Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:7271
2026-09-25
Bestuursrecht; Belastingrecht
ARN 25/2529
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
IB/PVV. Zorgkosten. De kosten zijn niet aannemelijk gemaakt en zijn niet hoger dan het drempelbedrag. Ook is het vertrouwensbeginsel niet geschonden. Beroep ongegrond.
Citeert (4)
- ECLI:NL:HR:2020:1069 Hoge Raad 19-06-2020
- ECLI:NL:HR:2016:252 Hoge Raad 19-02-2016
- ECLI:NL:HR:2024:853 Hoge Raad 14-06-2024
- ECLI:NL:HR:2024:567 Hoge Raad 31-05-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.434 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2529
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 25 september 2026
in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 23 mei 2025.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 107.301 en naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 11.639 (de aanslag).
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 479 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
Naar aanleiding van het Kerstarrest heeft de inspecteur het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen ambtshalve verminderd tot € 6.690 en de belastingrente verminderd tot € 286.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur [persoon 1] en [persoon 2] .
Feiten
1. Op 27 april 2019 heeft belanghebbende de aangifte IB/PVV 2018 ingediend. Hij heeft daarin aangegeven voor € 14.645 aan specifieke zorgkosten te hebben gemaakt, bestaande uit kosten medicijnen (€ 6.119), uitgaven voor vervoer (€ 7.476) en dieetkosten (€ 1.050). Rekening houdend met de drempel voor zorgkosten van € 7.550 heeft belanghebbende een bedrag van € 7.091 in aftrek gebracht.
2. De inspecteur heeft op 9 augustus 2022 verzocht om informatie en belanghebbende heeft (na verleend uitstel) op 20 september 2022 informatie verstrekt.
3. Op 18 november 2022 is de aanslag in afwijking van de aangifte van belanghebbende opgelegd. Er is geen aftrek voor specifieke zorgkosten in aanmerking genomen.
4. Op 25 november 2022 heeft de inspecteur de aanslag ambtshalve verminderd. Als gevolg daarvan is de drempel voor de aftrek specifieke zorgkosten berekend op € 7.135.
5. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag. De inspecteur heeft dit bezwaar ontvangen op 30 november 2022.
6. Op 10 maart 2025 heeft de inspecteur verzocht om informatie. De inspecteur heeft onder meer verzocht om het jaaroverzicht zorgkosten van de zorgverzekeraar, informatie over de uitgaven voor vervoer, een dieetverklaring en rekeningen en betalingsbewijzen voor de afgetrokken medicijnkosten.
7. Belanghebbende heeft op 21 maart 2025 gereageerd op het verzoek om informatie. In zijn reactie stelt belanghebbende dat alle gevraagde gegevens reeds in het bezit van de Belastingdienst zijn. Hij heeft geen nieuwe informatie verstrekt.
8. Met dagtekening 23 mei 2025 heeft de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan. De inspecteur is daarbij gedeeltelijk tegemoetgekomen aan de bezwaren van belanghebbende en heeft een bedrag van € 4.176 aan tandartskosten geaccepteerd als kosten voor geneeskundige hulp. Omdat dit bedrag niet boven de drempel (zie 4.) uitkomt, heeft dit niet tot een aftrek geleid.
Beoordeling door de rechtbank
9. De rechtbank beoordeelt of het vertrouwensbeginsel is geschonden en of de inspecteur de aanslag niet te hoog heeft vastgesteld. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of de belastingrentebeschikking terecht en niet te hoog is vastgesteld en of belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
10. De rechtbank is van oordeel dat het vertrouwensbeginsel niet is geschonden en dat de aanslag niet te hoog is vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is het vertrouwensbeginsel geschonden?
