Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:7267
2026-09-23
Civiel recht; Verbintenissenrecht
K/5002/12161877
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Non-conforme auto. Bewijsvermoeden 7:18a BW onvoldoende weerlegd. Ontbinding koopovereenkomst. Waardevermindering auto.
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHARL:2023:3915 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-05-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (21.941 tekens)
RECHTBANK
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Apeldoorn
Zaaknummer: 12161877 \ CV EXPL 26-1014
Vonnis van 23 september 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
voorheen procederend met mr. S. Yadegari, thans procederend met mr. A. Dragt,
tegen
[gedaagde]
, handelend onder de naam [x],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 1 april 2026,
- de e-mail van 26 juni 2026 van mr. Dragt met een aanvullende productie,
- de mondelinge behandeling van 7 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagde] heeft een auto, een Peugeot 3008 met kenteken [kenteken] uit het bouwjaar 2013 en met een kilometerstand van op dat moment circa 120.000, (hierna: auto) te koop aangeboden. In de verkoopadvertentie heeft [gedaagde] vermeld dat de technische staat van de auto goed is.
2.2.
Op 14 juli 2025 heeft [gedaagde] de auto aan [eiser] verkocht voor een koopsom van € 5.995,00 (incl. btw).
2.3.
Op 27 juli 2025 is tijdens de heenreis naar Kroatië op Duitse snelweg de ABS-sensor van de auto defect geraakt. [eiser] heeft de auto op verzoek van [gedaagde] laten uitlezen door een autogarage in München. [eiser] heeft daarvoor een bedrag van € 129,51 aan deze garage betaald.
2.4.
Op 3 september 2025 heeft [gedaagde] de ABS-sensor kosteloos vervangen. Daarnaast heeft hij in overleg met [eiser] een defect aan de homokineet verholpen en de as van de auto afgesteld.
2.5.
Op 22 oktober 2025 heeft een automonteur van [bedrijf] op verzoek van [eiser] de auto onderzocht. Tijdens dit onderzoek heeft deze automonteur geconstateerd dat de motor van de auto inwendig koelvloeistof kwijtraakt en dat het aannemelijk is dat de koppakking van de auto lek is.
2.6.
Bij brief van 18 november 2025 heeft de voormalig gemachtigde van [eiser] aan [gedaagde] bericht, kort gezegd, dat de auto gebreken heeft waardoor niet met de auto kan worden gereden. In de brief is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om tot herstel van de in de brief genoemde gebreken over te gaan.
2.7.
[gedaagde] heeft op 13 januari 2026 aan de voormalig gemachtigde van [eiser] bericht bereid te zijn de koppakking te zullen repareren tegen betaling van de helft van de reparatiekosten. [eiser] heeft vervolgens niet met dit voorstel ingestemd.
2.8.
Bij brief van 10 februari 2026 heeft de voormalig gemachtigde van [eiser] namens [eiser] de koopovereenkomst tussen partijen buitengerechtelijk ontbonden.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert, samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
primair
1. voor recht zal verklaren dat de tussen partijen bestaande koopovereenkomst op 10 februari 2026 rechtsgeldig buitengerechtelijk is ontbonden,
subsidiair
2. de tussen partijen bestaande koopovereenkomst zal ontbinden, dan wel zal vernietigen,
meer subsidiair:
3. [gedaagde] zal veroordelen de auto op te (laten) halen en de gebreken kosteloos te herstellen en indien [gedaagde] de auto nog niet onder zich heeft, [gedaagde] op straffe van een dwangsom te veroordelen tot het (laten) ophalen van de auto voor eigen rekening en aan [eiser] kosteloos (gelijkwaardig) vervangend vervoer te verschaffen gedurende de herstelperiode,
zowel primair als subsidiair:
4. [gedaagde] zal veroordelen tot vergoeding van € 599,00 indien [gedaagde] niet binnen twee weken na deugdelijke nakoming van dit vonnis, de auto heeft opgehaald en hierbij zal bepalen dat [eiser] haar verplichtingen tot het terugleveren van de auto aan [gedaagde] mag opschorten totdat [gedaagde] zijn betalingsverplichtingen aan [eiser] heeft voldaan en dat [eiser] de auto in onderpand mag behouden tot na ontvangst van betaling van [gedaagde] ,
zowel primair, subsidiair als meer subsidiair:
5. [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 5.995,00, vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 816,45 en vermeerderd met de wettelijke (handels)rente,
6. [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 571,31, vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 85,70 en vermeerderd met de wettelijke (handels)rente,
7. [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van de verschuldigde motorrijtuigenbelasting en verzekeringspremies, tot op heden begroot op € 1.442,00 + P.M., vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke (handels)rente,
8. [gedaagde] zal veroordelen de auto onmiddellijk te vrijwaren, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per (onvoltooide deel van een) dag dat [gedaagde] geen deugdelijk vrijwaringsbewijs verschaft aan [eiser] met een maximum van € 20.000,00,en [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] .
