Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:7116

2026-09-17 Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht 24/6103
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-09-17
Publicatiedatum
2026-09-15
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
24/6103
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak gaat over de aan eiseres opgelegde bestuurlijke boete van € 1.500, wegens het overschrijden van de vaartijd in de exploitatiewijze A1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht een boete heeft opgelegd aan eiseres. De rechtbank verklaart het beroep toch gegrond, omdat de redelijke termijn is overschreden. Het overschrijden van de redelijke termijn heeft namelijk tot gevolg dat de boete moet worden gematigd.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (25.631 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummer: ARN 24/6103

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2026


in de zaak tussen

RF Shipping B.V., uit Beneden-Leeuwen, eiseres
(gemachtigde: mr. M.J. van Dam),


en


de minister van Infrastructuur en Waterstaat
(gemachtigde: mr. J.I.J. Langenberg).


Als derde-partij neemt aan de zaak deel:

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).



Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de aan eiseres opgelegde bestuurlijke boete van € 1.500, wegens het overschrijden van de vaartijd in de exploitatiewijze A1. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht een boete heeft opgelegd aan eiseres. De rechtbank verklaart het beroep toch gegrond, omdat de redelijke termijn is overschreden. Het overschrijden van de redelijke termijn heeft namelijk tot gevolg dat de boete moet worden gematigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Met het besluit van 14 november 2023 heeft de minister eiseres een boete opgelegd van € 1.500 vanwege het overschrijden van de vaartijd in de exploitatiewijze A1.



2.1.
Met het bestreden besluit van 23 april 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij dat besluit gebleven.



2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
Omdat eiseres heeft verzocht om schadevergoeding heeft de rechtbank de Staat als partij aangemerkt.



2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister deelgenomen.





Beoordeling door de rechtbank



Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres is een besloten vennootschap waarvan [bedrijf] B.V. enig aandeelhouder is. Bestuurders van eiseres zijn [persoon 1] en [persoon 2] . Eiseres is eigenaar van het binnenvaartschip [naam] . Ten tijde van de overtreding was

[persoon 3] de gezagvoerder van het schip.



3.1.
Op 5 december 2022, omstreeks 21.00 uur, hebben toezichthouders van de Politie eenheid Rotterdam een controle op de juiste naleving van de bepalingen van de Binnenvaartwet uitgevoerd op het binnenvaartschip [naam] dat over de Nieuwe Maas voer.



3.2.
Op 15 maart 2023 is van de controle op ambtsbelofte een boeterapport opgemaakt. In het boeterapport staat, voor zover relevant, vermeld dat eiseres als werkgever het binnenvaartschip [naam] bij de exploitatiewijze A1 meer dan 14 uur heeft laten varen in een periode van 24 uur, dan wel meer dan 16 uur heeft laten varen indien gebruik gemaakt kan worden van de mogelijkheid om éénmaal per week de vaartijd te verlengen overeenkomstig de voorwaarden van artikel 3.10, tweede lid, van het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn (RSP). Volgens het onderzoek van de toezichthouders bleek dat [naam] in de periode van 4 december 2022, 18:00 uur, tot 5 december 2022, 18:00 uur, 18,5 uren netto vaartijd heeft gemaakt. Dit is een overschrijding van 2,5 uur.



3.3.
Bij brief van 28 maart 2023 heeft de minister, naar aanleiding van het boeterapport, eiseres het voornemen meegedeeld om aan haar een bestuurlijke boete op te leggen van € 1.500. Eiseres heeft tegen dit voornemen een zienswijze ingediend.



3.4.
Op 14 november 2023 heeft de minister aan eiseres een bestuurlijke boete van € 1.500 opgelegd wegens het overschrijden van de vaartijd in exploitatiewijze A1.



3.5.
Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.



Wettelijk kader

4. De minister legt aan de boete ten grondslag dat eiseres op 5 december 2022 de regels heeft overtreden. Daarvoor is met het besluit van 24 november 2023 een boete opgelegd. Tussen de pleegdatum en de boeteoplegging is de regelgeving gewijzigd. Het gaat in het bijzonder om het RSP. Tussen partijen is niet in geschil dat de gewijzigde versie van het RSP voor eiseres niet gunstiger is dan de voorgaande versie. De relevante bepalingen zijn namelijk alleen vernummerd en niet inhoudelijk gewijzigd. Dat betekent dat de rechtbank uitgaat van de regelgeving (waaronder het RSP) zoals die luidde op het moment van de gestelde overtredingen.




