Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:7209
2026-09-25
Bestuursrecht; Belastingrecht
ARN 24/2450
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
BPM. Belanghebbende maakt hogere historische nieuwprijs in verband met hogere CO2-uitstoot aannemelijk. De inspecteur maakt hogere handelsinkoopwaarde dan volgt uit het rapport van DRZ niet aannemelijk. Anders dan gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2024:1852 en ECLI:NL:GHARL:2024:3914) is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat een hogere CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogend effect op de handelsinkoopwaarde zal hebben.
Citeert (4)
- ECLI:NL:GHARL:2024:1852 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-03-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:391 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-01-2024
- ECLI:NL:HR:2022:640 Hoge Raad 20-05-2022
- ECLI:NL:HR:2019:1084 Hoge Raad 12-07-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (21.382 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/2450
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 25 september 2026.
in de zaak tussen
[belanghebbende] V.o.F., uit [vestigingsplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. R. Lammers),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, Centrale administratieve processen, de inspecteur,
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 december 2023.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgelegd van € 5.362.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 24 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Belanghebbende heeft op 24 juni 2026 een pleitnota in het geding gebracht.
De rechtbank heeft partijen voor een zitting op 26 juni 2026 uitgenodigd. De zitting is niet doorgegaan vanwege code rood door extreme hitte. De rechtbank heeft partijen nadien laten weten dat zij het niet nodig vond om de zaak op een zitting te behandelen, maar dat partijen voor 14 juli 2026 konden laten weten of zij hun standpunten wilden toelichten op een zitting. Geen van de partijen heeft laten weten dat zij van deze gelegenheid gebruik wilde maken, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten op 20 juli 2026.
Feiten
1. Belanghebbende heeft op 15 december 2022 aangifte BPM gedaan voor een Jaguar XJ met een VIN eindigend op [nummer] (de auto). Belanghebbende heeft de historische nieuwprijs van de auto bepaald op € 188.789 en de handelsinkoopwaarde als volgt:
De bruto BPM heeft belanghebbende bepaald op € 74.424 (op basis van een CO2-uitstoot van 303 gr/km) en de verschuldigde BPM op € 949 (€ 2.408 / € 188.789 * € 74.424). Bij de aangifte heeft belanghebbende een taxatierapport van [bedrijf] gevoegd met datum 10 december 2022. Belanghebbende heeft de auto gekocht voor USD 8.212,70.
2. De datum van eerste toelating van de auto in Canada is 30 juni 2016. Inschrijving in het Nederlandse kentekenregister heeft plaatsgevonden op 5 januari 2023. Het kenteken van de auto is [kenteken] .
3. Bij e-mailbericht van 20 december 2022 is belanghebbende uitgenodigd de auto te tonen bij de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) voor een hertaxatie.
4. De hertaxatie heeft plaatsgevonden op 22 december 2022. DRZ heeft een bruto schadecalculatie gemaakt van € 4.935 en hiervan € 3.553 als waardeverminderend aangemerkt. DRZ heeft de handelsinkoopwaarde van de auto bepaald op € 13.643 (€ 17.196 minus € 3.553). In haar rapport Onderzoek waardebepaling van 2 januari 2023 heeft DRZ onder het kopje ‘Bevindingen/opmerkingen’ onder andere het volgende opgemerkt:
“DRZ heeft geen VIN gegevens van het voertuig en heeft de gegevens van de aangever overgenomen Het voertuig is van bouwjaar juni 2016 met 23.295 kilometer op de teller. Bij de schouw bij DRZ is het voertuig is al gedeeltelijk hersteld. Bij het herstel is (deels) gebruik gemaakt van gebruikte delen. De vervangen carrosseriedelen moeten nog wel gespoten worden.”
Bij het rapport van DRZ zijn foto’s en een schadecalculatie gevoegd waarin onder meer rekening is gehouden met de nog uit te voeren spuitwerkzaamheden.
5. Bij brief van 22 februari 2023 heeft de inspecteur aan belanghebbende een kennisgeving naheffingsaanslag gestuurd. De inspecteur heeft de verschuldigde BPM berekend op € 6.311 en de na te heffen BPM op € 5.362 (€ 6.311 minus € 949). Daarbij is de inspecteur uitgegaan van een historische nieuwprijs van de auto van € 156.174, een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 13.245, en een bruto BPM van € 74.424.
