccommodatie kan worden aangemerkt en of wordt voldaan aan de voorwaarde uit artikel 14.1, waarin staat dat een dergelijk centrum alleen is toegestaan ter plaatse van de aanduiding sportcentrum. Er staat immers al vast dat de blaashal op deze locatie niet is toegestaan en het college moet dus beoordelen waarom de blaashal met het aangevraagde gebruik op deze locatie, ondanks strijd met het omgevingsplan, hier passend is (oftewel voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties). Of de blaashal planologisch al dan niet aangeduid kan worden als multifunctionele sportaccommodatie, maakt voor de beoordeling of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen verschil.
Waterberging
10. Verzoekers stellen dat het voorschrift in de omgevingsvergunning over de waterberging een keuze laat tussen infiltratie of afvoer en dat die keuzemogelijkheid niet is afgewogen in de ruimtelijke motivering. In de ruimtelijke onderbouwing wordt namelijk uitgegaan van infiltratie. Het college heeft op zitting toegelicht dat is gekozen voor infiltratie en dat de infiltratie reeds gerealiseerd is. Ook heeft het college desgevraagd aangegeven dit nog te zullen borgen in de beslissing op bezwaar. Daarmee is dit punt naar het oordeel van de voorzieningenrechter opgelost.
Parkeren
11. Verzoekers stellen dat het parkeeronderzoek niet deugt. Over de parkeerbehoefte stellen zij onder meer dat bepaalde gebruikers niet zijn meegenomen in de berekening, niet is uitgegaan van maximale planologische mogelijkheden, parkeerplaatsen buiten het sportcomplex niet mogen worden meegerekend en externe parkeerplaatsen niet duurzaam zijn verzekerd.
11.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de nota ‘Parkeernormen gemeente Oost Gelre’ niet van toepassing is, maar het college heeft toegelicht dat voor het aspect parkeren deze nota wel als leidraad is genomen. Het college is basis van de parkeernota tot de conclusie gekomen dat er 70 parkeerplekken nodig zijn, terwijl er maar 46 parkeerplaatsen zijn. Het college heeft daarom een zogenoemde ‘praktijkgerichte berekening’ gemaakt. In die berekening wordt rekening gehouden met het feit dat de grootste parkeerdruk op zondagen optreedt. Doordeweekse trainingen worden immers alleen bezocht door verenigingsleden, die voornamelijk afkomstig zijn uit Zieuwent. Zij komen vrijwel altijd lopend of met de fiets, aldus het college. Het college voorziet dus voornamelijk problemen op de drukste momenten (de wedstrijddagen op zondag). Het college schat in dat de parkeerbehoefte op een dergelijk piekmoment 59 parkeerplaatsen betreft. Het tekort van 13 parkeerplaatsen op piekmomenten kan worden opgevangen op parkeerplaatsen van de huisartsenpraktijk (5 parkeerplaatsen) en het kinderdagverblijf (9 parkeerplaatsen), die beiden op minder dan 100 meter loopafstand liggen van de blaashal.
11.2.
Hoewel het naar het oordeel van de voorzieningenrechter in beginsel mogelijk is om voor het aspect parkeren rekening te houden rustige momenten en piekmomenten, is het voor de voorzieningenrechter op dit moment onvoldoende duidelijk waar het college de 59 benodigde parkeerplaatsen op zogenoemde piekmomenten op heeft gebaseerd. In de ruimtelijke onderbouwing wordt gesproken over een schatting, maar niet navolgbaar is waar die schatting op is gebaseerd. Dit moet wel controleerbaar zijn, juist omdat op basis van parkeernota van een hoger aantal van 70 benodigde parkeerplaatsen zou moeten worden uitgegaan. In zoverre bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek. Daar komt bij dat het naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende duidelijk is of de parkeerplaatsen van de huisartsenpraktijk en het kinderdagverblijf beschikbaar zijn en ook beschikbaar blijven. Zoals verzoekers terecht hebben gesteld, heeft het kinderdagverblijf alleen mondeling toestemming gegeven en willen zij dit niet schriftelijk borgen. Met de huisartsenpraktijk is wel een schriftelijke overeenkomst gesloten, maar deze overeenkomst is op elk moment opzegbaar. Het is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende duurzaam verzekerd dat de parkeerplaatsen ter beschikking staan en blijven ten behoeve van de blaashal. Het college heeft daar op zitting nog over toegelicht dat er ook elders in de openbare ruimte voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn, maar daar heeft het college geen concrete onderbouwing van aangeleverd. Op dit moment is het voor de voorzieningenrechter onvoldoende duidelijk hoeveel parkeerplaatsen er beschikbaar zijn in de openbare ruimte, op acceptabele loopafstand.
