Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:7199
2026-09-16
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/05/442722 / HZ ZA 24-351
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Onteigening. Tussenvonnis (vervolg op ECLI:NL:RBGEL:2025:10851). Verbouwingswerkzaamheden aan het onteigende na descente tot aan peildatum (art. 39 Ow). Opdracht aan deskundigen om nader advies uit te brengen over invloed van (na onteigening ontdekte) bodemverontreiniging op waarde onteigende.
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2006:AU5703 Hoge Raad 03-03-2006
- ECLI:NL:HR:2013:CA1731 Hoge Raad 27-09-2013
- ECLI:NL:HR:2009:BK3068 Hoge Raad 22-12-2009
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (26.956 tekens)
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/442722 / HZ ZA 24-351
Vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
GEMEENTE MAASDRIEL,
te Kerkdriel, gemeente Maasdriel,
eisende partij,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaat: mr. C.F. van Helvoirt,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J.J.M. van Santvoort.
1De zaak in het kort
De gemeente heeft een perceel van [gedaagde] onteigend voor de uitvoering van het bestemmingsplan ‘Kerkdriel Noord, Paddestoelenbuurt’. Na de onteigening is bodemverontreiniging op het perceel aangetroffen. In dit vonnis bepaalt de rechtbank de waarde van het onteigende indien geen sprake zou zijn van verontreiniging en draagt zij de deskundigen op nader advies uit te brengen over de mate waarin de waarde van het onteigende moet worden bijgesteld in verband met de bodemverontreiniging.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 10 december 2025
- het deskundigenadvies
- de akte overleggen producties van [gedaagde] van 2 juni 2026
- de akte overleggen producties tevens verzoek aanvullend advies rechtbankdeskundigen van de gemeente van 15 juni 2026
- de akte overleggen producties van [gedaagde] van 29 juni 2026
- het verkort proces-verbaal van het pleidooi van 29 juni 2026
- de akte overleggen productie van de gemeente van 14 juli 2026
- de akte uitlaten van [gedaagde] van 15 juli 2026.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De verdere beoordeling
3.1.
Bij tussenvonnis van 10 december 2025 heeft de rechtbank, ten name van de gemeente en ten algemenen nutte, de onteigening uitgesproken van de ten name van [gedaagde] staande onroerende zaak (grondplannummer 1) kadastraal bekend gemeente Maasdriel, sectie [x] , nummer [nummer ] , ter grootte van 2.145 m² (hierna: het perceel).
3.2.
De rechtbank moet nu de hoogte vaststellen van de aan [gedaagde] toekomende schadeloosstelling. Peildatum is 12 februari 2026, de dag waarop het vonnis van 10 december 2025 in de openbare registers is ingeschreven (artikel 40a Onteigeningswet (Ow)).
3.3.
De deskundigen hebben de aan [gedaagde] te betalen schadeloosstelling in hun advies van 26 februari 2026 (hierna ook: het definitieve advies van de deskundigen) als volgt begroot:
werkelijke waarde € 680.000,00
waardevermindering overblijvende € 24.000,00
bijkomende schade € 6.000,00
totaal € 710.000,00
3.4.
Bij akte overleggen producties van 2 juni 2026 heeft [gedaagde] op het definitieve advies van de deskundigen gereageerd en onder meer (als productie 1) een rapport overgelegd van een door haar ingeschakelde deskundige, de heer [deskundige] van [bedrijf] (hierna: [deskundige] ).
3.5.
Partijen hebben (ook) bij pleidooi gereageerd op het definitieve deskundigenrapport.
3.6.
Bij akte overleggen productie van 14 juli 2026 heeft de gemeente de definitieve rapportage naar aanleiding van een in haar opdracht uitgevoerd verkennend bodemonderzoek “Paddenstoelenbuurt zuidoost, diverse percelen te Kerkdriel” van 25 juni 2026 (hierna: het rapport bodemonderzoek) in het geding gebracht. Uit dit rapport blijkt dat sprake is van verhoogde gehaltes PFOS in het onteigende en in het perceel in Kerkdriel dat de rechtbank hier kortweg aanduidt als [nummer ] . Ten aanzien van laatstgenoemd perceel, dat in eigendom was van de broer van [gedaagde] , heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 10 december 2025 (zaaknummer C/05/442727 / HZ ZA 24-353) eveneens de onteigening uitgesproken. De gemeente heeft in haar akte betoogd dat de percelen [nummer ] en [nummer ] voorafgaand aan de uitvoering van het werk zullen moeten worden gesaneerd, dat de kosten daarvan moeten worden toegerekend aan deze percelen en dat de bodemverontreiniging ten aanzien van die beide percelen een waardedrukkend effect heeft.
3.7.
Bij akte uitlaten van 15 juli 2026 heeft [gedaagde] zich in reactie hierop op het standpunt gesteld dat de bodemverontreiniging geen invloed heeft op de totale complexwaarde en ook niet op de werkelijke waarde van haar perceel.
3.8.
De rechtbank zal hierna nader ingaan op wat partijen hebben aangevoerd, voor zover voor de beoordeling van belang.
Uitgangspunten bij de waardering
3.9.
De schadeloosstelling is een volledige vergoeding voor alle schade die de eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk lijdt door het verlies van zijn zaak (artikel 40 Ow). Schadecomponenten kunnen zijn de waarde van het onteigende, de waardevermindering van het overblijvende en bijkomende schade.
De waarde van het onteigende
3.10.
Uitgangspunt is dat de werkelijke waarde moet worden vergoed. Dit is de prijs die tot stand zou komen bij een vrijwillige verkoop op commerciële basis, tussen een redelijk handelende verkoper en een redelijk handelende koper (artikel 40b lid 1 en 2 Ow) die bekend zijn met de eigenschappen van de zaak die van belang zijn voor de waarde daarvan. Die eigenschappen behoren bij de waardebepaling op grond van artikel 40b lid 2 Ow dus niet buiten beschouwing te blijven op de grond dat zij pas door een na de peildatum verricht onderzoek aan het licht zijn getreden. De onteigeningsrechter zal dan ook, in het geval van een bodemverontreiniging van het onteigende die op de peildatum al aanwezig maar nog niet ontdekt was, moeten onderzoeken in hoeverre een met die verontreiniging bekende, redelijk handelende verkoper en koper die in de verkoopprijs zouden hebben verdisconteerd.
3.11.