6. Bij brief van 22 maart 2023 heeft de inspecteur aan belanghebbende een mededeling naheffingsaanslag toegezonden.
7. Met dagtekening 13 april 2023 heeft de inspecteur een naheffingsaanslag BPM aan belanghebbende opgelegd in overeenstemming met zijn kennisgeving en mededeling. Daarbij heeft de inspecteur € 24 belastingrente in rekening gebracht. Belanghebbende heeft bij brief ontvangen door de inspecteur op 14 april 2023 bezwaar gemaakt tegen de aanslag en de belastingrentebeschikking.
8. Als bijlage 13 bij het verweerschrift heeft de inspecteur e-mails van [bedrijf] en [bedrijf] , beide van 15 oktober 2024, overgelegd waaruit volgt dat een correctie/waardevermindering vanwege ‘geen oordeel kilometerstand’ niet aan de orde, dan wel discutabel is.
9. Als productie 3 bij het beroepschrift heeft belanghebbende een schermprint van de site van de ANWB Koerslijst overgelegd. Op de schermprint is het volgende vermeld:
“Waar moet ik op letten bij een import auto?
Deze auto is geïmporteerd. We zien in de praktijk dat geïmporteerde auto’s minder waard kunnen zijn, bijvoorbeeld door onduidelijkheid over de onderhouds- en schadehistorie en over de juistheid van de kilometerstand. Bij geïmporteerde auto’s staat bij de teller registratie NAP ook altijd en blijvend ‘geen oordeel’.
In deze waardebepaling is geen rekening gehouden met een mogelijke waarde-correctie vanwege import.
(…)”
10. Bij nader stuk van 6 november 2024 heeft belanghebbende facturen van schadeherstel overgelegd:
een factuur van [bedrijf] met factuurdatum 30 juni 2023 voor een bedrag van € 2.329,20;
een factuur van [bedrijf] met factuurdatum 22 maart 2023 voor een bedrag van
€ 500,71;
een factuur van [bedrijf] met factuurdatum 31 januari 2023 voor een bedrag van
€ 369,31;
een factuur van [bedrijf] met factuurdatum 21 februari 2023 voor een bedrag van € 501,84;
een factuur van [bedrijf] met factuurdatum 29 september 2022 voor een bedrag van € 127,05;
een factuur van [bedrijf] met factuurdatum 6 december 2022 voor een bedrag van € 5.879,84;
een factuur van [bedrijf] met factuurdatum 15 december 2022 voor een bedrag van € 272,50 voor een instructieboekje.
Beoordeling door de rechtbank
11. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de volgende vragen:
Wat is de historische nieuwprijs?
Wat is de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat?
Wat is de omvang van de schade?
Wat is het percentage waardevermindering als gevolg van de schade?
Is er reden voor een waardevermindering wegens geen oordeel kilometerstand?
De rechtbank zal de vragen hierna behandelen.
12. De bruto BPM van € 74.424 is niet in geschil. Ook is niet in geschil dat de auto op het moment van hertaxatie door DRZ schade, meer dan normale gebruikssporen, had. Dat laatste betekent dat de taxatiemethode is toegestaan voor de berekening van de verschuldigde BPM.
Historische nieuwprijs
13. Belanghebbende bepleit een historische nieuwprijs van de auto van € 188.789. Die prijs is als volgt opgebouwd:
Historische nieuwprijs volgens [bedrijf] : € 156.174
Bruto BPM op basis van 234 gr/km (NEDC) € 41.809 -/-
€ 114.365
Bruto BPM op basis van 235 gr/km (NEDC) € 74.424 +/+
Historische nieuwprijs van de auto € 188.789
De inspecteur heeft zich in beroep hierbij aangesloten.
Handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat
14. Belanghebbende bepleit een handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat van € 17.196.
15. De inspecteur is van mening dat belanghebbende de bewijslast van de afschrijving c.q. waardedaling van de auto draagt. Belanghebbende moet tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur aannemelijk maken dat de hogere CO2-uitstoot van de auto (ten opzichte van het Nederlandse referentiemodel) niet leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde. Hierin is belanghebbende niet geslaagd, aldus de inspecteur.
