Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:7140
2026-09-18
Bestuursrecht; Belastingrecht
ARN 24/5464 en 25/1431
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Giftenaftrek . Anbi-status. Niet in Nederl;and gevestigd goed doel.
Citeert (9)
- ECLI:NL:HR:2026:136 Hoge Raad 30-01-2026
- ECLI:NL:HR:1989:ZC4179 Hoge Raad 13-12-1989
- ECLI:NL:HR:2015:278 Hoge Raad 13-02-2015
- ECLI:NL:HR:2015:844 Hoge Raad 10-04-2015
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2297 Gerechtshof Amsterdam 17-07-2024
- ECLI:NL:HR:2016:252 Hoge Raad 19-02-2016
- ECLI:NL:HR:2016:252 Hoge Raad 19-02-2016
- ECLI:NL:HR:2020:586 Hoge Raad 03-04-2020
- ECLI:NL:HR:2020:154 Hoge Raad 31-01-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.952 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 24/5464 en 25/1431
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 september 2026
in de zaken tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. P. le Heux),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de inspecteur
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 28 februari 2024, respectievelijk 12 februari 2025.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor zowel het jaar 2020 (zaak 24/5464) als 2021 (zaak 25/1431) een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Gelijktijdig met de vaststelling van de betreffende aanslag heeft de inspecteur belanghebbende voor het jaar 2021 belastingrente in rekening gebracht en belanghebbende voor het jaar 2020 een verzuimboete opgelegd.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV 2020 ongegrond verklaard en deze aanslag en de verzuimboete gehandhaafd. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV 2021 gegrond verklaard en hij heeft daarbij die aanslag en de belastingrente verminderd.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften.
De rechtbank heeft de beroepen op 15 juli 2026 gezamenlijk en gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en, namens de inspecteur, mr. C.M. Zijlstra en drs. [persoon] .
Feiten
Jaar 2020
1. Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte. In de aanmaning is als uiterlijke indieningstermijn 7 september 2021 opgenomen.
2. Belanghebbende heeft op 31 december 2021 aangifte IB/PVV 2020 gedaan. In haar aangifte heeft zij de volgende giften vermeld:
Center of the Cultivation of Technology
€ 2.000
Zwiebelfreunde E.V.
€ 1.000
Netzpolitik
€ 3.000
Wau Holland Stiftung
€ 3.500
Free Software Foundation Europe
€ 1.500
€ 11.000
Deze begiftigden zijn alle niet in Nederland gevestigd.
3. Bij het opleggen van de definitieve aanslag heeft de inspecteur alleen de gift aan Free Software Foundation Europe in aftrek toegelaten, omdat deze begiftigde geregistreerd is als algemeen nut beogende instelling (anbi). Omdat de overige vier genoemde instellingen niet zijn geregistreerd als anbi, heeft de inspecteur de aftrek hiervan bij het opleggen van de aanslag gecorrigeerd. Bij het opleggen van de aanslag is tegelijkertijd een verzuimboete van € 385 opgelegd wegens het niet tijdig doen van aangifte.
Jaar 2021
4. Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV 2021 gedaan. In haar aangifte heeft zij de volgende giften vermeld:
Tails
€ 2.000
Netzpolitik
€ 3.000
Zwiebelfreunde E.V.
€ 1.000
Wau Holland Stiftung
€ 4.000
Wikimedia
€ 1.500
€ 11.500
Deze begiftigden zijn alle niet in Nederland gevestigd.
5. Bij het vaststellen van de definitieve aanslag zijn geen giften in aftrek geaccepteerd.
6. De inspecteur heeft het bezwaar tegen de aanslag gegrond verklaard. Hierbij heeft hij de in de aangifte opgevoerde gift aan Wikimedia alsnog in aftrek toegelaten omdat - anders dan de andere vier in de aangifte opgenomen instellingen - Wikimedia is aangemerkt als een anbi.
Beoordeling door de rechtbank
7. De rechtbank beoordeelt voor beide jaren de giftenaftrek en of de inspecteur daarbij in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel. Daarnaast beoordeelt de rechtbank de verzuimboete (jaar 2020) en de kostenvergoeding voor de bezwaarfase (jaar 2021).