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
In deze procedure staat de vraag centraal of [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen jegens [eiser] omdat de auto, zoals [eiser] stelt, ten tijde van de aflevering niet aan de koopovereenkomst beantwoordde.
4.2.
Op grond van artikel 7:17 lid 2 BW beantwoordt een afgeleverde zaak (in dit geval de auto) niet aan de koopovereenkomst als de zaak, mede gelet op de aard daarvan en de mededelingen die de verkoper daarover heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag in elk geval verwachten dat het afgeleverde de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien.
4.3.
[gedaagde] erkent dat de koppakking lek is en dat als gevolg hiervan ernstige motorschade kan worden ontwikkeld en dat zonder reparatie niet met de auto mag worden gereden. Daarmee staat vast dat de auto een gebrek heeft. Bij de koop van een tweedehands auto maakt echter niet elke onvolkomenheid daaraan dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordt. De koper van een tweedehands auto zal, afhankelijk van de ouderdom en prijs daarvan, tot op zekere hoogte moeten accepteren dat zich op een zeker moment bepaalde gebreken aan de auto kunnen voordoen. [eiser] hoefde echter geen gebreken te verwachten waardoor zij kort na de levering niet op een veilige manier met de auto aan het verkeer kon deelnemen. In dit geval is sprake van een gebrek aan de koppakking waardoor bij het gebruik van de auto zonder reparatie ernstige motorschade kan worden ontwikkeld. Dit is een gebrek dat een gevaar voor de verkeersveiligheid oplevert. Het is immers evident dat een auto met ernstige motorschade niet veilig kan deelnemen aan het verkeer.
4.4.
Partijen verschillen van mening over de vraag of (de oorzaak van) het gebrek aan de koppakking van de auto reeds aanwezig was bij de aflevering of, zoals door [gedaagde] is aangevoerd, pas na de aflevering is ontstaan.
4.5.
In dit geval – waarin sprake is van een consumentenkoop en het gebrek aan de auto zich binnen één jaar na levering heeft geopenbaard – geldt het bewijsvermoeden van artikel 7:18a lid 2 BW. Dit houdt in dat in beginsel wordt vermoed dat de auto ten tijde van de levering niet aan de koopovereenkomst beantwoordde. Dat is alleen anders als de aard van de zaak (in dit geval een auto) of de aard van de afwijking (het gebrek aan de koppakking) zich daartegen verzet. Niet gesteld of gebleken is dat sprake is van die uitzondering. Bij deze stand van zaken geldt daarom het vermoeden dat (de oorzaak van) het gebrek aan de koppakking al bij de levering aanwezig was, tenzij [gedaagde] bewijs van het tegendeel van dit vermoeden levert.
4.6.
Het is aan [gedaagde] om aan te tonen of tenminste aannemelijk te maken dat het gebrek aan de koppakking het gevolg is, dan wel haar oorsprong vindt in een handelen of nalaten dat dateert van na de levering. [gedaagde] heeft dit onvoldoende gedaan. Het enkel stellen dat het gebrek aan de koppakking is ontstaan omdat [eiser] te lang is doorgereden met een te lage hoeveelheid koelvloeistof, is daarvoor in elk geval niet genoeg. Anders dan [gedaagde] meent, kan uit het enkele feit dat de koppakking niet op een eerder moment defect is geraakt niet worden afgeleid dat het gebrek bij aflevering niet aanwezig kan zijn geweest. De oorzaak van het gebrek aan de koppakking kan immers op dat moment wel aanwezig zijn geweest maar zich nog niet hebben geopenbaard. [gedaagde] heeft het vermoeden dat de auto ten tijde van de aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordde, onvoldoende gemotiveerd weersproken. Uitgangspunt is daarom dat de auto ten tijde van de aflevering niet aan de koopovereenkomst beantwoordde. Door een non-conforme auto aan [eiser] te verkopen is [gedaagde] tekortgeschoten in de nakoming van de op hem rustende verplichtingen uit de koopovereenkomst.