16. De rechtbank stelt vast dat DRZ een onderzoek waardebepaling van de auto heeft verricht. DRZ heeft de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat, net als belanghebbende, vastgesteld op € 17.196. Bij het vaststellen van de naheffingsaanslag is de inspecteur uitgegaan van een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 16.798.
17. Naar het oordeel van de rechtbank bedraagt de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat € 17.196. Redengevend voor dit oordeel is het volgende. Weliswaar geldt in zijn algemeenheid dat belanghebbende de bewijslast van de afschrijving/waardedaling van de auto draagt, maar dat vindt haar grens in het rapport van DRZ. DRZ, als de door de inspecteur ‘ingehuurde’ deskundige, heeft immers een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 17.196 vastgesteld. Waarom daar in het nadeel van belanghebbende van moet worden afgeweken ziet de rechtbank, zonder overtuigende redenering van de zijde van inspecteur, die door hem niet is gegeven, niet in. Anders dan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft geoordeeld is het zeker niet zo “(…) dat een hogere CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed op de handelsinkoopwaarde zal hebben. (…)” Een hogere CO2-uitstoot betekent primair een hoger brandstofverbruik en dat kan bezwaarlijk worden gezien als een waardeverhogend aspect van de auto. Het gelijk wat betreft de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat is dus aan belanghebbende.
Omvang schade en waardevermindering door schade
18. Belanghebbende is van mening dat de schadecalculatie € 11.038 beloopt en die schade voor 100% waardeverminderend is. Het rapport van DRZ vormt geen sluitende weerlegging van de door belanghebbende opgevoerde en gecalculeerde schade. Belanghebbende wijst op de facturen van schadeherstel (zie punt 9.) Verder wijst zij erop dat onduidelijk is waar de 72%-norm vandaan komt.
19. De inspecteur is van mening dat de bewijslast inzake waardevermindering door schade bij belanghebbende ligt. Dit geldt voor zowel de omvang van de schade als voor wat betreft de afwijking van de 72%-norm. Belanghebbende heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat die waardevermindering meer dan € 3.553 bedraagt (72% van € 4.935 zijnde het door DRZ gecalculeerde schadebedrag, zie punt 4.). Door voorafgaand aan de schouw herstelwerkzaamheden uit te voeren, heeft belanghebbende verhinderd dat de deskundige van DRZ in staat was om de reeds herstelde schade te beoordelen. Belanghebbende kan in dat licht voor het bewijs van de omvang van de schade dan ook niet volstaan met het overgelegde eigen taxatierapport, aldus de inspecteur.
20. In de bijlage, paragraaf 3.5, bij de Uitvoeringsregeling BPM is het volgende bepaald (tekst 2022):
“De waardevermindering als gevolg van schade aan het te taxeren motorrijtuig ten opzichte van de vastgestelde waarde op basis van de referentiemotorrijtuig wordt vastgesteld door het schadebedrag te vermenigvuldigen met 72%. Indien de taxateur van mening is dat de waardevermindering voor het te taxeren motorrijtuig hoger is dan de vastgestelde norm wordt dit gemotiveerd aangegeven gestaafd met deugdelijke schadecalculatie en beeldmateriaal.”
21. De bewijslast inzake waardevermindering door schade ligt op grond van constante jurisprudentie van de Hoge Raad bij belanghebbende. Dit geldt ook voor de afwijking van de 72%-norm. Ook daarvan ligt de bewijslast bij belanghebbende.
22. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat met meer schade dan door DRZ vastgesteld, rekening moet worden gehouden. Belanghebbende heeft niet weersproken dat voorafgaand aan de schouw bij DRZ herstelwerkzaamheden aan de auto hebben plaatsgevonden. Met de inspecteur is de rechtbank van oordeel dat aan de schadecalculatie als opgenomen in het taxatierapport van belanghebbende niet de bewijskracht toekomt zoals belanghebbende die voor ogen heeft. Het voorafgaand aan de schouw uitgevoerde deelherstel maakt beoordeling van de op het moment van het doen van aangifte aanwezige schade onmogelijk. Dit wordt niet anders door dat belanghebbende facturen heeft overgelegd die beweerdelijk zien op de kosten van het voorafgaand aan de schouw gedane herstel van de auto, omdat op die facturen geen VIN en ook geen kenteken van de auto staat vermeld. De schadecalculatie van DRZ is dus leidend. Evenmin heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat er gronden zijn om van de 72%-norm af te wijken. De auto is niet jong (de datum van eerste toelating van de auto is 20 februari 2018 en de inschrijving in het Nederlandse kentekenregister heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2022) en de auto is ook niet exclusief. Waar de norm van 72% vandaan komt acht de rechtbank irrelevant. De norm heeft een wettelijke basis en dat volstaat. Het gelijk wat deze punten betreft is dus aan de inspecteur.