De bezwaargrond heeft een redelijke kans van slagen.
Had bindend advies moeten worden gevraagd aan de gemeenteraad?
12. Verzoekers wijzen erop dat de ontwikkeling onder categorie 6.1 van de gemeentelijke lijst voor bindend adviesrecht valt, omdat sprake is van een sportvoorziening groter dan 1.500 m² binnen de bebouwde kom. Daarom had de gemeenteraad om bindend advies moeten worden gevraagd.
12.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de gemeenteraad de beleidsnotitie ‘Adviesrecht gemeenteraad bij afwijkingen van het omgevingsplan’ heeft vastgesteld. Daarin is een lijst van categorieën opgenomen op basis waarvan kan worden vastgesteld of een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit moet worden voorzien van een bindend advies van de gemeenteraad aan het college. In categorie 6.1 is opgenomen dat het adviesrecht geldt voor ’het realiseren van grootschalige maatschappelijke voorzieningen en sportvoorzieningen, met een bruto oppervlakte van meer dan 1.500 m2 binnen de bebouwde kom.’
12.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat het in dit geval gaat om een sportvoorziening met een bruto oppervlakte van meer dan 1.500 m2. Het college stelt echter dat het woord ‘realiseren’ beperkt uitgelegd moet worden en dat daar in dit geval geen sprake van is. Uit de toelichting op onderdeel 6 van het adviesrecht kan volgens het college de conclusie worden getrokken dat het ook moet gaan om nieuwe functies. Daar is hier geen sprake van omdat er al een sportfunctie op het terrein ligt en de blaashal aansluit bij de nieuwe activiteiten.
12.3.
Dat volgt de voorzieningenrechter niet. Er wordt naar het oordeel van de voorzieningenrechter namelijk wel een sportvoorziening gerealiseerd. Realiseren betekent zoiets als tot stand brengen, verwezenlijken of uitvoeren. In dit geval wordt een sportvoorziening tot stand gebracht, die zonder omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit niet is toegestaan. Volgens de voorzieningenrechter is naar de letterlijke tekst van de beleidsnotitie sprake van het realiseren van een sportvoorziening. Nu de tekst van de beleidsnotitie op zichzelf voldoende duidelijk is, komt de voorzieningenrechter aan de toelichting en bedoeling (over de uitleg van het woord realiseren) niet meer toe.
12.4.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had gelet op het voorgaande bindend advies ingewonnen moeten worden bij de gemeenteraad. Het college heeft overigens op zitting al toegezegd dit te gaan doen.
Tussenconclusie
13. Het bezwaar van verzoekers heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter een redelijke kans van slagen.
Belangenafweging
14. In deze belangenafweging weegt de voorzieningenrechter de belangen van verzoekers die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het college die pleiten tegen het treffen daarvan. Gelet op het voorlopig rechtmatigheidsoordeel is er in deze belangenafweging minder ruimte voor de belangen van het college en de derde-partijen bij het niet-schorsen van de omgevingsvergunning. Het besluit is namelijk (zoals uit de tussenconclusie blijkt) naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onrechtmatig. Toch komt de voorzieningenrechter in dit specifieke geval naar aanleiding van de belangenafweging tot de conclusie dat het bestreden besluit niet geschorst moet worden, omdat de belangen van het college en de derde-partijen in dit geval zwaarder wegen. De voorzieningenrechter licht dit hieronder toe.
