Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:7233

2026-09-24 Bestuursrecht ARN 25/3151
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-09-24
Publicatiedatum
2026-09-22
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ARN 25/3151
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De Dienst Toeslagen heeft het kindgebonden budget terecht definitief vastgesteld op nihil en het teveel uitbetaalde voorschot kunnen terugvorderen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.044 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummer: ARN 25/3151

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 september 2026


in de zaak tussen


[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres


en


Dienst Toeslagen
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de definitieve vaststelling van het kindgebonden budget van eiseres over het jaar 2023 op nihil en de terugvordering van het teveel betaalde voorschot. Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de dienst het kindgebonden budget terecht definitief heeft vastgesteld op nihil en het teveel betaalde voorschot heeft kunnen terugvorderen.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de dienst het kindgebonden budget van eiseres over 2023 terecht definitief heeft vastgesteld op nihil en het teveel betaalde voorschot heeft kunnen terugvorderen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Met het besluit van 2 april 2025 heeft de dienst het kindgebonden budget van eiseres over 2023 definitief vastgesteld op nihil en het teveel betaalde voorschot teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 12 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is de dienst bij dat besluit gebleven.



2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De dienst heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 19 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon] namens eiseres en de gemachtigden van de dienst.

Beoordeling door de rechtbank





Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres heeft over 2023 een bedrag van € 245 aan voorschot kindgebonden budget ontvangen. Dit bedrag is berekend op basis van een geschat gezamenlijk inkomen van eiseres en haar echtgenoot van € 68.213.




3.1.
Op 3 juni 2024 heeft de dienst informatie van de Basisregistratie Inkomen (BRI) ontvangen waaruit blijkt dat het gezamenlijk toetsingsinkomen van eiseres en haar echtgenoot in 2023 € 74.205 bedraagt.



3.2.
Bij het besluit van 2 april 2025 heeft de dienst het kindgebonden budget over 2023 definitief berekend en vastgesteld op nihil. De dienst heeft een bedrag van € 252 aan teveel betaald voorschot kindgebonden budget (inclusief € 7 rente) van eiseres teruggevorderd. Bij het bestreden besluit van 12 juni 2025 heeft de dienst het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De dienst legt hieraan ten grondslag dat eiseres vanwege de hoogte van het vastgestelde toetsingsinkomen geen recht heeft op kindgebonden budget. Verder zijn volgens de dienst de nadelige gevolgen van de terugvordering van het teveel betaalde voorschot niet onevenredig in verhouding tot de met de terugvordering te dienen doelen.



De definitieve berekening en vaststelling van het kindgebonden budget over 2023

4. Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke tegemoetkoming als bedoeld in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). De hoogte van het kindgebonden budget is afhankelijk van de draagkracht op basis van het inkomen en het vermogen. Deze draagkracht wordt bepaald op grond van het toetsingsinkomen van de belanghebbende en dat van zijn partner. Onder toetsingsinkomen wordt het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven verstaan. Hiervoor wordt gekeken naar het laatst bepaalde verzamelinkomen of het laatst bepaalde belastbare loon. Het inkomensgegeven wordt vastgesteld door de inspecteur voor de inkomstenbelasting (inspecteur). De dienst moet uitgaan van de door de inspecteur vastgestelde gegevens.




4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres, vanwege de hoogte van het door de inspecteur over 2023 vastgestelde gezamenlijk toetsingsinkomen van eiseres en haar echtgenoot van € 74.205, geen recht heeft op kindgebonden budget. De dienst heeft het kindgebonden budget van eiseres over 2023 dan ook terecht vastgesteld op nihil.