11. Belanghebbende voert aan dat sprake is van opgewekt vertrouwen dat het bezwaar gegrond is verklaard, omdat belanghebbende na het indienen van het bezwaarschrift in november 2022 tot het verzoek om informatie van 10 maart 2025 niets heeft vernomen van de inspecteur. Ook op mijnbelastingdienst.nl waren geen openstaande acties te zien. Daarnaast heeft belanghebbende voor andere jaren wel aftrek gekregen. Verder heeft belanghebbende op 9 juli 2024 een middelingsverzoek ingediend voor de jaren 2016 tot en met 2018, dat in behandeling is genomen. Omdat een dergelijk verzoek volgens hem alleen in behandeling wordt genomen als de aanslag over een bepaald jaar definitief is, leidt hij daaruit ook af dat de aanslag IB/PVV 2018 definitief is. Dat versterkt het opgewekt vertrouwen. Ter ondersteuning van het beroep op het vertrouwensbeginsel doet belanghebbende ook een beroep op het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. Belanghebbende heeft ter onderbouwing daarvan alleen genoemd dat de procedure lang heeft geduurd.
12. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van uitlatingen of gedragingen van zijn kant waardoor bij belanghebbende de indruk is gewekt dat de door hem in aftrek genomen zorgkosten in de aangifte zouden worden gevolgd. Ook de omstandigheid dat in het verleden bepaalde aftrekposten zijn toegelaten, betekent niet dat die aftrekpost automatisch weer wordt verleend. De middelingsbeschikking over de jaren 2016 tot en met 2018 is op 4 november 2025 afgegeven, dus nadat de inspecteur uitspraak op bezwaar heeft gedaan over belastingjaar 2018.
13. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen. Het enkele feit dat de inspecteur ruim twee jaar geen actie heeft ondernomen, maakt niet dat belanghebbende daaruit mocht afleiden dat zijn bezwaar gegrond is verklaard. Ook het feit dat het middelingsverzoek door de inspecteur is behandeld, is geen omstandigheid waaraan belanghebbende vertrouwen kon ontlenen. De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat een middelingsverzoek pas wordt behandeld nadat uitspraak op bezwaar is gedaan en dat, als belanghebbende in de beroepsprocedure alsnog gelijk krijgt, de middelingsbeschikking zal worden aangepast. De rechtbank begrijpt dat het vervelend is voor belanghebbende om zo lang te moeten wachten op een uitspraak, maar ziet daarin geen aanleiding om schending van het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel aan te nemen.
Is de aanslag niet te hoog vastgesteld?
14. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij recht heeft op aftrek van zorgkosten. Hij stelt in 2018 in totaal € 14.645 te hebben uitgegeven aan zorgkosten.
15. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende slechts een deel van de kosten, namelijk € 3.369, aannemelijk heeft gemaakt. Dit bedrag komt niet boven de drempel van € 7.135 uit. Ook als rekening wordt gehouden met een betaling van € 1.382,59, waarvan geen onderbouwing is gegeven, wordt de drempel niet overschreden.
16. De rechtbank overweegt als volgt. Uitgaven voor specifieke zorgkosten kunnen als aftrek in aanmerking genomen worden als die zorgkosten op belanghebbende hebben gedrukt én niet betreffen de verplichte eigen bijdrage en/of het eigen risico. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat belanghebbende aannemelijk moet maken dat hij die uitgaven heeft gedaan.
17. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij meer uitgaven heeft gedaan dan door de inspecteur zijn geaccepteerd en dat het totaal van die uitgaven boven de drempel uitkomt en dus voor aftrek in aanmerking komt. Uit de door belanghebbende overgelegde jaaroverzichten van de zorgverzekeraar, de facturen en de bankafschriften leidt de rechtbank af dat door belanghebbende kosten zijn gemaakt, met name voor genees- en heelkundige hulp. Al die kosten bij elkaar opgeteld komen echter niet boven de drempel uit.
18. De conclusie is dat de aanslag niet te hoog is vastgesteld.
Is de belastingrentebeschikking terecht en niet te hoog vastgesteld?
19. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de belastingrente voor rekening en risico van de Belastingdienst moet komen, omdat de inspecteur niet voortvarend heeft gehandeld bij het opleggen van de aanslag en in de bezwaarprocedure.
20. De inspecteur voert aan dat er in beginsel een termijn van drie jaar geldt om een aanslag op te leggen en dat in dit geval ook nog sprake was van becon-uitstel waardoor de termijn met een jaar is verlengd en deze dus vier jaar bedroeg. De aanslag is binnen die periode opgelegd.