4.1.
De minister is op grond van artikel 48 van de Binnenvaartwet bevoegd een bestuurlijke boete op te leggen aan degene die handelt in strijd met artikel 22 van de Binnenvaartwet.


4.1.1.
Op grond van artikel 22, eerste lid, van de Binnenvaartwet worden bij ministeriële regeling regels gesteld voor bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën van schepen met betrekking tot de vaartijden en bemanningssterkte, de uitrustingsstukken van binnenschepen en de hiermee verband houdende eisen.



4.1.2.
Artikel 5.4 van de Binnenvaartregeling bepaalt onder meer dat bij de exploitatiewijzen A1 en A2 artikel 18.01, tweede en derde lid, van het RSP van overeenkomstige toepassing zijn. In artikel 18.01, eerste lid, van het RSP worden de exploitatiewijzen onderscheiden. A1 is een vaart van ten hoogste 14 uur en A2 is een vaart van ten hoogste 18 uur, telkens binnen een periode van 24 uur. Artikel 18.01, tweede lid, van het RSP bepaalt dat bij de exploitatiewijze A1 de vaart eenmaal per kalenderweek tot maximaal 16 uur mag worden verlengd. Artikel 18.01, derde lid, van het RSP bepaalt dat een schip in exploitatiewijze A1, respectievelijk A2 de vaart gedurende acht, respectievelijk zes aaneengesloten uren moet onderbreken.




4.2.
In artikel 11.1 en bijlage 11.1 van de Binnenvaartregeling zijn boetebedragen opgenomen voor overtredingen van artikel 22 van de Binnenvaartwet. Hierbij is een boetebedrag vastgesteld van € 500 voor elk uur of deel van een uur meer varen.



Biedt het boeterapport een grondslag voor het opleggen van een boete?


5. Aan de opgelegde boete is in het besluit van 14 november 2023 het volgende ten grondslag gelegd: ‘In het boeterapport staat dat op 5 december 2022 op 18.00 uur de 24-uursperiode is aangevangen en dat vanaf dat moment waar het schip [naam] in exploitatiewijze A1, 18 uur en 30 minuten is gevaren. In dat geval is uitgegaan van de vaart, die eenmaal per week tot maximaal 16 uur mag worden verlengd. Dit betekent dat de maximale vaartijd met 2 uur en 30 minuten is overschreden.’ Eiseres betoogt dat het boeterapport geen grondslag biedt voor het opleggen van een boete.


Ten eerste omdat aan de opgelegde boete in het besluit van 14 november 2023 ten grondslag wordt gelegd dat het schip [naam] de maximale vaartijd heeft overschreden. Eiseres is echter niet bekend met het schip [naam] en een overtreding van dat schip is niet aan eiseres toe te rekenen.


Ten tweede is er op 5 december 2022 slechts van 18.00 uur tot 23.00 uur gevaren zodat ver onder de maximale vaartijd van 16 uur is gebleven. Anders dan in het besluit op bezwaar is er geen sprake van dat eiseres zou hebben opgemerkt dat er sprake is van een overtreding, laat staan een overtreding die (deels) in het buitenland heeft plaatsgevonden.


Ten derde wordt in de beslissing op bezwaar de aan de opgelegde boete gegeven grondslag volledig verlaten. Beide feitelijke grondslagen, zowel die van het primaire besluit als die in de beslissing op bezwaar, kunnen volgens eiseres niet worden gevolgd. Dit geldt volgens eiseres temeer waar de minister de selectie van wat hij juist acht, niet met de opstellers van het boeterapport heeft kortgesloten.


Ten vierde is de boete volgens de boetebeschikking erop gebaseerd dat op


5 december 2022 om 18.00 uur de 24-uursperiode is aangevangen en de boete als pleegdatum 5 december 2022 heeft. In de beslissing op bezwaar wordt volgens eiseres echter gesteld dat de 24-uursperiode is aangevangen op 4 december 2022 om 18.00 uur.


Ten vijfde wordt het moment dat de vaart zou zijn aangevangen op 4 december 2022 om 18.00 uur gerelateerd aan een onderbreking van minimaal 8 uur. Dit is volgens eiseres onbegrijpelijk en volgt niet uit de regelgeving.


Tot slot betreft volgens eiseres het besluit op bezwaar van 23 april 2024 een geheel nieuw besluit op geheel andere grondslag dan het besluit van 14 november 2023 waarbij terzake van [naam] een boete wordt opgelegd wegens een pleegdatum op


5 december 2022.