4.7.
In artikel 7:22 lid 1 BW is bepaald dat als het afgeleverde niet aan de overeenkomst beantwoordt, de koper in beginsel de bevoegdheid heeft de overeenkomst te ontbinden. Wel heeft te gelden dat het recht op ontbinding pas ontstaat als herstel en vervanging onmogelijk zijn of niet van de verkoper gevergd kunnen worden of als de verkoper in zijn verplichting om de afgeleverde zaak binnen redelijke termijn en zonder ernstige overlast kosteloos voor de koper te herstellen (artikelen 7:21 en 7:22 BW). Vast staat dat [gedaagde] niet tot kosteloos herstel is overgegaan terwijl hij daartoe wel in de gelegenheid is gesteld. Daarmee staat vast dat hij is tekortgeschoten in zijn verplichting om het gebrek aan de koppakking kosteloos voor [eiser] te herstellen. Dit betekent dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan de verplichting uit artikel 7:21 BW. Aangezien de schade aan de auto bovendien de ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt, is aan de vereisten van artikel 7:22 BW voldaan. Dit betekent dat [eiser] de koopovereenkomst rechtsgeldig bij brief van 10 februari 2026 buitengerechtelijk heeft laten ontbinden. De in dit verband door [eiser] gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen op de wijze zoals hierna in de beslissing is vermeld.
4.8.
Als gevolg van de ontbinding ontstaat op grond van het bepaalde in artikel 6:271 BW voor beide partijen de verplichting tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties. Dit brengt met zich dat [gedaagde] in beginsel de koopsom van de auto moet terugbetalen aan [eiser] . [gedaagde] hoeft echter niet de volledige koopsom terug te betalen omdat [eiser] sinds de aflevering van de auto ruim 10.000 kilometer met de auto heeft gereden. [eiser] is voor dit gebruik een vergoeding aan [gedaagde] verschuldigd omdat zij anders ongerechtvaardigd zou worden verrijkt. De waarde van de auto is immers verminderd door het gebruik. De kantonrechter komt gelet op de gereden kilometers en het tijdsverloop sinds de aflevering van de auto op een waardevermindering van in totaal € 1.250,00. Dit bedrag strekt in mindering op de door [gedaagde] terug te betalen koopsom. De vordering die strekt tot terugbetaling van de koopsom is dan ook toewijsbaar tot een bedrag van € 4.745,00.
4.9.
[eiser] moet op zijn beurt de auto teruggeven aan [gedaagde] . [eiser] meent in dit verband dat [gedaagde] de auto bij haar dient op te halen en vordert in dit verband betaling van een bedrag van € 599,00 indien en voor zover [gedaagde] niet binnen twee weken na aanmaning van het vonnis de auto bij [eiser] heeft opgehaald. Niet gesteld of gebleken is echter op basis van welke rechtsgrond [gedaagde] is gehouden de auto bij [eiser] op te halen. Een wettelijke grondslag ontbreekt daarvoor. Deze vordering en daarmee samenhangende nevenvorderingen (opschorting en onderpand) zullen daarom worden afgewezen.
4.10.
De vordering die strekt tot vrijwaring van de auto zal worden toegewezen met dien verstande dat de termijn waarbinnen [gedaagde] dit dient te doen, zal worden bepaald op zeven dagen. De in dit verband gevorderde dwangsom zal worden afgewezen omdat [eiser] geen omstandigheden heeft gesteld op basis waarvan geoordeeld zou moeten worden dat een dergelijke prikkel tot nakoming van deze veroordeling noodzakelijk is.
4.11.