De belangen van partijen
15. Het belang van verzoekers bij schorsing van de omgevingsvergunning is voornamelijk gelegen in het voorkomen van de parkeeroverlast die zij vrezen tot aan de beslissing op bezwaar. Het belang van het college en de derde-partijen bestaat er in de kern uit dat er een belang is bij een dergelijke sportvoorziening in het dorp. Er is geen andere sporthal in Zieuwent voor de verenigingen die de hal gebruiken en er is ook elders in de gemeente Oost Gelre geen plek voor de trainingen en wedstrijden van de handbalvereniging. De handbalvereniging heeft op zitting ook nog toegelicht dat de competitie eind september begint, en dat ze hier anders niet aan kunnen deelnemen en er als gevolg daarvan leden weggaan bij de vereniging.
Welk belang weegt zwaarder?
16. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het college en de derde-partijen een zwaarwegend belang hebben bij een afwijzing van het verzoek. De voorzieningenrechter volgt het college in zijn stelling dat het van belang is dat er een sportvoorziening is in een dorp als Zieuwent. Daarnaast ondervindt de handbalvereniging ernstige nadelige gevolgen als zij zonder onderkomen komt te zitten. Ook verzoekers hebben een belang bij schorsing van de vergunning, maar aan dat belang kent de voorzieningenrechter een beperktere betekenis toe. Als het gebruik van de blaashal tot parkeeroverlast blijkt te leiden, kunnen zij dit door schorsing van de vergunning weliswaar voorkomen tot aan de beslissing op bezwaar, maar de voorzieningenrechter is van oordeel dat dit belang in tijd en omvang beperkt is. Als er sprake is van parkeeroverlast dan zal dit zich immers enkel voordoen tot aan de beslissing op bezwaar, die dit najaar wordt verwacht. Daarnaast zal de mogelijke overlast zich voornamelijk voordoen op de zondagen. Doordeweeks vinden er immers geen wedstrijden plaats en worden er geen bezoekers aangetrokken van buiten Zieuwent.
16.1.
De voorzieningenrechter kent gelet op het voorgaande in dit geval een groter belang toe aan de belangen van de derde-partijen en het college dan aan het belang van verzoekers. Daarom ziet de voorzieningenrechter aanleiding om in dit geval geen voorlopige voorziening te treffen, ondanks dat het bestreden besluit een aantal gebreken kent. De voorzieningenrechter heeft daar ook bij in aanmerking genomen dat niet is uitgesloten dat deze gebreken in de beslissing op bezwaar nog worden hersteld. Met betrekking tot specifiek het bindend advies merkt de voorzieningenrechter op dat gemeenteraad unaniem heeft ingestemd met het beschikbaar stellen van het krediet voor deze ontwikkeling en dat het daarom niet onwaarschijnlijk is dat de gemeenteraad ook ruimtelijk gezien positief zal adviseren. Met betrekking tot het parkeren zijn volgens het college, zo is op zitting toegelicht, ruim voldoende parkeerplaatsen aanwezig in de openbare ruimte. De voorzieningenrechter heeft op voorhand geen redenen om hieraan te twijfelen, maar dan zal het college dit in de beslissing op bezwaar wel verder inzichtelijk moeten maken. Wanneer een van beide gebreken niet hersteld wordt in bezwaar, ligt het voor de hand dat dan alsnog de vergunning wordt geweigerd en het gebruik van de blaashal stopt. De eventuele parkeeroverlast van verzoekers stopt dan op dat moment ook.
Conclusie en gevolgen
17. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
17.1.