5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft in het bestreden besluit en in het verweerschrift toegelicht dat het primaire besluit voor wat betreft de naam van het schip en de aanvangsdatum van de 24-uursperiode kennelijke verschrijvingen bevat en heeft ook toegelicht dat en waarom daar geen consequenties aan worden verbonden. Eiseres herhaalt in beroep voor wat betreft de genoemde verschrijvingen wat zij ook in bezwaar heeft aangevoerd. De minister heeft in de beslissing op bezwaar adequaat gereageerd op deze verschrijvingen. Het is aan eiseres om in beroep gemotiveerd en specifiek aan te voeren waarom zij het niet eens is met de beslissing op bezwaar. Een herhaling van het bezwaarschrift wordt niet als zo’n gemotiveerde en specifieke betwisting opgevat. Daarop is namelijk gereageerd in de beslissing op bezwaar. Op de zitting is door de minister erkend dat de verschrijvingen in zekere zin slordig zijn, maar dat het allemaal is recht gezet. Volgens de rechtbank kan, gelet op het boeterapport met het daarbij horende vaartijdenboek en de door de minister gegeven motivering, geen misverstand bestaan over welke gedragingen en feiten ten grondslag liggen aan de opgelegde boete. Omdat eiseres in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie in de beslissing op bezwaar volgens haar niet toereikend is, slaagt deze beroepsgrond niet.



Is er sprake van een overtreding ten aanzien van het schip [naam] ?





Inspectieview

6. Eiseres betwist dat er sprake is van enige overtreding. Dit wordt volgens eiseres bevestigd in het dossier van Inspectie Leefomgeving en Transport waarin zowel met betrekking tot [naam] als met betrekking tot RF Shipping B.V. ter zake van de inspectie van 5 december 2022 vermeld staat dat er geen sprake is van overtredingen. Daarnaast heeft volgens eiseres de inspectie plaatsgevonden op onjuiste gegevens in Inspectieview. Daardoor wordt volstrekt ten onrechte op eiseres verscherpt toezicht gehouden en is er sprake van een onrechtmatige inspectie op grond waarvan de boete niet kan worden opgelegd.




6.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft op de zitting toegelicht dat toezichthouders van de politie, die in dit geval het boeterapport hebben opgemaakt, gebruik maken van eigen systemen. De omzetting van de systemen van de politie naar Inspectieview loopt niet helemaal soepel. Hoewel er een bepaalde koppeling is tussen de systemen zijn niet alle onderdelen gekoppeld. De rechtbank volgt de minister in zijn stelling dat als er in Inpectieview staat dat er geen overtredingen zijn, dit niet betekent dat er geen overtredingen zijn geconstateerd. Uit het boeterapport blijkt namelijk dat op 5 december 2022 een overtreding is geconstateerd en het is dit boeterapport dat ten grondslag ligt aan de besluitvorming. Ook de stelling van eiseres dat op haar ten onrechte verscherpt toezicht wordt gehouden volgt de rechtbank niet. De minister is vrij om te kiezen welke schepen worden gecontroleerd. Daarbij is er sprake van eerdere overtredingen door de heer [persoon 1] . In handhavingsbeleid is opgenomen dat als in het afgelopen jaar een controle heeft plaatsgevonden en daarbij overtredingen zijn geconstateerd, een nieuwe controle plaatsvindt en als er geen overtredingen zijn geconstateerd er geen nieuwe controle plaatsvindt. Er heeft een eerdere controle binnen die tijdsspanne plaatsgevonden waarvoor een boete is opgelegd. Gelet op deze controle en gezien de werkinstructie heeft er op
5 december 2022 dan ook terecht een controle plaatsgevonden.




Exploitatiewijze en vaartijd

7. Eiseres betoogt dat de boete wordt opgelegd vanwege de beweerde overtreding dat zij in exploitatiewijze A1 meer dan 16 uur heeft gevaren. In artikel 18.01, eerste lid van het RSP is bepaald wanneer sprake is van welke exploitatiewijze aan de hand van de vaart (vaartijd). Als, zoals gesteld in de beslissing op bezwaar, er sprake is van een vaartijd van 18,5 uur dan is er volgens de definitie van het RSP sprake van exploitatiewijze A2.
Dat de schipper op iedere bladzijde de exploitatiewijze moet aantekenen maakt dat niet anders. Eiseres stelt dat volgens het RSP de exploitatiewijze wordt bepaald door de vaartijd. Als een schipper een andere exploitatiewijze in het vaartijdenboek aangeeft dan volgens de definitie van het RSP, dan heeft de schipper een onjuiste exploitatiewijze aangetekend. Dat is volgens eiseres een overtreding door de gezagvoerder en niet een overtreding van eiseres. Bovendien blijkt volgens eiseres uit de uitdraai van de tachograaf dat er geen sprake is van 18,5 uur varen, maar van 16,4 uur (16 uur en 24 minuten). Dit is een overschrijding van de vaartijd met 24 minuten.




