Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:7105
2026-09-17
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ARN 25/2633
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Het beroep is ongegrond. Beëindiging van het ziekengeld. Het medisch onderzoek is zorgvuldig verricht en de medische belastbaarheid is juist vastgesteld.
Citeert (2)
- ECLI:NL:CRVB:2021:1289 Centrale Raad van Beroep 25-05-2021
- ECLI:NL:CRVB:2017:3214 Centrale Raad van Beroep 15-09-2017
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.258 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2633
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2026in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. K. Aslan),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van het ziekengeld van eiser per 20 mei 2024, dat hij op grond van de Ziektewet (ZW) heeft ontvangen. Eiser is het niet eens met de beëindiging. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV het ziekengeld van eiser terecht heeft beëindigd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het primaire besluit van 19 april 2024 is het ziekengeld van eiser per 20 mei 2024 beëindigd. Met het bestreden besluit van 6 mei 2025 op het bezwaar van eiser is het UWV bij de beëindiging gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Naar aanleiding van de door eiser in beroep ingebrachte medische informatie, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) aanvullend gerapporteerd.
2.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen daarmee akkoord zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser was in de periode van 13 februari 2022 tot 7 juli 2022 werkzaam als leerkracht in opleiding voor gemiddeld 32 uur per week. Zijn dienstverband is per 8 juli 2023 beëindigd. Op 1 november 2023 heeft eiser zich per 6 maart 2023 ziekgemeld met burn-out gerelateerde klachten, mede als gevolg van de ziekte van Pfeiffer. Naar aanleiding hiervan is aan eiser met ingang van 10 juli 2023 ziekengeld toegekend. Sinds november 2023 werkte eiser gedurende twee dagen per week, drie uren per dag als onderwijsassistent. In 2025 liep eiser stage bij een basisschool, gedurende twee dagen per week, vier uren per dag.
3.1.
In het kader van de eerstejaars Ziektewet-beoordeling heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. Naar aanleiding daarvan heeft de verzekeringsarts de belastbaarheid van eiser vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Vervolgens heeft een arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden. Op basis van de FML heeft de arbeidsdeskundige geconcludeerd dat eiser niet geschikt is voor zijn eigen arbeid, maar wel in staat moet worden geacht om de geselecteerde voorbeeldfuncties te verrichten. Hierna heeft het UWV met het primaire besluit het ziekengeld van eiser per 20 mei 2024 beëindigd, omdat eiser per 4 maart 2024 meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
3.2.
Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een medische beoordeling ten grondslag van de verzekeringsarts b&b en het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
Zorgvuldigheid van het medisch onderzoek
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is, omdat de verzekeringsarts b&b ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de informatie van mevrouw [persoon] van [instelling] . Volgens eiser blijkt uit de website van [instelling] dat [persoon] opleidingen heeft gevolgd op het gebied van psychologie en dat zij over een registratie van EMDR-therapeut beschikt. Ook blijkt uit het huisartsenjournaal dat eiser in het verleden door de huisarts naar haar is verwezen in verband met ‘rouwverwerking/emotionele stoornissen’. Dit maakt dus duidelijk dat er destijds een verwijzing heeft plaatsgevonden voor de basis-GGZ, wat duidelijk maakt dat eiser behandeld is door een psycholoog. De door [persoon] verstrekte informatie, waaronder de door eiser ingevulde vragenlijst waaruit blijkt dat sprake is van matig depressieve klachten en concentratieproblemen, had dan ook bij de beoordeling moeten worden betrokken.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze is verricht. Uit de medische rapportage van de verzekeringsarts b&b blijkt dat de medische voorgeschiedenis van eiser en de relevante omstandigheden van zijn aandoeningen daarin uitgebreid zijn beschreven. Daarbij is onder meer rekening gehouden met de door eiser in bezwaar verstrekte informatie, waaronder het huisartsenjournaal, de brieven van de internist-infectieoloog, de ergotherapeut en [persoon] . Voor zover eiser stelt dat [persoon] wel degelijk als psycholoog werkzaam is, behoeft dit geen verdere bespreking, aangezien de door haar verstrekte informatie kenbaar is betrokken bij de beoordeling. Daar komt nog bij dat het volgens vaste rechtspraak aan de verzekeringsarts is om de belastbaarheid van de verzekerde en de daaruit voortvloeiende beperkingen vast te stellen. Nog daargelaten dat uit het rapport van de verzekeringsarts b&b volgt dat de informatie van [persoon] expliciet is meegewogen, heeft de verzekeringsarts b&b mede gelet op de anamnese, observaties en het dagverhaal van eiser, geen aanwijzingen gezien voor psychische problematiek of verminderd cognitief functioneren. Voorts is niet gebleken dat de rapportage niet concludent is of inconsistenties bevat. De bevindingen en conclusies zijn op inzichtelijke wijze weergegeven en gemotiveerd en konden dus in zoverre aan het bestreden besluit ten grondslag worden gelegd.