[eiser] maakt verder aanspraak op vergoeding van de betaalde en nog te betalen motorrijtuigenbelasting en verzekeringspremies van de auto, alsmede de kosten voor vervangend vervoer. Deze vorderingen zullen worden afgewezen. Daarvoor is redengevend dat voor toewijzing van een schadevergoeding op grond van het bepaalde in artikel 6:74 BW onder meer is vereist dat sprake is van (i) schade en (ii) causaal verband tussen de tekortkoming en de schade. Aan deze vereisten is in dit geval niet voldaan. Voor wat betreft de motorrijtuigenbelasting en verzekeringspremies is geen sprake van schade. [eiser] zou deze kosten immers ook hebben moeten betalen als van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst geen sprake was geweest (zie in dit verband ook Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 mei 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:3915). Voor wat betreft de kosten voor het vervangend vervoer is niet gebleken dat tussen de tekortkoming en de gemaakte kosten voor het vervangend vervoer een causaal verband bestaat. [eiser] heeft haar stellingen op dit punt onvoldoende gemotiveerd.
4.12.
[eiser] vordert betaling van een bedrag van € 125,01 in verband met de reparatie die [gedaagde] op 3 september 2025 aan de auto heeft verricht in verband met het vervangen van de ABS-sensor, het verhelpen van een defect aan de homokineet en het afstellen van de as. [gedaagde] betwist dat hij deze kosten is verschuldigd omdat hij de reparatiewerkzaamheden naar eigen zeggen kosteloos heeft verricht. Gelet op deze betwisting lag het op de weg van [eiser] om de stelling dat zij voormelde kosten aan [gedaagde] heeft betaald in verband met de reparatie, te onderbouwen. Die onderbouwing ontbreekt echter. Deze vordering zal dan ook als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.
4.13.
De gevorderde kosten in verband met het uitlezen van de auto door een autogarage in München zullen worden toegewezen. Op grond van de artikelen 6:206 BW in samenhang met artikel 3:120 lid 2 BW heeft [eiser] , kort gezegd, als bezitter te goeder trouw recht op vergoeding van de kosten die zij ten behoeve van de auto heeft gemaakt. Daaronder vallen kosten tot behoud of ten nutte van de auto (zoals de kosten voor onderhoud en reparatie). Door [gedaagde] is niet betwist dat [eiser] een bedrag van € 129,51 heeft betaald aan de autogarage in München in verband met het uitlezen van de auto nadat de ABS-sensor defect raakte. [eiser] heeft dit op verzoek van [gedaagde] gedaan. [eiser] heeft dan ook recht op vergoeding van deze kosten. De gevorderde betaling van het bedrag van € 129,51 is daarom toewijsbaar.
4.14.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de hoofdsom zal worden toegewezen tot een bedrag van € 4.874,51 (€ 4.745,00 + € 129,51).
4.15.
De door [eiser] gevorderde onderzoekskosten van € 84,17 zijn aan te merken als kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid en komen op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW voor vergoeding in aanmerking.
4.16.
[eiser] vordert over de hoofdsom en de onderzoekskosten kennelijk primair wettelijke handelsrente. Van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW is echter geen sprake zodat de wettelijke handelsrente niet toewijsbaar is. In plaats daarvan zal de subsidiair gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW worden toegewezen vanaf de datum van het verzuim, in dit geval 31 maart 2026 (één dag voor de rolzitting, zoals is aangegeven in de brief van 10 februari 2026).
4.17.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. [gedaagde] is daarom buitengerechtelijk incassokosten verschuldigd. De door [eiser] gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is echter hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief bij een hoofdsom van € 4.874,51. Daarom wordt een bedrag van € 741,07 (incl. btw) aan buitengerechtelijke kosten toegewezen. De gevorderde wettelijke rente daarover zal worden toegewezen vanaf de datum van dagvaarding en afgewezen voor zover die rente vanaf een eerdere datum is gevorderd omdat niet is gesteld of gebleken dat [eiser] deze schade (kosten) per een eerdere datum heeft geleden.