7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake was van een overschrijding van de maximale vaartijd. Anders dan eiseres heeft aangevoerd heeft de minister daarvoor aansluiting mogen zoeken bij de gegevens uit het vaartijdenboek. Het vaartijdenboek is een wettelijk controlemiddel en daarin dient door eiseres een kloppende en deugdelijke administratie te worden bijgehouden. De gegevens in het vaartijdenboek dienen daarom als uitgangspunt. Het is namelijk van groot belang dat bij aanvang van de vaart duidelijk is in welke exploitatiewijze wordt gevaren en dus hoeveel bemanningsleden met welke kwalificaties zijn vereist en hoeveel rust zij genieten.



7.2.
Eiseres wijst erop dat uit de registraties van de tachograaf blijkt dat minder is gevaren dan in het vaartijdenboek is opgenomen, maar de rechtbank is met de minister van oordeel dat daarin geen grond is gelegen om niet van de gegevens in het vaartijdenboek uit te gaan. Daartoe geldt dat het voor rekening en risico van eiseres dient te komen dat de gezagvoerder het vaartijdenboek onjuist zou hebben ingevuld. Daarbij komt dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat door de tachograaf geregistreerde stopmomenten verklaard kunnen worden door sluis- of brugpassages, kruisingen van vaarwegen, bunkeren of het neerleggen/koppelen/ wisselen van vrachtduwbakken. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat deze bezigheden onder vaartijd vallen. De in de tachograaf geregistreerde stop-momenten betekenen niet automatisch dat het schip de vaart heeft onderbroken. Gelet hierop en nu eiseres verder niet met bewijsstukken heeft onderbouwd dat zij de vaart in de 24-uursperiode (vaker) heeft onderbroken, heeft de minister in de gegevens uit de tachograaf geen aanleiding hoeven zien om ten aanzien van de vaartijden af te wijken van wat daarover in het vaartijdenboek is opgenomen.



Overtrederschap

8. Eiseres betoogt verder dat de minister haar ten onrechte heeft aangemerkt als functioneel dader. Eiseres beroept zich op afwezigheid van alle schuld. De schipper van [naam] was [persoon 3] . Hij is een zelfstandige schipper (ZZP’er) met een eigen verantwoordelijkheid als gezagvoerder die niet in dienst is van eiseres. Een vertegenwoordiger van eiseres was ook niet aan boord. Schipper [persoon 3] is voorzien van alle nodige kwalificaties en diploma’s en van hem mag worden verwacht dat hij zich aan alle regels houdt, waaronder de vaartijden. Volgens eiseres is zij niet aan te merken als (functioneel) dader en heeft zij in die hoedanigheid dan ook niet de vaartijd overschreden. Mocht eiseres wel als dader zijn aan te merken dan is volgens eiseres sprake van afwezigheid van alle schuld. Eiseres treft namelijk geen verwijt. Dit geldt volgens eiseres temeer nu bij brief van 2 mei 2023 de minister te kennen heeft gegeven aan gezagvoerend schipper [persoon 3] geen boete op te leggen.




8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens artikel 22, eerste en zevende lid, van de Binnenvaartwet is naast de gezagvoerder ook de werkgever verplicht tot naleving van onder andere de norm dat bij exploitatiewijze A1 per periode van 24 uur niet meer dan zestien uur mag worden gevaren. Omdat het wettelijk voorschrift mede is gericht tot de werkgever - in dit geval eiseres - draagt de werkgever de verantwoordelijkheid voor naleving van de regels over vaartijden gesteld bij of krachtens de Binnenvaartwet, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat een overtreding van die regels niet aan de werkgever kan worden toegerekend. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is in dit geval niet gebleken. De omstandigheid dat de gezagvoerder een ZZP’er is, is daarvoor onvoldoende. Daar komt bij dat de rechtbank uit de rechtspraak afleidt dat het de praktijk is van de minister om de werkgever aan te spreken. De werkgever is dan ook verantwoordelijk, tenzij er een bijzonderheid is. Hiervan is niet gebleken. Gelet hierop is de rechtbank met de minister van oordeel dat eiseres terecht als overtreder is aangemerkt.