Is de medische belastbaarheid juist vastgesteld?
5. Eiser stelt dat de vastgestelde beperkingen onvoldoende aansluiten bij de fysieke en mentale klachten die hij daadwerkelijk ervaart. Hoewel de diagnose Pfeiffer niet met zekerheid kan worden vastgesteld, heeft de internist geconcludeerd dat waarschijnlijk sprake is van een postvirale malaise, als gevolg van een doorgemaakte infectie. Daarmee is volgens eiser voldoende aannemelijk dat zijn klachten een medische grondslag hebben. Hij benadrukt dat volgens de vaste rechtspraak, niet de diagnose doorslaggevend is, maar de mate waarin de beperkingen ten aanzien van arbeid als gevolg van klachten objectief medisch kunnen worden opgebouwd. Dat geen definitieve diagnose is gesteld, mag daarom niet bepalend zijn. Eiser ervaart sinds 2023 aanhoudende klachten die hem in zijn dagelijks functioneren beperken en leiden tot fysieke beperkingen.
5.1
Eiser voert verder aan dat met name de vermoeidheidsklachten een aanzienlijke impact hebben op zijn dagelijks functioneren. Uit het huisartsenjournaal blijkt dat hij zich herhaaldelijk met aanhoudende vermoeidheidsklachten heeft gemeld en dat de huisarts bij meerdere consulten postvirale vermoeidheid heeft vermeld. Daarbij is genoteerd dat eiser al ruim een jaar vermoeidheidsklachten ervaart na een doorgemaakte infectie. De hiervoor ingezette ergotherapie heeft niet tot het gewenste resultaat geleid en de klachten zijn blijven bestaan. Eiser kan daarom de conclusie van de verzekeringsarts b&b dat vermoeidheidsklachten als gevolg van Pfeiffer slechts enkele maanden kunnen aanhouden niet volgen. Dat dit in algemene zin uit de literatuur zou blijken, betekent volgens hem niet dat dit ook voor zijn individuele situatie geldt. Uit de medische informatie blijkt immers dat zijn klachten langdurig aanhouden en hem ook feitelijk in zijn functioneren beperken. Zo lukt het hem vanwege zijn klachten niet om zijn benodigde stage-uren op te bouwen waardoor hij ook zijn opleiding niet kan afronden. Volgens eiser had daarom ook een urenbeperking moeten worden aangenomen. Daarnaast is volgens eiser in de FML geen rekening gehouden met zijn mentale klachten, waaronder prikkelgevoeligheid en concentratieproblemen. Ook uit de informatie van [persoon] blijkt dat deze beperkingen zijn onderschat. Daarom hadden aanvullende beperkingen moeten worden aangenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser verschillende medische stukken overgelegd.