4.18.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eiser] worden vastgesteld en begroot op:
- griffierecht
€
93,00
- salaris gemachtigde
€
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
€
144,00
plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
813,00
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat de tussen partijen bestaande koopovereenkomst met betrekking tot de auto met kenteken [kenteken] op 10 februari 2026 buitengerechtelijk is ontbonden,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.958,68, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 31 maart 2026 tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 741,07 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 24 maart 2026 tot aan de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] om de auto binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis te vrijwaren,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 813,00, te vermeerderen met de kosten van betekening,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.F. van den Berg en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.
lt
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Apeldoorn
Zaaknummer: 12161877 \ CV EXPL 26-1014
Vonnis van 23 september 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
voorheen procederend met mr. S. Yadegari, thans procederend met mr. A. Dragt,
tegen
[gedaagde]
, handelend onder de naam [x],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 1 april 2026,
- de e-mail van 26 juni 2026 van mr. Dragt met een aanvullende productie,
- de mondelinge behandeling van 7 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagde] heeft een auto, een Peugeot 3008 met kenteken [kenteken] uit het bouwjaar 2013 en met een kilometerstand van op dat moment circa 120.000, (hierna: auto) te koop aangeboden. In de verkoopadvertentie heeft [gedaagde] vermeld dat de technische staat van de auto goed is.
2.2.
Op 14 juli 2025 heeft [gedaagde] de auto aan [eiser] verkocht voor een koopsom van € 5.995,00 (incl. btw).
2.3.
Op 27 juli 2025 is tijdens de heenreis naar Kroatië op Duitse snelweg de ABS-sensor van de auto defect geraakt. [eiser] heeft de auto op verzoek van [gedaagde] laten uitlezen door een autogarage in München. [eiser] heeft daarvoor een bedrag van € 129,51 aan deze garage betaald.
2.4.
Op 3 september 2025 heeft [gedaagde] de ABS-sensor kosteloos vervangen. Daarnaast heeft hij in overleg met [eiser] een defect aan de homokineet verholpen en de as van de auto afgesteld.
2.5.
Op 22 oktober 2025 heeft een automonteur van [bedrijf] op verzoek van [eiser] de auto onderzocht. Tijdens dit onderzoek heeft deze automonteur geconstateerd dat de motor van de auto inwendig koelvloeistof kwijtraakt en dat het aannemelijk is dat de koppakking van de auto lek is.
2.6.
Bij brief van 18 november 2025 heeft de voormalig gemachtigde van [eiser] aan [gedaagde] bericht, kort gezegd, dat de auto gebreken heeft waardoor niet met de auto kan worden gereden. In de brief is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om tot herstel van de in de brief genoemde gebreken over te gaan.
2.7.
[gedaagde] heeft op 13 januari 2026 aan de voormalig gemachtigde van [eiser] bericht bereid te zijn de koppakking te zullen repareren tegen betaling van de helft van de reparatiekosten. [eiser] heeft vervolgens niet met dit voorstel ingestemd.
2.8.
Bij brief van 10 februari 2026 heeft de voormalig gemachtigde van [eiser] namens [eiser] de koopovereenkomst tussen partijen buitengerechtelijk ontbonden.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert, samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
primair
1. voor recht zal verklaren dat de tussen partijen bestaande koopovereenkomst op 10 februari 2026 rechtsgeldig buitengerechtelijk is ontbonden,
subsidiair
2. de tussen partijen bestaande koopovereenkomst zal ontbinden, dan wel zal vernietigen,
meer subsidiair:
3. [gedaagde] zal veroordelen de auto op te (laten) halen en de gebreken kosteloos te herstellen en indien [gedaagde] de auto nog niet onder zich heeft, [gedaagde] op straffe van een dwangsom te veroordelen tot het (laten) ophalen van de auto voor eigen rekening en aan [eiser] kosteloos (gelijkwaardig) vervangend vervoer te verschaffen gedurende de herstelperiode,
zowel primair als subsidiair:
4. [gedaagde] zal veroordelen tot vergoeding van € 599,00 indien [gedaagde] niet binnen twee weken na deugdelijke nakoming van dit vonnis, de auto heeft opgehaald en hierbij zal bepalen dat [eiser] haar verplichtingen tot het terugleveren van de auto aan [gedaagde] mag opschorten totdat [gedaagde] zijn betalingsverplichtingen aan [eiser] heeft voldaan en dat [eiser] de auto in onderpand mag behouden tot na ontvangst van betaling van [gedaagde] ,
zowel primair, subsidiair als meer subsidiair:
5. [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 5.995,00, vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 816,45 en vermeerderd met de wettelijke (handels)rente,
6. [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 571,31, vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 85,70 en vermeerderd met de wettelijke (handels)rente,
7. [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van de verschuldigde motorrijtuigenbelasting en verzekeringspremies, tot op heden begroot op € 1.442,00 + P.M., vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke (handels)rente,
8. [gedaagde] zal veroordelen de auto onmiddellijk te vrijwaren, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per (onvoltooide deel van een) dag dat [gedaagde] geen deugdelijk vrijwaringsbewijs verschaft aan [eiser] met een maximum van € 20.000,00,en [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] .
