Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:7198
2026-09-16
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/05/442724 / HZ ZA 24-352
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Onteigening. Eindvonnis (vervolg op ECLI:NL:RBGEL:2025:10853). Vaststelling schadeloosstelling.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2008:BF0415 Hoge Raad 21-11-2008
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (28.426 tekens)
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/442724 / HZ ZA 24-352
Vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
GEMEENTE MAASDRIEL,
te Kerkdriel, gemeente Maasdriel,
eisende partij,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaat: mr. C.F. van Helvoirt,
tegen
MR. C.M.M. VAN MIL, in haar hoedanigheid van derde ex artikel 20 Onteigeningswet (Ow) voor [persoon 1] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: mr. Van Mil q.q.,
advocaat: mr. C.M.M. van Mil.
1De zaak in het kort
De gemeente heeft een perceel van wijlen de heer [persoon 1] onteigend voor de uitvoering van het bestemmingsplan ‘Kerkdriel Noord, Paddestoelenbuurt’. In dit vonnis stelt de rechtbank de hoogte van de schadeloosstelling vast en ook de kosten die de gemeente aan mr. Van Mil q.q. moet vergoeden.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 10 december 2025
- de akte van non-cassatie van 30 december 2025
- het deskundigenadvies
- de akte uitlaten aanvullende producties van mr. Van Mil q.q. van 2 juni 2026
- het verkort proces-verbaal van het pleidooi van 29 juni 2026
- de akte uitlaten van mr. Van Mil q.q. van 15 juli 2026
- de e-mail van mr. Van Mil q.q. van 30 augustus 2026 met daarbij de definitieve kostenopgaven van mr. Van Mil en de heer [deskundige 1]
- de e-mail namens de deskundigen van 31 augustus 2026 over de declaraties van de deskundigen
- de e-mail van mr. Van Helvoirt van 1 september over de declaraties van de deskundigen
- de e-mail van mr. Akdemir namens de gemeente van 7 september 2026 over de kostenopgaven van mr. Van Mil en de heer [deskundige 1] .
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De verdere beoordeling
3.1.
Bij tussenvonnis van 10 december 2025, zoals verbeterd op 13 februari 2026, heeft de rechtbank, ten name van de gemeente en ten algemenen nutte, de onteigening uitgesproken van de ten name van (wijlen) de heer [persoon 1] staande onroerende zaak (grondplannummer 3) kadastraal bekend gemeente Maasdriel, [kenmerken] (hierna: het perceel).
3.2.
De rechtbank moet nu de hoogte vaststellen van de aan mr. Van Mil q.q. toekomende schadeloosstelling. De peildatum is 18 februari 2026, de dag waarop het vonnis van 10 december 2025, zoals verbeterd op 13 februari 2026, in de openbare registers is ingeschreven (artikel 40a Onteigeningswet (Ow)).
3.3.
De deskundigen hebben de aan mr. Van Mil q.q. te betalen schadeloosstelling in hun advies van 26 februari 2026 (hierna ook: het definitieve advies van de deskundigen) begroot op € 736.250,00 voor de waarde van de grond.
3.4.
Bij akte uitlaten aanvullende producties heeft mr. Van Mil q.q. gereageerd op het definitieve deskundigenrapport en daarbij onder meer (als productie 1) een notitie overgelegd van een door haar ingeschakelde deskundige, de heer [deskundige 1] van [bedrijf] (hierna: [deskundige 1] ).
3.5.
Partijen hebben (ook) bij pleidooi gereageerd op het definitieve deskundigenrapport.
3.6.
Bij akte overleggen productie van 14 juli 2026 heeft de gemeente de definitieve rapportage naar aanleiding van een in haar opdracht uitgevoerd verkennend bodemonderzoek “Paddenstoelenbuurt zuidoost, diverse percelen te Kerkdriel” van 25 juni 2026 (hierna: het rapport bodemonderzoek) in het geding gebracht. Uit dit rapport blijkt dat sprake is van verhoogde gehaltes PFOS in de percelen in Kerkdriel die de rechtbank hier kortweg aanduidt als [nummer 1] en [nummer 2] . Ten aanzien van deze percelen, die in eigendom waren van respectievelijk de dochter en de zoon van de heer [persoon 1] voornoemd, heeft de rechtbank bij tussenvonnissen van 10 december 2025 (zaaknummers C/05/442722 / HZ ZA 24-351 respectievelijk C/05/442727 / HZ ZA 24-353) eveneens de onteigening uitgesproken. De gemeente heeft in haar akte betoogd dat deze beide percelen voorafgaand aan de uitvoering van het werk zullen moeten worden gesaneerd, dat de kosten daarvan moeten worden toegerekend aan de percelen [nummer 1] en [nummer 2] en dat de bodemverontreiniging ten aanzien van die beide percelen een waardedrukkend effect heeft.
3.7.
Bij akte uitlaten van 15 juli 2026 heeft mr. Van Mil q.q. zich in reactie hierop op het standpunt gesteld dat de bodemverontreiniging geen invloed heeft op de totale complexwaarde, althans dat de kosten van de verontreiniging uitsluitend moeten worden toegerekend aan de percelen van de dochter en de zoon van de heer [persoon 1] , waar de verontreiniging zich immers uitsluitend bevindt.
3.8.
De rechtbank zal hierna nader ingaan op wat partijen hebben aangevoerd, voor zover voor de beoordeling van belang.
Uitgangspunten bij de waardering
3.9.
De schadeloosstelling is een volledige vergoeding voor alle schade die de eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk lijdt door het verlies van zijn zaak (artikel 40 Ow). Schadecomponenten kunnen zijn de waarde van het onteigende, de waardevermindering van het overblijvende en bijkomende schade. Omdat in dit geval het perceel in zijn geheel wordt onteigend, is geen sprake van enig overblijvend deel en ook niet van enig naastgelegen (ander) eigendom van wijlen de heer [persoon 1] dat als ‘overblijvende’ zou kunnen worden gekwalificeerd. Daarom is ook geen sprake van een waardevermindering van het overblijvende.
De waarde van het onteigende
3.10.
Uitgangspunt is dat de werkelijke waarde moet worden vergoed. Dat is de prijs die tot stand zou komen bij een vrijwillige verkoop op commerciële basis, waarbij wordt verondersteld dat koper en verkoper optreden als redelijk handelende partijen (artikel 40b lid 1 en 2 Ow). De onteigening mag voor de onteigende partij in financieel opzicht geen nadeel en geen voordeel meebrengen.
3.11.
Bij het bepalen van de hiervoor bedoelde koopprijs is uitgangspunt dat rekening wordt gehouden met de exploitatie die het geldende bestemmingsplan op het onteigende toelaat. Ook moet rekening worden gehouden met op het moment van de onteigening bestaande, voldoende reële, verwachtingen over een wijziging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan, de zogenoemde verwachtingswaarde.
3.12.
