Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:7021
2026-09-09
Bestuursrecht
ARN 26/4005
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoek voorlopige voorziening met betrekking tot een omgevingsvergunning voor een dakterras. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af omdat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft. Er zijn geen gronden om de vergunning te weigeren en daarom moest het college de aangevraagde omgevingsvergunning verlenen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2022:328 Raad van State 02-02-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.605 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/4005
uitspraak van de voorzieningenrechter van
in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Als derde-partij neemt aan het geding deel: [persoon] , uit [woonplaats] .
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de aan de derde-partij verleende omgevingsvergunning voor een dakterras. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hij stelt als eerste vast dat eiseres, naar aanleiding van de door het college vermelde rechtsmiddelenclausule, ten onrechte bezwaar heeft gemaakt tegen de verleende vergunning. Dit bezwaar had door het college doorgezonden moeten worden naar de rechtbank om als beroep te laten behandelen. De voorzieningenrechter zal het verzoek dan ook behandelen als een verzoek gedaan hangende een beroep. Dat verzoek wijst de voorzieningenrechter af omdat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft. Er zijn geen gronden om de vergunning te weigeren en daarom moest het college de aangevraagde omgevingsvergunning verlenen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. De derde-partij heeft op 5 november 2025 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een dakterras op de schuur achter de woning [adres 1] in [woonplaats] . Deze aanvraag heeft het college in eerste instantie op 7 januari 2026 geweigerd. Daartegen heeft de derde-partij bezwaar gemaakt, wat in de beslissing op bezwaar van 5 augustus 2026 gegrond is verklaard. Daarbij heeft het college op 4 augustus 2026 een herstelbesluit genomen en de omgevingsvergunning alsnog verleend.
2.1.
Verzoekster woont in de benedenwoning op het buurperceel [adres 2] . Haar tuin grenst direct aan de schuur waar het dakterras op komt. Zij heeft bezwaar gemaakt tegen de vergunning van 4 augustus 2026 en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van het college en de derde-partij.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Had verzoekster bezwaar moeten maken of beroep instellen?
3. De Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat tegen de meeste besluiten eerst bezwaar openstaat, waarna tegen de beslissing op dat bezwaar desgewenst beroep kan worden ingesteld. Op grond van artikel 7:11 van de Awb moet bij de beslissing op bezwaar ook een heroverweging plaatsvinden. Het is niet zo dat als de heroverweging leidt tot een heel andere uitkomst dan het eerdere besluit, er tegen die nieuwe uitkomst weer bezwaar gemaakt kan worden. Tegen die beslissing staat dan beroep open.
3.1.
In dit geval heeft het college het bezwaar van de derde-partij tegen de weigering om hem een vergunning te verlenen op 5 augustus 2026 gegrond verklaard en, in een besluit gedateerd 4 augustus 2026, de gevraagde vergunning alsnog verleend. Deze alsnog verleende vergunning moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter worden gezien als onderdeel van de heroverweging in het kader van de beslissing op bezwaar. Dit volgt ook die beslissing op bezwaar waarin is opgemerkt dat de vergunning daar deel van uitmaakt. Dat betekent dat tegen de beslissing op bezwaar en de daarvan deel uitmakende vergunning, ook voor verzoekster, beroep open stond en niet bezwaar.
3.2.
Tijdens de zitting heeft gemachtigde van het college toegelicht dat door te kiezen voor een nieuw primair besluit aan verzoekster de mogelijkheid wordt geboden om bezwaar in te dienen tegen dat besluit. Anders heeft verzoekster volgens het college niet de mogelijkheid gehad om bezwaar in te dienen tegen het besluit. Verzoekster heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij ook graag wil dat haar bezwaarschrift door het college wordt behandeld en dat er tijdens die procedure iemand op haar perceel naar de situatie komt kijken. Dit vormt echter geen reden om alsnog de bezwaarfase open te stellen omdat dat in strijd zou zijn met artikel 7:11 van de Awb en ook zou inhouden dat het college (en de bezwarenadviescommissie) twee keer in bezwaar over dezelfde vraag zou moeten oordelen. Het college heeft op de zitting nog gewezen op artikel 6:13 van de Awb waaruit volgens hem zou volgen dat verzoekster geen beroep kon instellen omdat zij geen bezwaar had gemaakt. Dat is niet juist omdat artikel 6:13 van de Awb slechts bepaalt dat ‘een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen […] bezwaar heeft gemaakt’ geen beroep kan instellen. Aan verzoekster kan niet worden verweten dat zij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de aanvankelijke weigering om een vergunning te verlenen. Daar was zij het immers mee eens. Zij kon dus wel beroep instellen tegen het alsnog verlenen van die vergunning in de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter merkt hierbij nog op dat hij het verzoekster niet verwijt dat zij geen beroep heeft ingesteld, maar bezwaar heeft gemaakt. Het college had in de alsnog verleende vergunning immers ten onrechte opgenomen dat daartegen bezwaar gemaakt kon worden.