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
In deze procedure staat de vraag centraal of [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen jegens [eiser] omdat de auto, zoals [eiser] stelt, ten tijde van de aflevering niet aan de koopovereenkomst beantwoordde.
4.2.
Op grond van artikel 7:17 lid 2 BW beantwoordt een afgeleverde zaak (in dit geval de auto) niet aan de koopovereenkomst als de zaak, mede gelet op de aard daarvan en de mededelingen die de verkoper daarover heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag in elk geval verwachten dat het afgeleverde de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien.
4.3.
[gedaagde] erkent dat de koppakking lek is en dat als gevolg hiervan ernstige motorschade kan worden ontwikkeld en dat zonder reparatie niet met de auto mag worden gereden. Daarmee staat vast dat de auto een gebrek heeft. Bij de koop van een tweedehands auto maakt echter niet elke onvolkomenheid daaraan dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordt. De koper van een tweedehands auto zal, afhankelijk van de ouderdom en prijs daarvan, tot op zekere hoogte moeten accepteren dat zich op een zeker moment bepaalde gebreken aan de auto kunnen voordoen. [eiser] hoefde echter geen gebreken te verwachten waardoor zij kort na de levering niet op een veilige manier met de auto aan het verkeer kon deelnemen. In dit geval is sprake van een gebrek aan de koppakking waardoor bij het gebruik van de auto zonder reparatie ernstige motorschade kan worden ontwikkeld. Dit is een gebrek dat een gevaar voor de verkeersveiligheid oplevert. Het is immers evident dat een auto met ernstige motorschade niet veilig kan deelnemen aan het verkeer.
4.4.
Partijen verschillen van mening over de vraag of (de oorzaak van) het gebrek aan de koppakking van de auto reeds aanwezig was bij de aflevering of, zoals door [gedaagde] is aangevoerd, pas na de aflevering is ontstaan.
4.5.
In dit geval – waarin sprake is van een consumentenkoop en het gebrek aan de auto zich binnen één jaar na levering heeft geopenbaard – geldt het bewijsvermoeden van artikel 7:18a lid 2 BW. Dit houdt in dat in beginsel wordt vermoed dat de auto ten tijde van de levering niet aan de koopovereenkomst beantwoordde. Dat is alleen anders als de aard van de zaak (in dit geval een auto) of de aard van de afwijking (het gebrek aan de koppakking) zich daartegen verzet. Niet gesteld of gebleken is dat sprake is van die uitzondering. Bij deze stand van zaken geldt daarom het vermoeden dat (de oorzaak van) het gebrek aan de koppakking al bij de levering aanwezig was, tenzij [gedaagde] bewijs van het tegendeel van dit vermoeden levert.
4.6.
Het is aan [gedaagde] om aan te tonen of tenminste aannemelijk te maken dat het gebrek aan de koppakking het gevolg is, dan wel haar oorsprong vindt in een handelen of nalaten dat dateert van na de levering. [gedaagde] heeft dit onvoldoende gedaan. Het enkel stellen dat het gebrek aan de koppakking is ontstaan omdat [eiser] te lang is doorgereden met een te lage hoeveelheid koelvloeistof, is daarvoor in elk geval niet genoeg. Anders dan [gedaagde] meent, kan uit het enkele feit dat de koppakking niet op een eerder moment defect is geraakt niet worden afgeleid dat het gebrek bij aflevering niet aanwezig kan zijn geweest. De oorzaak van het gebrek aan de koppakking kan immers op dat moment wel aanwezig zijn geweest maar zich nog niet hebben geopenbaard. [gedaagde] heeft het vermoeden dat de auto ten tijde van de aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordde, onvoldoende gemotiveerd weersproken. Uitgangspunt is daarom dat de auto ten tijde van de aflevering niet aan de koopovereenkomst beantwoordde. Door een non-conforme auto aan [eiser] te verkopen is [gedaagde] tekortgeschoten in de nakoming van de op hem rustende verplichtingen uit de koopovereenkomst.