21. De rechtbank is van oordeel dat de belastingrentebeschikking terecht en niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. De inspecteur heeft de aanslag binnen de termijn opgelegd. De bezwaarfase heeft weliswaar lang geduurd, maar dat is geen reden om de belastingrentebeschikking te matigen.
Heeft belanghebbende recht op vergoeding van immateriële schade?
22. Belanghebbende heeft op de zitting een verzoek om vergoeding van immateriële schade gedaan wegens overschrijding van de redelijke termijn. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van 19 februari 2016 en 14 juni 2024. Belastinggeschillen moeten binnen een redelijke termijn worden beslecht. Een redelijke termijn is in beginsel een termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. De rechtbank ziet geen aanleiding daar in dit geval van af te wijken.
23. De inspecteur heeft het bezwaarschrift op 30 november 2022 ontvangen. Sinds de indiening van het bezwaarschrift is een periode van afgerond drie jaar en tien maanden verstreken. De redelijke termijn is dus met (afgerond) 22 maanden overschreden. Naar boven afgerond is dat vier keer een half jaar. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 2.000. De uitspraak op bezwaar dateert van 23 mei 2025. De bezwaarfase heeft twee jaar en zes maanden geduurd, dus twee jaar langer dan de termijn van zes maanden die voor de inspecteur geldt. De overschrijding van de redelijke termijn is daarom volledig toe te rekenen aan de bezwaarfase. De rechtbank zal de inspecteur daarom veroordelen om een bedrag van € 2.000 aan belanghebbende te vergoeden.
Conclusie en gevolgen
24. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag en de belastingrentebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt wel een vergoeding van immateriële schade.
25. Vanwege de toekenning van een vergoeding van immateriële schade heeft belanghebbende recht op een vergoeding van de proceskosten. Deze zijn door de rechtbank vastgesteld op € 36,86 aan reiskosten (op basis van het openbaar vervoer, tweede klas).
26. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug, omdat het verzoek om vergoeding van immateriële schade is gedaan na 31 mei 2024.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 2.000;
veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 36,86.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van H. van Huigenbos, griffier.
Uitgesproken op 25 september 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069, r.o. 2.3.1.
Artikel 6.17 en 6.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.
ECLI:NL:HR:2016:252.
ECLI:NL:HR:2024:853.
ECLI:NL:HR:2024:567.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2529
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 25 september 2026
in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 23 mei 2025.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 107.301 en naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 11.639 (de aanslag).
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 479 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
Naar aanleiding van het Kerstarrest heeft de inspecteur het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen ambtshalve verminderd tot € 6.690 en de belastingrente verminderd tot € 286.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur [persoon 1] en [persoon 2] .
Feiten
1. Op 27 april 2019 heeft belanghebbende de aangifte IB/PVV 2018 ingediend. Hij heeft daarin aangegeven voor € 14.645 aan specifieke zorgkosten te hebben gemaakt, bestaande uit kosten medicijnen (€ 6.119), uitgaven voor vervoer (€ 7.476) en dieetkosten (€ 1.050). Rekening houdend met de drempel voor zorgkosten van € 7.550 heeft belanghebbende een bedrag van € 7.091 in aftrek gebracht.
2. De inspecteur heeft op 9 augustus 2022 verzocht om informatie en belanghebbende heeft (na verleend uitstel) op 20 september 2022 informatie verstrekt.
3. Op 18 november 2022 is de aanslag in afwijking van de aangifte van belanghebbende opgelegd. Er is geen aftrek voor specifieke zorgkosten in aanmerking genomen.
4. Op 25 november 2022 heeft de inspecteur de aanslag ambtshalve verminderd. Als gevolg daarvan is de drempel voor de aftrek specifieke zorgkosten berekend op € 7.135.
5. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag. De inspecteur heeft dit bezwaar ontvangen op 30 november 2022.
6. Op 10 maart 2025 heeft de inspecteur verzocht om informatie. De inspecteur heeft onder meer verzocht om het jaaroverzicht zorgkosten van de zorgverzekeraar, informatie over de uitgaven voor vervoer, een dieetverklaring en rekeningen en betalingsbewijzen voor de afgetrokken medicijnkosten.