8. De rechtbank verklaart de beroep in de zaak 24/5464 ongegrond en in de zaak 25/1431 gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Giftenaftrek
9. Volgens belanghebbende is de giftenaftrek in strijd met het vrij verkeer van diensten en kapitaal. Ook is deze regeling volgens hem in strijd met het effectiviteits- en doeltreffendheidsbeginsel en het beginsel van loyale samenwerking. Het is door formele en praktische belemmeringen namelijk alleen in theorie mogelijk voor buitenlandse instellingen om een anbi-status te krijgen. Belanghebbende heeft daarnaast de rechtbank verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de verenigbaarheid van de giftenaftrekregeling in de Wet IB 2001 ten aanzien van niet in Nederland gevestigde anbi’s met het Unierecht.
10. De rechtbank is van oordeel dat de giftenaftrek niet in strijd is met het Unierecht. De Hoge Raad heeft op 30 januari 2026 namelijk beslist dat deze regeling niet in strijd is met het vrij verkeer van kapitaal. De rechtbank ziet geen aanleiding om anders te oordelen voor het vrij verkeer van diensten. Ook is om deze reden geen sprake van een schending van het effectiviteits- of doeltreffendheidsbeginsel of het beginsel van loyale samenwerking. De stelling dat in de praktijk door formele en praktische belemmeringen het voor buitenlandse instellingen niet mogelijk is om een anbi-status te krijgen, ontbeert feitelijke grondslag. Immers, zowel in 2020 en 2021 zijn giften gedaan aan een buitenlandse instelling met anbi-status. Ook de verklaring ter zitting dat het zou gaan om Nederlandse stichtingen van buitenlandse instellingen ontbeert feitelijke grondslag, omdat uit het procesdossier blijkt dat het gaat om giften aan buitenlandse rechtspersonen. Tot slot ontbeert het betoog dat een buitenlandse instelling een KvK-nummer nodig heeft juridische grondslag. Voor buitenlandse instelling volstaat voor deze jaren namelijk een RSIN-nummer, zoals ook is opgenomen op het door de inspecteur ingebrachte anbi-aanvraagformulier waaruit bovendien blijkt dat dit nummer automatisch wordt toegekend.
11. Vast staat dat belanghebbende in 2020 en 2021 binnenlands belastingplichtig was en dat zij beide jaren giften heeft gedaan aan de hiervoor genoemde buitenlandse instellingen. Met uitzondering van Free Software Foundation Europe (jaar 2020) en Wikimedia (jaar 2021) zijn deze instellingen niet aangemerkt als anbi, waardoor deze giften niet kwalificeren als aftrekbare gift. De giften aan de instellingen die niet als anbi zijn aangemerkt, zijn daarom beide jaren terecht niet in aftrek toegestaan.
12. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen. Zij is bovendien niet verplicht om prejudiciële vragen te stellen.
Vertrouwensbeginsel
13. Belanghebbende stelt dat zij erop mocht vertrouwen dat de door haar gedane giften als aftrekbare gift zouden kwalificeren. Zij doet namelijk sinds 2014 giften aan vrijwel dezelfde instellingen. Deze gedragslijn is altijd door de inspecteur geaccepteerd. De inspecteur had daarom ook voor deze jaren de giften als aftrekbare gift moeten aanmerken.
14. Voor een in rechte te beschermen vertrouwen is volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad meer vereist dan de enkele omstandigheid dat de inspecteur de aangiften gedurende een aantal jaren heeft gevolgd. Er zullen bijkomende omstandigheden moeten zijn op grond waarvan bij de belastingplichtige de indruk is gewekt dat het volgen van de aangiften in voorafgaande jaren het gevolg is van een bewuste standpuntbepaling van de inspecteur.
15. De rechtbank is van oordeel dat het vertrouwensbeginsel niet is geschonden. Belanghebbende heeft geen bijkomende omstandigheden aangevoerd op grond waarvan bij haar de indruk is gewekt dat het volgen van de aangiften in eerdere jaren het gevolg is van een bewuste standpuntbelasting. Hierbij komt nog dat de inspecteur onweersproken heeft gesteld dat de aangiften IB/PVV van belanghebbenden vóór het belastingjaar 2020 geautomatiseerd zijn vastgesteld.