Waardevermindering vanwege geen oordeel kilometerstand
23. Belanghebbende is van mening dat rekening dient te worden gehouden met een waardevermindering van € 3.750 omdat de RDW geen oordeel of de kilometerstand van de auto heeft gegeven. Het ‘stigma’ geen oordeel drukt de waarde, aldus belanghebbende onder verwijzing naar de site van de ANWB Koerslijst (zie punt 9.).
24. De inspecteur is van mening dat dat de bewijslast inzake de gestelde waardevermindering andermaal bij belanghebbende ligt. Daarin slaagt zij niet. De inspecteur wijst ter onderbouwing van zijn stelling op de e-mails van [bedrijf] en [bedrijf] (zie punt 8.)
25. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbend er tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat een waardevermindering wegens geen oordeel kilometerstand op haar plaats is, laat staan dat die vermindering € 3.750 moet zijn. De verwijzing naar de site van de ANWB Koerslijst (zie put 9.) maakt dit niet anders, omdat niet de ANWB Koerslijst is gebruikt bij de taxatie van de auto, maar de [bedrijf] Koerslijst. De rechtbank voegt hieraan toe dat, anders dan belanghebbende meent, artikel 110 van het VWEU geen werking heeft omdat de auto niet uit een lidstaat van de EU is geïmporteerd, maar uit Canada. Deze beroepsgrond slaagt dus ook niet.
Tussenconclusie
26. De tussenconclusie luidt dat de handelsinkoopwaarde van de auto dient te worden bepaald op € 13.643 (€ 17.196 minus € 3.553), de historische nieuwprijs op € 188.789 en de verschuldigde BPM op € 5.378 (€ 13.643 / € 188.789 * € 74.424). Op aangifte is voldaan
€ 949. Dit betekent dat de naheffingsaanslag dient te worden verminderd naar € 4.429
(€ 5.378 minus € 949).
Belastingrente
27. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende aanslag zal worden verminderd, dient het bedrag van de belastingrente dienovereenkomstig te worden verminderd.
Vergoeding van immateriële schade
28. Belanghebbende heeft in de pleitnota een verzoek gedaan om vergoeding van immateriële schade (IMSV) vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
29. Het bezwaarschrift is door de inspecteur ontvangen op 14 april 2023 en de uitspraak op bezwaar is gedaan op 21 december 2023. De redelijke termijn is overschreden met achttien maanden, waardoor belanghebbende naar vaste rechtspraak aanspraak maakt op een vergoeding van (afgerond naar boven) € 1.500. Omdat de redelijke termijn is aangevangen op 14 april 2023 is de beperking van de IMSV op grond van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen en bpm niet van toepassing. De periode gelegen tussen 14 april 2023 en 21 december 2023 is (afgerond) twee maanden langer dan zes maanden. De inspecteur moet daarom van de totale schadevergoeding een bedrag betalen van € 166,66 (2/18 maal € 1.500). De Staat moet de rest betalen, dus € 1.333,34. De rechtbank zal de inspecteur en de Staat veroordelen om deze bedragen aan belanghebbende te betalen.
Conclusie en gevolgen
30. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal de naheffingsaanslag BPM verminderen naar € 4.429. De belastingrentebeschikking zal zij dienovereenkomstig verminderen.
31. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vastgesteld op € 2.266 (1 punt voor het indienen van het bezwaar, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666, en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934, en een wegingsfactor van 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.
32. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vermindert de naheffingsaanslag BPM tot een bedrag van € 4.429;
vermindert de bijbehorende belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de in zoverre vernietigde uitspraak op bezwaar;
veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 166,66;
veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.333,34;
veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 2.266 aan proceskosten aan belanghebbende;
bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.S. Verzijlbergen, griffier.