Evenredigheidsbeginsel

9. Eiseres betoogt dat de boete onevenredig is. Zelfs als er sprake is van een overschrijding van de vaartijd met 2,5 uur is een boete van € 1.500 niet evenredig omdat er een boetebedrag is bepaald van € 500 per uur teveel varen. Volgens eiseres is het in strijd met het evenredigheidsbeginsel om voor een half uur ook een boete van € 500 in rekening te brengen.




9.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In artikel 5:46, derde lid, van de Awb is bepaald dat als de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete oplegt indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. De door de minister opgelegde boete is zo een bij wettelijk voorschrift gefixeerde boete. Uit artikel 48, vierde lid, van de Binnenvaartwet, in samenhang gelezen met bijlage 11.1 bij de Binnenvaartregeling, boetefeitcode BVW 3.3.001, volgt immers dat voor ieder uur of deel van een uur dat te veel is gevaren een boete wordt opgelegd van € 500. Eiseres heeft in dit kader geen bijzondere omstandigheden aangevoerd. Dit betekent dat een boete van € 1.500 voor een overschrijding van de vaartijd met 2,5 uur evenredig is.



Overschrijding redelijke termijn

10. Eiseres betoogt dat de boete moet worden gematigd, omdat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden.




10.1.
Bij zaken waar het gaat om bestraffende sancties geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties in beginsel is overschreden als die procedure langer dan twee jaar in beslag heeft genomen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat zowel de bestuurlijke fase als de beroepsfase in beginsel een jaar mag duren. De termijn begint op het moment waarop een handeling is verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd. De termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure over het geschil dat de betrokkene en het bestuursorgaan verdeeld houdt. Voorts geldt dat de boete wordt verminderd met 5% per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Wanneer de overschrijding van de redelijke termijn langer dan een jaar is handelt de rechtbank voor de matiging van de boete naar bevind van zaken.



10.2.
In dit geval is de redelijke termijn begonnen op 28 maart 2023, de datum van het voornemen om eiseres de bestuurlijke boete op te leggen. De redelijke termijn verstreek op 28 maart 2025. Dit betekent dat, op het moment van het doen van deze uitspraak, de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met iets minder dan 18 maanden. De overschrijding is voor het overgrote deel aan de rechtbank toe te rekenen. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de boete van € 1.500 te matigen met 15% tot een bedrag van € 1.275. Een matiging van 15% komt de rechtbank gezien de ruime overschrijding redelijk voor.




Conclusie en gevolgen


11. Het beroep is gegrond omdat de boete wordt gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, voor wat betreft de hoogte van de boete. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door de hoogte van de boete vast te stellen op € 1.275 en door te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.



11.1.
Omdat de overschrijding van de redelijke termijn voor het overgrote deel is veroorzaakt door de duur van de behandeling in de rechterlijke fase, zal de Staat worden veroordeeld in de door eiseres gemaakte proceskosten die verband houden met deze termijnoverschrijding. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467 (1 punt met een waarde van € 934 en een wegingsfactor van 0,5). Tot slot moet de minister het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.







Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de hoogte van de boete;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit;
- herroept het primaire besluit, voor zover dat ziet op de hoogte van de boete;
- stelt het boetebedrag vast op € 1.275;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van € 467 aan proceskosten van eiseres;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 371 aan eiseres moet vergoeden.


Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. C.M.J.C. Rooding, griffier.



Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Dit is een overtreding van artikel 22, negende lid van de Binnenvaartwet juncto artikel 22, zevende lid van de Binnenvaartwet juncto 5.4, eerste lid van de Binnenvaartregeling juncto 3.10, eerste lid van het RSP.


Artikel 3.10, tweede lid van het RSP. Dit komt overeen met artikel 18:1, eerste lid van het RSP nieuw.


Volgens artikel 5.12 van de Binnenvaartregeling, juncto artikel 3.13 van het RSP juncto bijlage A1.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5171, ro. 4.1. en 6.1. en ECLI:NL:RVS:2024:5249.


Zie artikel 5.6 van de Binnenvaartregeling en artikel 5.5:3 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5171.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4761.


Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5294.