De onteigening heeft plaatsgevonden ter uitvoering van het bestemmingsplan ‘Kerkdriel Noord, Paddestoelenbuurt’. Op de onteigende gronden zullen in totaal 177 woningen worden gebouwd.
3.13.
De deskundigen hebben de onteigende grond gewaardeerd op een bedrag van € 736.250,00 (7.750 m² × € 95,00). Zij hebben in hun definitieve advies gemotiveerd uiteengezet dat deze waardering is gebaseerd op – deels door partijen ingebrachte – referentietransacties, waarbij enkele transacties het meest relevant voor de waardering zijn bevonden.
3.14.
De deskundigen hebben geen aanleiding gezien het bestemmingsplan op grond van artikel 40c Ow te elimineren. Zij menen dat het bestemmingsplan is aan te merken als een complex in de zin van artikel 40d Ow. Volgens het definitieve advies van de deskundigen zijn partijen het hiermee eens. Partijen hebben het definitieve advies van de deskundigen op dit punt niet weersproken.
3.15.
Ook naar het oordeel van de rechtbank is sprake van één (integrale) ontwikkeling, met voldoende geografische, functionele en financiële samenhang om te kunnen spreken van een complex in de zin van artikel 40d Ow. De complexbenadering brengt met zich een egalisering van bestemmingen. Dit betekent dat bij de waardering van de werkelijke waarde van het onteigende rekening moet worden gehouden met alle kosten en baten van het complex en dat alle bestemmingen in dat complex, zodat alle gronden in het complex – behoudens bijzondere (on)geschiktheid van bepaalde gronden – gelijk worden gewaardeerd (artikel 40d lid 1 Ow).
3.16.
De deskundigen hebben ervoor gekozen om in deze zaak de complexwaarde te begroten aan de hand van de comparatieve methode. Omdat ongeveer tien maanden zijn verstreken tussen de in het conceptadvies gehanteerde peildatum en de daadwerkelijke peildatum, hebben de deskundigen de bij hun definitieve advies gevoegde beschrijving en analyse van de referenties geactualiseerd.
3.17.
De gemeente kan zich vinden in de bevindingen van de deskundigen, maar mr. Van Mil q.q. niet. Onder verwijzing naar de notitie van [deskundige 1] (zie 3.4) uit mr. Van Mil q.q. onder meer kritiek op de selectie en weging van de referenties door de deskundigen. Mr. Van Mil q.q. vindt het onbegrijpelijk dat de referenties Aalburg, Buren en Schijndel volgens (bijlage 2 bij) het definitieve advies van de deskundigen als meest vergelijkbaar worden gezien. Bij referentie Aalburg wijst volgens mr. Van Mil q.q. niets op een planologische ontwikkeling en ook bij de referenties Buren en Schijndel is volgens haar nog geen sprake van een ruimtelijke procedure. De referenties waarop de deskundigen zich baseren, indiceren dus alleen de waarde van gronden met een ontwikkelpotentie zonder dat sprake is van een gewijzigde bestemming. Dit is niet vergelijkbaar met het perceel waarover het in deze zaak gaat, omdat hier immers wél sprake is van een onherroepelijk bestemmingsplan, aldus mr. Van Mil q.q. Verder laten de deskundigen volgens mr. Van Mil q.q. ten onrechte de referentie Poederoijen buiten beschouwing, terwijl deze nu juist bij uitstek vergelijkbaar is met het onteigende perceel van wijlen de heer [persoon 1] . Mr. Van Mil q.q. betoogt dat aansluiting moet worden gezocht bij het prijsniveau van de referentie Poederoijen en dat – in afwijking van het definitieve advies van de deskundigen – de complexwaarde moet worden vastgesteld op een bedrag van € 125,00 per vierkante meter.
3.18.
De deskundigen hebben in de weging van de referenties ten opzichte van het onteigende rekening gehouden met het verschil in planologie en het verschil in geografische ligging en hebben dit in bijlage 2 bij hun advies tot uitdrukking gebracht. Ook hebben zij rekening gehouden met opwaartse marktontwikkelingen. Het onherroepelijk worden van het planologisch besluit is dus, anders dan mr. Van Mil q.q. lijkt te betogen, niet de enige factor die zij hebben meegewogen. De deskundigen hebben beredeneerd uiteengezet dat en waarom de transacties Aalburg, Buren en Schijndel als meest vergelijkbaar zijn te beschouwen. Aalburg betreft weliswaar een voorgenomen herbestemming tot woningbouwlocatie en is planologisch minder ver gevorderd dan het onteigende, maar verder goed vergelijkbaar. Ook in Buren gaat het om woningbouwontwikkeling. De planologische procedure moet nog worden doorlopen, maar Buren is sterk monumentaal en heeft daardoor aantrekkingskracht voor potentiële kopers/bewoners. In de prijsvaststellingsprocedure die met betrekking tot de referentie Buren is gevolgd, hebben de door de rechtbank benoemde deskundigen de waarde van de grond bepaald op dezelfde voet als die waarop de werkelijke waarde in een onteigeningsprocedure wordt begroot, namelijk door uit te gaan van een prijs tot stand gekomen tussen een redelijk handelende koper en verkoper, waarbij nadrukkelijk is geabstraheerd van de omstandigheid dat de koper een gemeente is. De grond in Schijndel is bedoeld om te worden bebouwd. De deskundigen schatten de markt in Schijndel hoger in dan Kerkdriel, maar de planologische procedure moet in Schijndel nog worden doorlopen.
3.19.
De deskundigen zien geen aanleiding om aansluiting te zoeken bij de referentie Poederoijen. Zij wijzen erop dat de verkoper in die transactie een anterieure overeenkomst met allonge heeft gesloten met de gemeente Zaltbommel, die de koper met de koop heeft overgenomen. De deskundigen kennen de afspraken uit die overeenkomst en allonge niet en weten bijvoorbeeld niet of de verkoper ten tijde van de levering al kosten aan de gemeente had betaald. De koper zou dan niet meer worden belast met die kosten, wat tot uitdrukking komt in de (hogere) prijs. Dat maakt volgens de deskundigen dat de transactie geen doorsnee transactie is en dat deze met enige voorzichtigheid moet worden benaderd. Hierbij nemen de deskundigen verder in aanmerking dat het in Poederoijen ging om een initiatief van een ontwikkelaar en dat de realisatie van de ontwikkeling voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen oplevert. Deze omstandigheid heeft effect op de koopprijs en maakt dat die koopprijs geen voldoende betrouwbare indicatie kan vormen voor de werkelijke waarde van het onteigende, aldus de deskundigen.
3.20.
Gelet op de toelichting van de deskundigen in hun definitieve advies en tijdens het pleidooi en gelet op hun ervaring en inzicht in de vastgoedmarkt, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de gebruikte referenties, de interpretatie daarvan door de deskundigen en de waarde die zij met inachtneming daarvan aan de grond hebben toegekend. De rechtbank sluit zich dan ook aan bij het advies van de deskundigen, waarin aan de hand van de comparatieve methode de complexwaarde per peildatum wordt begroot op € 95,00 per vierkante meter grond.