3.3.
Vervolgens stelt de voorzieningenrechter vast dat het college het door verzoekster ingediende bezwaar naar de rechtbank had moeten doorzenden om als beroep behandeld te worden. Dat is niet gebeurd maar nu de rechtbank kennis heeft genomen van dit bezwaarschrift en van het feit dat het als beroepschrift had moeten worden aangemerkt, zal de rechtbank het als beroep laten registreren. Hierover zullen partijen nog worden geïnformeerd. Het ingediende verzoekschrift zal als een verzoek hangende dat beroep worden behandeld.
Het inhoudelijke betoog van verzoekster
4. Verzoekster verzoekt om het besluit van 4 augustus 2026 bij wijze van voorlopige
voorziening te schorsen totdat op haar beroepschrift tegen dit besluit is beslist. Daarnaast verzoekt verzoekster om te bepalen dat gedurende deze schorsing geen werkzaamheden mogen worden uitgevoerd die betrekking hebben op het vergunde dakterras en de daarbij behorende vaste trap.
Verzoekster voert de volgende punten aan. Het dakterras geeft rechtstreeks zicht op haar volledige tuin, vanaf het terras én vanaf de geplande vaste trap ontstaat inkijk in haar woning en ontstaat rechtstreeks zicht op haar openslaande deuren en haar zitkamer aan de tuinzijde. Verzoekster stelt dat hierdoor haar privacy en woongenot structureel worden aangetast. Verder heeft het bouwplan gevolgen voor het daglicht, de avondzon en het gebruik van de tuin. Doordat het dakterras op een losstaande garage/schuur wordt gerealiseerd, verschilt de situatie wezenlijk van andere dakterrassen waarnaar wordt verwezen. Daarnaast wordt het dakterras te dicht bij de erfgrens gerealiseerd, zodat sprake is van strijd met artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en van een privaatrechtelijke belemmering. Volgens verzoekster bestaat er geen effectieve privacyafscherming door de aanwezige boom. Verzoekster geeft ook aan dat zij vindt dat de feitelijke situatie ter plaatse onvoldoende lijkt te zijn onderzocht. Volgens verzoekster zegt een beoordeling vanuit de openbare weg onvoldoende over de directe gevolgen voor haar achtertuin en woning. Verzoekster is van mening dat de belangenafweging bij het verlenen van de omgevingsvergunning in haar voordeel had moeten uitpakken.
Standpunt van het college
5. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanvraag past binnen het omgevingsplan en dat er een positief welstandsadvies ligt. Daarom is volgens het college geen sprake van een grond voor weigering en moest het college de omgevingsvergunning verlenen.
Het toetsingskader
6. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de beoordelingsregels opgenomen voor een aanvraag om een omgevingsplanactiviteit. In artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met bepaalde, daar genoemde regels. Dit betreft onder meer regels van welstand en de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Als aan de regels is voldaan, is sprake van een gebonden beschikking. Dat betekent dat het college dan gehouden is de omgevingsvergunning te verlenen.
6.1.
In dit geval speelt de vraag of de aanvraag voldoet aan de regels van het omgevingsplan. Met de inwerkingtreding van Omgevingswet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan voor de hele gemeente. Dat omgevingsplan bestaat nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waar de werkzaamheden worden uitgevoerd, was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Klarendal - Sint Marten 2012” van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Arnhem
6.2.