Kostenvergoeding in bezwaar (jaar 2021)
16. Ter zitting heeft belanghebbende stukken getoond op grond waarvan is komen vast te staan zij desgevraagd voordat de aanslag IB/PVV 2021 is opgelegd de relevante stukken heeft verstrekt aan de inspecteur. Desondanks heeft de inspecteur daar bij het opleggen van de aanslag geen rekening mee gehouden. Het is dus aan de inspecteur te wijten dat de aanslag IB/PVV te hoog is vastgesteld en daarom had hij voor de bezwaarfase een proceskostenvergoeding moeten toekennen. Nu hij dat ten onrechte niet heeft gedaan is het beroep in de zaak 25/1431 gegrond. De rechtbank zal daarom belanghebbende een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toekennen en daarbij rekening houden met de tarieven zoals die op dit moment gelden.
Belastingrente
17. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de vergoede en in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikkingen. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat de bedragen van de belastingrente de bedragen van de aanslagen volgen.
Verzuimboete (jaar 2020)
18. Volgens belanghebbende is de verzuimboete voor het niet tijdig doen van aangifte onterecht opgelegd. Zij heeft de herinnering en aanmaning niet ontvangen, omdat zij vanwege Covid-19 onverwacht vastzat in Taiwan. Als de boete wel terecht is opgelegd, dan is deze volgens belanghebbende te hoog omdat de boete disproportioneel is ten opzichte van het vergrijp. Belanghebbende heeft normaal gesproken recht op een teruggaaf, omdat haar werkgever te veel loonheffingen afdraagt.
19. De rechtbank is van oordeel dat de verzuimboete terecht is opgelegd. Met de door de inspecteur overgelegde verzendrapporten staat buiten redelijke twijfel vast dat uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte ter postbezorging aan het woonadres van belanghebbende zijn aangeboden aan PostNL. Nu belanghebbende na de in de aanmaning opgenomen termijn aangifte IB/PVV 2020 heeft gedaan, is ook buiten redelijke twijfel vast komen te staan dat zij niet tijdig aangifte heeft gedaan, wat een beboetbaar feit is.
20. Dat belanghebbende de herinnering en aanmaning niet heeft ontvangen, omdat zij in Taiwan zat, maakt het voorgaande niet anders. Zij heeft de inspecteur hierover niet geïnformeerd, dus het kan hem niet worden verweten dat hij deze twee brieven naar het woonadres van belanghebbende heeft verzonden. Om deze reden is ook geen sprake van afwezigheid van alle schuld. Belanghebbende had namelijk (op enig moment) maatregelen kunnen nemen om te zorgen dat de post haar zou bereiken of op zijn minst dat zij zou worden geïnformeerd van binnengekomen post. Dit des te meer nu ze volgens haar eigen betoog wél de uitnodiging tot het doen van aangifte IB/PVV 2020 heeft ontvangen. Omdat zij geen maatregelen heeft genomen, heeft zij niet alle zorg in acht genomen die van haar kon worden verwacht om tijdig aangifte te doen.
21. De rechtbank is verder van oordeel dat de boete ook passend en geboden is – oftewel in de woorden van belanghebbende: proportioneel met het gemaakte verwijt. De beboetbare gedraging is namelijk het niet tijdig voldoen aan de aangifteverplichting. Het gaat er daarbij niet om of de belastingplichtige belasting moet betalen of terugkrijgt. De aangifteverplichting wordt namelijk in het leven geroepen wanneer een belastingplichtige wordt uitgenodigd tot het doen van aangifte, ongeacht wat de uitkomst (betalen of terugkrijgen van belasting) is.
22. Vast staat dat de redelijke termijn is overschreden en dat als gevolg daarvan artikel 6 van het EVRM is geschonden. Deze schending leidt niet tot vermindering van de boete. De opgelegde boete bedraagt namelijk minder dan € 1.000. Om deze reden volstaat de rechtbank met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Vergoeding van immateriële schade
23. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016.
24. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek.
25. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn vast te stellen op langer dan twee jaar. Voor de toekenning van een immateriële schade vergoeding is sprake van samenhangende zaken. De inspecteur heeft het eerste bezwaarschrift ontvangen op 28 april 2023. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) drie jaar en vijf maanden. Op het moment van doen van uitspraak door de rechtbank is de redelijke termijn met afgerond anderhalf jaar overschreden. Dit betekent een vergoeding van € 1.500. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur in de jongste zaak dateert van 12 februari 2025. De overschrijding van de redelijke termijn is voor zestien maanden toerekenbaar aan de bezwaarfase en voor één maand aan de beroepsfase. De rechtbank zal de inspecteur veroordelen om (afgerond) € 1.412 (16/17e deel van € 1.500) en de Staat veroordelen om (afgerond) € 88 (1/17e deel van € 1.500) aan belanghebbende te betalen.
Conclusie en gevolgen
26. Het beroep in de zaak 24/5464 is ongegrond. Het beroep in de zaak 25/1431 is gegrond, omdat de inspecteur ten onrechte voor de bezwaarfase geen kostenvergoeding heeft toegekend. De aanslagen IB/PVV, de belastingrentebeschikking en de verzuimboete blijven in stand. Belanghebbende heeft recht op een vergoeding immateriële schade van € 1.500.
27. Omdat het beroep in de zaak 25/1431 gegrond is, moet de inspecteur in die zaak het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten.
28. De rechtbank ziet aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 3.200 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep in de zaak met nummer 24/5464 ongegrond;
- verklaart het beroep in de zaak met nummer 25/1431 gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die ziet op de kostenvergoeding;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.147;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 353;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.200;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.
Uitgesproken op 18 september 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 5b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR)
ECLI:NL:HR:2026:136.
Artikel 1a, zevende lid, letter b, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Zie de toelichting bij vraag 3.
Artikel 6.35 in samenhang met artikel 6.33, aanhef en letter b, en artikel 6.32 van de Wet IB 2001.
Hoge Raad 13 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179 en Hoge Raad 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:278.
Hoge Raad 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:844.
Artikel 6, eerste lid, in samenhang met artikel 8, eerste lid, van de AWR.
Vgl. Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.
ECLI:NL:HR:2016:252.
Beleidsregel van de Minister van veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.
Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.10.2, en Hoge Raad 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:586.
Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154, punt 2.4.4.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 24/5464 en 25/1431
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 september 2026
in de zaken tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. P. le Heux),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de inspecteur
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 28 februari 2024, respectievelijk 12 februari 2025.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor zowel het jaar 2020 (zaak 24/5464) als 2021 (zaak 25/1431) een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Gelijktijdig met de vaststelling van de betreffende aanslag heeft de inspecteur belanghebbende voor het jaar 2021 belastingrente in rekening gebracht en belanghebbende voor het jaar 2020 een verzuimboete opgelegd.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV 2020 ongegrond verklaard en deze aanslag en de verzuimboete gehandhaafd. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV 2021 gegrond verklaard en hij heeft daarbij die aanslag en de belastingrente verminderd.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften.
De rechtbank heeft de beroepen op 15 juli 2026 gezamenlijk en gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en, namens de inspecteur, mr. C.M. Zijlstra en drs. [persoon] .
Feiten
Jaar 2020
1. Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte. In de aanmaning is als uiterlijke indieningstermijn 7 september 2021 opgenomen.
2. Belanghebbende heeft op 31 december 2021 aangifte IB/PVV 2020 gedaan. In haar aangifte heeft zij de volgende giften vermeld:
Center of the Cultivation of Technology
€ 2.000
Zwiebelfreunde E.V.
€ 1.000
Netzpolitik
€ 3.000
Wau Holland Stiftung
€ 3.500
Free Software Foundation Europe
€ 1.500
€ 11.000
Deze begiftigden zijn alle niet in Nederland gevestigd.