3.21.
Met de deskundigen ziet de rechtbank geen aanleiding om de complexwaarde bij te stellen vanwege bijzondere (on)geschiktheid. De bodemverontreiniging bevindt zich uitsluitend op de percelen [nummer 1] en [nummer 2] en geeft dus geen aanleiding voor een neerwaartse bijstelling ten aanzien van het perceel waarover het in deze zaak gaat. Verder zal de op het perceel aanwezige kas volgens de deskundigen betrekkelijk eenvoudig kunnen worden verwijderd, zonder dat dit tot zodanige kosten leidt dat die een afslag op de complexwaarde indiceren. De rechtbank kan zich vinden in deze bevindingen van de deskundigen en neemt deze over.
3.22.
Gezien het voorgaande stelt de rechtbank de totale waarde van het onteigende vast op een bedrag van € 736.250,00 (7.750 m² × € 95,00).
Bijkomende schade
3.23.
De deskundigen hebben in hun definitieve advies uiteengezet dat, omdat het perceel niet in gebruik is en ook niet (anderszins) enig inkomen genereert, als gevolg van de onteigening geen andere schade optreedt dan het verlies van de werkelijke waarde. Ook van enig fiscaal nadeel is de deskundigen niet gebleken.
3.24.
Mr. Van Mil q.q. betoogt dat het inwinnen van advies over de boekhoudkundige verwerking dan wel fiscale afwikkeling van de nalatenschap een noodzakelijk gevolg is van de onteigening en dat de kosten hiervan daarom als bijkomende schade voor vergoeding in aanmerking komen. De deskundigen zijn van mening dat de onteigening geen verandering brengt in de verdeeldheid. Als naar aanleiding van de onteigening de keuze wordt gemaakt om te verdelen, dan is die verdeling weliswaar gevolg van de onteigening, maar geen noodzakelijk gevolg. De deskundigen menen daarom dat de kosten die zijn verbonden aan de verdeling van de onverdeelde nalatenschap niet als onteigeningsschade voor vergoeding in aanmerking komen. Mocht de rechtbank hierover anders oordelen, dan begroten de deskundigen de kosten die aan de afwikkeling van de nalatenschap zijn verbonden op € 2.000,00.
3.25.
Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van bijkomende schade. De verdeling van de nalatenschap had hoe dan ook op enig moment moeten plaatsvinden. De daarmee gemoeide kosten komen daarom niet als onteigeningsschade voor vergoeding in aanmerking.
Vaststelling van de schadeloosstelling
3.26.
De slotsom is dat de schadeloosstelling wordt berekend op € 736.250,00 als waarde van de grond.
3.27.
Mr. Van Mil q.q. heeft in het kader van de vervroegde onteigening een voorschot van € 492.750,00 ontvangen. Dat is dus minder dan de schadeloosstelling. Mr. Van Mil q.q. heeft ten titel van schadevergoeding ook recht op vergoeding van het nadeel dat zij lijdt door het gemis van het bedrag waarmee de uiteindelijke schadeloosstelling het betaalde voorschot te boven gaat gedurende de periode tussen de dag waarop het vonnis tot vervroegde onteigening is ingeschreven en de dag waarop de schadeloosstelling wordt vastgesteld. Het bedoelde nadeel moet worden begroot naar de waarde van het gemiste genot, die niet noodzakelijkerwijs is gelijk te stellen aan de wettelijke rente over het gemiste bedrag (Hoge Raad 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0415, De Bruyn c.s./Waterschap Rivierenland).
3.28.
De deskundigen hebben dit nadeel in hun definitieve advies getaxeerd op een bedrag gelijk aan 3% (samengesteld per jaar) over het verschil vanaf de datum van ontvangst van het voorschot tot de datum van onherroepelijke vaststelling van de schadeloosstelling. De rechtbank sluit zich hierbij aan en zal deze rente in die zin toewijzen.
3.29.
Op grond van het voorgaande zal de rechtbank de schadeloosstelling vaststellen op een bedrag van € 736.250,00, te vermeerderen met een rente van 3% (samengesteld per jaar) over € 243.500,00 (€ 736.250,00 minus € 492.750,00) vanaf de datum van ontvangst van het voorschot tot aan de datum van dit vonnis. De rechtbank zal de gemeente veroordelen om aan mr. Van Mil q.q. het resterende bedrag van € 243.500,00 te voldoen, te vermeerderen met een rente van 3% (samengesteld per jaar) over € 243.500,00 vanaf de datum van ontvangst van het voorschot tot aan de datum van dit vonnis.
3.30.
Op grond van artikel 55 lid 3 Ow moet de gemeente over het per saldo te betalen bedrag de wettelijke rente vergoeden vanaf vandaag tot de dag van de algehele voldoening.
De kosten van juridische en overige deskundige bijstand
3.31.
Op grond van artikel 50 Ow is uitgangspunt dat de daadwerkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand en van bijstand door andere deskundigen ten laste van de onteigenende partij komen. De onteigeningsrechter toetst of het redelijk is dat de bijstand is ingeroepen en of de gemaakte kosten binnen een redelijke omvang zijn gebleven (de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets). Het belang van de zaak, zoals dit tot uitdrukking komt in de samenstelling en de hoogte van de toegekende schadeloosstelling, en de mate waarin een zaak juridisch of anderszins gezien ingewikkeld is, spelen daarbij een rol.
3.32.
Bij e-mail van 30 augustus 2026 heeft mr. Van Mil q.q. – onder overlegging van gespecificeerde facturen – opgave gedaan van de kosten van juridische en overige deskundige bijstand. Het gaat om een totaalbedrag van € 36.967,57, inclusief btw en inclusief een bedrag van € 2.946,00 voor verschotten, vanwege juridische bijstand en een bedrag van € 16.268,75 inclusief btw voor overige deskundige bijstand.
3.33.
De kosten voor juridische bijstand zijn in redelijkheid gemaakt en zijn binnen een redelijke omvang gebleven. Deze kosten komen daarom voor vergoeding door de gemeente in aanmerking.
3.34.