De percelen hebben in dat bestemmingsplan de enkelbestemming “Wonen” (artikel 15). Op grond van artikel 15.2, onder a en b, van de planregels mogen daarbij passende bijgebouwen worden gebouwd, met een maximum bouwhoogte gelijk aan de goothoogte van het hoofdgebouw, waarbij de goothoogte van bijgebouwen niet meer mag bedragen dan de hoogte van de begane-grondbouwlaag van de hoofdbebouwing.
Heeft het college de omgevingsvergunning moeten verlenen?
7. Uit de stukken en de zitting volgt dat het nu al aanwezige bijgebouw (de schuur) waarop het dakterras gebouwd zal worden, een goothoogte heeft van ongeveer 2,76 meter. De vergunninghouder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de goothoogte van de schuur niet hoger is dan de hoogte van de begane-grondbouwlaag van de hoofdbebouwing. Dit heeft verzoekster ook niet inhoudelijk betwist. Duidelijk is ook dat de totale bouwhoogte van de schuur, dus inclusief het hekwerk, niet hoger is dan de goothoogte van het hoofdgebouw. Dat betekent dat het bouwplan binnen het omgevingsplan past.
Daarnaast ligt er een positief welstandsadvies van de Commissie Omgevingskwaliteit van 24 november 2025. Er is daarom geen sprake van een weigeringsgrond. Zoals hiervoor overwogen is dus sprake van een gebonden beschikking. Het college moest daarom de gevraagde omgevingsvergunning verlenen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat het college bij een gebonden beschikking geen ruimte heeft om de omgevingsvergunning op andere gronden, zoals een belangenafweging of het bestaan van een privaatrechtelijke belemmering, te weigeren. Dat betekent dat de voorzieningenrechter ook niet zal ingaan op het betoog van verzoekster over daglicht, schaduwwerken en privacy, of het beroep op artikel 5:50 BW.
Conclusie en gevolgen
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster geen gelijk krijgt en de omgevingsvergunning niet wordt geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Dijkman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Dit volgt artikel 6:15, eerste en tweede lid, van de Awb.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het limitatief-imperatieve stelsel van weigeringsgronden inhoudelijk niet gewijzigd gelet op artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 22.29 van het omgevingsplan.
Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
ECLI:NL:RVS:2022:328.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/4005
uitspraak van de voorzieningenrechter van
in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Als derde-partij neemt aan het geding deel: [persoon] , uit [woonplaats] .
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de aan de derde-partij verleende omgevingsvergunning voor een dakterras. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hij stelt als eerste vast dat eiseres, naar aanleiding van de door het college vermelde rechtsmiddelenclausule, ten onrechte bezwaar heeft gemaakt tegen de verleende vergunning. Dit bezwaar had door het college doorgezonden moeten worden naar de rechtbank om als beroep te laten behandelen. De voorzieningenrechter zal het verzoek dan ook behandelen als een verzoek gedaan hangende een beroep. Dat verzoek wijst de voorzieningenrechter af omdat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft. Er zijn geen gronden om de vergunning te weigeren en daarom moest het college de aangevraagde omgevingsvergunning verlenen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. De derde-partij heeft op 5 november 2025 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een dakterras op de schuur achter de woning [adres 1] in [woonplaats] . Deze aanvraag heeft het college in eerste instantie op 7 januari 2026 geweigerd. Daartegen heeft de derde-partij bezwaar gemaakt, wat in de beslissing op bezwaar van 5 augustus 2026 gegrond is verklaard. Daarbij heeft het college op 4 augustus 2026 een herstelbesluit genomen en de omgevingsvergunning alsnog verleend.
2.1.
Verzoekster woont in de benedenwoning op het buurperceel [adres 2] . Haar tuin grenst direct aan de schuur waar het dakterras op komt. Zij heeft bezwaar gemaakt tegen de vergunning van 4 augustus 2026 en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van het college en de derde-partij.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Had verzoekster bezwaar moeten maken of beroep instellen?