3. Bij het opleggen van de definitieve aanslag heeft de inspecteur alleen de gift aan Free Software Foundation Europe in aftrek toegelaten, omdat deze begiftigde geregistreerd is als algemeen nut beogende instelling (anbi). Omdat de overige vier genoemde instellingen niet zijn geregistreerd als anbi, heeft de inspecteur de aftrek hiervan bij het opleggen van de aanslag gecorrigeerd. Bij het opleggen van de aanslag is tegelijkertijd een verzuimboete van € 385 opgelegd wegens het niet tijdig doen van aangifte.
Jaar 2021
4. Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV 2021 gedaan. In haar aangifte heeft zij de volgende giften vermeld:
Tails
€ 2.000
Netzpolitik
€ 3.000
Zwiebelfreunde E.V.
€ 1.000
Wau Holland Stiftung
€ 4.000
Wikimedia
€ 1.500
€ 11.500
Deze begiftigden zijn alle niet in Nederland gevestigd.
5. Bij het vaststellen van de definitieve aanslag zijn geen giften in aftrek geaccepteerd.
6. De inspecteur heeft het bezwaar tegen de aanslag gegrond verklaard. Hierbij heeft hij de in de aangifte opgevoerde gift aan Wikimedia alsnog in aftrek toegelaten omdat - anders dan de andere vier in de aangifte opgenomen instellingen - Wikimedia is aangemerkt als een anbi.
Beoordeling door de rechtbank
7. De rechtbank beoordeelt voor beide jaren de giftenaftrek en of de inspecteur daarbij in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel. Daarnaast beoordeelt de rechtbank de verzuimboete (jaar 2020) en de kostenvergoeding voor de bezwaarfase (jaar 2021).
8. De rechtbank verklaart de beroep in de zaak 24/5464 ongegrond en in de zaak 25/1431 gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Giftenaftrek
9. Volgens belanghebbende is de giftenaftrek in strijd met het vrij verkeer van diensten en kapitaal. Ook is deze regeling volgens hem in strijd met het effectiviteits- en doeltreffendheidsbeginsel en het beginsel van loyale samenwerking. Het is door formele en praktische belemmeringen namelijk alleen in theorie mogelijk voor buitenlandse instellingen om een anbi-status te krijgen. Belanghebbende heeft daarnaast de rechtbank verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de verenigbaarheid van de giftenaftrekregeling in de Wet IB 2001 ten aanzien van niet in Nederland gevestigde anbi’s met het Unierecht.
10. De rechtbank is van oordeel dat de giftenaftrek niet in strijd is met het Unierecht. De Hoge Raad heeft op 30 januari 2026 namelijk beslist dat deze regeling niet in strijd is met het vrij verkeer van kapitaal. De rechtbank ziet geen aanleiding om anders te oordelen voor het vrij verkeer van diensten. Ook is om deze reden geen sprake van een schending van het effectiviteits- of doeltreffendheidsbeginsel of het beginsel van loyale samenwerking. De stelling dat in de praktijk door formele en praktische belemmeringen het voor buitenlandse instellingen niet mogelijk is om een anbi-status te krijgen, ontbeert feitelijke grondslag. Immers, zowel in 2020 en 2021 zijn giften gedaan aan een buitenlandse instelling met anbi-status. Ook de verklaring ter zitting dat het zou gaan om Nederlandse stichtingen van buitenlandse instellingen ontbeert feitelijke grondslag, omdat uit het procesdossier blijkt dat het gaat om giften aan buitenlandse rechtspersonen. Tot slot ontbeert het betoog dat een buitenlandse instelling een KvK-nummer nodig heeft juridische grondslag. Voor buitenlandse instelling volstaat voor deze jaren namelijk een RSIN-nummer, zoals ook is opgenomen op het door de inspecteur ingebrachte anbi-aanvraagformulier waaruit bovendien blijkt dat dit nummer automatisch wordt toegekend.