7. Belanghebbende heeft op 21 maart 2025 gereageerd op het verzoek om informatie. In zijn reactie stelt belanghebbende dat alle gevraagde gegevens reeds in het bezit van de Belastingdienst zijn. Hij heeft geen nieuwe informatie verstrekt.
8. Met dagtekening 23 mei 2025 heeft de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan. De inspecteur is daarbij gedeeltelijk tegemoetgekomen aan de bezwaren van belanghebbende en heeft een bedrag van € 4.176 aan tandartskosten geaccepteerd als kosten voor geneeskundige hulp. Omdat dit bedrag niet boven de drempel (zie 4.) uitkomt, heeft dit niet tot een aftrek geleid.
Beoordeling door de rechtbank
9. De rechtbank beoordeelt of het vertrouwensbeginsel is geschonden en of de inspecteur de aanslag niet te hoog heeft vastgesteld. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of de belastingrentebeschikking terecht en niet te hoog is vastgesteld en of belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
10. De rechtbank is van oordeel dat het vertrouwensbeginsel niet is geschonden en dat de aanslag niet te hoog is vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is het vertrouwensbeginsel geschonden?
11. Belanghebbende voert aan dat sprake is van opgewekt vertrouwen dat het bezwaar gegrond is verklaard, omdat belanghebbende na het indienen van het bezwaarschrift in november 2022 tot het verzoek om informatie van 10 maart 2025 niets heeft vernomen van de inspecteur. Ook op mijnbelastingdienst.nl waren geen openstaande acties te zien. Daarnaast heeft belanghebbende voor andere jaren wel aftrek gekregen. Verder heeft belanghebbende op 9 juli 2024 een middelingsverzoek ingediend voor de jaren 2016 tot en met 2018, dat in behandeling is genomen. Omdat een dergelijk verzoek volgens hem alleen in behandeling wordt genomen als de aanslag over een bepaald jaar definitief is, leidt hij daaruit ook af dat de aanslag IB/PVV 2018 definitief is. Dat versterkt het opgewekt vertrouwen. Ter ondersteuning van het beroep op het vertrouwensbeginsel doet belanghebbende ook een beroep op het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. Belanghebbende heeft ter onderbouwing daarvan alleen genoemd dat de procedure lang heeft geduurd.
12. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van uitlatingen of gedragingen van zijn kant waardoor bij belanghebbende de indruk is gewekt dat de door hem in aftrek genomen zorgkosten in de aangifte zouden worden gevolgd. Ook de omstandigheid dat in het verleden bepaalde aftrekposten zijn toegelaten, betekent niet dat die aftrekpost automatisch weer wordt verleend. De middelingsbeschikking over de jaren 2016 tot en met 2018 is op 4 november 2025 afgegeven, dus nadat de inspecteur uitspraak op bezwaar heeft gedaan over belastingjaar 2018.
13. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen. Het enkele feit dat de inspecteur ruim twee jaar geen actie heeft ondernomen, maakt niet dat belanghebbende daaruit mocht afleiden dat zijn bezwaar gegrond is verklaard. Ook het feit dat het middelingsverzoek door de inspecteur is behandeld, is geen omstandigheid waaraan belanghebbende vertrouwen kon ontlenen. De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat een middelingsverzoek pas wordt behandeld nadat uitspraak op bezwaar is gedaan en dat, als belanghebbende in de beroepsprocedure alsnog gelijk krijgt, de middelingsbeschikking zal worden aangepast. De rechtbank begrijpt dat het vervelend is voor belanghebbende om zo lang te moeten wachten op een uitspraak, maar ziet daarin geen aanleiding om schending van het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel aan te nemen.
Is de aanslag niet te hoog vastgesteld?
14. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij recht heeft op aftrek van zorgkosten. Hij stelt in 2018 in totaal € 14.645 te hebben uitgegeven aan zorgkosten.
15. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende slechts een deel van de kosten, namelijk € 3.369, aannemelijk heeft gemaakt. Dit bedrag komt niet boven de drempel van € 7.135 uit. Ook als rekening wordt gehouden met een betaling van € 1.382,59, waarvan geen onderbouwing is gegeven, wordt de drempel niet overschreden.
16. De rechtbank overweegt als volgt. Uitgaven voor specifieke zorgkosten kunnen als aftrek in aanmerking genomen worden als die zorgkosten op belanghebbende hebben gedrukt én niet betreffen de verplichte eigen bijdrage en/of het eigen risico. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat belanghebbende aannemelijk moet maken dat hij die uitgaven heeft gedaan.
17. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij meer uitgaven heeft gedaan dan door de inspecteur zijn geaccepteerd en dat het totaal van die uitgaven boven de drempel uitkomt en dus voor aftrek in aanmerking komt. Uit de door belanghebbende overgelegde jaaroverzichten van de zorgverzekeraar, de facturen en de bankafschriften leidt de rechtbank af dat door belanghebbende kosten zijn gemaakt, met name voor genees- en heelkundige hulp. Al die kosten bij elkaar opgeteld komen echter niet boven de drempel uit.
18. De conclusie is dat de aanslag niet te hoog is vastgesteld.
Is de belastingrentebeschikking terecht en niet te hoog vastgesteld?
19. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de belastingrente voor rekening en risico van de Belastingdienst moet komen, omdat de inspecteur niet voortvarend heeft gehandeld bij het opleggen van de aanslag en in de bezwaarprocedure.
20. De inspecteur voert aan dat er in beginsel een termijn van drie jaar geldt om een aanslag op te leggen en dat in dit geval ook nog sprake was van becon-uitstel waardoor de termijn met een jaar is verlengd en deze dus vier jaar bedroeg. De aanslag is binnen die periode opgelegd.
21. De rechtbank is van oordeel dat de belastingrentebeschikking terecht en niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. De inspecteur heeft de aanslag binnen de termijn opgelegd. De bezwaarfase heeft weliswaar lang geduurd, maar dat is geen reden om de belastingrentebeschikking te matigen.
Heeft belanghebbende recht op vergoeding van immateriële schade?
22. Belanghebbende heeft op de zitting een verzoek om vergoeding van immateriële schade gedaan wegens overschrijding van de redelijke termijn. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van 19 februari 2016 en 14 juni 2024. Belastinggeschillen moeten binnen een redelijke termijn worden beslecht. Een redelijke termijn is in beginsel een termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. De rechtbank ziet geen aanleiding daar in dit geval van af te wijken.
23. De inspecteur heeft het bezwaarschrift op 30 november 2022 ontvangen. Sinds de indiening van het bezwaarschrift is een periode van afgerond drie jaar en tien maanden verstreken. De redelijke termijn is dus met (afgerond) 22 maanden overschreden. Naar boven afgerond is dat vier keer een half jaar. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 2.000. De uitspraak op bezwaar dateert van 23 mei 2025. De bezwaarfase heeft twee jaar en zes maanden geduurd, dus twee jaar langer dan de termijn van zes maanden die voor de inspecteur geldt. De overschrijding van de redelijke termijn is daarom volledig toe te rekenen aan de bezwaarfase. De rechtbank zal de inspecteur daarom veroordelen om een bedrag van € 2.000 aan belanghebbende te vergoeden.
Conclusie en gevolgen
24. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag en de belastingrentebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt wel een vergoeding van immateriële schade.
25. Vanwege de toekenning van een vergoeding van immateriële schade heeft belanghebbende recht op een vergoeding van de proceskosten. Deze zijn door de rechtbank vastgesteld op € 36,86 aan reiskosten (op basis van het openbaar vervoer, tweede klas).
26. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug, omdat het verzoek om vergoeding van immateriële schade is gedaan na 31 mei 2024.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 2.000;
veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 36,86.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van H. van Huigenbos, griffier.
Uitgesproken op 25 september 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069, r.o. 2.3.1.
Artikel 6.17 en 6.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.
ECLI:NL:HR:2016:252.
ECLI:NL:HR:2024:853.
ECLI:NL:HR:2024:567.