Bij het bepalen van de hiervoor bedoelde koopprijs is verder uitgangspunt dat rekening wordt gehouden met de exploitatie die het geldende bestemmingsplan op het onteigende toelaat. Ook moet rekening worden gehouden met op het moment van de onteigening bestaande, voldoende reële, verwachtingen over een wijziging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan, de zogenoemde verwachtingswaarde.
3.12.
Verder is in deze zaak artikel 39 Ow relevant. Op grond van die bepaling spelen veranderingen aan het onteigende van vóór de datum van terinzagelegging van de onteigeningsstukken in beginsel een rol bij de begroting van de schadeloosstelling, tenzij zij kennelijk tot stand zijn gebracht uitsluitend om die schadeloosstelling te verhogen. Veranderingen aan het onteigende van na de terinzagelegging worden in beginsel niet meegenomen bij de begroting van de schadeloosstelling, tenzij die veranderingen kwalificeren als normale of noodzakelijke veranderingen die aansluiten bij de aard en de wijze van gebruik van de onroerende zaak ten tijde van de datum van terinzagelegging. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is onder meer sprake van een normale verandering als voorafgaand aan de terinzagelegging (een begin van) uitvoering wordt gegeven aan een project dat – de onteigening weggedacht – ook daadwerkelijk kon worden uitgevoerd en voltooid. De omstandigheid dat de voortzetting door de onteigende van diens (verbouw)activiteiten mogelijk een situatie heeft doen ontstaan waarin de onteigenaar aan de onteigende een hogere schadeloosstelling is verschuldigd dan het geval zou zijn geweest indien deze zich van die activiteiten zou hebben onthouden, leidt op zichzelf niet tot de conclusie dat geen sprake is van een normale verandering. Op de onteigende rust immers voorafgaand aan de inschrijving van het onteigeningsvonnis in beginsel geen verplichting tot schadebeperkend handelen.
3.13.
De onteigening heeft plaatsgevonden ter uitvoering van het bestemmingsplan ‘Kerkdriel Noord, Paddestoelenbuurt’. Op de onteigende en daaraan grenzende gronden zullen in totaal 177 woningen worden gebouwd.
3.14.
De deskundigen hebben uiteengezet dat het onteigende zijn hoogste waarde ontleent niet als onderdeel van het met de grenzen van het bestemmingsplan samenvallende complex, maar op basis van het bestaande gebruik als (in verbouwing tot woning verkerende) opstal. Uitgaande van die toestand hebben de deskundigen de werkelijke waarde van het onteigende gewaardeerd op een bedrag van € 680.000,00. Zij hebben in hun definitieve advies gemotiveerd uiteengezet dat deze waardering is gebaseerd op – deels door partijen ingebrachte – referentietransacties, waarbij enkele transacties het meest relevant voor de waardering zijn bevonden.
3.15.
De deskundigen hebben er rekening mee gehouden dat ongeveer tien maanden zijn verstreken tussen de in het conceptadvies gehanteerde peildatum en de daadwerkelijke peildatum. Zij hebben in hun definitieve waardering niet alleen de relevante aanvullende referenties uit de tussenliggende periode betrokken, maar ook de staat van de te waarderen woning, die ten opzichte van de situatie ten tijde van het conceptadvies is veranderd. De deskundigen hebben er rekening mee gehouden dat in de periode tussen het uitbrengen van het conceptadvies en de peildatum een verdere opwaartse marktontwikkeling heeft plaatsgevonden, zoals blijkt uit de aanvullende referenties. Bovendien is in deze periode in beperkte mate progressie geboekt in de (ver)bouwactiviteiten, wat ook een beperkt opwaarts effect heeft op de waarde, aldus de deskundigen. Naar de mening van de deskundigen is sprake van normale veranderingen aan de woning als bedoeld in 3.12.
3.16.
De gemeente kan zich vinden in het definitieve advies van de deskundigen, maar stelt zich op het standpunt dat de geconstateerde verontreiniging een waardedrukkende invloed heeft op de schadeloosstelling. De kosten voor sanering van het perceel worden volgens de gemeente geraamd op € 113.000,00. Omdat de verontreiniging een belemmering vormt voor het gebruik van de grond met de bestemming ‘wonen’, ligt het volgens de gemeente voor de hand dat een redelijk handelend koper de noodzakelijke saneringskosten in mindering zal brengen op het bedrag dat hij bereid is voor de onroerende zaak te betalen. De gemeente heeft de rechtbank verzocht de deskundigen een aanvullend advies te laten uitbrengen waarin rekening wordt gehouden met de bodemverontreiniging.
3.17.
[gedaagde] kan zich niet vinden in het definitieve advies van de deskundigen. Onder verwijzing naar het rapport van [deskundige] (zie 3.4) betoogt zij dat en waarom de door de deskundigen gehanteerde referentietransacties niet bruikbaar zijn. Het komt erop neer dat de rechtbankdeskundigen volgens [gedaagde] onvoldoende rekening hebben gehouden met de bouwkundige toestand van het onteigende ten opzichte van de referenties. In tegenstelling tot de referenties is de woning op het onteigende volledig geïsoleerd, recent voorzien van hardhouten deur- en raamkozijnen met HR++ isolatieglas, voorzien van een volledig vernieuwde kap met dakkapel, vernieuwde elektrische installaties en een nieuwe badkamer. De door [deskundige] genoemde referenties zijn volgens [gedaagde] beter bruikbaar en leiden tot een gemiddelde (geïndexeerde) verkoopprijs met een bandbreedte van € 798.000,00 tot € 899.000,00. Omdat de woning, anders dan in de referentietransacties, niet ‘instapklaar’ is – er moeten nog een keuken, vloer en verwarmingsinstallatie worden aangebracht, waarvan de kosten door [deskundige] worden begroot op € 30.000,00 à € 40.000,00 – moet worden uitgegaan van een werkelijke waarde met een bandbreedte van € 750.000,00 à € 800.000,00, aldus [gedaagde] .
Volgens [gedaagde] komt in het definitieve advies van de deskundigen op geen enkele manier tot uiting dat de rechtbankdeskundigen in hun definitieve waardebepaling rekening hebben gehouden met de prijsontwikkeling in de markt en de verbouwingswerkzaamheden die sinds de descente nog hebben plaatsgevonden. [gedaagde] voert aan dat rekening moet worden gehouden met een prijsstijging van 4,5% en dat daarmee de verhoging van de werkelijke waarde ten opzichte van het conceptrapport al is gegeven. Er is dus volgens haar geen rekening gehouden met de werkzaamheden die zij na de descente nog heeft uitgevoerd en die ruim € 80.000,00 hebben gekost.