11. Vast staat dat belanghebbende in 2020 en 2021 binnenlands belastingplichtig was en dat zij beide jaren giften heeft gedaan aan de hiervoor genoemde buitenlandse instellingen. Met uitzondering van Free Software Foundation Europe (jaar 2020) en Wikimedia (jaar 2021) zijn deze instellingen niet aangemerkt als anbi, waardoor deze giften niet kwalificeren als aftrekbare gift. De giften aan de instellingen die niet als anbi zijn aangemerkt, zijn daarom beide jaren terecht niet in aftrek toegestaan.
12. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen. Zij is bovendien niet verplicht om prejudiciële vragen te stellen.
Vertrouwensbeginsel
13. Belanghebbende stelt dat zij erop mocht vertrouwen dat de door haar gedane giften als aftrekbare gift zouden kwalificeren. Zij doet namelijk sinds 2014 giften aan vrijwel dezelfde instellingen. Deze gedragslijn is altijd door de inspecteur geaccepteerd. De inspecteur had daarom ook voor deze jaren de giften als aftrekbare gift moeten aanmerken.
14. Voor een in rechte te beschermen vertrouwen is volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad meer vereist dan de enkele omstandigheid dat de inspecteur de aangiften gedurende een aantal jaren heeft gevolgd. Er zullen bijkomende omstandigheden moeten zijn op grond waarvan bij de belastingplichtige de indruk is gewekt dat het volgen van de aangiften in voorafgaande jaren het gevolg is van een bewuste standpuntbepaling van de inspecteur.
15. De rechtbank is van oordeel dat het vertrouwensbeginsel niet is geschonden. Belanghebbende heeft geen bijkomende omstandigheden aangevoerd op grond waarvan bij haar de indruk is gewekt dat het volgen van de aangiften in eerdere jaren het gevolg is van een bewuste standpuntbelasting. Hierbij komt nog dat de inspecteur onweersproken heeft gesteld dat de aangiften IB/PVV van belanghebbenden vóór het belastingjaar 2020 geautomatiseerd zijn vastgesteld.
Kostenvergoeding in bezwaar (jaar 2021)
16. Ter zitting heeft belanghebbende stukken getoond op grond waarvan is komen vast te staan zij desgevraagd voordat de aanslag IB/PVV 2021 is opgelegd de relevante stukken heeft verstrekt aan de inspecteur. Desondanks heeft de inspecteur daar bij het opleggen van de aanslag geen rekening mee gehouden. Het is dus aan de inspecteur te wijten dat de aanslag IB/PVV te hoog is vastgesteld en daarom had hij voor de bezwaarfase een proceskostenvergoeding moeten toekennen. Nu hij dat ten onrechte niet heeft gedaan is het beroep in de zaak 25/1431 gegrond. De rechtbank zal daarom belanghebbende een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toekennen en daarbij rekening houden met de tarieven zoals die op dit moment gelden.
Belastingrente
17. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de vergoede en in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikkingen. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat de bedragen van de belastingrente de bedragen van de aanslagen volgen.
Verzuimboete (jaar 2020)
18. Volgens belanghebbende is de verzuimboete voor het niet tijdig doen van aangifte onterecht opgelegd. Zij heeft de herinnering en aanmaning niet ontvangen, omdat zij vanwege Covid-19 onverwacht vastzat in Taiwan. Als de boete wel terecht is opgelegd, dan is deze volgens belanghebbende te hoog omdat de boete disproportioneel is ten opzichte van het vergrijp. Belanghebbende heeft normaal gesproken recht op een teruggaaf, omdat haar werkgever te veel loonheffingen afdraagt.
19. De rechtbank is van oordeel dat de verzuimboete terecht is opgelegd. Met de door de inspecteur overgelegde verzendrapporten staat buiten redelijke twijfel vast dat uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte ter postbezorging aan het woonadres van belanghebbende zijn aangeboden aan PostNL. Nu belanghebbende na de in de aanmaning opgenomen termijn aangifte IB/PVV 2020 heeft gedaan, is ook buiten redelijke twijfel vast komen te staan dat zij niet tijdig aangifte heeft gedaan, wat een beboetbaar feit is.