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is niet gebleken dat de verzekeringsarts b&b een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van eiser en meer beperkingen had moeten aannemen. De verzekeringsarts b&b heeft inzichtelijk gemotiveerd op welke punten eiser beperkt is te achten en op welke punten niet. Daarbij is in het bijzonder rekening gehouden met zowel de fysieke als mentale klachten van eiser, waaronder de vermoeidheidsklachten. Daarbij is de informatie van de internist betrokken, waaruit volgt dat waarschijnlijk sprake is van postvirale malaise en mogelijk van een doorgemaakte Pfeiffer. De verzekeringsarts b&b heeft toegelicht dat volgens de medische literatuur de symptomen van Pfeiffer doorgaans binnen enkele weken herstellen en vermoeidheid nog enkele maanden kan aanhouden. Tegen deze achtergrond bestaan volgens hem onvoldoende aanknopingspunten om de door eiser ervaren klachten en beperkingen als een direct objectiveerbaar gevolg van ziekte of gebrek aan te merken. De enkele stelling dat de klachten bij eiser langer aanhouden dan gemiddeld, geeft onvoldoende aanleiding om aan die conclusie te twijfelen. Ook de in beroep overgelegde medische informatie geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Over de brieven van de revalidatiearts heeft de verzekeringsarts b&b gerapporteerd dat daarin de moeheidsklachten worden beschreven, maar geen objectieve medische oorzaak is vastgesteld en evenmin nader objectiverend onderzoek heeft plaatsgevonden, zoals een maximale inspanningstest, dan wel een maximale inspanningstest met ademgasanalyse (VO2 max) en hartfilmpje (ECG-registratie). Dat aan eiser later alsnog een revalidatiebehandeling is aangeboden vanwege aanhoudende klachten, leidt niet tot een ander oordeel. Deze behandeling is bijna een jaar na de datum in geding gestart, zodat daarin geen aanleiding ligt om vanwege de daarmee gemoeide behandeltijd een verdergaande urenbeperking aan te nemen. Ook de brief van 30 september 2025 bevat volgens de verzekeringsarts b&b geen nieuwe medische gegevens ten opzichte van de eerdere brieven. Hieruit blijkt dat de revalidatiebehandeling een goed effect heeft gehad, maar dat eiser momenteel meer klachten ervaart sinds de start van zijn stage. Dit beeld sluit aan bij de brief van de ergotherapeut van 17 september 2025 over het gevolgde revalidatietraject.
5.3.
Met betrekking tot de brief van internist-infectieoloog heeft de verzekeringsarts b&b gerapporteerd dat eiser sinds het eerdere consult rond de datum in geding niet opnieuw door deze internist is gezien of onderzocht. Volgens de verzekeringsarts b&b berust de inhoud van deze brief op dat eenmalige consult en komt deze overeen met de eerdere brieven van de internist-infectioloog van 17 mei 2024 en 22 mei 2024, waaruit volgt dat anamnestisch, biochemisch en bij lichamelijk onderzoek geen verklaring voor de klachten is gevonden. De verzekeringsarts b&b heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat deze brief geen nieuwe medische feiten of bevindingen bevat. Hoewel de internist opmerkt dat in uitzonderingsgevallen herstel langer kan duren en dat eiser mogelijk een dergelijke uitzondering vormt, is deze opmerking niet gebaseerd op nieuwe medische bevindingen. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door verzekeringsarts b&b vastgestelde belastbaarheid van eiser.
5.4.
De rechtbank heeft er begrip voor dat eiser klachten ervaart en dat deze klachten invloed hebben op zijn dagelijks functioneren. Deze klachten zijn door het UWV echter ook niet miskend. In de FML zijn immers reeds diverse beperkingen opgenomen rekening houdend met de klachten van eiser. Zo zijn er beperkingen aangenomen ten aanzien van deadlines en productiepieken, leidinggevende aspecten, bepaalde dynamische handelingen en werktijden. De vraag is dus niet zozeer of eiser de klachten ervaart, maar of sprake is van verdergaande beperkingen dan reeds zijn aangenomen. Volgens vaste rechtspraak zijn daarbij niet de ervaren klachten als zodanig doorslaggevend, maar de objectief medisch vast te stellen beperkingen die daaruit voortvloeien.
Arbeidsdeskundige beoordeling
6. Eiser heeft in beroep geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd tegen arbeidsdeskundige beoordeling. Uitgaande van de juistheid van de bij eiser vastgestelde medische beperkingen, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de geduide functies voor eiser niet geschikt zijn.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV het ziekengeld van eiser per 20 mei 2024 terecht heeft beëindigd. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, in aanwezigheid van mr. J. Mamedova, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De rapporten van 14 oktober 2025 en 4 augustus 2026.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Het besluit van 13 november 2023.
Het rapport van de arts (getoetst en geaccordeerd door de verzekeringsarts) van 11 maart 2024.
De FML van 11 maart 2024.
Het rapport van 16 april 2024.
Dit is één maand en één dag na dagtekening van het primaire besluit van 19 april 2024.
De rapporten van 9 april 2025 en 6 mei 2025.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 25 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1289.
Eiser verwijst in dit verband naar de consulten die plaatsvonden op 25 september 2023, 2 oktober 2023, 19 maart 2024 en 4 april 2024.