De kosten voor overige deskundige bijstand betreffen de kosten van [deskundige 1] . De gemeente maakt terecht bezwaar tegen de omvang van deze kosten. Om te beginnen wijst de gemeente er terecht op dat [deskundige 1] zowel door mr. Van Mil q.q. als door [persoon 2] (in zaak C05/442722 / HZ ZA 24-351) is ingeschakeld, waarbij sprake is van aanzienlijke overeenkomsten tussen beide zaken. Voor beide dossiers gezamenlijk zijn circa 190 uren gedeclareerd tegen een uurtarief van € 195,00 exclusief btw. Dit uurtarief bevindt zich aan de bovenkant van de markt voor deze sector en past bij een gespecialiseerde onteigeningsdeskundige. Het gaat in deze zaak om een relatief eenvoudige schadebegroting: de taxatie betrof slechts de vaststelling van de ruwe bouwgrondwaarde. In dit licht bezien is de tijdsbesteding – in het dossier van mr. Van Mil q.q. 35,5 uren – fors te noemen. Daarbij komt dat [deskundige 1] nog eens 35,1 uren heeft besteed aan een deskundigenrapport in de zaak van [persoon 2] voornoemd. Dit terwijl de beide rapporten voor een groot deel overlap vertonen, in beide zaken de complexiteit van de materie beperkt is en de rechtbankdeskundigen relatief minder tijd hebben besteed aan het opstellen van het deskundigenadvies voor de drie voorliggende zaken samen. Zo heeft [deskundige 1] meer dan het dubbele aantal uren besteed aan het opstellen van twee deskundigenrapporten, waar de rechtbankdeskundige [deskundige 2] in totaal 26,75 uren heeft besteed aan het opzoeken en vergelijken van referentiemateriaal en het opstellen van drie deskundigenadviezen. Daarbij komt dat [deskundige 1] op een aantal dagen een zeer groot aantal declarabele uren heeft geschreven. Zo heeft hij op 3 januari 2025 6,5 uren gedeclareerd voor het opstellen van het deskundigenrapport voor mr. Van Mil q.q., daarnaast 3,5 uren voor werkzaamheden aan het rapport in de zaak van [persoon 2] 4 uren voor een niet nader omschreven gesprek en het maken van een opname daarvan. Dat zijn 14 declarabele uren op één dag. Op 6 januari 2025 heeft [deskundige 1] 6,5 uren gedeclareerd voor het rapport in de zaak van mr. Van Mil q.q., alsmede tijd voor correspondentie met mr. van Mil en de heer [naam] en 4,5 uren voor werkzaamheden in de zaak van [persoon 2] , samen 11,9 declarabele uren op één dag. En op 7 januari 2025 heeft [deskundige 1] in de zaak van [persoon 2] 12 uren gedeclareerd. In totaal heeft hij over 6 tot en met 9 januari 2025, dus vier dagen, 42,9 uren gedeclareerd. Bij het voorgaande komt nog dat in de definitieve urendeclaratie van [deskundige 1] een tijdsbesteding van 6 uren is opgenomen uitsluitend voor de afwikkeling van het dossier, terwijl in de urendeclaratie die op 2 juni 2026 in het geding is gebracht ook al een tijdsbesteding was opgenomen van 6 uren voor (toen nog) te verrichten werkzaamheden in verband met de zitting, het pleidooi en de afwikkeling van het dossier.
3.35.
[deskundige 1] heeft hier tijdens het pleidooi tegen ingebracht dat hij niet uitsluitend de taxateur, maar ook de adviseur/onteigeningsdeskundige is en ook in die hoedanigheid bijstand heeft verleend. De zaak die hier voorligt, is vooral gericht op het opstellen van een deskundigenadvies. De uren die [deskundige 1] heeft gedeclareerd zijn volgens hem niet vergelijkbaar met de uren die [deskundige 2] heeft gedeclareerd. [deskundige 2] maakt immers deel uit van de deskundigencommissie van drie, waarbij sprake zal zijn geweest van een taakverdeling, zodat je, om te kunnen vergelijken, naar het totaal aantal uren van de hele deskundigencommissie moet kijken, aldus [deskundige 1] . Verder is volgens [deskundige 1] van belang dat de deskundigencommissie voor de genoemde referenties deels heeft kunnen putten uit referenties die partijen hebben aangeleverd. De rechtbank gaat hier niet in mee. Uitgangspunt was dat [deskundige 1] taxatiewerkzaamheden zou verrichten. Dat hij daarnaast ook nog ander advieswerk heeft verricht, hoeft, wat daarvan verder ook zij, niet voor rekening van de gemeente te komen. Bovendien doet wat [deskundige 1] aanvoert niet af aan wat de rechtbank in 3.34 heeft overwogen over de zeer grote aantallen declarabele uren die [deskundige 1] op een aantal data heeft geschreven.
3.36.
De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat de gedeclareerde kosten van [deskundige 1] niet alle in redelijkheid zijn gemaakt en ook niet binnen een redelijke omvang zijn gebleven. De rechtbank ziet daarin aanleiding om de urendeclaraties van [deskundige 1] te matigen, en wel in lijn met het matigingsvoorstel dat de gemeente tijdens het pleidooi en in haar e-mail van 7 september 2026 heeft gedaan (zie onder 3.34). De rechtbank zal op het in totaal door [deskundige 1] in rekening gebrachte bedrag van € 16.268,75 inclusief btw een bedrag van € 3.997,50 exclusief btw (€ 4.836,97 inclusief btw) in mindering te brengen voor in eerste instantie teveel gedeclareerde uren, alsmede een bedrag van € 487,50 exclusief btw (€ 589,87 inclusief btw) voor in de definitieve kostenopgave teveel gedeclareerde uren. Dit betekent dat voor vergoeding door de gemeente een bedrag van € 10.841,89 inclusief btw aan kosten voor overige deskundige bijstand voor vergoeding in aanmerking komt.
De kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen
3.37.
De gemeente moet ook de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen dragen. Bij e-mail van 31 augustus 2026 is namens de deskundigen aan de rechtbank bericht dat op 2 september 2025 en 20 juli 2026 tussentijds is gedeclareerd bij de gemeente en dat de gemeente de facturen inmiddels heeft voldaan. Een veroordeling van de gemeente tot betaling van deze kosten blijft daarom achterwege.
Publicatie
3.38.
Tot slot zal de rechtbank een nieuws- en advertentieblad aanwijzen ter publicatie van dit vonnis.
4De beslissing
4.1.
stelt de door de gemeente aan mr. Van Mil q.q. verschuldigde schadeloosstelling voor de bij het vonnis van 13 november 2024 uitgesproken onteigening vast op een bedrag van € 736.250,00, te vermeerderen met een rente van 3% (samengesteld per jaar) over € 243.500,00 vanaf de datum van ontvangst van het voorschot tot aan de datum van dit vonnis,
4.2.
veroordeelt de gemeente om aan mr. Van Mil q.q. te betalen een bedrag van € 243.500,00, te vermeerderen met de hiervoor onder 4.1 genoemde rente, de som daarvan te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf vandaag tot aan de dag van de algehele voldoening,
4.3.
veroordeelt de gemeente om aan mr. Van Mil q.q. te betalen de kosten van juridische bijstand ten bedrage van € 36.967,57 inclusief btw en inclusief griffierecht,
4.4.
veroordeelt de gemeente om aan mr. Van Mil q.q. te betalen de kosten van overige deskundige bijstand ten bedrage van € 10.841,89 inclusief btw,
4.5.
wijst het in de gemeente Maasdriel verschijnende dagblad Brabants Dagblad aan als nieuwsblad waarin dit vonnis door de griffier bij uittreksel zal worden geplaatst.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst, mr. M. Stempher en mr. J.M. Emaus en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
JE/Vg/Ma/JEV
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/442724 / HZ ZA 24-352
Vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
GEMEENTE MAASDRIEL,
te Kerkdriel, gemeente Maasdriel,
eisende partij,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaat: mr. C.F. van Helvoirt,
tegen
MR. C.M.M. VAN MIL, in haar hoedanigheid van derde ex artikel 20 Onteigeningswet (Ow) voor [persoon 1] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: mr. Van Mil q.q.,
advocaat: mr. C.M.M. van Mil.