3.18.
De deskundigen hebben tijdens het pleidooi nader toegelicht dat zij de vier door [deskundige] genoemde referentietransacties wel degelijk hebben bekeken, maar in hun definitieve advies gemotiveerd hebben aangegeven waarom zij deze niet hebben meegenomen in hun waardering. Volgens de deskundigen heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd waarom zij verkeerd zouden zijn omgegaan met de referentiestransacties. Zij voeren aan dat zij de woning meerdere keren hebben gezien – tijdens de descente en nadien nog twee keer – en dat zij deze dus goed hebben opgenomen. Bij de referentietransacties is weliswaar sprake van een mindere bouwkundige staat dan bij de woning van [gedaagde] , maar afgezien daarvan zien de deskundigen zoveel overeenkomsten met deze woning dat zij de referentietransacties toch bruikbaar hebben gevonden.
3.19.
Ten aanzien van de verbouwingswerkzaamheden in de periode na de descente hebben de deskundigen – terecht – opgemerkt dat investeringen, anders dan [gedaagde] lijkt te betogen, niet één op één in de waarde van een woning terugkomen.
[deskundige] heeft namens [gedaagde] betoogd dat het verschil in waardering door de deskundigen in het conceptrapport (€ 650.000,00) en in het definitieve rapport (€ 680.000,00) alleen al wordt verklaard door een opwaartse marktontwikkeling van 4,5%. Hij verbindt daaraan de conclusie dat de deskundigen geen rekening hebben gehouden met de verbouwingswerkzaamheden van na de descente. De deskundigen zijn echter van mening dat dit een te mathematische benadering is. Zij hebben oog gehad voor beide aspecten – marktontwikkeling en voortgezette verbouwingswerkzaamheden – en met in achtneming daarvan op grond van hun expertise in hun definitieve advies de waarde begroot op € 680.000,00. [gedaagde] heeft tijdens het pleidooi nog aangevoerd dat het niet gaat om beperkte verbouwingswerkzaamheden. Elektra is bijvoorbeeld een grote kostenpost geweest. In reactie hierop hebben de deskundigen opgemerkt dat de elektra ten tijde van de descente al grotendeels gereed leek te zijn, waardoor zij zich hebben afgevraagd hoe het kan dat er in de periode na de descente op dat punt nog zoveel kosten zijn gemaakt. Zij veronderstellen dat zij ten tijde van de descente mogelijk ten onrechte hebben aangenomen dat de elektra toen al veel verder klaar was dan in werkelijkheid het geval was, zodat zij toen wellicht te ruim hebben begroot.
3.20.
Gelet op de toelichting van de deskundigen in hun definitieve advies en tijdens het pleidooi en gelet op hun ervaring en inzicht in de vastgoedmarkt, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de gebruikte referenties, de interpretatie daarvan door de deskundigen en de waarde die zij met inachtneming daarvan aan het onteigende hebben toegekend. De deskundigen hebben ook voldoende gemotiveerd toegelicht dat en in hoeverre zij bij hun waardering rekening hebben gehouden met de verbouwingsactiviteiten die na de descente en tot aan de peildatum nog zijn verricht. De rechtbank sluit zich dan ook aan bij het definitieve advies van de deskundigen, waarin aan de hand van de comparatieve methode de waarde van het onteigende wordt begroot op € 680.000,00.
3.21.
Dan rest de vraag of en in welke mate de geconstateerde bodemverontreiniging aanleiding is voor een neerwaartse bijstelling van de waarde van het onteigende.
Omdat het rapport bodemonderzoek dateert van na het definitieve advies van de deskundigen, hebben de deskundigen dit niet in hun advisering kunnen betrekken. [gedaagde] heeft zich ook nog niet over het rapport bodemonderzoek kunnen uitlaten. De rechtbank zal om te beginnen [gedaagde] in de gelegenheid stellen dit alsnog te doen. Eventuele bezwaren van [gedaagde] tegen het rapport bodemonderzoek kunnen dan worden voorgelegd aan de onderzoekers van de gemeente, die – gelet op wat de rechtbank hierna in 3.28 en 3.29 overweegt – toch ter plaatse nog nader onderzoek moeten laten doen. De rechtbank zal de deskundigen opdragen om na ontvangst van de akte van [gedaagde] nader advies uit te brengen en daarin het rapport over het bodemonderzoek, en waar nodig de reactie van [gedaagde] daarop, te betrekken. Partijen zullen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om zich over de nadere bevindingen van de deskundigen uit te laten.
De waardevermindering van het overblijvende
3.22.
Op grond van artikel 41 Ow komt de mindere waarde van het overblijvende, voor zover een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening, voor vergoeding in aanmerking.
3.23.
De deskundigen hebben de waardevermindering van het overblijvende perceel [nummer ] begroot op € 24.000,00 (1.200 m² × € 20,00).
3.24.
De deskundigen hebben er bij de begroting van de waardevermindering rekening mee gehouden dat de ontsluiting van het perceel minst genomen onduidelijk is. Dit zal zich (kunnen) vertalen in de prijs die een redelijk handelende koper daarvoor zal willen betalen. Het perceel kan op grond van de vigerende bestemmingen (slechts) worden aangewend voor hobbymatig agrarisch gebruik of de aanleg van een paardenbak. Voor het realiseren van een paardenbak is de oppervlakte van 1.200 m² volgens de deskundigen echter te klein. Gebruik als tuin (bij een woning) is ook denkbaar. In hun conceptadvies gingen de deskundigen ervan uit dat er per peildatum maar twee denkbare kopers van het overblijvende zouden zijn, namelijk de eigenaren van de aangrenzende woningen aan de [adres] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] . Zij vonden het niet voldoende verantwoord om een waarde te begroten op basis van de nogal speculatieve aanname dat ‘de buurman’ méér voor het overblijvende zou willen betalen dan voor een redelijk handelend gegadigde op basis van de bestemming (en ontsluiting) van het object is geïndiceerd. De meest gerede koper voor het overblijvende zou dus een koper zijn die het overblijvende hobbymatig wil gebruiken, bijvoorbeeld als weitje voor geiten of kippen of als moestuin. In hun herbeoordeling hebben de deskundigen betrokken dat ook toekomstige eigenaren van de op het onteigende te realiseren (nieuwe) woningen belangstelling zouden kunnen hebben voor het overblijvende, waardoor de kring van potentiële gegadigden in elk geval wordt vergroot. Zij zijn daarom bij nader inzien van mening dat het overblijvende zijn hoogste waarde ontleent aan de koper die het perceel erbij koopt om zijn tuin te vergroten. Het begrote bedrag van € 24.000,00 voor het overblijvende doet naar de mening van de deskundigen recht aan (i) de excentrieke ligging van het overblijvende, (ii) de gebrekkige ontsluiting en (iii) de beperkte kring van mogelijke gegadigden.