3. De Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat tegen de meeste besluiten eerst bezwaar openstaat, waarna tegen de beslissing op dat bezwaar desgewenst beroep kan worden ingesteld. Op grond van artikel 7:11 van de Awb moet bij de beslissing op bezwaar ook een heroverweging plaatsvinden. Het is niet zo dat als de heroverweging leidt tot een heel andere uitkomst dan het eerdere besluit, er tegen die nieuwe uitkomst weer bezwaar gemaakt kan worden. Tegen die beslissing staat dan beroep open.
3.1.
In dit geval heeft het college het bezwaar van de derde-partij tegen de weigering om hem een vergunning te verlenen op 5 augustus 2026 gegrond verklaard en, in een besluit gedateerd 4 augustus 2026, de gevraagde vergunning alsnog verleend. Deze alsnog verleende vergunning moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter worden gezien als onderdeel van de heroverweging in het kader van de beslissing op bezwaar. Dit volgt ook die beslissing op bezwaar waarin is opgemerkt dat de vergunning daar deel van uitmaakt. Dat betekent dat tegen de beslissing op bezwaar en de daarvan deel uitmakende vergunning, ook voor verzoekster, beroep open stond en niet bezwaar.
3.2.
Tijdens de zitting heeft gemachtigde van het college toegelicht dat door te kiezen voor een nieuw primair besluit aan verzoekster de mogelijkheid wordt geboden om bezwaar in te dienen tegen dat besluit. Anders heeft verzoekster volgens het college niet de mogelijkheid gehad om bezwaar in te dienen tegen het besluit. Verzoekster heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij ook graag wil dat haar bezwaarschrift door het college wordt behandeld en dat er tijdens die procedure iemand op haar perceel naar de situatie komt kijken. Dit vormt echter geen reden om alsnog de bezwaarfase open te stellen omdat dat in strijd zou zijn met artikel 7:11 van de Awb en ook zou inhouden dat het college (en de bezwarenadviescommissie) twee keer in bezwaar over dezelfde vraag zou moeten oordelen. Het college heeft op de zitting nog gewezen op artikel 6:13 van de Awb waaruit volgens hem zou volgen dat verzoekster geen beroep kon instellen omdat zij geen bezwaar had gemaakt. Dat is niet juist omdat artikel 6:13 van de Awb slechts bepaalt dat ‘een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen […] bezwaar heeft gemaakt’ geen beroep kan instellen. Aan verzoekster kan niet worden verweten dat zij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de aanvankelijke weigering om een vergunning te verlenen. Daar was zij het immers mee eens. Zij kon dus wel beroep instellen tegen het alsnog verlenen van die vergunning in de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter merkt hierbij nog op dat hij het verzoekster niet verwijt dat zij geen beroep heeft ingesteld, maar bezwaar heeft gemaakt. Het college had in de alsnog verleende vergunning immers ten onrechte opgenomen dat daartegen bezwaar gemaakt kon worden.
3.3.
Vervolgens stelt de voorzieningenrechter vast dat het college het door verzoekster ingediende bezwaar naar de rechtbank had moeten doorzenden om als beroep behandeld te worden. Dat is niet gebeurd maar nu de rechtbank kennis heeft genomen van dit bezwaarschrift en van het feit dat het als beroepschrift had moeten worden aangemerkt, zal de rechtbank het als beroep laten registreren. Hierover zullen partijen nog worden geïnformeerd. Het ingediende verzoekschrift zal als een verzoek hangende dat beroep worden behandeld.
Het inhoudelijke betoog van verzoekster
4. Verzoekster verzoekt om het besluit van 4 augustus 2026 bij wijze van voorlopige
voorziening te schorsen totdat op haar beroepschrift tegen dit besluit is beslist. Daarnaast verzoekt verzoekster om te bepalen dat gedurende deze schorsing geen werkzaamheden mogen worden uitgevoerd die betrekking hebben op het vergunde dakterras en de daarbij behorende vaste trap.