Omdat het besluit twee gebreken kent en daarom niet kan worden gezegd dat het bezwaar van verzoekers geen redelijke kans van slagen heeft, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te bepalen dat het college het griffierecht ter hoogte van € 200,- moet vergoeden. Ook veroordeelt de voorzieningenrechter het college in de proceskosten van verzoekers. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en deelgenomen aan de zitting bij de voorzieningenrechter. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat het college het griffierecht ter hoogte van € 200,- aan verzoekers moet vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekers ter hoogte van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De voorzieningenrechter en de griffier zijn verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 22 deecmber 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2923, r.o. 3.2.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/3582
uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 september 2026
in de zaak tussen
[Verzoeker 1], verzoeker 1
[Verzoekster 2], verzoekster 2 en;
[Verzoeker 3]
, verzoeker 3
allen uit [plaats], hierna gezamenlijk te noemen: verzoekers
(gemachtigde: mr. J.H.B. Averdijk),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oost Gelre
(gemachtigde: B. Ter Have).
Als derde-partijen nemen aan de zaken deel:
de gemeente Oost Gelre (vergunninghoudster) en;
Handbalvereniging Pacelli, uit Zieuwent.
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een tijdelijke blaashal met bijbehorende units en een survivalbaan op het perceel [adres] in Zieuwent.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. De voorzieningenrechter kent in dit geval een minder groot belang toe aan de belangen van verzoekers die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening dan aan de belangen van het college en de derde-partijen die pleiten tegen het treffen daarvan. De voorzieningenrechter ziet daarin aanleiding om in dit geval geen voorlopige voorziening te treffen, ondanks dat het bestreden besluit een aantal gebreken bevat.
1.2.
Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.3.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 10 juni 2026 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 september 2026 op zitting behandeld. Namens verzoekers zijn [Verzoeker 1] en de gemachtigde verschenen. Het college heeft zich op zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens Handbalvereniging Pacelli heeft [naam] deelgenomen aan de zitting.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter bespreekt hieronder eerst waar deze zaak over gaat. Daarna zet zij het wettelijk kader uiteen. Vervolgens beoordeelt de voorzieningenrechter of er aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Waar gaat deze zaak over?
4. Op 26 mei 2026 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een tijdelijke blaashal, met bijbehorende units en een survivalbaan op het perceel [adres] in Zieuwentgeplaatst. De aanvraag heeft betrekking op 3 activiteiten:
- Bouwactiviteit (technisch);
- Bouwactiviteit (omgevingsplan);
- Afwijken van regels in het omgevingsplan.
4.1.
Bij besluit van 10 juni 2026 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Uit de vergunning blijkt dat de blaashal, met bijbehorende units, en de survivalbaan aanwezig mogen zijn voor een termijn van maximaal 5 jaar. De blaashal is ondertussen gereed, de survivalbaan nog niet.
4.2.
Verzoekers zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij vrezen voornamelijk voor parkeeroverlast als gevolg van de verleende omgevingsvergunning.
Wettelijk kader
5. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waar de voorzieningen gerealiseerd zijn/worden, was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Kern Zieuwent’ van kracht. Dat bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Oost Gelre. Volgens dat bestemmingsplan geldt op het perceel de bestemming Sport. Op het perceel is geen bouwvlak aanwezig. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, omdat de blaashal met bijbehorende units in een bouwvlak gebouwd moeten worden.
5.1.
Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent. In artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.2.
De voornaamste vraag die in het kader van deze procedure moet worden beantwoord, is dus of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het toestaan van de blaashal en de survivalbaan op het perceel voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Wijze van beoordelen
6. Bij de vraag of aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening is van belang of het bezwaar van verzoekers een redelijke kans van slagen heeft. Als een besluit naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter onrechtmatig is, dan kan dat namelijk een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Maar ook als een bezwaar een redelijke kans van slagen heeft, kan het treffen van een voorlopige voorziening onder omstandigheden achterwege blijven op grond van een belangenafweging. Dat kan zich voordoen al er een zwaarwegend belang bestaat bij het niet treffen van een voorlopige voorziening, ondanks het onrechtmatige karakter van het besluit.
6.1.