4.7.
In artikel 7:22 lid 1 BW is bepaald dat als het afgeleverde niet aan de overeenkomst beantwoordt, de koper in beginsel de bevoegdheid heeft de overeenkomst te ontbinden. Wel heeft te gelden dat het recht op ontbinding pas ontstaat als herstel en vervanging onmogelijk zijn of niet van de verkoper gevergd kunnen worden of als de verkoper in zijn verplichting om de afgeleverde zaak binnen redelijke termijn en zonder ernstige overlast kosteloos voor de koper te herstellen (artikelen 7:21 en 7:22 BW). Vast staat dat [gedaagde] niet tot kosteloos herstel is overgegaan terwijl hij daartoe wel in de gelegenheid is gesteld. Daarmee staat vast dat hij is tekortgeschoten in zijn verplichting om het gebrek aan de koppakking kosteloos voor [eiser] te herstellen. Dit betekent dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan de verplichting uit artikel 7:21 BW. Aangezien de schade aan de auto bovendien de ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt, is aan de vereisten van artikel 7:22 BW voldaan. Dit betekent dat [eiser] de koopovereenkomst rechtsgeldig bij brief van 10 februari 2026 buitengerechtelijk heeft laten ontbinden. De in dit verband door [eiser] gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen op de wijze zoals hierna in de beslissing is vermeld.
4.8.
Als gevolg van de ontbinding ontstaat op grond van het bepaalde in artikel 6:271 BW voor beide partijen de verplichting tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties. Dit brengt met zich dat [gedaagde] in beginsel de koopsom van de auto moet terugbetalen aan [eiser] . [gedaagde] hoeft echter niet de volledige koopsom terug te betalen omdat [eiser] sinds de aflevering van de auto ruim 10.000 kilometer met de auto heeft gereden. [eiser] is voor dit gebruik een vergoeding aan [gedaagde] verschuldigd omdat zij anders ongerechtvaardigd zou worden verrijkt. De waarde van de auto is immers verminderd door het gebruik. De kantonrechter komt gelet op de gereden kilometers en het tijdsverloop sinds de aflevering van de auto op een waardevermindering van in totaal € 1.250,00. Dit bedrag strekt in mindering op de door [gedaagde] terug te betalen koopsom. De vordering die strekt tot terugbetaling van de koopsom is dan ook toewijsbaar tot een bedrag van € 4.745,00.
4.9.
[eiser] moet op zijn beurt de auto teruggeven aan [gedaagde] . [eiser] meent in dit verband dat [gedaagde] de auto bij haar dient op te halen en vordert in dit verband betaling van een bedrag van € 599,00 indien en voor zover [gedaagde] niet binnen twee weken na aanmaning van het vonnis de auto bij [eiser] heeft opgehaald. Niet gesteld of gebleken is echter op basis van welke rechtsgrond [gedaagde] is gehouden de auto bij [eiser] op te halen. Een wettelijke grondslag ontbreekt daarvoor. Deze vordering en daarmee samenhangende nevenvorderingen (opschorting en onderpand) zullen daarom worden afgewezen.
4.10.
De vordering die strekt tot vrijwaring van de auto zal worden toegewezen met dien verstande dat de termijn waarbinnen [gedaagde] dit dient te doen, zal worden bepaald op zeven dagen. De in dit verband gevorderde dwangsom zal worden afgewezen omdat [eiser] geen omstandigheden heeft gesteld op basis waarvan geoordeeld zou moeten worden dat een dergelijke prikkel tot nakoming van deze veroordeling noodzakelijk is.
4.11.