3.25.
[gedaagde] kan zich hierin niet vinden. Zij heeft er tijdens het pleidooi op gewezen dat zij per peildatum met een incourant overblijvend perceel blijft zitten. Het argument dat toekomstige eigenaren van de op het onteigende te realiseren (nieuwe) woningen mogelijk belangstelling zouden hebben voor het overblijvende is volgens haar geheel speculatief en kan niet bepalend zijn voor de waarde van het overblijvende na onteigening. Ook heeft zij erop gewezen dat de ontsluiting van het perceel nog steeds niet is geregeld.
3.26.
De gemeente heeft tijdens het pleidooi toegezegd dat er een ontsluiting komt. Als dat niet vanaf de Paddenstoelenbuurt kan, zal het vanaf de [adres] gebeuren, aldus de gemeente. De rechtbank gaat ervan uit dat de gemeente deze toezegging gestand doet.
3.27.
Wat de waarde van het overblijvende betreft sluit de rechtbank zich aan bij het definitieve advies van de deskundigen. Dat hun afweging over de belangstelling van toekomstige eigenaren van de op het onteigende te realiseren woningen voor het overblijvende speculatief is, hebben de deskundige verdisconteerd in hun advies over de waarde van het overblijvende.
3.28.
De gemeente heeft tijdens het pleidooi verder aangevoerd dat ten aanzien van het overblijvende perceel nog niet bekend is of sprake is van bodemverontreiniging. Gelet op de aangetroffen verontreiniging in de aangrenzende percelen [nummer ] en [nummer ] vindt de gemeente het noodzakelijk dat ook ten aanzien van perceel [nummer ] duidelijkheid ontstaat over de bodemkwaliteit. Indien ook op perceel [nummer ] sprake blijkt te zijn van bodemverontreiniging, kan dit gevolgen hebben voor de waarde van het perceel en de eventuele waardevermindering van het overblijvende, aldus de gemeente. De gemeente verzoekt de rechtbank daarom om de rechtbankdeskundigen ook ten aanzien van perceel [nummer ] een opdracht te verstrekken, waaronder het laten uitvoeren van een bodemonderzoek. Op basis van de uitkomsten daarvan kan vervolgens worden beoordeeld of en in hoeverre de bodemkwaliteit gevolgen heeft voor de vaststelling van de schadeloosstelling, aldus de gemeente.
3.29.
De deskundigen hebben tijdens het pleidooi ten aanzien van het overblijvende betoogd dat er geen regel is die voorschrijft dat zij bodemonderzoek moeten doen, maar dat zij wel zichzelf de vraag kunnen stellen of de meest gerede koper zich er iets aan gelegen laat liggen dat de kans bestaat dat op het overblijvende ook sprake is van bodemverontreiniging. De rechtbank verzoekt de deskundigen ook de beantwoording van die vraag te betrekken in hun onder 3.21 bedoelde aanvullende advies. Het heeft de voorkeur van de rechtbank dat de deskundigen opdracht geven voor dat bodemonderzoek en ook dat onderzoek begeleiden, waarna de kosten uiteraard worden meegenomen in hun einddeclaraties.
Bijkomende schade
3.30.
De deskundigen hebben in hun definitieve advies uiteengezet dat wegens bijkomende schade een bedrag van in totaal € 6.000,00 voor vergoeding in aanmerking komt. Het gaat om een bedrag van € 1.000,00 voor het laten weghalen van materiaal dat nog in of rond de woning aanwezig is en een bedrag van € 5.000,00 voor de kosten die zijn verbonden aan de realisatie van een hek met poort aan de noord- en oostzijde over een lengte van circa 85 meter. Voor een vergoeding van verhuis- en wederinrichtingskosten en kosten verbonden aan een koop of financiering van een vervangend woonobject bestaat volgens de deskundigen geen aanleiding. Per peildatum bewoont [gedaagde] namelijk niet de woning [adres] [huisnummer 3] . De onteigening van die woning leidt dus niet tot een noodzaak tot verhuizen.
3.31.
De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de afweging die de deskundigen op bovengenoemde punten hebben gemaakt en sluit zich daarbij aan. De geconstateerde bodemverontreiniging is op deze schadeposten niet van invloed. De rechtbank stelt de bijkomende schade dan ook in navolging van de deskundigen vast op € 6.000,00.
Slotoverweging
3.32.
In afwachting van de in 3.21 bedoelde akte van [gedaagde] en het in 3.21 en 3.29 bedoelde nadere advies van de deskundigen en de reacties van partijen daarop zal iedere verdere beslissing, ook over de proceskosten, worden aangehouden. Uiteraard zullen de deskundigen en partijen in de gelegenheid worden gesteld om een nadere kostenopgave in het geding te brengen in verband met de extra kosten die voortvloeien uit de aanvullende advisering door de deskundigen. Partijen zullen zich daarna over die aanvullende opgaven mogen uitlaten.
4De beslissing
De rechtbank
4.1.
verwijst de zaak naar de rol van 14 oktober 2026 voor akte uitlating als bedoeld in 3.21 aan de zijde van [gedaagde] ,
4.2.
draagt de deskundigen op om de rechtbank nader te adviseren over wat de rechtbank heeft overwogen in rechtsoverweging 3.21 en 3.29,
4.3.
bepaalt dat de deskundigen het onder 4.2 bedoelde aanvullend advies op termijn van drie maanden na ontvangst van de onder 4.1 bedoelde akte van [gedaagde] ter griffie moeten deponeren, waarna partijen de gelegenheid krijgen om uiterlijk binnen zes weken na het aanvullend advies daarop te reageren bij conclusie na nader deskundigenbericht,
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst, mr. M. Stempher en mr. J.M. Emaus en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
JE/Vg/Ma/JEV
Hoge Raad 3 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5703 (Staat/Maat)
Hoge Raad 27 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1731 (De Haas/Lansingerland II)
Hoge Raad 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3068 (Citgez/Hellendoorn)
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/442722 / HZ ZA 24-351
Vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
GEMEENTE MAASDRIEL,
te Kerkdriel, gemeente Maasdriel,
eisende partij,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaat: mr. C.F. van Helvoirt,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J.J.M. van Santvoort.