Uitgesproken op 25 september 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1852 (r.o. 4.4.) en 11 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:391 (r.o. 4.20.).
Zie onder meer Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.2.
Vergelijk Hoge Raad 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1084, r.o. 3.2.
Stb. 2023, 507.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/2450
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 25 september 2026.
in de zaak tussen
[belanghebbende] V.o.F., uit [vestigingsplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. R. Lammers),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, Centrale administratieve processen, de inspecteur,
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 december 2023.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgelegd van € 5.362.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 24 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Belanghebbende heeft op 24 juni 2026 een pleitnota in het geding gebracht.
De rechtbank heeft partijen voor een zitting op 26 juni 2026 uitgenodigd. De zitting is niet doorgegaan vanwege code rood door extreme hitte. De rechtbank heeft partijen nadien laten weten dat zij het niet nodig vond om de zaak op een zitting te behandelen, maar dat partijen voor 14 juli 2026 konden laten weten of zij hun standpunten wilden toelichten op een zitting. Geen van de partijen heeft laten weten dat zij van deze gelegenheid gebruik wilde maken, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten op 20 juli 2026.
Feiten
1. Belanghebbende heeft op 15 december 2022 aangifte BPM gedaan voor een Jaguar XJ met een VIN eindigend op [nummer] (de auto). Belanghebbende heeft de historische nieuwprijs van de auto bepaald op € 188.789 en de handelsinkoopwaarde als volgt:
De bruto BPM heeft belanghebbende bepaald op € 74.424 (op basis van een CO2-uitstoot van 303 gr/km) en de verschuldigde BPM op € 949 (€ 2.408 / € 188.789 * € 74.424). Bij de aangifte heeft belanghebbende een taxatierapport van [bedrijf] gevoegd met datum 10 december 2022. Belanghebbende heeft de auto gekocht voor USD 8.212,70.
2. De datum van eerste toelating van de auto in Canada is 30 juni 2016. Inschrijving in het Nederlandse kentekenregister heeft plaatsgevonden op 5 januari 2023. Het kenteken van de auto is [kenteken] .
3. Bij e-mailbericht van 20 december 2022 is belanghebbende uitgenodigd de auto te tonen bij de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) voor een hertaxatie.
4. De hertaxatie heeft plaatsgevonden op 22 december 2022. DRZ heeft een bruto schadecalculatie gemaakt van € 4.935 en hiervan € 3.553 als waardeverminderend aangemerkt. DRZ heeft de handelsinkoopwaarde van de auto bepaald op € 13.643 (€ 17.196 minus € 3.553). In haar rapport Onderzoek waardebepaling van 2 januari 2023 heeft DRZ onder het kopje ‘Bevindingen/opmerkingen’ onder andere het volgende opgemerkt:
“DRZ heeft geen VIN gegevens van het voertuig en heeft de gegevens van de aangever overgenomen Het voertuig is van bouwjaar juni 2016 met 23.295 kilometer op de teller. Bij de schouw bij DRZ is het voertuig is al gedeeltelijk hersteld. Bij het herstel is (deels) gebruik gemaakt van gebruikte delen. De vervangen carrosseriedelen moeten nog wel gespoten worden.”
Bij het rapport van DRZ zijn foto’s en een schadecalculatie gevoegd waarin onder meer rekening is gehouden met de nog uit te voeren spuitwerkzaamheden.
5. Bij brief van 22 februari 2023 heeft de inspecteur aan belanghebbende een kennisgeving naheffingsaanslag gestuurd. De inspecteur heeft de verschuldigde BPM berekend op € 6.311 en de na te heffen BPM op € 5.362 (€ 6.311 minus € 949). Daarbij is de inspecteur uitgegaan van een historische nieuwprijs van de auto van € 156.174, een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 13.245, en een bruto BPM van € 74.424.