20. Dat belanghebbende de herinnering en aanmaning niet heeft ontvangen, omdat zij in Taiwan zat, maakt het voorgaande niet anders. Zij heeft de inspecteur hierover niet geïnformeerd, dus het kan hem niet worden verweten dat hij deze twee brieven naar het woonadres van belanghebbende heeft verzonden. Om deze reden is ook geen sprake van afwezigheid van alle schuld. Belanghebbende had namelijk (op enig moment) maatregelen kunnen nemen om te zorgen dat de post haar zou bereiken of op zijn minst dat zij zou worden geïnformeerd van binnengekomen post. Dit des te meer nu ze volgens haar eigen betoog wél de uitnodiging tot het doen van aangifte IB/PVV 2020 heeft ontvangen. Omdat zij geen maatregelen heeft genomen, heeft zij niet alle zorg in acht genomen die van haar kon worden verwacht om tijdig aangifte te doen.
21. De rechtbank is verder van oordeel dat de boete ook passend en geboden is – oftewel in de woorden van belanghebbende: proportioneel met het gemaakte verwijt. De beboetbare gedraging is namelijk het niet tijdig voldoen aan de aangifteverplichting. Het gaat er daarbij niet om of de belastingplichtige belasting moet betalen of terugkrijgt. De aangifteverplichting wordt namelijk in het leven geroepen wanneer een belastingplichtige wordt uitgenodigd tot het doen van aangifte, ongeacht wat de uitkomst (betalen of terugkrijgen van belasting) is.
22. Vast staat dat de redelijke termijn is overschreden en dat als gevolg daarvan artikel 6 van het EVRM is geschonden. Deze schending leidt niet tot vermindering van de boete. De opgelegde boete bedraagt namelijk minder dan € 1.000. Om deze reden volstaat de rechtbank met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Vergoeding van immateriële schade
23. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016.
24. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek.
25. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn vast te stellen op langer dan twee jaar. Voor de toekenning van een immateriële schade vergoeding is sprake van samenhangende zaken. De inspecteur heeft het eerste bezwaarschrift ontvangen op 28 april 2023. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) drie jaar en vijf maanden. Op het moment van doen van uitspraak door de rechtbank is de redelijke termijn met afgerond anderhalf jaar overschreden. Dit betekent een vergoeding van € 1.500. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur in de jongste zaak dateert van 12 februari 2025. De overschrijding van de redelijke termijn is voor zestien maanden toerekenbaar aan de bezwaarfase en voor één maand aan de beroepsfase. De rechtbank zal de inspecteur veroordelen om (afgerond) € 1.412 (16/17e deel van € 1.500) en de Staat veroordelen om (afgerond) € 88 (1/17e deel van € 1.500) aan belanghebbende te betalen.
Conclusie en gevolgen
26. Het beroep in de zaak 24/5464 is ongegrond. Het beroep in de zaak 25/1431 is gegrond, omdat de inspecteur ten onrechte voor de bezwaarfase geen kostenvergoeding heeft toegekend. De aanslagen IB/PVV, de belastingrentebeschikking en de verzuimboete blijven in stand. Belanghebbende heeft recht op een vergoeding immateriële schade van € 1.500.
27. Omdat het beroep in de zaak 25/1431 gegrond is, moet de inspecteur in die zaak het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten.
28. De rechtbank ziet aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 3.200 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep in de zaak met nummer 24/5464 ongegrond;
- verklaart het beroep in de zaak met nummer 25/1431 gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die ziet op de kostenvergoeding;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.147;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 353;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.200;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.
Uitgesproken op 18 september 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 5b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR)
ECLI:NL:HR:2026:136.
Artikel 1a, zevende lid, letter b, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Zie de toelichting bij vraag 3.
Artikel 6.35 in samenhang met artikel 6.33, aanhef en letter b, en artikel 6.32 van de Wet IB 2001.
Hoge Raad 13 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179 en Hoge Raad 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:278.
Hoge Raad 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:844.
Artikel 6, eerste lid, in samenhang met artikel 8, eerste lid, van de AWR.
Vgl. Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.
ECLI:NL:HR:2016:252.
Beleidsregel van de Minister van veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.
Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.10.2, en Hoge Raad 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:586.
Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154, punt 2.4.4.