1De zaak in het kort
De gemeente heeft een perceel van [gedaagde] onteigend voor de uitvoering van het bestemmingsplan ‘Kerkdriel Noord, Paddestoelenbuurt’. Na de onteigening is bodemverontreiniging op het perceel aangetroffen. In dit vonnis bepaalt de rechtbank de waarde van het onteigende indien geen sprake zou zijn van verontreiniging en draagt zij de deskundigen op nader advies uit te brengen over de mate waarin de waarde van het onteigende moet worden bijgesteld in verband met de bodemverontreiniging.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 10 december 2025
- het deskundigenadvies
- de akte overleggen producties van [gedaagde] van 2 juni 2026
- de akte overleggen producties tevens verzoek aanvullend advies rechtbankdeskundigen van de gemeente van 15 juni 2026
- de akte overleggen producties van [gedaagde] van 29 juni 2026
- het verkort proces-verbaal van het pleidooi van 29 juni 2026
- de akte overleggen productie van de gemeente van 14 juli 2026
- de akte uitlaten van [gedaagde] van 15 juli 2026.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De verdere beoordeling
3.1.
Bij tussenvonnis van 10 december 2025 heeft de rechtbank, ten name van de gemeente en ten algemenen nutte, de onteigening uitgesproken van de ten name van [gedaagde] staande onroerende zaak (grondplannummer 1) kadastraal bekend gemeente Maasdriel, sectie [x] , nummer [nummer ] , ter grootte van 2.145 m² (hierna: het perceel).
3.2.
De rechtbank moet nu de hoogte vaststellen van de aan [gedaagde] toekomende schadeloosstelling. Peildatum is 12 februari 2026, de dag waarop het vonnis van 10 december 2025 in de openbare registers is ingeschreven (artikel 40a Onteigeningswet (Ow)).
3.3.
De deskundigen hebben de aan [gedaagde] te betalen schadeloosstelling in hun advies van 26 februari 2026 (hierna ook: het definitieve advies van de deskundigen) als volgt begroot:
werkelijke waarde € 680.000,00
waardevermindering overblijvende € 24.000,00
bijkomende schade € 6.000,00
totaal € 710.000,00
3.4.
Bij akte overleggen producties van 2 juni 2026 heeft [gedaagde] op het definitieve advies van de deskundigen gereageerd en onder meer (als productie 1) een rapport overgelegd van een door haar ingeschakelde deskundige, de heer [deskundige] van [bedrijf] (hierna: [deskundige] ).
3.5.
Partijen hebben (ook) bij pleidooi gereageerd op het definitieve deskundigenrapport.
3.6.
Bij akte overleggen productie van 14 juli 2026 heeft de gemeente de definitieve rapportage naar aanleiding van een in haar opdracht uitgevoerd verkennend bodemonderzoek “Paddenstoelenbuurt zuidoost, diverse percelen te Kerkdriel” van 25 juni 2026 (hierna: het rapport bodemonderzoek) in het geding gebracht. Uit dit rapport blijkt dat sprake is van verhoogde gehaltes PFOS in het onteigende en in het perceel in Kerkdriel dat de rechtbank hier kortweg aanduidt als [nummer ] . Ten aanzien van laatstgenoemd perceel, dat in eigendom was van de broer van [gedaagde] , heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 10 december 2025 (zaaknummer C/05/442727 / HZ ZA 24-353) eveneens de onteigening uitgesproken. De gemeente heeft in haar akte betoogd dat de percelen [nummer ] en [nummer ] voorafgaand aan de uitvoering van het werk zullen moeten worden gesaneerd, dat de kosten daarvan moeten worden toegerekend aan deze percelen en dat de bodemverontreiniging ten aanzien van die beide percelen een waardedrukkend effect heeft.
3.7.
Bij akte uitlaten van 15 juli 2026 heeft [gedaagde] zich in reactie hierop op het standpunt gesteld dat de bodemverontreiniging geen invloed heeft op de totale complexwaarde en ook niet op de werkelijke waarde van haar perceel.
3.8.
De rechtbank zal hierna nader ingaan op wat partijen hebben aangevoerd, voor zover voor de beoordeling van belang.
Uitgangspunten bij de waardering
3.9.
De schadeloosstelling is een volledige vergoeding voor alle schade die de eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk lijdt door het verlies van zijn zaak (artikel 40 Ow). Schadecomponenten kunnen zijn de waarde van het onteigende, de waardevermindering van het overblijvende en bijkomende schade.
De waarde van het onteigende
3.10.
Uitgangspunt is dat de werkelijke waarde moet worden vergoed. Dit is de prijs die tot stand zou komen bij een vrijwillige verkoop op commerciële basis, tussen een redelijk handelende verkoper en een redelijk handelende koper (artikel 40b lid 1 en 2 Ow) die bekend zijn met de eigenschappen van de zaak die van belang zijn voor de waarde daarvan. Die eigenschappen behoren bij de waardebepaling op grond van artikel 40b lid 2 Ow dus niet buiten beschouwing te blijven op de grond dat zij pas door een na de peildatum verricht onderzoek aan het licht zijn getreden. De onteigeningsrechter zal dan ook, in het geval van een bodemverontreiniging van het onteigende die op de peildatum al aanwezig maar nog niet ontdekt was, moeten onderzoeken in hoeverre een met die verontreiniging bekende, redelijk handelende verkoper en koper die in de verkoopprijs zouden hebben verdisconteerd.
3.11.
Bij het bepalen van de hiervoor bedoelde koopprijs is verder uitgangspunt dat rekening wordt gehouden met de exploitatie die het geldende bestemmingsplan op het onteigende toelaat. Ook moet rekening worden gehouden met op het moment van de onteigening bestaande, voldoende reële, verwachtingen over een wijziging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan, de zogenoemde verwachtingswaarde.