6. Bij brief van 22 maart 2023 heeft de inspecteur aan belanghebbende een mededeling naheffingsaanslag toegezonden.
7. Met dagtekening 13 april 2023 heeft de inspecteur een naheffingsaanslag BPM aan belanghebbende opgelegd in overeenstemming met zijn kennisgeving en mededeling. Daarbij heeft de inspecteur € 24 belastingrente in rekening gebracht. Belanghebbende heeft bij brief ontvangen door de inspecteur op 14 april 2023 bezwaar gemaakt tegen de aanslag en de belastingrentebeschikking.
8. Als bijlage 13 bij het verweerschrift heeft de inspecteur e-mails van [bedrijf] en [bedrijf] , beide van 15 oktober 2024, overgelegd waaruit volgt dat een correctie/waardevermindering vanwege ‘geen oordeel kilometerstand’ niet aan de orde, dan wel discutabel is.
9. Als productie 3 bij het beroepschrift heeft belanghebbende een schermprint van de site van de ANWB Koerslijst overgelegd. Op de schermprint is het volgende vermeld:
“Waar moet ik op letten bij een import auto?
Deze auto is geïmporteerd. We zien in de praktijk dat geïmporteerde auto’s minder waard kunnen zijn, bijvoorbeeld door onduidelijkheid over de onderhouds- en schadehistorie en over de juistheid van de kilometerstand. Bij geïmporteerde auto’s staat bij de teller registratie NAP ook altijd en blijvend ‘geen oordeel’.
In deze waardebepaling is geen rekening gehouden met een mogelijke waarde-correctie vanwege import.
(…)”
10. Bij nader stuk van 6 november 2024 heeft belanghebbende facturen van schadeherstel overgelegd:
een factuur van [bedrijf] met factuurdatum 30 juni 2023 voor een bedrag van € 2.329,20;
een factuur van [bedrijf] met factuurdatum 22 maart 2023 voor een bedrag van
€ 500,71;
een factuur van [bedrijf] met factuurdatum 31 januari 2023 voor een bedrag van
€ 369,31;
een factuur van [bedrijf] met factuurdatum 21 februari 2023 voor een bedrag van € 501,84;
een factuur van [bedrijf] met factuurdatum 29 september 2022 voor een bedrag van € 127,05;
een factuur van [bedrijf] met factuurdatum 6 december 2022 voor een bedrag van € 5.879,84;
een factuur van [bedrijf] met factuurdatum 15 december 2022 voor een bedrag van € 272,50 voor een instructieboekje.
Beoordeling door de rechtbank
11. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de volgende vragen:
Wat is de historische nieuwprijs?
Wat is de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat?
Wat is de omvang van de schade?
Wat is het percentage waardevermindering als gevolg van de schade?
Is er reden voor een waardevermindering wegens geen oordeel kilometerstand?
De rechtbank zal de vragen hierna behandelen.
12. De bruto BPM van € 74.424 is niet in geschil. Ook is niet in geschil dat de auto op het moment van hertaxatie door DRZ schade, meer dan normale gebruikssporen, had. Dat laatste betekent dat de taxatiemethode is toegestaan voor de berekening van de verschuldigde BPM.
Historische nieuwprijs
13. Belanghebbende bepleit een historische nieuwprijs van de auto van € 188.789. Die prijs is als volgt opgebouwd:
Historische nieuwprijs volgens [bedrijf] : € 156.174
Bruto BPM op basis van 234 gr/km (NEDC) € 41.809 -/-
€ 114.365
Bruto BPM op basis van 235 gr/km (NEDC) € 74.424 +/+
Historische nieuwprijs van de auto € 188.789
De inspecteur heeft zich in beroep hierbij aangesloten.
Handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat
14. Belanghebbende bepleit een handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat van € 17.196.
15. De inspecteur is van mening dat belanghebbende de bewijslast van de afschrijving c.q. waardedaling van de auto draagt. Belanghebbende moet tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur aannemelijk maken dat de hogere CO2-uitstoot van de auto (ten opzichte van het Nederlandse referentiemodel) niet leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde. Hierin is belanghebbende niet geslaagd, aldus de inspecteur.
16. De rechtbank stelt vast dat DRZ een onderzoek waardebepaling van de auto heeft verricht. DRZ heeft de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat, net als belanghebbende, vastgesteld op € 17.196. Bij het vaststellen van de naheffingsaanslag is de inspecteur uitgegaan van een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 16.798.