De brieven van revalidatiearts van 14 maart 2025, 13 juni 2025 en 30 september 2025, de brief van internist-infectioloog van 2 juni 2025, gericht aan de huisarts en de brief van [ergotherapeut] van 17 september 2025.
Zie bijvoorbeeld de uitspaak van de CRVB van 15 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3214.
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2633
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2026in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. K. Aslan),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van het ziekengeld van eiser per 20 mei 2024, dat hij op grond van de Ziektewet (ZW) heeft ontvangen. Eiser is het niet eens met de beëindiging. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV het ziekengeld van eiser terecht heeft beëindigd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het primaire besluit van 19 april 2024 is het ziekengeld van eiser per 20 mei 2024 beëindigd. Met het bestreden besluit van 6 mei 2025 op het bezwaar van eiser is het UWV bij de beëindiging gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Naar aanleiding van de door eiser in beroep ingebrachte medische informatie, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) aanvullend gerapporteerd.
2.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen daarmee akkoord zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser was in de periode van 13 februari 2022 tot 7 juli 2022 werkzaam als leerkracht in opleiding voor gemiddeld 32 uur per week. Zijn dienstverband is per 8 juli 2023 beëindigd. Op 1 november 2023 heeft eiser zich per 6 maart 2023 ziekgemeld met burn-out gerelateerde klachten, mede als gevolg van de ziekte van Pfeiffer. Naar aanleiding hiervan is aan eiser met ingang van 10 juli 2023 ziekengeld toegekend. Sinds november 2023 werkte eiser gedurende twee dagen per week, drie uren per dag als onderwijsassistent. In 2025 liep eiser stage bij een basisschool, gedurende twee dagen per week, vier uren per dag.
3.1.
In het kader van de eerstejaars Ziektewet-beoordeling heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. Naar aanleiding daarvan heeft de verzekeringsarts de belastbaarheid van eiser vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Vervolgens heeft een arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden. Op basis van de FML heeft de arbeidsdeskundige geconcludeerd dat eiser niet geschikt is voor zijn eigen arbeid, maar wel in staat moet worden geacht om de geselecteerde voorbeeldfuncties te verrichten. Hierna heeft het UWV met het primaire besluit het ziekengeld van eiser per 20 mei 2024 beëindigd, omdat eiser per 4 maart 2024 meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
3.2.
Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een medische beoordeling ten grondslag van de verzekeringsarts b&b en het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
Zorgvuldigheid van het medisch onderzoek
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is, omdat de verzekeringsarts b&b ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de informatie van mevrouw [persoon] van [instelling] . Volgens eiser blijkt uit de website van [instelling] dat [persoon] opleidingen heeft gevolgd op het gebied van psychologie en dat zij over een registratie van EMDR-therapeut beschikt. Ook blijkt uit het huisartsenjournaal dat eiser in het verleden door de huisarts naar haar is verwezen in verband met ‘rouwverwerking/emotionele stoornissen’. Dit maakt dus duidelijk dat er destijds een verwijzing heeft plaatsgevonden voor de basis-GGZ, wat duidelijk maakt dat eiser behandeld is door een psycholoog. De door [persoon] verstrekte informatie, waaronder de door eiser ingevulde vragenlijst waaruit blijkt dat sprake is van matig depressieve klachten en concentratieproblemen, had dan ook bij de beoordeling moeten worden betrokken.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze is verricht. Uit de medische rapportage van de verzekeringsarts b&b blijkt dat de medische voorgeschiedenis van eiser en de relevante omstandigheden van zijn aandoeningen daarin uitgebreid zijn beschreven. Daarbij is onder meer rekening gehouden met de door eiser in bezwaar verstrekte informatie, waaronder het huisartsenjournaal, de brieven van de internist-infectieoloog, de ergotherapeut en [persoon] . Voor zover eiser stelt dat [persoon] wel degelijk als psycholoog werkzaam is, behoeft dit geen verdere bespreking, aangezien de door haar verstrekte informatie kenbaar is betrokken bij de beoordeling. Daar komt nog bij dat het volgens vaste rechtspraak aan de verzekeringsarts is om de belastbaarheid van de verzekerde en de daaruit voortvloeiende beperkingen vast te stellen. Nog daargelaten dat uit het rapport van de verzekeringsarts b&b volgt dat de informatie van [persoon] expliciet is meegewogen, heeft de verzekeringsarts b&b mede gelet op de anamnese, observaties en het dagverhaal van eiser, geen aanwijzingen gezien voor psychische problematiek of verminderd cognitief functioneren. Voorts is niet gebleken dat de rapportage niet concludent is of inconsistenties bevat. De bevindingen en conclusies zijn op inzichtelijke wijze weergegeven en gemotiveerd en konden dus in zoverre aan het bestreden besluit ten grondslag worden gelegd.
