Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:7026

2026-09-10 Bestuursrecht; Omgevingsrecht ARN 26/2330
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-09-10
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ARN 26/2330
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoek om een voorlopige voorziening tegen een verleende omgevingsvergunning voor het legaliseren van de tijdelijke onzelfstandige bewoning door twee huishoudens in een woning. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af, omdat het bezwaar van verzoekster geen redelijke kans van slagen heeft.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.207 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummer: ARN 26/2330

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. V.W.J.H. Kobossen),


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lingewaard
(gemachtigde: mr. G. Ladjevardi).


Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [woonplaats] (vergunninghouder).



Samenvatting


1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor het legaliseren van de tijdelijke onzelfstandige bewoning door twee huishoudens van de woning gelegen aan de [adres] in Huissen.



1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af, omdat het bezwaar van verzoekster geen redelijke kans van slagen heeft. Anders dan verzoekster meent, is van een (evidente) privaatrechtelijke belemmering om deze omgevingsvergunning te verlenen geen sprake. Ook is niet gebleken dat haar belangen niet zijn betrokken bij de besluitvorming. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.




Procesverloop


2. Met het bestreden besluit van 16 april 2026 heeft het college deze omgevingsvergunning verleend. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.



2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 september 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van verzoekster, de gemachtigde van het college en vergunninghouder hebben deelgenomen aan de zitting.





Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter bespreekt hieronder eerst kort waar deze zaak over gaat. Daarna beoordeelt zij of er aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen. Daarvoor is van belang of het bezwaar van verzoekster een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan namelijk een reden zijn om het bestreden besluit bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen. Of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft, beoordeelt de voorzieningenrechter aan de hand van de gronden van verzoekster.



Waar gaat deze zaak over?


4. Op 26 maart 2026 heeft vergunninghouder een aanvraag ingediend bij het college voor een omgevingsvergunning voor het toestaan van onzelfstandige bewoning door twee huishoudens op de [adres] te Huissen voor een periode van tien (10) jaar. In artikel 21.1 van het bestemmingsplan Kom Huissen (dat onderdeel uitmaakt van het tijdelijk deel van het omgevingsplan) is bepaald dat inwoning is toegestaan mits maximaal 60 m2 van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw en de bijgebouwen voor inwoning worden gebruikt. Het maximaal toegestane oppervlakte voor inwoning wordt overschreden. Voor het toestaan van deze activiteit is dus een omgevingsvergunning voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit nodig. Bij besluit van 16 april 2026 heeft het college deze omgevingsvergunning verleend.


4.1.
Verzoekster verzet zich tegen deze ontwikkeling, omdat zij – kort samengevat – stelt dat zij de woning aan de [adres] in Huissen als zelfstandige woning huurt en zij niet geconfronteerd wil worden met, zoals zij dit zelf beschrijft, vreemden in haar woning.



Is sprake van een spoedeisend belang?

5. Verzoekster stelt dat sprake is van een spoedeisend belang. Vergunninghouder kan gebruik maken van de omgevingsvergunning en verzoekster wordt dan op korte termijn geconfronteerd met vreemden in haar huis. De beslissing op bezwaar kan niet afgewacht worden, aldus verzoekster. Het college daarentegen betwist dat sprake is van een spoedeisend belang en stelt dat de beslissing op bezwaar op korte termijn wordt genomen en dat het belang van verzoekster niet zó spoedeisend is dat zij dit besluit niet kan afwachten.




5.1.
Omdat partijen van mening verschillen over de vraag of sprake is van een spoedeisend belang, beoordeelt de voorzieningenrechter dat eerst.



5.2.
Voor het treffen van een voorlopige voorziening hangende de bezwaarprocedure bestaat alleen aanleiding als sprake is van een spoedeisend belang. Daarvan is sprake als de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht. Een beslissing op bezwaar kan niet worden afgewacht als er vóór die tijd onomkeerbare gevolgen ontstaan of dreigen te ontstaan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er in dit geval wel sprake is van een spoedeisend belang. De beslissing op bezwaar kan namelijk niet worden afgewacht. De gemachtigde van vergunninghouder heeft aangegeven dat er geen huurovereenkomst zal worden aangegaan met een derde vóórdat de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening heeft beslis. Vergunninghouder wacht de beslissing op bezwaar dus niet af. Verzoekster kan met deze procedure dus voorkomen dat een ander deel van het pand waarin zij woont verhuurd wordt voor bewoning door anderen vóórdat de beslissing op bezwaar is genomen. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van onverwijlde spoed als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).



Is sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering?