De voorzieningenrechter geeft in deze uitspraak eerst een voorlopig rechtmatigheidsoordeel en daarna weegt zij de belangen van verzoekers die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het college en de derde-partijen die pleiten tegen het treffen daarvan.
Zijn verzoekers belanghebbenden?
7. Het college voert aan dat verzoekers geen belanghebbenden zijn en dat het bezwaar van verzoekers daarom niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Het verzoek om een voorlopige voorziening moet daarom ook afgewezen worden. Volgens het college ondervinden verzoekers namelijk geen gevolgen van enige betekenis van de verleende omgevingsvergunning.
7.1.
Uit vaste rechtspraak volgt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in dit geval de bouw van een woning, in beginsel belanghebbende is bij het besluit tot het verlenen ervan. Wel moeten deze gevolgen van enige betekenis zijn. Daarbij wordt gekeken naar de afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en de milieugevolgen (zoals geur, geluid, licht, trilling, emissie en risico) van de activiteit waar het besluit op ziet.
7.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat (in ieder geval) verzoekster 2 als belanghebbende is aan te merken. Verzoekster 2 woont op ongeveer 210 meter en heeft, zo erkent het college ook, (beperkt) zicht op de blaashal. Gelet op deze geringe afstand en het feit dat zij zicht heeft op de blaashal is de voorzieningenrechter reeds daarom van oordeel dat zij belanghebbende is bij deze omgevingsvergunning. Daar komt nog bij dat het college erkent dat er bij piekmomenten mogelijk in de straat voor haar huis geparkeerd zal worden. Verzoekster 2 ondervindt dus feitelijke gevolgen van het bestreden besluit, die ook van enige betekenis zijn.
7.3.
Omdat verzoekster 2 naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter belanghebbende is bij het bestreden besluit en de voorzieningenrechter reeds daarom het verzoek om een voorlopige voorziening inhoudelijk moet behandelen, kan de vraag of verzoeker 1 en verzoeker 3 belanghebbenden zijn onbesproken blijven.
Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
8. Verzoekers voeren aan dat geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zij dragen daar een aantal argumenten voor aan. Verzoekers wijzen er allereerst op dat het college niet onderkent dat de blaashal een multifunctionele sportaccommodatie is. Dergelijke accommodaties zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'sportcentrum'. In de ruimtelijke motivering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is niet onderkend dat de blaashal alleen kan worden gerealiseerd ter plaatse van de aanduiding ‘sportcentrum’. Daarnaast wijzen verzoekers erop dat de vergunning ruimte laat voor infiltratie én afvoer van hemelwater, terwijl in de ruimtelijke onderbouwing uitsluitend infiltratie als oplossing is benoemd. Ten slotte stellen verzoekers dat het parkeeronderzoek gebrekkig is en niet deugt.
Multifunctionele sportaccommodatie
9. De aangevraagde blaashal is niet toegestaan op grond van het omgevingsplan, omdat er geen bouwvlak op het perceel ligt en er alleen gebouwd mag worden binnen een bouwvlak. Het college moet dus motiveren waarom het toestaan van de blaashal (met voorzieningen) en het gebruik daarvan op deze locatie voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij de vergunningaanvraag is de ‘Motivering evenwichtige toedeling functies aan locaties Tijdelijke blaashal en survivalbaan Zieuwent’ van juni 2026 gevoegd. Hierin is getoetst aan alle relevante aspecten voor de beoordeling van het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Anders dan verzoekers menen is voor die beoordeling niet relevant of deze blaashal planologisch gezien als multifunctionele sportaccommodatie kan worden aangemerkt en of wordt voldaan aan de voorwaarde uit artikel 14.1, waarin staat dat een dergelijk centrum alleen is toegestaan ter plaatse van de aanduiding sportcentrum. Er staat immers al vast dat de blaashal op deze locatie niet is toegestaan en het college moet dus beoordelen waarom de blaashal met het aangevraagde gebruik op deze locatie, ondanks strijd met het omgevingsplan, hier passend is (oftewel voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties). Of de blaashal planologisch al dan niet aangeduid kan worden als multifunctionele sportaccommodatie, maakt voor de beoordeling of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen verschil.