3.12.
Verder is in deze zaak artikel 39 Ow relevant. Op grond van die bepaling spelen veranderingen aan het onteigende van vóór de datum van terinzagelegging van de onteigeningsstukken in beginsel een rol bij de begroting van de schadeloosstelling, tenzij zij kennelijk tot stand zijn gebracht uitsluitend om die schadeloosstelling te verhogen. Veranderingen aan het onteigende van na de terinzagelegging worden in beginsel niet meegenomen bij de begroting van de schadeloosstelling, tenzij die veranderingen kwalificeren als normale of noodzakelijke veranderingen die aansluiten bij de aard en de wijze van gebruik van de onroerende zaak ten tijde van de datum van terinzagelegging. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is onder meer sprake van een normale verandering als voorafgaand aan de terinzagelegging (een begin van) uitvoering wordt gegeven aan een project dat – de onteigening weggedacht – ook daadwerkelijk kon worden uitgevoerd en voltooid. De omstandigheid dat de voortzetting door de onteigende van diens (verbouw)activiteiten mogelijk een situatie heeft doen ontstaan waarin de onteigenaar aan de onteigende een hogere schadeloosstelling is verschuldigd dan het geval zou zijn geweest indien deze zich van die activiteiten zou hebben onthouden, leidt op zichzelf niet tot de conclusie dat geen sprake is van een normale verandering. Op de onteigende rust immers voorafgaand aan de inschrijving van het onteigeningsvonnis in beginsel geen verplichting tot schadebeperkend handelen.
3.13.
De onteigening heeft plaatsgevonden ter uitvoering van het bestemmingsplan ‘Kerkdriel Noord, Paddestoelenbuurt’. Op de onteigende en daaraan grenzende gronden zullen in totaal 177 woningen worden gebouwd.
3.14.
De deskundigen hebben uiteengezet dat het onteigende zijn hoogste waarde ontleent niet als onderdeel van het met de grenzen van het bestemmingsplan samenvallende complex, maar op basis van het bestaande gebruik als (in verbouwing tot woning verkerende) opstal. Uitgaande van die toestand hebben de deskundigen de werkelijke waarde van het onteigende gewaardeerd op een bedrag van € 680.000,00. Zij hebben in hun definitieve advies gemotiveerd uiteengezet dat deze waardering is gebaseerd op – deels door partijen ingebrachte – referentietransacties, waarbij enkele transacties het meest relevant voor de waardering zijn bevonden.
3.15.
De deskundigen hebben er rekening mee gehouden dat ongeveer tien maanden zijn verstreken tussen de in het conceptadvies gehanteerde peildatum en de daadwerkelijke peildatum. Zij hebben in hun definitieve waardering niet alleen de relevante aanvullende referenties uit de tussenliggende periode betrokken, maar ook de staat van de te waarderen woning, die ten opzichte van de situatie ten tijde van het conceptadvies is veranderd. De deskundigen hebben er rekening mee gehouden dat in de periode tussen het uitbrengen van het conceptadvies en de peildatum een verdere opwaartse marktontwikkeling heeft plaatsgevonden, zoals blijkt uit de aanvullende referenties. Bovendien is in deze periode in beperkte mate progressie geboekt in de (ver)bouwactiviteiten, wat ook een beperkt opwaarts effect heeft op de waarde, aldus de deskundigen. Naar de mening van de deskundigen is sprake van normale veranderingen aan de woning als bedoeld in 3.12.
3.16.
De gemeente kan zich vinden in het definitieve advies van de deskundigen, maar stelt zich op het standpunt dat de geconstateerde verontreiniging een waardedrukkende invloed heeft op de schadeloosstelling. De kosten voor sanering van het perceel worden volgens de gemeente geraamd op € 113.000,00. Omdat de verontreiniging een belemmering vormt voor het gebruik van de grond met de bestemming ‘wonen’, ligt het volgens de gemeente voor de hand dat een redelijk handelend koper de noodzakelijke saneringskosten in mindering zal brengen op het bedrag dat hij bereid is voor de onroerende zaak te betalen. De gemeente heeft de rechtbank verzocht de deskundigen een aanvullend advies te laten uitbrengen waarin rekening wordt gehouden met de bodemverontreiniging.
3.17.
[gedaagde] kan zich niet vinden in het definitieve advies van de deskundigen. Onder verwijzing naar het rapport van [deskundige] (zie 3.4) betoogt zij dat en waarom de door de deskundigen gehanteerde referentietransacties niet bruikbaar zijn. Het komt erop neer dat de rechtbankdeskundigen volgens [gedaagde] onvoldoende rekening hebben gehouden met de bouwkundige toestand van het onteigende ten opzichte van de referenties. In tegenstelling tot de referenties is de woning op het onteigende volledig geïsoleerd, recent voorzien van hardhouten deur- en raamkozijnen met HR++ isolatieglas, voorzien van een volledig vernieuwde kap met dakkapel, vernieuwde elektrische installaties en een nieuwe badkamer. De door [deskundige] genoemde referenties zijn volgens [gedaagde] beter bruikbaar en leiden tot een gemiddelde (geïndexeerde) verkoopprijs met een bandbreedte van € 798.000,00 tot € 899.000,00. Omdat de woning, anders dan in de referentietransacties, niet ‘instapklaar’ is – er moeten nog een keuken, vloer en verwarmingsinstallatie worden aangebracht, waarvan de kosten door [deskundige] worden begroot op € 30.000,00 à € 40.000,00 – moet worden uitgegaan van een werkelijke waarde met een bandbreedte van € 750.000,00 à € 800.000,00, aldus [gedaagde] .
Volgens [gedaagde] komt in het definitieve advies van de deskundigen op geen enkele manier tot uiting dat de rechtbankdeskundigen in hun definitieve waardebepaling rekening hebben gehouden met de prijsontwikkeling in de markt en de verbouwingswerkzaamheden die sinds de descente nog hebben plaatsgevonden. [gedaagde] voert aan dat rekening moet worden gehouden met een prijsstijging van 4,5% en dat daarmee de verhoging van de werkelijke waarde ten opzichte van het conceptrapport al is gegeven. Er is dus volgens haar geen rekening gehouden met de werkzaamheden die zij na de descente nog heeft uitgevoerd en die ruim € 80.000,00 hebben gekost.
3.18.