De terugvordering van de teveel betaalde voorschotten

5. Eiseres betoogt dat sprake is van een aantal omstandigheden die maken dat de terugvordering in haar geval onevenredig is.
De eerste omstandigheid is dat de dienst meerdere keren onzorgvuldig heeft gehandeld. De dienst heeft in 2019 ten onrechte met terugwerkende kracht kindgebonden budget aan eiseres verstrekt, terwijl eiseres hier niet om heeft gevraagd en al in 2013 de aanvraag om kinderopvangtoeslag heeft stopgezet. Ook heeft de dienst het inkomen van eiseres en haar echtgenoot lichtzinnig en onzorgvuldig geschat en een te laag indexeringspercentage toegepast. Verder is de brief van de dienst van 20 november 2024 onzorgvuldig tot stand gekomen. In de brief staat dat het kindgebonden budget van eiseres vanaf 1 januari 2025 wordt gestopt, omdat zij al meerdere jaren geen kindgebonden budget meer krijgt. Dit is niet juist, omdat het niet ging om meerdere jaren. Deze brief is bovendien voorbarig verstuurd, omdat in de op 17 juli 2025 ontvangen definitieve berekening over 2024 staat dat zij voor dat jaar recht heeft op kindgebonden budget.
De tweede omstandigheid is dat de dienst heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Eiseres heeft op 31 januari 2025 een brief ontvangen over de integrale beoordeling door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen, waarin staat dat eiseres geen schulden meer heeft. De dienst wist op dat moment echter dat er nog een herberekening van het kindgebonden budget zou plaatsvinden, en dat er mogelijk dus nog een schuld zou ontstaan. Gelet op de inhoud van de brief mocht eiseres erop vertrouwen dat een eventueel teveel uitbetaald voorschot kindgebonden budget niet zou worden teruggevorderd.
De derde omstandigheid is dat eiseres slachtoffer is van de toeslagenaffaire. Dit heeft jarenlang geleid tot frustraties en (psychische) problemen. Door de terugvordering wordt eiseres hier weer aan herinnerd en dit heeft een negatieve invloed op haar psychische gesteldheid.




5.1.
In artikel 26, eerste lid, van de Awir is bepaald dat de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd is, als een herziening van een tegemoetkoming of voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag. Als de nadelige gevolgen van een volledige terugvordering van het bedrag voor de belanghebbende onevenredig zijn in verhouding tot de met die volledige terugvordering te dienen doelen, kan de dienst, op grond van artikel 26, tweede lid, van de Awir, bij het vaststellen van de beschikking tot terugvordering een lager bedrag terugvorderen. Dit betekent dat de dienst op grond van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 13b, eerste lid, van de Awir de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen moet afwegen. Als uit een dergelijke belangenafweging volgt dat gehele terugvordering onevenredig is, kan de dienst afzien van de terugvordering of het bedrag van de terugvordering matigen.



5.2.

In het Verzamelbesluit Toeslagen (Verzamelbesluit) is beleid over de terugvordering van toeslagen vastgesteld. Hierin staat dat in het kader van de belangenafweging de volgende omstandigheden doorgaans een relevante rol spelen: de oorzaak van de terugvordering, de gevolgen van de terugvordering, de rol van de belanghebbende en de dienst (bij het ontstaan van de terugvordering) – inclusief (systeem)fouten – en de voorzienbaarheid. Deze opsomming is niet limitatief.
In het Verzamelbesluit staat ook dat van een onevenredige terugvordering in beginsel geen sprake is als de terugvordering het gevolg is van een afwijking van het daadwerkelijke over het berekeningsjaar vastgestelde toetsingsinkomen voor de toeslagen en het geschatte inkomen op basis waarvan het voorschot is berekend. Het uitgangspunt is dat deze situatie op zichzelf niet tot matiging van de terugvordering leidt. Afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval kan er bij de aanwezigheid van aanvullende omstandigheden na een belangenafweging echter toch reden zijn de terugvordering te matigen. Daarbij geldt dat een combinatie van factoren – die ieder op zichzelf beschouwd geen onevenredige terugvordering opleveren – in samenhang wel kunnen leiden tot het oordeel dat er sprake is van een voor de belanghebbende onevenredige terugvordering die moet worden gematigd.




5.3.
In het geval van eiseres is de terugvordering ontstaan omdat het vastgestelde toetsingsinkomen hoger is dan het geschatte inkomen op basis waarvan het voorschot is berekend. Zoals volgt uit wat staat vermeld onder 5.2, is in een dergelijk geval in beginsel geen sprake van een onevenredige terugvordering. Naar het oordeel van de rechtbank leiden ook de door eiseres aangevoerde aanvullende omstandigheden niet tot het oordeel dat de terugvordering onevenredig is. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.