1De zaak in het kort
De gemeente heeft een perceel van wijlen de heer [persoon 1] onteigend voor de uitvoering van het bestemmingsplan ‘Kerkdriel Noord, Paddestoelenbuurt’. In dit vonnis stelt de rechtbank de hoogte van de schadeloosstelling vast en ook de kosten die de gemeente aan mr. Van Mil q.q. moet vergoeden.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 10 december 2025
- de akte van non-cassatie van 30 december 2025
- het deskundigenadvies
- de akte uitlaten aanvullende producties van mr. Van Mil q.q. van 2 juni 2026
- het verkort proces-verbaal van het pleidooi van 29 juni 2026
- de akte uitlaten van mr. Van Mil q.q. van 15 juli 2026
- de e-mail van mr. Van Mil q.q. van 30 augustus 2026 met daarbij de definitieve kostenopgaven van mr. Van Mil en de heer [deskundige 1]
- de e-mail namens de deskundigen van 31 augustus 2026 over de declaraties van de deskundigen
- de e-mail van mr. Van Helvoirt van 1 september over de declaraties van de deskundigen
- de e-mail van mr. Akdemir namens de gemeente van 7 september 2026 over de kostenopgaven van mr. Van Mil en de heer [deskundige 1] .
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De verdere beoordeling
3.1.
Bij tussenvonnis van 10 december 2025, zoals verbeterd op 13 februari 2026, heeft de rechtbank, ten name van de gemeente en ten algemenen nutte, de onteigening uitgesproken van de ten name van (wijlen) de heer [persoon 1] staande onroerende zaak (grondplannummer 3) kadastraal bekend gemeente Maasdriel, [kenmerken] (hierna: het perceel).
3.2.
De rechtbank moet nu de hoogte vaststellen van de aan mr. Van Mil q.q. toekomende schadeloosstelling. De peildatum is 18 februari 2026, de dag waarop het vonnis van 10 december 2025, zoals verbeterd op 13 februari 2026, in de openbare registers is ingeschreven (artikel 40a Onteigeningswet (Ow)).
3.3.
De deskundigen hebben de aan mr. Van Mil q.q. te betalen schadeloosstelling in hun advies van 26 februari 2026 (hierna ook: het definitieve advies van de deskundigen) begroot op € 736.250,00 voor de waarde van de grond.
3.4.
Bij akte uitlaten aanvullende producties heeft mr. Van Mil q.q. gereageerd op het definitieve deskundigenrapport en daarbij onder meer (als productie 1) een notitie overgelegd van een door haar ingeschakelde deskundige, de heer [deskundige 1] van [bedrijf] (hierna: [deskundige 1] ).
3.5.
Partijen hebben (ook) bij pleidooi gereageerd op het definitieve deskundigenrapport.
3.6.
Bij akte overleggen productie van 14 juli 2026 heeft de gemeente de definitieve rapportage naar aanleiding van een in haar opdracht uitgevoerd verkennend bodemonderzoek “Paddenstoelenbuurt zuidoost, diverse percelen te Kerkdriel” van 25 juni 2026 (hierna: het rapport bodemonderzoek) in het geding gebracht. Uit dit rapport blijkt dat sprake is van verhoogde gehaltes PFOS in de percelen in Kerkdriel die de rechtbank hier kortweg aanduidt als [nummer 1] en [nummer 2] . Ten aanzien van deze percelen, die in eigendom waren van respectievelijk de dochter en de zoon van de heer [persoon 1] voornoemd, heeft de rechtbank bij tussenvonnissen van 10 december 2025 (zaaknummers C/05/442722 / HZ ZA 24-351 respectievelijk C/05/442727 / HZ ZA 24-353) eveneens de onteigening uitgesproken. De gemeente heeft in haar akte betoogd dat deze beide percelen voorafgaand aan de uitvoering van het werk zullen moeten worden gesaneerd, dat de kosten daarvan moeten worden toegerekend aan de percelen [nummer 1] en [nummer 2] en dat de bodemverontreiniging ten aanzien van die beide percelen een waardedrukkend effect heeft.
3.7.
Bij akte uitlaten van 15 juli 2026 heeft mr. Van Mil q.q. zich in reactie hierop op het standpunt gesteld dat de bodemverontreiniging geen invloed heeft op de totale complexwaarde, althans dat de kosten van de verontreiniging uitsluitend moeten worden toegerekend aan de percelen van de dochter en de zoon van de heer [persoon 1] , waar de verontreiniging zich immers uitsluitend bevindt.
3.8.
De rechtbank zal hierna nader ingaan op wat partijen hebben aangevoerd, voor zover voor de beoordeling van belang.
Uitgangspunten bij de waardering
3.9.
De schadeloosstelling is een volledige vergoeding voor alle schade die de eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk lijdt door het verlies van zijn zaak (artikel 40 Ow). Schadecomponenten kunnen zijn de waarde van het onteigende, de waardevermindering van het overblijvende en bijkomende schade. Omdat in dit geval het perceel in zijn geheel wordt onteigend, is geen sprake van enig overblijvend deel en ook niet van enig naastgelegen (ander) eigendom van wijlen de heer [persoon 1] dat als ‘overblijvende’ zou kunnen worden gekwalificeerd. Daarom is ook geen sprake van een waardevermindering van het overblijvende.
De waarde van het onteigende
3.10.
Uitgangspunt is dat de werkelijke waarde moet worden vergoed. Dat is de prijs die tot stand zou komen bij een vrijwillige verkoop op commerciële basis, waarbij wordt verondersteld dat koper en verkoper optreden als redelijk handelende partijen (artikel 40b lid 1 en 2 Ow). De onteigening mag voor de onteigende partij in financieel opzicht geen nadeel en geen voordeel meebrengen.
3.11.
Bij het bepalen van de hiervoor bedoelde koopprijs is uitgangspunt dat rekening wordt gehouden met de exploitatie die het geldende bestemmingsplan op het onteigende toelaat. Ook moet rekening worden gehouden met op het moment van de onteigening bestaande, voldoende reële, verwachtingen over een wijziging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan, de zogenoemde verwachtingswaarde.
3.12.
De onteigening heeft plaatsgevonden ter uitvoering van het bestemmingsplan ‘Kerkdriel Noord, Paddestoelenbuurt’. Op de onteigende gronden zullen in totaal 177 woningen worden gebouwd.