De deskundigen hebben tijdens het pleidooi nader toegelicht dat zij de vier door [deskundige] genoemde referentietransacties wel degelijk hebben bekeken, maar in hun definitieve advies gemotiveerd hebben aangegeven waarom zij deze niet hebben meegenomen in hun waardering. Volgens de deskundigen heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd waarom zij verkeerd zouden zijn omgegaan met de referentiestransacties. Zij voeren aan dat zij de woning meerdere keren hebben gezien – tijdens de descente en nadien nog twee keer – en dat zij deze dus goed hebben opgenomen. Bij de referentietransacties is weliswaar sprake van een mindere bouwkundige staat dan bij de woning van [gedaagde] , maar afgezien daarvan zien de deskundigen zoveel overeenkomsten met deze woning dat zij de referentietransacties toch bruikbaar hebben gevonden.
3.19.
Ten aanzien van de verbouwingswerkzaamheden in de periode na de descente hebben de deskundigen – terecht – opgemerkt dat investeringen, anders dan [gedaagde] lijkt te betogen, niet één op één in de waarde van een woning terugkomen.
[deskundige] heeft namens [gedaagde] betoogd dat het verschil in waardering door de deskundigen in het conceptrapport (€ 650.000,00) en in het definitieve rapport (€ 680.000,00) alleen al wordt verklaard door een opwaartse marktontwikkeling van 4,5%. Hij verbindt daaraan de conclusie dat de deskundigen geen rekening hebben gehouden met de verbouwingswerkzaamheden van na de descente. De deskundigen zijn echter van mening dat dit een te mathematische benadering is. Zij hebben oog gehad voor beide aspecten – marktontwikkeling en voortgezette verbouwingswerkzaamheden – en met in achtneming daarvan op grond van hun expertise in hun definitieve advies de waarde begroot op € 680.000,00. [gedaagde] heeft tijdens het pleidooi nog aangevoerd dat het niet gaat om beperkte verbouwingswerkzaamheden. Elektra is bijvoorbeeld een grote kostenpost geweest. In reactie hierop hebben de deskundigen opgemerkt dat de elektra ten tijde van de descente al grotendeels gereed leek te zijn, waardoor zij zich hebben afgevraagd hoe het kan dat er in de periode na de descente op dat punt nog zoveel kosten zijn gemaakt. Zij veronderstellen dat zij ten tijde van de descente mogelijk ten onrechte hebben aangenomen dat de elektra toen al veel verder klaar was dan in werkelijkheid het geval was, zodat zij toen wellicht te ruim hebben begroot.
3.20.
Gelet op de toelichting van de deskundigen in hun definitieve advies en tijdens het pleidooi en gelet op hun ervaring en inzicht in de vastgoedmarkt, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de gebruikte referenties, de interpretatie daarvan door de deskundigen en de waarde die zij met inachtneming daarvan aan het onteigende hebben toegekend. De deskundigen hebben ook voldoende gemotiveerd toegelicht dat en in hoeverre zij bij hun waardering rekening hebben gehouden met de verbouwingsactiviteiten die na de descente en tot aan de peildatum nog zijn verricht. De rechtbank sluit zich dan ook aan bij het definitieve advies van de deskundigen, waarin aan de hand van de comparatieve methode de waarde van het onteigende wordt begroot op € 680.000,00.
3.21.
Dan rest de vraag of en in welke mate de geconstateerde bodemverontreiniging aanleiding is voor een neerwaartse bijstelling van de waarde van het onteigende.
Omdat het rapport bodemonderzoek dateert van na het definitieve advies van de deskundigen, hebben de deskundigen dit niet in hun advisering kunnen betrekken. [gedaagde] heeft zich ook nog niet over het rapport bodemonderzoek kunnen uitlaten. De rechtbank zal om te beginnen [gedaagde] in de gelegenheid stellen dit alsnog te doen. Eventuele bezwaren van [gedaagde] tegen het rapport bodemonderzoek kunnen dan worden voorgelegd aan de onderzoekers van de gemeente, die – gelet op wat de rechtbank hierna in 3.28 en 3.29 overweegt – toch ter plaatse nog nader onderzoek moeten laten doen. De rechtbank zal de deskundigen opdragen om na ontvangst van de akte van [gedaagde] nader advies uit te brengen en daarin het rapport over het bodemonderzoek, en waar nodig de reactie van [gedaagde] daarop, te betrekken. Partijen zullen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om zich over de nadere bevindingen van de deskundigen uit te laten.
De waardevermindering van het overblijvende
3.22.
Op grond van artikel 41 Ow komt de mindere waarde van het overblijvende, voor zover een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening, voor vergoeding in aanmerking.
3.23.
De deskundigen hebben de waardevermindering van het overblijvende perceel [nummer ] begroot op € 24.000,00 (1.200 m² × € 20,00).
3.24.
De deskundigen hebben er bij de begroting van de waardevermindering rekening mee gehouden dat de ontsluiting van het perceel minst genomen onduidelijk is. Dit zal zich (kunnen) vertalen in de prijs die een redelijk handelende koper daarvoor zal willen betalen. Het perceel kan op grond van de vigerende bestemmingen (slechts) worden aangewend voor hobbymatig agrarisch gebruik of de aanleg van een paardenbak. Voor het realiseren van een paardenbak is de oppervlakte van 1.200 m² volgens de deskundigen echter te klein. Gebruik als tuin (bij een woning) is ook denkbaar. In hun conceptadvies gingen de deskundigen ervan uit dat er per peildatum maar twee denkbare kopers van het overblijvende zouden zijn, namelijk de eigenaren van de aangrenzende woningen aan de [adres] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] . Zij vonden het niet voldoende verantwoord om een waarde te begroten op basis van de nogal speculatieve aanname dat ‘de buurman’ méér voor het overblijvende zou willen betalen dan voor een redelijk handelend gegadigde op basis van de bestemming (en ontsluiting) van het object is geïndiceerd. De meest gerede koper voor het overblijvende zou dus een koper zijn die het overblijvende hobbymatig wil gebruiken, bijvoorbeeld als weitje voor geiten of kippen of als moestuin. In hun herbeoordeling hebben de deskundigen betrokken dat ook toekomstige eigenaren van de op het onteigende te realiseren (nieuwe) woningen belangstelling zouden kunnen hebben voor het overblijvende, waardoor de kring van potentiële gegadigden in elk geval wordt vergroot. Zij zijn daarom bij nader inzien van mening dat het overblijvende zijn hoogste waarde ontleent aan de koper die het perceel erbij koopt om zijn tuin te vergroten. Het begrote bedrag van € 24.000,00 voor het overblijvende doet naar de mening van de deskundigen recht aan (i) de excentrieke ligging van het overblijvende, (ii) de gebrekkige ontsluiting en (iii) de beperkte kring van mogelijke gegadigden.
