Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:7324
2026-09-29
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ARN 25/5092
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Omgevingsvergunning. Geen rechtstreeks belang. Vestigingsintentie op naastgelegen perceel is toekomstige onzekere gebeurtenis.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2026:1238 Raad van State 04-03-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.421 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/5092
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2026
in de zaak tussen
[VOF] , gevestigd in [plaats] , eiseres 1
[bedrijf]
, gevestigd in [plaats] , eiseres 2
samen ook te noemen eisers
(gemachtigde: mr. G.A. Biersteker),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij], gevestigd te [plaats] , vergunninghouder.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning voor nieuwbouw van een winkelpand op kavel [nummer] van bedrijventerrein [naam] aan de [adres] in Harderwijk. Eisers zijn het niet eens met de omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eisers geen rechtstreeks belang hebben bij de omgevingsvergunning. Wel is het beroep gegrond omdat het college heeft miskend dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. De rechtbank verklaart het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Vergunninghouder heeft op 4 december 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd.
2.1.
Bij besluit van 8 april 2025 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de omgevingsplanactiviteit bouwen, technisch bouwen, het maken/veranderen van een uitweg en het maken van reclame. De vergunning voldoet volgens het college aan de regels van het omgevingsplan, aan de regels van het Besluit bouwwerken leefomgeving en de regels van de Verordening Fysieke Leefomgeving Harderwijk.
2.2.
Met het besluit van 25 september 2025 heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning in stand gelaten.
2.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar.
2.4.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt de omgevingsvergunning aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
Zijn eisers belanghebbenden bij de omgevingsvergunning?
4. Eisers betogen dat zij belanghebbenden zijn bij de omgevingsvergunning omdat de vergunning is verstrekt voor een vestiging van de Welkoop. Het college heeft ten onrechte alleen gekeken naar de bouwactiviteiten en niet naar de gebruiksactiviteit. Het college moet ook de aard en het doel van het bouwwerk toetsen aan het planologische regime. Door de vergunde activiteiten voor de Welkoopvestiging worden eisers als toekomstige eigenaar (eiseres 2) en toekomstige exploitant (eiseres 1) van de naastgelegen detailhandelslocatie in hun belangen geschaad. Eisers hebben een directe vestigingsintentie voor een vestiging van [VOF] op het naastgelegen kavel.
4.1.
Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.
4.2.
Uit vaste rechtspraak volgt dat een onderneming een concurrentiebelang heeft als zij in hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment bedrijfsactiviteiten ontplooit als waarin de bedrijfsactiviteiten van haar concurrent plaatsvinden.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college terecht stelt dat eisers geen rechtstreeks belang bij de omgevingsvergunning hebben. Weliswaar hebben eisers een reservering voor het ontwikkelen van het naastgelegen perceel, maar het college wijst er terecht op dat er geen sprake is van toezeggingen of concrete rechten. Het gaat om een toekomstige onzekere gebeurtenis, waar op dit moment nog geen belang in is gelegen. Er is namelijk (nog) geen sprake van een zakelijk recht van eisers op het naastgelegen perceel. Verder betekent het feit dat eiseres 2 en vergunninghouder beide vastgoedondernemers zijn nog niet dat eiseres 2 een concurrentiebelang bij de verleende vergunning heeft. Het college stelt terecht dat zij in dit geval geen concurrenten van elkaar zijn omdat zij zich richten op andere percelen. Zij beconcurreren elkaar hierin niet. Eisers zijn dan ook geen belanghebbende bij de verleende omgevingsvergunning.
Overige gronden
5. Omdat de rechtbank van oordeel is dat eisers geen belanghebbenden zijn bij de omgevingsvergunning, komt de rechtbank niet toe aan de inhoudelijke gronden van eisers.
Conclusie en gevolgen
6. Het college heeft het bezwaar van eisers ongegrond verklaard, maar had het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk moeten verklaren omdat zij geen belanghebbende is. Nu het college dat heeft miskend, is het beroep gegrond en vernietigt de rechtbank het besluit op bezwaar. Omdat er maar een conclusie mogelijk is, voorziet de rechtbank zelf in de zaak. De rechtbank doet wat het college had behoren te doen en verklaart het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk. Ook bepaalt de rechtbank dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers het door hen betaalde griffierecht terug. Ook veroordeelt de rechtbank het college in de door eisers gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 934,-).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit op bezwaar van 25 september 2025;
verklaart het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit op bezwaar;
draagt het college op het door eisers betaalde griffierecht van € 385,- aan hen te vergoeden;
veroordeelt het college in de door eisers gemaakte proceskosten van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Artikel 1:2 eerste en derde lid van de Awb.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1238, onder 3.2.