Waterberging
10. Verzoekers stellen dat het voorschrift in de omgevingsvergunning over de waterberging een keuze laat tussen infiltratie of afvoer en dat die keuzemogelijkheid niet is afgewogen in de ruimtelijke motivering. In de ruimtelijke onderbouwing wordt namelijk uitgegaan van infiltratie. Het college heeft op zitting toegelicht dat is gekozen voor infiltratie en dat de infiltratie reeds gerealiseerd is. Ook heeft het college desgevraagd aangegeven dit nog te zullen borgen in de beslissing op bezwaar. Daarmee is dit punt naar het oordeel van de voorzieningenrechter opgelost.
Parkeren
11. Verzoekers stellen dat het parkeeronderzoek niet deugt. Over de parkeerbehoefte stellen zij onder meer dat bepaalde gebruikers niet zijn meegenomen in de berekening, niet is uitgegaan van maximale planologische mogelijkheden, parkeerplaatsen buiten het sportcomplex niet mogen worden meegerekend en externe parkeerplaatsen niet duurzaam zijn verzekerd.
11.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de nota ‘Parkeernormen gemeente Oost Gelre’ niet van toepassing is, maar het college heeft toegelicht dat voor het aspect parkeren deze nota wel als leidraad is genomen. Het college is basis van de parkeernota tot de conclusie gekomen dat er 70 parkeerplekken nodig zijn, terwijl er maar 46 parkeerplaatsen zijn. Het college heeft daarom een zogenoemde ‘praktijkgerichte berekening’ gemaakt. In die berekening wordt rekening gehouden met het feit dat de grootste parkeerdruk op zondagen optreedt. Doordeweekse trainingen worden immers alleen bezocht door verenigingsleden, die voornamelijk afkomstig zijn uit Zieuwent. Zij komen vrijwel altijd lopend of met de fiets, aldus het college. Het college voorziet dus voornamelijk problemen op de drukste momenten (de wedstrijddagen op zondag). Het college schat in dat de parkeerbehoefte op een dergelijk piekmoment 59 parkeerplaatsen betreft. Het tekort van 13 parkeerplaatsen op piekmomenten kan worden opgevangen op parkeerplaatsen van de huisartsenpraktijk (5 parkeerplaatsen) en het kinderdagverblijf (9 parkeerplaatsen), die beiden op minder dan 100 meter loopafstand liggen van de blaashal.
11.2.
Hoewel het naar het oordeel van de voorzieningenrechter in beginsel mogelijk is om voor het aspect parkeren rekening te houden rustige momenten en piekmomenten, is het voor de voorzieningenrechter op dit moment onvoldoende duidelijk waar het college de 59 benodigde parkeerplaatsen op zogenoemde piekmomenten op heeft gebaseerd. In de ruimtelijke onderbouwing wordt gesproken over een schatting, maar niet navolgbaar is waar die schatting op is gebaseerd. Dit moet wel controleerbaar zijn, juist omdat op basis van parkeernota van een hoger aantal van 70 benodigde parkeerplaatsen zou moeten worden uitgegaan. In zoverre bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek. Daar komt bij dat het naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende duidelijk is of de parkeerplaatsen van de huisartsenpraktijk en het kinderdagverblijf beschikbaar zijn en ook beschikbaar blijven. Zoals verzoekers terecht hebben gesteld, heeft het kinderdagverblijf alleen mondeling toestemming gegeven en willen zij dit niet schriftelijk borgen. Met de huisartsenpraktijk is wel een schriftelijke overeenkomst gesloten, maar deze overeenkomst is op elk moment opzegbaar. Het is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende duurzaam verzekerd dat de parkeerplaatsen ter beschikking staan en blijven ten behoeve van de blaashal. Het college heeft daar op zitting nog over toegelicht dat er ook elders in de openbare ruimte voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn, maar daar heeft het college geen concrete onderbouwing van aangeleverd. Op dit moment is het voor de voorzieningenrechter onvoldoende duidelijk hoeveel parkeerplaatsen er beschikbaar zijn in de openbare ruimte, op acceptabele loopafstand.