17. Naar het oordeel van de rechtbank bedraagt de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat € 17.196. Redengevend voor dit oordeel is het volgende. Weliswaar geldt in zijn algemeenheid dat belanghebbende de bewijslast van de afschrijving/waardedaling van de auto draagt, maar dat vindt haar grens in het rapport van DRZ. DRZ, als de door de inspecteur ‘ingehuurde’ deskundige, heeft immers een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 17.196 vastgesteld. Waarom daar in het nadeel van belanghebbende van moet worden afgeweken ziet de rechtbank, zonder overtuigende redenering van de zijde van inspecteur, die door hem niet is gegeven, niet in. Anders dan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft geoordeeld is het zeker niet zo “(…) dat een hogere CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed op de handelsinkoopwaarde zal hebben. (…)” Een hogere CO2-uitstoot betekent primair een hoger brandstofverbruik en dat kan bezwaarlijk worden gezien als een waardeverhogend aspect van de auto. Het gelijk wat betreft de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat is dus aan belanghebbende.
Omvang schade en waardevermindering door schade
18. Belanghebbende is van mening dat de schadecalculatie € 11.038 beloopt en die schade voor 100% waardeverminderend is. Het rapport van DRZ vormt geen sluitende weerlegging van de door belanghebbende opgevoerde en gecalculeerde schade. Belanghebbende wijst op de facturen van schadeherstel (zie punt 9.) Verder wijst zij erop dat onduidelijk is waar de 72%-norm vandaan komt.
19. De inspecteur is van mening dat de bewijslast inzake waardevermindering door schade bij belanghebbende ligt. Dit geldt voor zowel de omvang van de schade als voor wat betreft de afwijking van de 72%-norm. Belanghebbende heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat die waardevermindering meer dan € 3.553 bedraagt (72% van € 4.935 zijnde het door DRZ gecalculeerde schadebedrag, zie punt 4.). Door voorafgaand aan de schouw herstelwerkzaamheden uit te voeren, heeft belanghebbende verhinderd dat de deskundige van DRZ in staat was om de reeds herstelde schade te beoordelen. Belanghebbende kan in dat licht voor het bewijs van de omvang van de schade dan ook niet volstaan met het overgelegde eigen taxatierapport, aldus de inspecteur.
20. In de bijlage, paragraaf 3.5, bij de Uitvoeringsregeling BPM is het volgende bepaald (tekst 2022):
“De waardevermindering als gevolg van schade aan het te taxeren motorrijtuig ten opzichte van de vastgestelde waarde op basis van de referentiemotorrijtuig wordt vastgesteld door het schadebedrag te vermenigvuldigen met 72%. Indien de taxateur van mening is dat de waardevermindering voor het te taxeren motorrijtuig hoger is dan de vastgestelde norm wordt dit gemotiveerd aangegeven gestaafd met deugdelijke schadecalculatie en beeldmateriaal.”
21. De bewijslast inzake waardevermindering door schade ligt op grond van constante jurisprudentie van de Hoge Raad bij belanghebbende. Dit geldt ook voor de afwijking van de 72%-norm. Ook daarvan ligt de bewijslast bij belanghebbende.
22. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat met meer schade dan door DRZ vastgesteld, rekening moet worden gehouden. Belanghebbende heeft niet weersproken dat voorafgaand aan de schouw bij DRZ herstelwerkzaamheden aan de auto hebben plaatsgevonden. Met de inspecteur is de rechtbank van oordeel dat aan de schadecalculatie als opgenomen in het taxatierapport van belanghebbende niet de bewijskracht toekomt zoals belanghebbende die voor ogen heeft. Het voorafgaand aan de schouw uitgevoerde deelherstel maakt beoordeling van de op het moment van het doen van aangifte aanwezige schade onmogelijk. Dit wordt niet anders door dat belanghebbende facturen heeft overgelegd die beweerdelijk zien op de kosten van het voorafgaand aan de schouw gedane herstel van de auto, omdat op die facturen geen VIN en ook geen kenteken van de auto staat vermeld. De schadecalculatie van DRZ is dus leidend. Evenmin heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat er gronden zijn om van de 72%-norm af te wijken. De auto is niet jong (de datum van eerste toelating van de auto is 20 februari 2018 en de inschrijving in het Nederlandse kentekenregister heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2022) en de auto is ook niet exclusief. Waar de norm van 72% vandaan komt acht de rechtbank irrelevant. De norm heeft een wettelijke basis en dat volstaat. Het gelijk wat deze punten betreft is dus aan de inspecteur.