3.13.
De deskundigen hebben de onteigende grond gewaardeerd op een bedrag van € 736.250,00 (7.750 m² × € 95,00). Zij hebben in hun definitieve advies gemotiveerd uiteengezet dat deze waardering is gebaseerd op – deels door partijen ingebrachte – referentietransacties, waarbij enkele transacties het meest relevant voor de waardering zijn bevonden.
3.14.
De deskundigen hebben geen aanleiding gezien het bestemmingsplan op grond van artikel 40c Ow te elimineren. Zij menen dat het bestemmingsplan is aan te merken als een complex in de zin van artikel 40d Ow. Volgens het definitieve advies van de deskundigen zijn partijen het hiermee eens. Partijen hebben het definitieve advies van de deskundigen op dit punt niet weersproken.
3.15.
Ook naar het oordeel van de rechtbank is sprake van één (integrale) ontwikkeling, met voldoende geografische, functionele en financiële samenhang om te kunnen spreken van een complex in de zin van artikel 40d Ow. De complexbenadering brengt met zich een egalisering van bestemmingen. Dit betekent dat bij de waardering van de werkelijke waarde van het onteigende rekening moet worden gehouden met alle kosten en baten van het complex en dat alle bestemmingen in dat complex, zodat alle gronden in het complex – behoudens bijzondere (on)geschiktheid van bepaalde gronden – gelijk worden gewaardeerd (artikel 40d lid 1 Ow).
3.16.
De deskundigen hebben ervoor gekozen om in deze zaak de complexwaarde te begroten aan de hand van de comparatieve methode. Omdat ongeveer tien maanden zijn verstreken tussen de in het conceptadvies gehanteerde peildatum en de daadwerkelijke peildatum, hebben de deskundigen de bij hun definitieve advies gevoegde beschrijving en analyse van de referenties geactualiseerd.
3.17.
De gemeente kan zich vinden in de bevindingen van de deskundigen, maar mr. Van Mil q.q. niet. Onder verwijzing naar de notitie van [deskundige 1] (zie 3.4) uit mr. Van Mil q.q. onder meer kritiek op de selectie en weging van de referenties door de deskundigen. Mr. Van Mil q.q. vindt het onbegrijpelijk dat de referenties Aalburg, Buren en Schijndel volgens (bijlage 2 bij) het definitieve advies van de deskundigen als meest vergelijkbaar worden gezien. Bij referentie Aalburg wijst volgens mr. Van Mil q.q. niets op een planologische ontwikkeling en ook bij de referenties Buren en Schijndel is volgens haar nog geen sprake van een ruimtelijke procedure. De referenties waarop de deskundigen zich baseren, indiceren dus alleen de waarde van gronden met een ontwikkelpotentie zonder dat sprake is van een gewijzigde bestemming. Dit is niet vergelijkbaar met het perceel waarover het in deze zaak gaat, omdat hier immers wél sprake is van een onherroepelijk bestemmingsplan, aldus mr. Van Mil q.q. Verder laten de deskundigen volgens mr. Van Mil q.q. ten onrechte de referentie Poederoijen buiten beschouwing, terwijl deze nu juist bij uitstek vergelijkbaar is met het onteigende perceel van wijlen de heer [persoon 1] . Mr. Van Mil q.q. betoogt dat aansluiting moet worden gezocht bij het prijsniveau van de referentie Poederoijen en dat – in afwijking van het definitieve advies van de deskundigen – de complexwaarde moet worden vastgesteld op een bedrag van € 125,00 per vierkante meter.
3.18.
De deskundigen hebben in de weging van de referenties ten opzichte van het onteigende rekening gehouden met het verschil in planologie en het verschil in geografische ligging en hebben dit in bijlage 2 bij hun advies tot uitdrukking gebracht. Ook hebben zij rekening gehouden met opwaartse marktontwikkelingen. Het onherroepelijk worden van het planologisch besluit is dus, anders dan mr. Van Mil q.q. lijkt te betogen, niet de enige factor die zij hebben meegewogen. De deskundigen hebben beredeneerd uiteengezet dat en waarom de transacties Aalburg, Buren en Schijndel als meest vergelijkbaar zijn te beschouwen. Aalburg betreft weliswaar een voorgenomen herbestemming tot woningbouwlocatie en is planologisch minder ver gevorderd dan het onteigende, maar verder goed vergelijkbaar. Ook in Buren gaat het om woningbouwontwikkeling. De planologische procedure moet nog worden doorlopen, maar Buren is sterk monumentaal en heeft daardoor aantrekkingskracht voor potentiële kopers/bewoners. In de prijsvaststellingsprocedure die met betrekking tot de referentie Buren is gevolgd, hebben de door de rechtbank benoemde deskundigen de waarde van de grond bepaald op dezelfde voet als die waarop de werkelijke waarde in een onteigeningsprocedure wordt begroot, namelijk door uit te gaan van een prijs tot stand gekomen tussen een redelijk handelende koper en verkoper, waarbij nadrukkelijk is geabstraheerd van de omstandigheid dat de koper een gemeente is. De grond in Schijndel is bedoeld om te worden bebouwd. De deskundigen schatten de markt in Schijndel hoger in dan Kerkdriel, maar de planologische procedure moet in Schijndel nog worden doorlopen.
3.19.
De deskundigen zien geen aanleiding om aansluiting te zoeken bij de referentie Poederoijen. Zij wijzen erop dat de verkoper in die transactie een anterieure overeenkomst met allonge heeft gesloten met de gemeente Zaltbommel, die de koper met de koop heeft overgenomen. De deskundigen kennen de afspraken uit die overeenkomst en allonge niet en weten bijvoorbeeld niet of de verkoper ten tijde van de levering al kosten aan de gemeente had betaald. De koper zou dan niet meer worden belast met die kosten, wat tot uitdrukking komt in de (hogere) prijs. Dat maakt volgens de deskundigen dat de transactie geen doorsnee transactie is en dat deze met enige voorzichtigheid moet worden benaderd. Hierbij nemen de deskundigen verder in aanmerking dat het in Poederoijen ging om een initiatief van een ontwikkelaar en dat de realisatie van de ontwikkeling voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen oplevert. Deze omstandigheid heeft effect op de koopprijs en maakt dat die koopprijs geen voldoende betrouwbare indicatie kan vormen voor de werkelijke waarde van het onteigende, aldus de deskundigen.
3.20.
Gelet op de toelichting van de deskundigen in hun definitieve advies en tijdens het pleidooi en gelet op hun ervaring en inzicht in de vastgoedmarkt, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de gebruikte referenties, de interpretatie daarvan door de deskundigen en de waarde die zij met inachtneming daarvan aan de grond hebben toegekend. De rechtbank sluit zich dan ook aan bij het advies van de deskundigen, waarin aan de hand van de comparatieve methode de complexwaarde per peildatum wordt begroot op € 95,00 per vierkante meter grond.