De bezwaargrond heeft een redelijke kans van slagen.
Had bindend advies moeten worden gevraagd aan de gemeenteraad?
12. Verzoekers wijzen erop dat de ontwikkeling onder categorie 6.1 van de gemeentelijke lijst voor bindend adviesrecht valt, omdat sprake is van een sportvoorziening groter dan 1.500 m² binnen de bebouwde kom. Daarom had de gemeenteraad om bindend advies moeten worden gevraagd.
12.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de gemeenteraad de beleidsnotitie ‘Adviesrecht gemeenteraad bij afwijkingen van het omgevingsplan’ heeft vastgesteld. Daarin is een lijst van categorieën opgenomen op basis waarvan kan worden vastgesteld of een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit moet worden voorzien van een bindend advies van de gemeenteraad aan het college. In categorie 6.1 is opgenomen dat het adviesrecht geldt voor ’het realiseren van grootschalige maatschappelijke voorzieningen en sportvoorzieningen, met een bruto oppervlakte van meer dan 1.500 m2 binnen de bebouwde kom.’
12.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat het in dit geval gaat om een sportvoorziening met een bruto oppervlakte van meer dan 1.500 m2. Het college stelt echter dat het woord ‘realiseren’ beperkt uitgelegd moet worden en dat daar in dit geval geen sprake van is. Uit de toelichting op onderdeel 6 van het adviesrecht kan volgens het college de conclusie worden getrokken dat het ook moet gaan om nieuwe functies. Daar is hier geen sprake van omdat er al een sportfunctie op het terrein ligt en de blaashal aansluit bij de nieuwe activiteiten.
12.3.
Dat volgt de voorzieningenrechter niet. Er wordt naar het oordeel van de voorzieningenrechter namelijk wel een sportvoorziening gerealiseerd. Realiseren betekent zoiets als tot stand brengen, verwezenlijken of uitvoeren. In dit geval wordt een sportvoorziening tot stand gebracht, die zonder omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit niet is toegestaan. Volgens de voorzieningenrechter is naar de letterlijke tekst van de beleidsnotitie sprake van het realiseren van een sportvoorziening. Nu de tekst van de beleidsnotitie op zichzelf voldoende duidelijk is, komt de voorzieningenrechter aan de toelichting en bedoeling (over de uitleg van het woord realiseren) niet meer toe.
12.4.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had gelet op het voorgaande bindend advies ingewonnen moeten worden bij de gemeenteraad. Het college heeft overigens op zitting al toegezegd dit te gaan doen.
Tussenconclusie
13. Het bezwaar van verzoekers heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter een redelijke kans van slagen.
Belangenafweging
14. In deze belangenafweging weegt de voorzieningenrechter de belangen van verzoekers die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het college die pleiten tegen het treffen daarvan. Gelet op het voorlopig rechtmatigheidsoordeel is er in deze belangenafweging minder ruimte voor de belangen van het college en de derde-partijen bij het niet-schorsen van de omgevingsvergunning. Het besluit is namelijk (zoals uit de tussenconclusie blijkt) naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onrechtmatig. Toch komt de voorzieningenrechter in dit specifieke geval naar aanleiding van de belangenafweging tot de conclusie dat het bestreden besluit niet geschorst moet worden, omdat de belangen van het college en de derde-partijen in dit geval zwaarder wegen. De voorzieningenrechter licht dit hieronder toe.