6. Verzoekster voert aan dat er sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering. In dat kader wijst zij op een huurovereenkomst, waarin de woning als zelfstandige woonruimte is aangeduid en is bepaald dat deze slechts door 1 persoon mag worden bewoond. Via de omgevingsvergunning wordt getracht een civielrechtelijk struikelblok weg te nemen, aldus verzoekster. Op zitting heeft de gemachtigde van verzoekster nog toegelicht dat het college door vergunninghouder onjuist dan wel onvolledig geïnformeerd is in de aanvraag, omdat daarin niet wordt benoemd dat verzoekster de woning zelfstandig verhuurt. In de aanvraag staat juist vermeld dat het om onzelfstandige bewoning door twee huishoudens gaat.




6.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat een privaatrechtelijke belemmering slechts in de weg staat aan de verlening van een omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van het omgevingsplan als deze privaatrechtelijke belemmering een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is namelijk de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit.



6.2.
Verzoekster stelt dat uit de huurovereenkomst volgt dat haar woning niet mag worden verhuurd als onzelfstandige woning en dat daarom sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering. De voorzieningenrechter volgt verzoekster hierin niet. Daarvoor is het volgende van belang.



6.3.
In de huurovereenkomst zijn (onder meer) de volgende bepalingen opgenomen:




‘Het gehuurde artikel 1



Verhuurder verhuurt aan huurder die in huur aanneemt de woning, gelegen aan de [adres] te Huissen, inclusief onroerende aanhorigheden en inclusief het medegebruik van de om het complex eventueel gelegen groenstroken, en tuinen die als onroerende aanhorigheid zijn te beschouwen en het medegebruik van eventueel gemeenschappelijke ruimten, hier te noemen: “het gehuurde”





De bestemming van het gehuurde Artikel 2



Het gehuurde is uitsluitend bestemd om voor huurder als woonruimte te dienen. En mag slechts door
één persoon
bewoond worden.’




6.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Uit bovenstaande bepalingen blijkt weliswaar dat ‘het gehuurde door één persoon mag worden gewoond’, maar onvoldoende duidelijk is echter wat onder het gehuurde moet worden verstaan. Verzoekster en vergunninghouder verschillen daar ook uitdrukkelijk over van mening. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet (zonder meer) uit artikel 1 van de huurovereenkomst kan worden afgeleid dat het deel van de begane grond, waar eerder een logopediepraktijk gevestigd was en waar nu onzelfstandige bewoning wordt toegestaan, onder het gehuurde valt. Daarvoor biedt artikel 1 op voorhand geen concrete aanknopingspunten. Wat onder het gehuurde verstaan dient te worden vergt dan ook uitleg en reeds daarom is van een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter geen sprake. Dat de titel van het huurcontract is ‘Huurcontract zelfstandige woonruimte’ maakt dat niet anders.



6.5.

Omdat niet vaststaat wat onder het gehuurde verstaan dient te worden, kan ook niet gesteld worden dat het college in de aanvraag onvolledig of onjuist geïnformeerd is door in de aanvraag op te nemen dat het om onzelfstandige bewoning door twee huishoudens gaat.
De bezwaargrond heeft dan ook geen redelijke kans van slagen.




Zijn de belangen van verzoekster voldoende meegewogen?

7. Verzoekster voert aan dat met haar belangen geen rekening is gehouden, waardoor de besluitvorming onrechtmatig is.




7.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster slechts in algemene zin heeft gesteld dat geen rekening is gehouden met haar belangen, maar dat zij dit standpunt niet verder heeft onderbouwd. Voor zover zij doelt op het feit dat zij de woning zelfstandig huurt en dat het college daarom van vergunningverlening af had moeten zien, verwijst de voorzieningenrechter naar dat wat is overwogen onder 6 en verder.



7.2.

Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter nog op dat het college de belangen van verzoekster wel degelijk in de besluitvorming heeft betrokken. Zoals het college ook terecht stelt, blijkt uit de motivering van het bestreden besluit dat betrokken is dat reeds jarenlang sprake is van kamergewijze bewoning in het pand. In zoverre mist de stelling van verzoekster ook feitelijke grondslag. In de beslissing op bezwaar kan het college eventueel nog verder ingaan op de belangen die verzoekster in bezwaar heeft aangedragen.
De bezwaargrond heeft geen redelijke kans van slagen.





Conclusie en gevolgen


8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, omdat het bezwaar van verzoekster geen redelijke kans van slagen heeft.



8.1.
Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaan dan ook geen aanleiding.






Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.














griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

ABRvS 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4449. Deze uitspraak is weliswaar gebaseerd op de Wabo (en dus op het oude recht), maar de voorzieningenrechter is van oordeel dat deze rechtspraak ook onverkort toegepast kan worden onder de Omgevingswet.