Waardevermindering vanwege geen oordeel kilometerstand
23. Belanghebbende is van mening dat rekening dient te worden gehouden met een waardevermindering van € 3.750 omdat de RDW geen oordeel of de kilometerstand van de auto heeft gegeven. Het ‘stigma’ geen oordeel drukt de waarde, aldus belanghebbende onder verwijzing naar de site van de ANWB Koerslijst (zie punt 9.).
24. De inspecteur is van mening dat dat de bewijslast inzake de gestelde waardevermindering andermaal bij belanghebbende ligt. Daarin slaagt zij niet. De inspecteur wijst ter onderbouwing van zijn stelling op de e-mails van [bedrijf] en [bedrijf] (zie punt 8.)
25. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbend er tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat een waardevermindering wegens geen oordeel kilometerstand op haar plaats is, laat staan dat die vermindering € 3.750 moet zijn. De verwijzing naar de site van de ANWB Koerslijst (zie put 9.) maakt dit niet anders, omdat niet de ANWB Koerslijst is gebruikt bij de taxatie van de auto, maar de [bedrijf] Koerslijst. De rechtbank voegt hieraan toe dat, anders dan belanghebbende meent, artikel 110 van het VWEU geen werking heeft omdat de auto niet uit een lidstaat van de EU is geïmporteerd, maar uit Canada. Deze beroepsgrond slaagt dus ook niet.
Tussenconclusie
26. De tussenconclusie luidt dat de handelsinkoopwaarde van de auto dient te worden bepaald op € 13.643 (€ 17.196 minus € 3.553), de historische nieuwprijs op € 188.789 en de verschuldigde BPM op € 5.378 (€ 13.643 / € 188.789 * € 74.424). Op aangifte is voldaan
€ 949. Dit betekent dat de naheffingsaanslag dient te worden verminderd naar € 4.429
(€ 5.378 minus € 949).
Belastingrente
27. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende aanslag zal worden verminderd, dient het bedrag van de belastingrente dienovereenkomstig te worden verminderd.
Vergoeding van immateriële schade
28. Belanghebbende heeft in de pleitnota een verzoek gedaan om vergoeding van immateriële schade (IMSV) vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
29. Het bezwaarschrift is door de inspecteur ontvangen op 14 april 2023 en de uitspraak op bezwaar is gedaan op 21 december 2023. De redelijke termijn is overschreden met achttien maanden, waardoor belanghebbende naar vaste rechtspraak aanspraak maakt op een vergoeding van (afgerond naar boven) € 1.500. Omdat de redelijke termijn is aangevangen op 14 april 2023 is de beperking van de IMSV op grond van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen en bpm niet van toepassing. De periode gelegen tussen 14 april 2023 en 21 december 2023 is (afgerond) twee maanden langer dan zes maanden. De inspecteur moet daarom van de totale schadevergoeding een bedrag betalen van € 166,66 (2/18 maal € 1.500). De Staat moet de rest betalen, dus € 1.333,34. De rechtbank zal de inspecteur en de Staat veroordelen om deze bedragen aan belanghebbende te betalen.
Conclusie en gevolgen
30. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal de naheffingsaanslag BPM verminderen naar € 4.429. De belastingrentebeschikking zal zij dienovereenkomstig verminderen.
31. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vastgesteld op € 2.266 (1 punt voor het indienen van het bezwaar, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666, en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934, en een wegingsfactor van 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.
32. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vermindert de naheffingsaanslag BPM tot een bedrag van € 4.429;
vermindert de bijbehorende belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de in zoverre vernietigde uitspraak op bezwaar;
veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 166,66;
veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.333,34;
veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 2.266 aan proceskosten aan belanghebbende;
bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.S. Verzijlbergen, griffier.
Uitgesproken op 25 september 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1852 (r.o. 4.4.) en 11 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:391 (r.o. 4.20.).
Zie onder meer Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.2.
Vergelijk Hoge Raad 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1084, r.o. 3.2.
Stb. 2023, 507.