3.25.
[gedaagde] kan zich hierin niet vinden. Zij heeft er tijdens het pleidooi op gewezen dat zij per peildatum met een incourant overblijvend perceel blijft zitten. Het argument dat toekomstige eigenaren van de op het onteigende te realiseren (nieuwe) woningen mogelijk belangstelling zouden hebben voor het overblijvende is volgens haar geheel speculatief en kan niet bepalend zijn voor de waarde van het overblijvende na onteigening. Ook heeft zij erop gewezen dat de ontsluiting van het perceel nog steeds niet is geregeld.
3.26.
De gemeente heeft tijdens het pleidooi toegezegd dat er een ontsluiting komt. Als dat niet vanaf de Paddenstoelenbuurt kan, zal het vanaf de [adres] gebeuren, aldus de gemeente. De rechtbank gaat ervan uit dat de gemeente deze toezegging gestand doet.
3.27.
Wat de waarde van het overblijvende betreft sluit de rechtbank zich aan bij het definitieve advies van de deskundigen. Dat hun afweging over de belangstelling van toekomstige eigenaren van de op het onteigende te realiseren woningen voor het overblijvende speculatief is, hebben de deskundige verdisconteerd in hun advies over de waarde van het overblijvende.
3.28.
De gemeente heeft tijdens het pleidooi verder aangevoerd dat ten aanzien van het overblijvende perceel nog niet bekend is of sprake is van bodemverontreiniging. Gelet op de aangetroffen verontreiniging in de aangrenzende percelen [nummer ] en [nummer ] vindt de gemeente het noodzakelijk dat ook ten aanzien van perceel [nummer ] duidelijkheid ontstaat over de bodemkwaliteit. Indien ook op perceel [nummer ] sprake blijkt te zijn van bodemverontreiniging, kan dit gevolgen hebben voor de waarde van het perceel en de eventuele waardevermindering van het overblijvende, aldus de gemeente. De gemeente verzoekt de rechtbank daarom om de rechtbankdeskundigen ook ten aanzien van perceel [nummer ] een opdracht te verstrekken, waaronder het laten uitvoeren van een bodemonderzoek. Op basis van de uitkomsten daarvan kan vervolgens worden beoordeeld of en in hoeverre de bodemkwaliteit gevolgen heeft voor de vaststelling van de schadeloosstelling, aldus de gemeente.
3.29.
De deskundigen hebben tijdens het pleidooi ten aanzien van het overblijvende betoogd dat er geen regel is die voorschrijft dat zij bodemonderzoek moeten doen, maar dat zij wel zichzelf de vraag kunnen stellen of de meest gerede koper zich er iets aan gelegen laat liggen dat de kans bestaat dat op het overblijvende ook sprake is van bodemverontreiniging. De rechtbank verzoekt de deskundigen ook de beantwoording van die vraag te betrekken in hun onder 3.21 bedoelde aanvullende advies. Het heeft de voorkeur van de rechtbank dat de deskundigen opdracht geven voor dat bodemonderzoek en ook dat onderzoek begeleiden, waarna de kosten uiteraard worden meegenomen in hun einddeclaraties.
Bijkomende schade
3.30.
De deskundigen hebben in hun definitieve advies uiteengezet dat wegens bijkomende schade een bedrag van in totaal € 6.000,00 voor vergoeding in aanmerking komt. Het gaat om een bedrag van € 1.000,00 voor het laten weghalen van materiaal dat nog in of rond de woning aanwezig is en een bedrag van € 5.000,00 voor de kosten die zijn verbonden aan de realisatie van een hek met poort aan de noord- en oostzijde over een lengte van circa 85 meter. Voor een vergoeding van verhuis- en wederinrichtingskosten en kosten verbonden aan een koop of financiering van een vervangend woonobject bestaat volgens de deskundigen geen aanleiding. Per peildatum bewoont [gedaagde] namelijk niet de woning [adres] [huisnummer 3] . De onteigening van die woning leidt dus niet tot een noodzaak tot verhuizen.
3.31.
De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de afweging die de deskundigen op bovengenoemde punten hebben gemaakt en sluit zich daarbij aan. De geconstateerde bodemverontreiniging is op deze schadeposten niet van invloed. De rechtbank stelt de bijkomende schade dan ook in navolging van de deskundigen vast op € 6.000,00.
Slotoverweging
3.32.
In afwachting van de in 3.21 bedoelde akte van [gedaagde] en het in 3.21 en 3.29 bedoelde nadere advies van de deskundigen en de reacties van partijen daarop zal iedere verdere beslissing, ook over de proceskosten, worden aangehouden. Uiteraard zullen de deskundigen en partijen in de gelegenheid worden gesteld om een nadere kostenopgave in het geding te brengen in verband met de extra kosten die voortvloeien uit de aanvullende advisering door de deskundigen. Partijen zullen zich daarna over die aanvullende opgaven mogen uitlaten.
4De beslissing
De rechtbank
4.1.
verwijst de zaak naar de rol van 14 oktober 2026 voor akte uitlating als bedoeld in 3.21 aan de zijde van [gedaagde] ,
4.2.
draagt de deskundigen op om de rechtbank nader te adviseren over wat de rechtbank heeft overwogen in rechtsoverweging 3.21 en 3.29,
4.3.
bepaalt dat de deskundigen het onder 4.2 bedoelde aanvullend advies op termijn van drie maanden na ontvangst van de onder 4.1 bedoelde akte van [gedaagde] ter griffie moeten deponeren, waarna partijen de gelegenheid krijgen om uiterlijk binnen zes weken na het aanvullend advies daarop te reageren bij conclusie na nader deskundigenbericht,
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst, mr. M. Stempher en mr. J.M. Emaus en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
JE/Vg/Ma/JEV
Hoge Raad 3 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5703 (Staat/Maat)
Hoge Raad 27 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1731 (De Haas/Lansingerland II)
Hoge Raad 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3068 (Citgez/Hellendoorn)