Is de medische belastbaarheid juist vastgesteld?
5. Eiser stelt dat de vastgestelde beperkingen onvoldoende aansluiten bij de fysieke en mentale klachten die hij daadwerkelijk ervaart. Hoewel de diagnose Pfeiffer niet met zekerheid kan worden vastgesteld, heeft de internist geconcludeerd dat waarschijnlijk sprake is van een postvirale malaise, als gevolg van een doorgemaakte infectie. Daarmee is volgens eiser voldoende aannemelijk dat zijn klachten een medische grondslag hebben. Hij benadrukt dat volgens de vaste rechtspraak, niet de diagnose doorslaggevend is, maar de mate waarin de beperkingen ten aanzien van arbeid als gevolg van klachten objectief medisch kunnen worden opgebouwd. Dat geen definitieve diagnose is gesteld, mag daarom niet bepalend zijn. Eiser ervaart sinds 2023 aanhoudende klachten die hem in zijn dagelijks functioneren beperken en leiden tot fysieke beperkingen.
5.1
Eiser voert verder aan dat met name de vermoeidheidsklachten een aanzienlijke impact hebben op zijn dagelijks functioneren. Uit het huisartsenjournaal blijkt dat hij zich herhaaldelijk met aanhoudende vermoeidheidsklachten heeft gemeld en dat de huisarts bij meerdere consulten postvirale vermoeidheid heeft vermeld. Daarbij is genoteerd dat eiser al ruim een jaar vermoeidheidsklachten ervaart na een doorgemaakte infectie. De hiervoor ingezette ergotherapie heeft niet tot het gewenste resultaat geleid en de klachten zijn blijven bestaan. Eiser kan daarom de conclusie van de verzekeringsarts b&b dat vermoeidheidsklachten als gevolg van Pfeiffer slechts enkele maanden kunnen aanhouden niet volgen. Dat dit in algemene zin uit de literatuur zou blijken, betekent volgens hem niet dat dit ook voor zijn individuele situatie geldt. Uit de medische informatie blijkt immers dat zijn klachten langdurig aanhouden en hem ook feitelijk in zijn functioneren beperken. Zo lukt het hem vanwege zijn klachten niet om zijn benodigde stage-uren op te bouwen waardoor hij ook zijn opleiding niet kan afronden. Volgens eiser had daarom ook een urenbeperking moeten worden aangenomen. Daarnaast is volgens eiser in de FML geen rekening gehouden met zijn mentale klachten, waaronder prikkelgevoeligheid en concentratieproblemen. Ook uit de informatie van [persoon] blijkt dat deze beperkingen zijn onderschat. Daarom hadden aanvullende beperkingen moeten worden aangenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser verschillende medische stukken overgelegd.
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is niet gebleken dat de verzekeringsarts b&b een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van eiser en meer beperkingen had moeten aannemen. De verzekeringsarts b&b heeft inzichtelijk gemotiveerd op welke punten eiser beperkt is te achten en op welke punten niet. Daarbij is in het bijzonder rekening gehouden met zowel de fysieke als mentale klachten van eiser, waaronder de vermoeidheidsklachten. Daarbij is de informatie van de internist betrokken, waaruit volgt dat waarschijnlijk sprake is van postvirale malaise en mogelijk van een doorgemaakte Pfeiffer. De verzekeringsarts b&b heeft toegelicht dat volgens de medische literatuur de symptomen van Pfeiffer doorgaans binnen enkele weken herstellen en vermoeidheid nog enkele maanden kan aanhouden. Tegen deze achtergrond bestaan volgens hem onvoldoende aanknopingspunten om de door eiser ervaren klachten en beperkingen als een direct objectiveerbaar gevolg van ziekte of gebrek aan te merken. De enkele stelling dat de klachten bij eiser langer aanhouden dan gemiddeld, geeft onvoldoende aanleiding om aan die conclusie te twijfelen. Ook de in beroep overgelegde medische informatie geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Over de brieven van de revalidatiearts heeft de verzekeringsarts b&b gerapporteerd dat daarin de moeheidsklachten worden beschreven, maar geen objectieve medische oorzaak is vastgesteld en evenmin nader objectiverend onderzoek heeft plaatsgevonden, zoals een maximale inspanningstest, dan wel een maximale inspanningstest met ademgasanalyse (VO2 max) en hartfilmpje (ECG-registratie). Dat aan eiser later alsnog een revalidatiebehandeling is aangeboden vanwege aanhoudende klachten, leidt niet tot een ander oordeel. Deze behandeling is bijna een jaar na de datum in geding gestart, zodat daarin geen aanleiding ligt om vanwege de daarmee gemoeide behandeltijd een verdergaande urenbeperking aan te nemen. Ook de brief van 30 september 2025 bevat volgens de verzekeringsarts b&b geen nieuwe medische gegevens ten opzichte van de eerdere brieven. Hieruit blijkt dat de revalidatiebehandeling een goed effect heeft gehad, maar dat eiser momenteel meer klachten ervaart sinds de start van zijn stage. Dit beeld sluit aan bij de brief van de ergotherapeut van 17 september 2025 over het gevolgde revalidatietraject.