3.21.
Met de deskundigen ziet de rechtbank geen aanleiding om de complexwaarde bij te stellen vanwege bijzondere (on)geschiktheid. De bodemverontreiniging bevindt zich uitsluitend op de percelen [nummer 1] en [nummer 2] en geeft dus geen aanleiding voor een neerwaartse bijstelling ten aanzien van het perceel waarover het in deze zaak gaat. Verder zal de op het perceel aanwezige kas volgens de deskundigen betrekkelijk eenvoudig kunnen worden verwijderd, zonder dat dit tot zodanige kosten leidt dat die een afslag op de complexwaarde indiceren. De rechtbank kan zich vinden in deze bevindingen van de deskundigen en neemt deze over.
3.22.
Gezien het voorgaande stelt de rechtbank de totale waarde van het onteigende vast op een bedrag van € 736.250,00 (7.750 m² × € 95,00).
Bijkomende schade
3.23.
De deskundigen hebben in hun definitieve advies uiteengezet dat, omdat het perceel niet in gebruik is en ook niet (anderszins) enig inkomen genereert, als gevolg van de onteigening geen andere schade optreedt dan het verlies van de werkelijke waarde. Ook van enig fiscaal nadeel is de deskundigen niet gebleken.
3.24.
Mr. Van Mil q.q. betoogt dat het inwinnen van advies over de boekhoudkundige verwerking dan wel fiscale afwikkeling van de nalatenschap een noodzakelijk gevolg is van de onteigening en dat de kosten hiervan daarom als bijkomende schade voor vergoeding in aanmerking komen. De deskundigen zijn van mening dat de onteigening geen verandering brengt in de verdeeldheid. Als naar aanleiding van de onteigening de keuze wordt gemaakt om te verdelen, dan is die verdeling weliswaar gevolg van de onteigening, maar geen noodzakelijk gevolg. De deskundigen menen daarom dat de kosten die zijn verbonden aan de verdeling van de onverdeelde nalatenschap niet als onteigeningsschade voor vergoeding in aanmerking komen. Mocht de rechtbank hierover anders oordelen, dan begroten de deskundigen de kosten die aan de afwikkeling van de nalatenschap zijn verbonden op € 2.000,00.
3.25.
Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van bijkomende schade. De verdeling van de nalatenschap had hoe dan ook op enig moment moeten plaatsvinden. De daarmee gemoeide kosten komen daarom niet als onteigeningsschade voor vergoeding in aanmerking.
Vaststelling van de schadeloosstelling
3.26.
De slotsom is dat de schadeloosstelling wordt berekend op € 736.250,00 als waarde van de grond.
3.27.
Mr. Van Mil q.q. heeft in het kader van de vervroegde onteigening een voorschot van € 492.750,00 ontvangen. Dat is dus minder dan de schadeloosstelling. Mr. Van Mil q.q. heeft ten titel van schadevergoeding ook recht op vergoeding van het nadeel dat zij lijdt door het gemis van het bedrag waarmee de uiteindelijke schadeloosstelling het betaalde voorschot te boven gaat gedurende de periode tussen de dag waarop het vonnis tot vervroegde onteigening is ingeschreven en de dag waarop de schadeloosstelling wordt vastgesteld. Het bedoelde nadeel moet worden begroot naar de waarde van het gemiste genot, die niet noodzakelijkerwijs is gelijk te stellen aan de wettelijke rente over het gemiste bedrag (Hoge Raad 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0415, De Bruyn c.s./Waterschap Rivierenland).
3.28.
De deskundigen hebben dit nadeel in hun definitieve advies getaxeerd op een bedrag gelijk aan 3% (samengesteld per jaar) over het verschil vanaf de datum van ontvangst van het voorschot tot de datum van onherroepelijke vaststelling van de schadeloosstelling. De rechtbank sluit zich hierbij aan en zal deze rente in die zin toewijzen.
3.29.
Op grond van het voorgaande zal de rechtbank de schadeloosstelling vaststellen op een bedrag van € 736.250,00, te vermeerderen met een rente van 3% (samengesteld per jaar) over € 243.500,00 (€ 736.250,00 minus € 492.750,00) vanaf de datum van ontvangst van het voorschot tot aan de datum van dit vonnis. De rechtbank zal de gemeente veroordelen om aan mr. Van Mil q.q. het resterende bedrag van € 243.500,00 te voldoen, te vermeerderen met een rente van 3% (samengesteld per jaar) over € 243.500,00 vanaf de datum van ontvangst van het voorschot tot aan de datum van dit vonnis.
3.30.
Op grond van artikel 55 lid 3 Ow moet de gemeente over het per saldo te betalen bedrag de wettelijke rente vergoeden vanaf vandaag tot de dag van de algehele voldoening.
De kosten van juridische en overige deskundige bijstand
3.31.
Op grond van artikel 50 Ow is uitgangspunt dat de daadwerkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand en van bijstand door andere deskundigen ten laste van de onteigenende partij komen. De onteigeningsrechter toetst of het redelijk is dat de bijstand is ingeroepen en of de gemaakte kosten binnen een redelijke omvang zijn gebleven (de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets). Het belang van de zaak, zoals dit tot uitdrukking komt in de samenstelling en de hoogte van de toegekende schadeloosstelling, en de mate waarin een zaak juridisch of anderszins gezien ingewikkeld is, spelen daarbij een rol.
3.32.
Bij e-mail van 30 augustus 2026 heeft mr. Van Mil q.q. – onder overlegging van gespecificeerde facturen – opgave gedaan van de kosten van juridische en overige deskundige bijstand. Het gaat om een totaalbedrag van € 36.967,57, inclusief btw en inclusief een bedrag van € 2.946,00 voor verschotten, vanwege juridische bijstand en een bedrag van € 16.268,75 inclusief btw voor overige deskundige bijstand.
3.33.
De kosten voor juridische bijstand zijn in redelijkheid gemaakt en zijn binnen een redelijke omvang gebleven. Deze kosten komen daarom voor vergoeding door de gemeente in aanmerking.
3.34.
