Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:7050
2026-09-11
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ARN 26/4656
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
verzoek om voorlopige voorziening; last onder bestuursdwang; strijd met APV; geen aanleiding om aan te nemen dat besluit in bezwaar geen stand zal houden; verzoek wordt afgewezen
Citeert (6)
- ECLI:NL:RVS:2013:709 Raad van State 14-08-2013
- ECLI:NL:RBGEL:2019:3851 Rechtbank Gelderland 28-08-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:4977 Rechtbank Gelderland 06-11-2019
- ECLI:NL:RVS:2022:1491 Raad van State 25-05-2022
- ECLI:NL:RBGEL:2025:5045 Rechtbank Gelderland 30-06-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:5045 Rechtbank Gelderland 30-06-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.929 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/4656
uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 september 2026
in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berg en Dal
(gemachtigde: mr. G. Nanda).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van het college van 1 september 2026, waarbij aan verzoeker een last onder bestuursdwang is opgelegd. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Verzoeker is eigenaar van het perceel [adres] in [woonplaats] . Op zijn perceel groeit een haag. Deze haag zorgt volgens het college al meerdere jaren voor belemmering, hinder en gevaar voor het wegverkeer van de weg tussen het perceel van verzoeker en nummer [huisnummer] . Dit is een overtreding van artikel 2:15 van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Berg en Dal (APV). 2.1. Sinds 2011 zijn over deze haag diverse procedures gevoerd. Met het besluit van 25 oktober 2023 heeft het college verzoeker een last onder dwangsom opgelegd en gelast de overtreding van artikel 2:15, van de APV ongedaan te maken en de belemmering en de veroorzaakte hinder door de haag op te heffen. De rechtbank heeft bij uitspraak van 30 juni 2025 het hiertegen ingediende beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in deze uitspraak geoordeeld dat het college bevoegd was een last onder dwangsom op te leggen vanwege overtreding van artikel 2:15 van de APV en dat het college van die bevoegdheid moet gebruik maken. Verzoeker heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Daarop is nog niet beslist.
2.2.
Op 1 september 2026 heeft het college aan verzoeker een last onder bestuursdwang opgelegd en beslist de haag op kosten van verzoeker te snoeien om de overtreding te beëindigen. Uit informatie van verzoeker volgt dat het college voornemens is de haag op 15 september 2026 te snoeien.
2.3.
Verzoeker is het niet eens met de opgelegde last onder bestuursdwang en voert daartoe een aantal argumenten aan die overeenkomen met hetgeen hij in eerdere procedures heeft aangevoerd. Daar heeft de rechtbank al uitspraak op gedaan. De voorzieningenrechter gaat uit van de juistheid van deze uitspraak. Er is geen reden om nu in een voorlopige voorziening procedure tot een ander oordeel te komen. Hoewel die uitspraak zag op een last onder dwangsom is het oordeel van de rechtbank ook van toepassing op onderhavige opgelegde last onder bestuursdwang. In beide gevallen is immers sprake van een herstelsanctie gericht op het opheffen van de door verzoekers haag veroorzaakte belemmering, hinder en gevaar voor het wegverkeer van de weg tussen het perceel van verzoeker en nummer [huisnummer] .
2.4.
Dat betekent dat er geen reden is om aan te nemen dat het bestreden besluit in bezwaar geen stand zal houden. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is reeds daarom geen reden. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dan ook af.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd de uitspraak
te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie onder meer ECLI:NL:RVS:2013:709, ECLI:NL:RBGEL:2019:3851, ECLI:NL:RBGEL:2019:4977 en ECLI:NL:RVS:2022:1491.
ECLI:NL:RBGEL:2025:5045
ECLI:NL:RBGEL:2025:5045
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/4656
uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 september 2026
in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berg en Dal
(gemachtigde: mr. G. Nanda).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van het college van 1 september 2026, waarbij aan verzoeker een last onder bestuursdwang is opgelegd. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Verzoeker is eigenaar van het perceel [adres] in [woonplaats] . Op zijn perceel groeit een haag. Deze haag zorgt volgens het college al meerdere jaren voor belemmering, hinder en gevaar voor het wegverkeer van de weg tussen het perceel van verzoeker en nummer [huisnummer] . Dit is een overtreding van artikel 2:15 van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Berg en Dal (APV). 2.1. Sinds 2011 zijn over deze haag diverse procedures gevoerd. Met het besluit van 25 oktober 2023 heeft het college verzoeker een last onder dwangsom opgelegd en gelast de overtreding van artikel 2:15, van de APV ongedaan te maken en de belemmering en de veroorzaakte hinder door de haag op te heffen. De rechtbank heeft bij uitspraak van 30 juni 2025 het hiertegen ingediende beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in deze uitspraak geoordeeld dat het college bevoegd was een last onder dwangsom op te leggen vanwege overtreding van artikel 2:15 van de APV en dat het college van die bevoegdheid moet gebruik maken. Verzoeker heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Daarop is nog niet beslist.
2.2.
Op 1 september 2026 heeft het college aan verzoeker een last onder bestuursdwang opgelegd en beslist de haag op kosten van verzoeker te snoeien om de overtreding te beëindigen. Uit informatie van verzoeker volgt dat het college voornemens is de haag op 15 september 2026 te snoeien.
2.3.
Verzoeker is het niet eens met de opgelegde last onder bestuursdwang en voert daartoe een aantal argumenten aan die overeenkomen met hetgeen hij in eerdere procedures heeft aangevoerd. Daar heeft de rechtbank al uitspraak op gedaan. De voorzieningenrechter gaat uit van de juistheid van deze uitspraak. Er is geen reden om nu in een voorlopige voorziening procedure tot een ander oordeel te komen. Hoewel die uitspraak zag op een last onder dwangsom is het oordeel van de rechtbank ook van toepassing op onderhavige opgelegde last onder bestuursdwang. In beide gevallen is immers sprake van een herstelsanctie gericht op het opheffen van de door verzoekers haag veroorzaakte belemmering, hinder en gevaar voor het wegverkeer van de weg tussen het perceel van verzoeker en nummer [huisnummer] .
2.4.
Dat betekent dat er geen reden is om aan te nemen dat het bestreden besluit in bezwaar geen stand zal houden. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is reeds daarom geen reden. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dan ook af.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd de uitspraak
te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie onder meer ECLI:NL:RVS:2013:709, ECLI:NL:RBGEL:2019:3851, ECLI:NL:RBGEL:2019:4977 en ECLI:NL:RVS:2022:1491.
ECLI:NL:RBGEL:2025:5045
ECLI:NL:RBGEL:2025:5045