5.3.
Met betrekking tot de brief van internist-infectieoloog heeft de verzekeringsarts b&b gerapporteerd dat eiser sinds het eerdere consult rond de datum in geding niet opnieuw door deze internist is gezien of onderzocht. Volgens de verzekeringsarts b&b berust de inhoud van deze brief op dat eenmalige consult en komt deze overeen met de eerdere brieven van de internist-infectioloog van 17 mei 2024 en 22 mei 2024, waaruit volgt dat anamnestisch, biochemisch en bij lichamelijk onderzoek geen verklaring voor de klachten is gevonden. De verzekeringsarts b&b heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat deze brief geen nieuwe medische feiten of bevindingen bevat. Hoewel de internist opmerkt dat in uitzonderingsgevallen herstel langer kan duren en dat eiser mogelijk een dergelijke uitzondering vormt, is deze opmerking niet gebaseerd op nieuwe medische bevindingen. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door verzekeringsarts b&b vastgestelde belastbaarheid van eiser.
5.4.
De rechtbank heeft er begrip voor dat eiser klachten ervaart en dat deze klachten invloed hebben op zijn dagelijks functioneren. Deze klachten zijn door het UWV echter ook niet miskend. In de FML zijn immers reeds diverse beperkingen opgenomen rekening houdend met de klachten van eiser. Zo zijn er beperkingen aangenomen ten aanzien van deadlines en productiepieken, leidinggevende aspecten, bepaalde dynamische handelingen en werktijden. De vraag is dus niet zozeer of eiser de klachten ervaart, maar of sprake is van verdergaande beperkingen dan reeds zijn aangenomen. Volgens vaste rechtspraak zijn daarbij niet de ervaren klachten als zodanig doorslaggevend, maar de objectief medisch vast te stellen beperkingen die daaruit voortvloeien.
Arbeidsdeskundige beoordeling
6. Eiser heeft in beroep geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd tegen arbeidsdeskundige beoordeling. Uitgaande van de juistheid van de bij eiser vastgestelde medische beperkingen, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de geduide functies voor eiser niet geschikt zijn.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV het ziekengeld van eiser per 20 mei 2024 terecht heeft beëindigd. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, in aanwezigheid van mr. J. Mamedova, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De rapporten van 14 oktober 2025 en 4 augustus 2026.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Het besluit van 13 november 2023.
Het rapport van de arts (getoetst en geaccordeerd door de verzekeringsarts) van 11 maart 2024.
De FML van 11 maart 2024.
Het rapport van 16 april 2024.
Dit is één maand en één dag na dagtekening van het primaire besluit van 19 april 2024.
De rapporten van 9 april 2025 en 6 mei 2025.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 25 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1289.
Eiser verwijst in dit verband naar de consulten die plaatsvonden op 25 september 2023, 2 oktober 2023, 19 maart 2024 en 4 april 2024.
De brieven van revalidatiearts van 14 maart 2025, 13 juni 2025 en 30 september 2025, de brief van internist-infectioloog van 2 juni 2025, gericht aan de huisarts en de brief van [ergotherapeut] van 17 september 2025.
Zie bijvoorbeeld de uitspaak van de CRVB van 15 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3214.