De belangen van partijen
15. Het belang van verzoekers bij schorsing van de omgevingsvergunning is voornamelijk gelegen in het voorkomen van de parkeeroverlast die zij vrezen tot aan de beslissing op bezwaar. Het belang van het college en de derde-partijen bestaat er in de kern uit dat er een belang is bij een dergelijke sportvoorziening in het dorp. Er is geen andere sporthal in Zieuwent voor de verenigingen die de hal gebruiken en er is ook elders in de gemeente Oost Gelre geen plek voor de trainingen en wedstrijden van de handbalvereniging. De handbalvereniging heeft op zitting ook nog toegelicht dat de competitie eind september begint, en dat ze hier anders niet aan kunnen deelnemen en er als gevolg daarvan leden weggaan bij de vereniging.
Welk belang weegt zwaarder?
16. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het college en de derde-partijen een zwaarwegend belang hebben bij een afwijzing van het verzoek. De voorzieningenrechter volgt het college in zijn stelling dat het van belang is dat er een sportvoorziening is in een dorp als Zieuwent. Daarnaast ondervindt de handbalvereniging ernstige nadelige gevolgen als zij zonder onderkomen komt te zitten. Ook verzoekers hebben een belang bij schorsing van de vergunning, maar aan dat belang kent de voorzieningenrechter een beperktere betekenis toe. Als het gebruik van de blaashal tot parkeeroverlast blijkt te leiden, kunnen zij dit door schorsing van de vergunning weliswaar voorkomen tot aan de beslissing op bezwaar, maar de voorzieningenrechter is van oordeel dat dit belang in tijd en omvang beperkt is. Als er sprake is van parkeeroverlast dan zal dit zich immers enkel voordoen tot aan de beslissing op bezwaar, die dit najaar wordt verwacht. Daarnaast zal de mogelijke overlast zich voornamelijk voordoen op de zondagen. Doordeweeks vinden er immers geen wedstrijden plaats en worden er geen bezoekers aangetrokken van buiten Zieuwent.
16.1.
De voorzieningenrechter kent gelet op het voorgaande in dit geval een groter belang toe aan de belangen van de derde-partijen en het college dan aan het belang van verzoekers. Daarom ziet de voorzieningenrechter aanleiding om in dit geval geen voorlopige voorziening te treffen, ondanks dat het bestreden besluit een aantal gebreken kent. De voorzieningenrechter heeft daar ook bij in aanmerking genomen dat niet is uitgesloten dat deze gebreken in de beslissing op bezwaar nog worden hersteld. Met betrekking tot specifiek het bindend advies merkt de voorzieningenrechter op dat gemeenteraad unaniem heeft ingestemd met het beschikbaar stellen van het krediet voor deze ontwikkeling en dat het daarom niet onwaarschijnlijk is dat de gemeenteraad ook ruimtelijk gezien positief zal adviseren. Met betrekking tot het parkeren zijn volgens het college, zo is op zitting toegelicht, ruim voldoende parkeerplaatsen aanwezig in de openbare ruimte. De voorzieningenrechter heeft op voorhand geen redenen om hieraan te twijfelen, maar dan zal het college dit in de beslissing op bezwaar wel verder inzichtelijk moeten maken. Wanneer een van beide gebreken niet hersteld wordt in bezwaar, ligt het voor de hand dat dan alsnog de vergunning wordt geweigerd en het gebruik van de blaashal stopt. De eventuele parkeeroverlast van verzoekers stopt dan op dat moment ook.
Conclusie en gevolgen
17. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
17.1.
Omdat het besluit twee gebreken kent en daarom niet kan worden gezegd dat het bezwaar van verzoekers geen redelijke kans van slagen heeft, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te bepalen dat het college het griffierecht ter hoogte van € 200,- moet vergoeden. Ook veroordeelt de voorzieningenrechter het college in de proceskosten van verzoekers. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en deelgenomen aan de zitting bij de voorzieningenrechter. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat het college het griffierecht ter hoogte van € 200,- aan verzoekers moet vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekers ter hoogte van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De voorzieningenrechter en de griffier zijn verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 22 deecmber 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2923, r.o. 3.2.