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/5092
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2026
in de zaak tussen
[VOF] , gevestigd in [plaats] , eiseres 1
[bedrijf]
, gevestigd in [plaats] , eiseres 2
samen ook te noemen eisers
(gemachtigde: mr. G.A. Biersteker),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij], gevestigd te [plaats] , vergunninghouder.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning voor nieuwbouw van een winkelpand op kavel [nummer] van bedrijventerrein [naam] aan de [adres] in Harderwijk. Eisers zijn het niet eens met de omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eisers geen rechtstreeks belang hebben bij de omgevingsvergunning. Wel is het beroep gegrond omdat het college heeft miskend dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. De rechtbank verklaart het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Vergunninghouder heeft op 4 december 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd.
2.1.
Bij besluit van 8 april 2025 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de omgevingsplanactiviteit bouwen, technisch bouwen, het maken/veranderen van een uitweg en het maken van reclame. De vergunning voldoet volgens het college aan de regels van het omgevingsplan, aan de regels van het Besluit bouwwerken leefomgeving en de regels van de Verordening Fysieke Leefomgeving Harderwijk.
2.2.
Met het besluit van 25 september 2025 heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning in stand gelaten.
2.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar.
2.4.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt de omgevingsvergunning aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
Zijn eisers belanghebbenden bij de omgevingsvergunning?
4. Eisers betogen dat zij belanghebbenden zijn bij de omgevingsvergunning omdat de vergunning is verstrekt voor een vestiging van de Welkoop. Het college heeft ten onrechte alleen gekeken naar de bouwactiviteiten en niet naar de gebruiksactiviteit. Het college moet ook de aard en het doel van het bouwwerk toetsen aan het planologische regime. Door de vergunde activiteiten voor de Welkoopvestiging worden eisers als toekomstige eigenaar (eiseres 2) en toekomstige exploitant (eiseres 1) van de naastgelegen detailhandelslocatie in hun belangen geschaad. Eisers hebben een directe vestigingsintentie voor een vestiging van [VOF] op het naastgelegen kavel.
4.1.
Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.
4.2.
Uit vaste rechtspraak volgt dat een onderneming een concurrentiebelang heeft als zij in hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment bedrijfsactiviteiten ontplooit als waarin de bedrijfsactiviteiten van haar concurrent plaatsvinden.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college terecht stelt dat eisers geen rechtstreeks belang bij de omgevingsvergunning hebben. Weliswaar hebben eisers een reservering voor het ontwikkelen van het naastgelegen perceel, maar het college wijst er terecht op dat er geen sprake is van toezeggingen of concrete rechten. Het gaat om een toekomstige onzekere gebeurtenis, waar op dit moment nog geen belang in is gelegen. Er is namelijk (nog) geen sprake van een zakelijk recht van eisers op het naastgelegen perceel. Verder betekent het feit dat eiseres 2 en vergunninghouder beide vastgoedondernemers zijn nog niet dat eiseres 2 een concurrentiebelang bij de verleende vergunning heeft. Het college stelt terecht dat zij in dit geval geen concurrenten van elkaar zijn omdat zij zich richten op andere percelen. Zij beconcurreren elkaar hierin niet. Eisers zijn dan ook geen belanghebbende bij de verleende omgevingsvergunning.
Overige gronden
5. Omdat de rechtbank van oordeel is dat eisers geen belanghebbenden zijn bij de omgevingsvergunning, komt de rechtbank niet toe aan de inhoudelijke gronden van eisers.
Conclusie en gevolgen
6. Het college heeft het bezwaar van eisers ongegrond verklaard, maar had het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk moeten verklaren omdat zij geen belanghebbende is. Nu het college dat heeft miskend, is het beroep gegrond en vernietigt de rechtbank het besluit op bezwaar. Omdat er maar een conclusie mogelijk is, voorziet de rechtbank zelf in de zaak. De rechtbank doet wat het college had behoren te doen en verklaart het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk. Ook bepaalt de rechtbank dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers het door hen betaalde griffierecht terug. Ook veroordeelt de rechtbank het college in de door eisers gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 934,-).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit op bezwaar van 25 september 2025;
verklaart het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit op bezwaar;
draagt het college op het door eisers betaalde griffierecht van € 385,- aan hen te vergoeden;
veroordeelt het college in de door eisers gemaakte proceskosten van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Artikel 1:2 eerste en derde lid van de Awb.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1238, onder 3.2.