Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:7106

2026-09-17 Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht ARN 25/1869
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-09-17
Publicatiedatum
2026-09-15
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ARN 25/1869
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wet inburgering 2021. Artikel 6 Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije. Beroep gegrond. De minister heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar het declaratoir verblijfsrecht van eiser.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.520 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummer: ARN 25/1869

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2026


in de zaak tussen


[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. D. Schaap),


en




de minister van Werk en Participatie


(gemachtigde: mr. R.E.J. Jansen).



Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid).




Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de aan eiser opgelegde inburgeringsplicht. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de aan eiser opgelegde inburgeringsplicht.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar het verblijfsrecht van eiser. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Ook krijgt eiser een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Met het besluit van 6 maart 2024 heeft de minister eiser inburgeringsplichtig gesteld. Met de beslissing op bezwaar van 10 maart 2025 is de minister bij dit besluit gebleven.



2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.2.
In verband met de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding heeft de rechtbank de Staat der Nederlanden als partij aangemerkt. De minister van Justitie en Veiligheid hoeft niet in de gelegenheid te worden gesteld verweer te voeren.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.



2.4.
Na de zitting heeft de minister zoals op zitting afgesproken nog een stuk aan de rechtbank gestuurd. Eiser heeft hierop dezelfde dag gereageerd. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding het onderzoek te heropenen.




Beoordeling door de rechtbank



Het geschil

3. Eiser is een Turkse migrant. Hij verblijft sinds 2020 in Nederland. Eiser had in de periode 28 februari 2020 tot 31 maart 2023 een vergunning met verblijfsdoel Kennismigrant (verblijfscode 23). Vanaf 31 maart 2023 tot 31 maart 2028 heeft eiser een vergunning 301 Voortgezet Verblijf (verblijfscode 21).



3.1.
Sinds 1 januari 2022 is er een nieuw inburgeringsstelsel in Nederland in werking getreden. In artikel 3 van de Wet inburgering 2021 (Wib) staat dat de vreemdeling die rechtmatig verblijf verkrijgt in de zin van artikel 8, onderdelen a en c van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), die anders dan voor een tijdelijk doel in Nederland verblijft, inburgeringsplichtig is. Vóór 1 januari 2022 waren Turkse onderdanen uitgesloten van deze inburgeringsplicht omdat dit in strijd was met het associatierecht tussen de EU en Turkije.



3.2.
Aan eiser is bij kennisgeving van 6 maart 2024 meegedeeld dat hij inburgeringsplichtig is. De inburgeringstermijn is gestart op 18 oktober 2024 en eindigt op 17 oktober 2027.



3.3.
Tijdens de zitting heeft eiser de beroepsgrond over de bevoegdheid ingetrokken. De rechtbank bespreekt deze beroepsgrond daarom niet.



Had de minister zelf navraag moeten doen bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) naar de verblijfsstatus van eiser?

4. Eiser voert aan dat de minister navraag bij de IND had moeten doen naar zijn verblijfsstatus. Hij verwijst hierbij naar verschillende uitspraken van de Centrale Raad van Beroep en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Daarnaast verwijst hij naar een uitspraak van de Afdeling van 16 augustus 2006. Volgens eiser volgt uit deze uitspraken dat de minister een onderzoeksplicht heeft en onderzoek moet doen naar de juiste verblijfsstatus van eiser.




4.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat hij heeft voldaan aan de onderzoeksplicht zoals bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De IND is de aangewezen instantie om te beoordelen welke vergunning eiser krijgt en de minister mag zich hierop bij de uitvoering van de Wib baseren. Daarbij is de minister niet gehouden om eigen onderzoek te doen, tenzij evident is dat de minister van onjuiste informatie is uitgegaan. In dit geval heeft de minister naar aanleiding van het bezwaarschrift van eiser bij de IND geïnformeerd naar zijn verblijfshistorie. Ook blijkt uit de door eiser overgelegde stukken dat hij zelf een aanvraag voor voortgezet verblijf heeft ingediend.