[eiser] maakt verder aanspraak op vergoeding van de betaalde en nog te betalen motorrijtuigenbelasting en verzekeringspremies van de auto, alsmede de kosten voor vervangend vervoer. Deze vorderingen zullen worden afgewezen. Daarvoor is redengevend dat voor toewijzing van een schadevergoeding op grond van het bepaalde in artikel 6:74 BW onder meer is vereist dat sprake is van (i) schade en (ii) causaal verband tussen de tekortkoming en de schade. Aan deze vereisten is in dit geval niet voldaan. Voor wat betreft de motorrijtuigenbelasting en verzekeringspremies is geen sprake van schade. [eiser] zou deze kosten immers ook hebben moeten betalen als van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst geen sprake was geweest (zie in dit verband ook Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 mei 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:3915). Voor wat betreft de kosten voor het vervangend vervoer is niet gebleken dat tussen de tekortkoming en de gemaakte kosten voor het vervangend vervoer een causaal verband bestaat. [eiser] heeft haar stellingen op dit punt onvoldoende gemotiveerd.
4.12.
[eiser] vordert betaling van een bedrag van € 125,01 in verband met de reparatie die [gedaagde] op 3 september 2025 aan de auto heeft verricht in verband met het vervangen van de ABS-sensor, het verhelpen van een defect aan de homokineet en het afstellen van de as. [gedaagde] betwist dat hij deze kosten is verschuldigd omdat hij de reparatiewerkzaamheden naar eigen zeggen kosteloos heeft verricht. Gelet op deze betwisting lag het op de weg van [eiser] om de stelling dat zij voormelde kosten aan [gedaagde] heeft betaald in verband met de reparatie, te onderbouwen. Die onderbouwing ontbreekt echter. Deze vordering zal dan ook als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.
4.13.
De gevorderde kosten in verband met het uitlezen van de auto door een autogarage in München zullen worden toegewezen. Op grond van de artikelen 6:206 BW in samenhang met artikel 3:120 lid 2 BW heeft [eiser] , kort gezegd, als bezitter te goeder trouw recht op vergoeding van de kosten die zij ten behoeve van de auto heeft gemaakt. Daaronder vallen kosten tot behoud of ten nutte van de auto (zoals de kosten voor onderhoud en reparatie). Door [gedaagde] is niet betwist dat [eiser] een bedrag van € 129,51 heeft betaald aan de autogarage in München in verband met het uitlezen van de auto nadat de ABS-sensor defect raakte. [eiser] heeft dit op verzoek van [gedaagde] gedaan. [eiser] heeft dan ook recht op vergoeding van deze kosten. De gevorderde betaling van het bedrag van € 129,51 is daarom toewijsbaar.
4.14.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de hoofdsom zal worden toegewezen tot een bedrag van € 4.874,51 (€ 4.745,00 + € 129,51).
4.15.
De door [eiser] gevorderde onderzoekskosten van € 84,17 zijn aan te merken als kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid en komen op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW voor vergoeding in aanmerking.
4.16.
[eiser] vordert over de hoofdsom en de onderzoekskosten kennelijk primair wettelijke handelsrente. Van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW is echter geen sprake zodat de wettelijke handelsrente niet toewijsbaar is. In plaats daarvan zal de subsidiair gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW worden toegewezen vanaf de datum van het verzuim, in dit geval 31 maart 2026 (één dag voor de rolzitting, zoals is aangegeven in de brief van 10 februari 2026).
4.17.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. [gedaagde] is daarom buitengerechtelijk incassokosten verschuldigd. De door [eiser] gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is echter hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief bij een hoofdsom van € 4.874,51. Daarom wordt een bedrag van € 741,07 (incl. btw) aan buitengerechtelijke kosten toegewezen. De gevorderde wettelijke rente daarover zal worden toegewezen vanaf de datum van dagvaarding en afgewezen voor zover die rente vanaf een eerdere datum is gevorderd omdat niet is gesteld of gebleken dat [eiser] deze schade (kosten) per een eerdere datum heeft geleden.
4.18.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eiser] worden vastgesteld en begroot op:
- griffierecht
€
93,00
- salaris gemachtigde
€
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
€
144,00
plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
813,00
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat de tussen partijen bestaande koopovereenkomst met betrekking tot de auto met kenteken [kenteken] op 10 februari 2026 buitengerechtelijk is ontbonden,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.958,68, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 31 maart 2026 tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 741,07 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 24 maart 2026 tot aan de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] om de auto binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis te vrijwaren,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 813,00, te vermeerderen met de kosten van betekening,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.F. van den Berg en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.
lt
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!