5.3.1.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat de dienst onzorgvuldig heeft gehandeld.
Voor wat betreft de toekenning van het kindgebonden budget volgt uit de wet dat eiseres, omdat zij in 2013 in aanmerking kwam voor kinderopvangtoeslag, werd geacht een aanvraag voor kindgebonden budget te hebben gedaan. De dienst heeft toegelicht dat, op het moment dat eiseres in 2013 de kinderopvangtoeslag stopzette, ten onrechte ook het kindgebonden budget is stopgezet. Er is geen rechtsregel die bepaalt dat als de kinderopvangtoeslag wordt stopgezet, ook het kindgebonden budget wordt stopgezet. In 2019 heeft de dienst dit hersteld en is aan eiseres alsnog met terugwerkende kracht tot 2013 kindgebonden budget toegekend. De rechtbank vindt dit niet onzorgvuldig. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiseres over de toegekende jaren in totaal bijna € 2.000 aan kindgebonden budget heeft ontvangen en op geen enkel moment kenbaar heeft gemaakt dat zij geen kindgebonden budget wilde ontvangen.
Voor wat betreft de hoogte van het geschatte inkomen en het uitbetaalde voorschot volgt uit de wet dat de dienst een voorschot verleent tot het bedrag waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld. Dit bedrag wordt berekend aan de hand van de door de aanvrager verstrekte gegevens, of het laatst bekende inkomensgegeven uit de BRI over een voorgaand jaar geïndexeerd met een vast percentage. Als na het verlenen van een voorschot, een relevante wijziging optreedt in de omstandigheden die van belang zijn voor de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming, is de belanghebbende gehouden die wijziging te melden aan de dienst. De daadwerkelijke hoogte van het inkomen wordt na afloop van het berekeningsjaar door de inspecteur vastgesteld. Na de vaststelling van de aanslag inkomstenbelasting, stelt de dient de tegemoetkoming definitief vast. In het geval van eiseres heeft de dienst in de voorschotbeschikking van 28 december 2022 het inkomen geschat op basis van het definitief vastgestelde verzamelinkomen van eiseres en haar echtgenoot over 2021. Eiseres heeft op dat moment niet aangegeven dat dit geschatte inkomen te laag zou zijn en ook daarna nooit melding gemaakt van een inkomenswijziging. Nadat de inspecteur het gezamenlijk toetsingsinkomen van eiseres en haar echtgenoot over 2023 had vastgesteld, bleek dat dit inkomen hoger was dan het geschatte inkomen waarop het voorschot was gebaseerd. Dit verschil maakt dat eiseres geen aanspraak meer heeft op kindgebonden budget. Dat de dienst het kindgebonden budget over 2023 definitief heeft vastgesteld op nihil, is dus niet het gevolg van onzorgvuldig handelen door de dienst, maar volgt enkel uit het verschil tussen de schatting van het inkomen en het definitieve inkomen.
Voor wat betreft de brief van de dienst van 20 november 2024 overweegt de rechtbank dat – wat ook zij van de juistheid van de inhoud en eventuele onzorgvuldigheden daarin – dit niet maakt dat de dienst onzorgvuldig heeft gehandeld bij de totstandkoming van de besluiten die zien op het kindgebonden budget over 2023.




5.3.2.
De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar betoog dat de dienst heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen, en zo ja, hoe. Uit het dossier blijkt niet van een dergelijke toezegging aan eiseres. De brief van 31 januari 2025 is daarvoor onvoldoende. In deze brief staat namelijk dat er tot en met 5 januari 2025 geen schulden zijn en dat er een schuld kan zijn die nu nog niet bekend is. Op dat moment was het definitieve inkomen van eiseres en haar echtgenoot over 2023 nog niet vastgesteld en was ook het kindgebonden budget over 2023 nog niet definitief vastgesteld. De schuld was dus nog niet bekend. Gelet hierop is geen sprake van een toezegging waaruit eiseres kon en mocht afleiden dat een eventueel teveel betaald voorschot kindgebonden budget niet zou worden teruggevorderd.



5.3.3.
Wat overblijft is de omstandigheid dat eiseres slachtoffer is van de toeslagenaffaire. De rechtbank begrijpt goed dat de terugvordering voor eiseres, na alles wat zij heeft meegemaakt, onrechtvaardig voelt en nare herinneringen oproept. Zonder afbreuk te willen doen aan de ernst van de toeslagenaffaire en de gevolgen daarvan voor eiseres, betekent dit echter niet dat de dienst de terugvordering daarom onevenredig had moeten vinden. De toeslagenaffaire maakt niet dat de dienst een teveel uitbetaald voorschot kindgebonden budget niet meer zou kunnen terugvorderen.





Conclusie en gevolgen


6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.






Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.H. Verzijl-Stoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026.




De rechter is verhinderd de uitspraak
te ondertekenen.










griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



De echtgenoot van eiseres.


Zie artikel 1, tweede lid, van de Wet op het kindgebonden budget.


Zie artikel 7, eerste lid, van de Awir.


Zie artikel 8, eerste lid, van de Awir.


Zie artikel 2, eerste lid, aanhef en onder o, van de Awir, en artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.


Zie onder meer ABRvS 16 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:493).


Verzamelbesluit Toeslagen van 9 juli 2024, gepubliceerd in Staatscourant 16 juli 2024, nr. 23154.


Artikel 5, tweede lid, van de Wet op het kindgebonden budget en artikel 15, vijfde lid, van de Awir.


Artikel 16, eerste lid, van de Awir, artikel 17, eerste lid, van de Awir en artikel 19, eerste lid, van de Awir.