4.2.
De beroepsgrond slaagt. Het klopt dat de minister contact heeft opgenomen met de IND, maar hij heeft daarbij in eerste instantie alleen gevraagd naar de verblijfshistorie van eiser. Vervolgens heeft de minister doorgevraagd en daarna vernomen dat eiser voor zichzelf en zijn echtgenote een aanvraag voortgezet verblijf op grond van artikel 6 van Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije (Besluit 1/80) heeft ingediend met als verblijfsdoel “U wilt in aanmerking komen voor een zelfstandige verblijfsvergunning – u bent op dit moment werknemer of gezinslid van een Turkse werknemer en hebt 3 jaar een van het familielid afhankelijke verblijfsvergunning (gehad).” De IND heeft de minister verder medegedeeld dat aan eiser en zijn vrouw een verblijfsvergunning onder de beperking ‘Niet-tijdelijke humanitaire gronden’ is verleend.


4.2.1.
Daarmee is niet voldaan aan de onderzoeksplicht die op hem rust. De minister had aan de IND moeten vragen of eiser al dan niet voldoet aan de voorwaarden voor een declaratoir recht op grond van artikel 6 van Besluit 1/80. Een dergelijk declaratoir verblijfsrecht is namelijk niet afhankelijk van een constitutief besluit van de IND. Als aan de voorwaarden is voldaan, vloeit het verblijfsrecht rechtstreeks voort uit het associatierecht. Dit declaratoir verblijfsrecht kan dus bestaan naast het verblijfsrecht dat eiser heeft op basis van zijn verblijfsvergunning met beperking “Niet-tijdelijke humanitaire gronden”. Dat zou anders zijn als er een besluit zou zijn waarin nadrukkelijk wordt geoordeeld dat eiser geen declaratoir verblijfsrecht heeft. Uit de berichtgeving van de IND volgt dat niet: er is geen besluit waarin dat is geoordeeld. De minister had dat dus moeten navragen bij de IND voordat hij kan vaststellen of eiser wel of niet inburgeringsplichtig is.



De overige beroepsgronden


5. Omdat wat onder 4 is overwogen ertoe leidt dat de minister een nieuw besluit moet nemen, komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van de overige beroepsgronden.



Verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn


6. Eiser heeft de dag voor de zitting een verzoek om vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn ingediend.




6.1.
In procedures als deze mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep bij de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar duren. Doorgaans zal geen sprake zijn van een overschrijding van de redelijke termijn, als de fase van bezwaar en beroep samen niet langer dan twee jaar heeft geduurd. Er kunnen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan een andere termijn dan twee jaar geldt.



6.2.
De termijn begint op 17 april 2024, de dag waarop het bezwaarschrift is ontvangen. De rechtbank heeft met deze uitspraak op het beroep beslist. Dit betekent dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met afgerond vijf maanden. Uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt de aan eiser toe te kennen schadevergoeding € 500. Omdat de termijnoverschrijding volledig is toe te rekenen aan de bezwaarfase wordt de minister veroordeeld tot betaling van € 500.




Conclusie en gevolgen


7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar omdat de beslissing op bezwaar onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd is. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om het geschil finaal te beslechten, omdat de minister nader onderzoek moet doen naar het declaratoir verblijfsrecht van eiser. De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak.



7.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden. Ook krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.344 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting en een wegingsfactor 1 plus 1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn met een wegingsfactor 0,5 en een waarde per punt van € 934). De door de gemachtigde gemaakte reiskosten worden niet vergoed. De reis- en verblijfskosten van een gemachtigde zijn volgens vaste rechtspraak reeds begrepen in de forfaitaire vergoeding en komen dus niet apart voor vergoeding in aanmerking.





Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt de beslissing op bezwaar van 10 maart 2025;


draagt de minister op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;


draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 53 te vergoeden;


veroordeelt de minister in de proceskosten tot een bedrag van € 2.344;


veroordeelt de minister tot betaling van € 500 aan eiser als immateriële schadevergoeding.







Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Stroink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Onder de minister worden hier ook verstaan de rechtsvoorgangers van de minister.


Zie de beleidsregel van 8 juli 2014, Staatscourant 2014, 20210.


Code 301 staat voor de beperking “Niet-tijdelijke humanitaire gronden”.


CRvB 28 juli 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:1658), ABRvS 25 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2514) en CRvB 29 juli 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BD8847).


ABRvS 16 augustus 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AY332).


O.a. CRvB 15 juni 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:1773).