Verzoekster voert de volgende punten aan. Het dakterras geeft rechtstreeks zicht op haar volledige tuin, vanaf het terras én vanaf de geplande vaste trap ontstaat inkijk in haar woning en ontstaat rechtstreeks zicht op haar openslaande deuren en haar zitkamer aan de tuinzijde. Verzoekster stelt dat hierdoor haar privacy en woongenot structureel worden aangetast. Verder heeft het bouwplan gevolgen voor het daglicht, de avondzon en het gebruik van de tuin. Doordat het dakterras op een losstaande garage/schuur wordt gerealiseerd, verschilt de situatie wezenlijk van andere dakterrassen waarnaar wordt verwezen. Daarnaast wordt het dakterras te dicht bij de erfgrens gerealiseerd, zodat sprake is van strijd met artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en van een privaatrechtelijke belemmering. Volgens verzoekster bestaat er geen effectieve privacyafscherming door de aanwezige boom. Verzoekster geeft ook aan dat zij vindt dat de feitelijke situatie ter plaatse onvoldoende lijkt te zijn onderzocht. Volgens verzoekster zegt een beoordeling vanuit de openbare weg onvoldoende over de directe gevolgen voor haar achtertuin en woning. Verzoekster is van mening dat de belangenafweging bij het verlenen van de omgevingsvergunning in haar voordeel had moeten uitpakken.
Standpunt van het college
5. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanvraag past binnen het omgevingsplan en dat er een positief welstandsadvies ligt. Daarom is volgens het college geen sprake van een grond voor weigering en moest het college de omgevingsvergunning verlenen.
Het toetsingskader
6. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de beoordelingsregels opgenomen voor een aanvraag om een omgevingsplanactiviteit. In artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met bepaalde, daar genoemde regels. Dit betreft onder meer regels van welstand en de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Als aan de regels is voldaan, is sprake van een gebonden beschikking. Dat betekent dat het college dan gehouden is de omgevingsvergunning te verlenen.
6.1.
In dit geval speelt de vraag of de aanvraag voldoet aan de regels van het omgevingsplan. Met de inwerkingtreding van Omgevingswet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan voor de hele gemeente. Dat omgevingsplan bestaat nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waar de werkzaamheden worden uitgevoerd, was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Klarendal - Sint Marten 2012” van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Arnhem
6.2.
De percelen hebben in dat bestemmingsplan de enkelbestemming “Wonen” (artikel 15). Op grond van artikel 15.2, onder a en b, van de planregels mogen daarbij passende bijgebouwen worden gebouwd, met een maximum bouwhoogte gelijk aan de goothoogte van het hoofdgebouw, waarbij de goothoogte van bijgebouwen niet meer mag bedragen dan de hoogte van de begane-grondbouwlaag van de hoofdbebouwing.
Heeft het college de omgevingsvergunning moeten verlenen?
7. Uit de stukken en de zitting volgt dat het nu al aanwezige bijgebouw (de schuur) waarop het dakterras gebouwd zal worden, een goothoogte heeft van ongeveer 2,76 meter. De vergunninghouder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de goothoogte van de schuur niet hoger is dan de hoogte van de begane-grondbouwlaag van de hoofdbebouwing. Dit heeft verzoekster ook niet inhoudelijk betwist. Duidelijk is ook dat de totale bouwhoogte van de schuur, dus inclusief het hekwerk, niet hoger is dan de goothoogte van het hoofdgebouw. Dat betekent dat het bouwplan binnen het omgevingsplan past.
Daarnaast ligt er een positief welstandsadvies van de Commissie Omgevingskwaliteit van 24 november 2025. Er is daarom geen sprake van een weigeringsgrond. Zoals hiervoor overwogen is dus sprake van een gebonden beschikking. Het college moest daarom de gevraagde omgevingsvergunning verlenen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat het college bij een gebonden beschikking geen ruimte heeft om de omgevingsvergunning op andere gronden, zoals een belangenafweging of het bestaan van een privaatrechtelijke belemmering, te weigeren. Dat betekent dat de voorzieningenrechter ook niet zal ingaan op het betoog van verzoekster over daglicht, schaduwwerken en privacy, of het beroep op artikel 5:50 BW.
Conclusie en gevolgen
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster geen gelijk krijgt en de omgevingsvergunning niet wordt geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Dijkman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Dit volgt artikel 6:15, eerste en tweede lid, van de Awb.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het limitatief-imperatieve stelsel van weigeringsgronden inhoudelijk niet gewijzigd gelet op artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 22.29 van het omgevingsplan.
Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
ECLI:NL:RVS:2022:328.