De kosten voor overige deskundige bijstand betreffen de kosten van [deskundige 1] . De gemeente maakt terecht bezwaar tegen de omvang van deze kosten. Om te beginnen wijst de gemeente er terecht op dat [deskundige 1] zowel door mr. Van Mil q.q. als door [persoon 2] (in zaak C05/442722 / HZ ZA 24-351) is ingeschakeld, waarbij sprake is van aanzienlijke overeenkomsten tussen beide zaken. Voor beide dossiers gezamenlijk zijn circa 190 uren gedeclareerd tegen een uurtarief van € 195,00 exclusief btw. Dit uurtarief bevindt zich aan de bovenkant van de markt voor deze sector en past bij een gespecialiseerde onteigeningsdeskundige. Het gaat in deze zaak om een relatief eenvoudige schadebegroting: de taxatie betrof slechts de vaststelling van de ruwe bouwgrondwaarde. In dit licht bezien is de tijdsbesteding – in het dossier van mr. Van Mil q.q. 35,5 uren – fors te noemen. Daarbij komt dat [deskundige 1] nog eens 35,1 uren heeft besteed aan een deskundigenrapport in de zaak van [persoon 2] voornoemd. Dit terwijl de beide rapporten voor een groot deel overlap vertonen, in beide zaken de complexiteit van de materie beperkt is en de rechtbankdeskundigen relatief minder tijd hebben besteed aan het opstellen van het deskundigenadvies voor de drie voorliggende zaken samen. Zo heeft [deskundige 1] meer dan het dubbele aantal uren besteed aan het opstellen van twee deskundigenrapporten, waar de rechtbankdeskundige [deskundige 2] in totaal 26,75 uren heeft besteed aan het opzoeken en vergelijken van referentiemateriaal en het opstellen van drie deskundigenadviezen. Daarbij komt dat [deskundige 1] op een aantal dagen een zeer groot aantal declarabele uren heeft geschreven. Zo heeft hij op 3 januari 2025 6,5 uren gedeclareerd voor het opstellen van het deskundigenrapport voor mr. Van Mil q.q., daarnaast 3,5 uren voor werkzaamheden aan het rapport in de zaak van [persoon 2] 4 uren voor een niet nader omschreven gesprek en het maken van een opname daarvan. Dat zijn 14 declarabele uren op één dag. Op 6 januari 2025 heeft [deskundige 1] 6,5 uren gedeclareerd voor het rapport in de zaak van mr. Van Mil q.q., alsmede tijd voor correspondentie met mr. van Mil en de heer [naam] en 4,5 uren voor werkzaamheden in de zaak van [persoon 2] , samen 11,9 declarabele uren op één dag. En op 7 januari 2025 heeft [deskundige 1] in de zaak van [persoon 2] 12 uren gedeclareerd. In totaal heeft hij over 6 tot en met 9 januari 2025, dus vier dagen, 42,9 uren gedeclareerd. Bij het voorgaande komt nog dat in de definitieve urendeclaratie van [deskundige 1] een tijdsbesteding van 6 uren is opgenomen uitsluitend voor de afwikkeling van het dossier, terwijl in de urendeclaratie die op 2 juni 2026 in het geding is gebracht ook al een tijdsbesteding was opgenomen van 6 uren voor (toen nog) te verrichten werkzaamheden in verband met de zitting, het pleidooi en de afwikkeling van het dossier.
3.35.
[deskundige 1] heeft hier tijdens het pleidooi tegen ingebracht dat hij niet uitsluitend de taxateur, maar ook de adviseur/onteigeningsdeskundige is en ook in die hoedanigheid bijstand heeft verleend. De zaak die hier voorligt, is vooral gericht op het opstellen van een deskundigenadvies. De uren die [deskundige 1] heeft gedeclareerd zijn volgens hem niet vergelijkbaar met de uren die [deskundige 2] heeft gedeclareerd. [deskundige 2] maakt immers deel uit van de deskundigencommissie van drie, waarbij sprake zal zijn geweest van een taakverdeling, zodat je, om te kunnen vergelijken, naar het totaal aantal uren van de hele deskundigencommissie moet kijken, aldus [deskundige 1] . Verder is volgens [deskundige 1] van belang dat de deskundigencommissie voor de genoemde referenties deels heeft kunnen putten uit referenties die partijen hebben aangeleverd. De rechtbank gaat hier niet in mee. Uitgangspunt was dat [deskundige 1] taxatiewerkzaamheden zou verrichten. Dat hij daarnaast ook nog ander advieswerk heeft verricht, hoeft, wat daarvan verder ook zij, niet voor rekening van de gemeente te komen. Bovendien doet wat [deskundige 1] aanvoert niet af aan wat de rechtbank in 3.34 heeft overwogen over de zeer grote aantallen declarabele uren die [deskundige 1] op een aantal data heeft geschreven.
3.36.
De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat de gedeclareerde kosten van [deskundige 1] niet alle in redelijkheid zijn gemaakt en ook niet binnen een redelijke omvang zijn gebleven. De rechtbank ziet daarin aanleiding om de urendeclaraties van [deskundige 1] te matigen, en wel in lijn met het matigingsvoorstel dat de gemeente tijdens het pleidooi en in haar e-mail van 7 september 2026 heeft gedaan (zie onder 3.34). De rechtbank zal op het in totaal door [deskundige 1] in rekening gebrachte bedrag van € 16.268,75 inclusief btw een bedrag van € 3.997,50 exclusief btw (€ 4.836,97 inclusief btw) in mindering te brengen voor in eerste instantie teveel gedeclareerde uren, alsmede een bedrag van € 487,50 exclusief btw (€ 589,87 inclusief btw) voor in de definitieve kostenopgave teveel gedeclareerde uren. Dit betekent dat voor vergoeding door de gemeente een bedrag van € 10.841,89 inclusief btw aan kosten voor overige deskundige bijstand voor vergoeding in aanmerking komt.
De kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen
3.37.
De gemeente moet ook de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen dragen. Bij e-mail van 31 augustus 2026 is namens de deskundigen aan de rechtbank bericht dat op 2 september 2025 en 20 juli 2026 tussentijds is gedeclareerd bij de gemeente en dat de gemeente de facturen inmiddels heeft voldaan. Een veroordeling van de gemeente tot betaling van deze kosten blijft daarom achterwege.
Publicatie
3.38.
Tot slot zal de rechtbank een nieuws- en advertentieblad aanwijzen ter publicatie van dit vonnis.
4De beslissing
4.1.
stelt de door de gemeente aan mr. Van Mil q.q. verschuldigde schadeloosstelling voor de bij het vonnis van 13 november 2024 uitgesproken onteigening vast op een bedrag van € 736.250,00, te vermeerderen met een rente van 3% (samengesteld per jaar) over € 243.500,00 vanaf de datum van ontvangst van het voorschot tot aan de datum van dit vonnis,
4.2.
veroordeelt de gemeente om aan mr. Van Mil q.q. te betalen een bedrag van € 243.500,00, te vermeerderen met de hiervoor onder 4.1 genoemde rente, de som daarvan te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf vandaag tot aan de dag van de algehele voldoening,
4.3.
veroordeelt de gemeente om aan mr. Van Mil q.q. te betalen de kosten van juridische bijstand ten bedrage van € 36.967,57 inclusief btw en inclusief griffierecht,
4.4.
veroordeelt de gemeente om aan mr. Van Mil q.q. te betalen de kosten van overige deskundige bijstand ten bedrage van € 10.841,89 inclusief btw,
4.5.
wijst het in de gemeente Maasdriel verschijnende dagblad Brabants Dagblad aan als nieuwsblad waarin dit vonnis door de griffier bij uittreksel zal worden geplaatst.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst, mr. M. Stempher en mr. J.M. Emaus en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
JE/Vg/Ma/JEV