Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:7285

2026-09-28 Bestuursrecht ARN 26/2694
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-09-28
Publicatiedatum
2026-09-24
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ARN 26/2694
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

BNT; omgevingsvergunning twee padelbanen

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.449 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND


Bestuursrecht


zaaknummer: ARN 26/2694



uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 september 2026


in de zaak tussen



[eiser], eiser


en




het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem
(gemachtigde: M. Oldenboom).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het college volgens hem niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 22 augustus 2025 van LTC Gorssel om een omgevingsvergunning voor het aanleggen na twee padelbanen aan de [adres] in Gorssel.



1.1.
Het college heeft met een verweerschrift op het beroep gereageerd.



1.2.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting.




Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.



Is eiser belanghebbende bij het beroep niet tijdig beslissen?


3. Het college stelt dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is omdat hij geen belang heeft bij een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van LTC Gorssel. Zoals de rechtbank Amsterdam in de uitspraak van 18 juni 2010 heeft geoordeeld is de ratio achter artikel 6:2 van de Awb in samenhang met artikel 1:2, eerste lid, van de Awb dat degene die bij een besluit belang heeft kan afdwingen dat er ook daadwerkelijk door het bestuursorgaan een besluit wordt genomen. Hieronder vallen degenen die een wijziging van de bestaande situatie nastreven en niet degenen die gebaat zijn bij een afwijzing van de aanvraag en dus de bestaande situatie willen handhaven. Volgens het college valt uit de opstelling van eiser in het verleden af te leiden dat eiser zich niet kan verenigen met de realisatie van de padelbanen. Dit blijkt onder meer uit een brief van eiser van 9 december 2022 waarin eiser aangeeft dat er geen draagvlak is voor de realisatie van twee padelbanen door LTC Gorssel. Hieruit volgt dat eiser uitsluitend een belang heeft bij de afwijzing van de aanvraag van LTC Gorssel. Voor eiser verandert de situatie niet zolang geen besluit is genomen. Het uitblijven van een besluit raakt daarom het belang van eiser niet rechtstreeks en daarom kan eiser niet worden aangemerkt als belanghebbende bij het fictieve besluit, aldus het college.


3.1.
Volgens vaste rechtspraak is het antwoord op de vraag of een (rechts)persoon belanghebbende is bij het niet tijdig nemen van een besluit niet afhankelijk van de belangen waarin deze mogelijk wenst te worden beschermd in het kader van het nog te nemen reële besluit. Als belanghebbende bij het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag voor een vergunning worden in beginsel degenen aangemerkt die belanghebbende zouden zijn bij het reële besluit. Aangezien eiser belanghebbende zou zijn bij een aan LTC Gorssel te verlenen omgevingsvergunning is zij tevens belanghebbende bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag voor een omgevingsvergunning van LTC Gorssel. Reeds hierom heeft eiser een belang bij de beoordeling van zijn beroep.

4. Partijen zijn het er over eens dat het college niet binnen de beslistermijn op de aanvraag heeft beslist. Na afloop van de beslistermijn heeft eiser het college in gebreke gesteld. Het beroepschrift is twee weken daarna door de rechtbank ontvangen. Omdat het college niet binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling op de aanvraag van LTC Gorssel heeft beslist, en nog altijd niet heeft beslist, is het beroep ontvankelijk en gegrond.



Welke beslistermijn moet aan het college worden opgelegd?


5. Als het beroep gegrond is en het bestuursorgaan nog geen besluit bekendgemaakt heeft, bepaalt de rechtbank dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit bekendmaakt. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen. Het is vaste rechtspraak dat deze nadere beslistermijn voor bijzondere gevallen niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort is.



5.1.
In het verweerschrift van 12 juni 2026 heeft het college aangegeven met LTC Gorssel in overleg te zijn over afspraken ontrent het gebruik van de benodigde gronden. Zodra dit overleg is afgerond zal besluitvorming plaatsvinden, aldus het college. Eiser heeft niet op het verweerschrift gereageerd.



5.2.
Het is inmiddels september 2026. Het college heeft nog (steeds) geen besluit op de aanvraag van LTC Gorssel bekendgemaakt en het heeft in het verweerschrift geen termijn genoemd waarbinnen het een besluit op de aanvraag zal nemen. De rechtbank bepaalt daarom dat het college binnen twee weken na de datum van verzending van deze uitspraak het besluit op de aanvraag van LTC Gorssel bekendmaakt.



Welke dwangsom wordt aan het college opgelegd?

6. De rechtbank bepaalt dat het college een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het college. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000. Deze dwangsom stemt overeen met het landelijk beleid.





Conclusie en gevolgen


7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, het college de onder 5.2 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het college de onder 6 genoemde dwangsom wordt opgelegd.



7.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.




Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;


draagt het college op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag van LTC Gorssel bekend te maken;


- bepaalt dat het college aan eiser een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200 aan eiser moet vergoeden.



Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Rosmalen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2026.















De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.


Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.


Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.


Rechtbank Amsterdam 18 juni 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BN2501.


Zie bijvoorbeeld ABRvS 27 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2098.


Dit volgt uit artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.


https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx#tabs.