Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:7019

2026-09-18 Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht ARN 25/2826 en 25/3242
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-09-18
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ARN 25/2826 en 25/3242
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvragen kindgebonden budget. Aanvragen terecht afgewezen omdat deze (ver) buiten de wettelijke termijn zijn ingediend.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.194 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummers: ARN 25/2826 en 25/3242

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2026


in de zaken tussen


[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,


en


de Dienst Toeslagen
(gemachtigde: mr. C. van Twillert).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen van de toeslagpartner van eiser voor kindgebonden budget over 2014 tot en met 2023. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvragen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen de aanvragen mocht afwijzen, omdat die (ver) buiten de wettelijke termijn zijn ingediend. De beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaken. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.





Procesverloop


2. In deze zaken is tot de uitspraak van de rechtbank op hoofdlijnen het volgende gebeurd.



2.1.

[persoon] heeft op 7 april 2025 kindgebonden budget over 2023 aangevraagd. De Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag met het besluit van 25 april 2023 afgewezen.



2.2.

[persoon] heeft bezwaar gemaakt tegen het niet toekennen van kindgebonden budget over 2014 tot en met 2023.



2.3.
Met het besluit van 11 juni 2025 (BOB O 40 H) is de Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag over 2023 gebleven.


2.4.
Met het besluit van 11 juni 2025 (BOB NOGB H) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar over de jaren 2014 tot en met 2022 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de Dienst Toeslagen daarover nog niet eerder een beslissing heeft genomen. De Dienst Toeslagen heeft daarbij opgemerkt dat hij die beslissing alsnog zal nemen.



2.5.
Met het besluit van 11 juni 2025 (BTSL-67a) heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag voor kindgebonden budget over 2014 tot en met 2022 afgewezen.



2.6.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de drie besluiten van 11 juni 2025.



2.7.
De Dienst Toeslagen heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.



2.8.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en hen gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.





Beoordeling door de rechtbank


3. De rechtbank legt hierna uit waarom zij de beroepen van eiser ongegrond verklaart.




Beroep tegen het besluit van 11 juni 2025 (BOB NOGB H) / ARN 25/2826



3.1.
Met dit besluit heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar over de jaren 2014 tot en met 2022 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de Dienst Toeslagen daarover nog niet eerder een beslissing heeft genomen. Eiser heeft hiertegen wel beroep ingesteld, maar de juistheid van dit standpunt verder niet bestreden. De rechtbank is het verder ook met de Dienst Toeslagen eens dat hij niet anders kon dan het bezwaar in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren, omdat er op dat moment nog geen eerder besluit was genomen over het kindgebonden budget over 2014 tot en met 2022.



Beroep tegen de besluiten van 11 juni 2025 (BOB O 40 H en BTSL-67a) / ARN 25/3242


Rechtstreeks beroep tegen het besluit van 11 juni 2025 (BTSL-67a)




3.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 11 juni 2025 (BOB O 40 H). Hij heeft daarnaast rechtstreeks beroep ingesteld tegen het besluit van 11 juni 2025 (BTSL-67a). Dat laatste is formeel gezien alleen mogelijk als eiser eerst bezwaar maakt bij de Dienst Toeslagen en daarbij verzoekt om in te stemmen met rechtstreeks beroep. Eiser heeft dat niet gedaan, wat formeel gezien tot gevolg moet hebben dat de rechtbank het beroepschrift van eiser in zoverre aan de Dienst Toeslagen moet sturen om als bezwaarschrift te behandelen. Maar de Dienst Toeslagen heeft voorgesteld om het beroep van eiser in zoverre ook inhoudelijk te behandelen. Partijen hebben hun standpunten hierover inmiddels al inhoudelijk gewisseld, en de Dienst Toeslagen heeft geen bezwaar tegen een inhoudelijke behandeling. De rechtbank is het met de Dienst Toeslagen eens dat in dit geval rechtstreeks beroep tegen het besluit van 11 juni 2025 (BTSL-67a) mogelijk moet zijn. De rechtbank betrekt daarbij dat eiser duidelijk in zijn beroepschrift heeft staan dat hij ook beroep instelt tegen het besluit van 11 juni 2025 (BTSL-67a) en daarmee dus een oordeel van de rechtbank daarover wil hebben. De rechtbank is dan ook van oordeel dat daarom ook het beroep van eiser tegen het besluit van 11 juni 2025 (BTSL-67a) inhoudelijk kan worden behandeld.



Inhoudelijke beoordeling van de besluiten van 11 juni 2025 (BOB O 40 H en BTSL-67a)




3.3.
De rechtbank stelt vast dat de aanvragen van de toeslagpartner van eiser te laat zijn ingediend. In de wet – zoals die gold op 11 juni 2025 – staat dat kindgebonden budget over een kalenderjaar kan worden aangevraagd tot 1 september van het daaropvolgende jaar. Ofwel: kindgebonden budget over 2023 kan worden aangevraagd tot 1 september 2024. De aanvragen van de toeslagpartner van eiser over alle jaren zijn na die datum ontvangen, en daarmee dus te laat ingediend. Eiser stelt dit ook niet ter discussie.



3.4.
Eiser vindt desondanks dat zijn aanvragen inhoudelijk moeten worden beoordeeld.


3.4.1.
Eiser wijst – samengevat – op het volgende. Allereerst heeft de Dienst Toeslagen niet voldaan aan zijn (morele) verplichting om eiser en zijn toeslagpartner actief te wijzen op het bestaan van het kindgebonden budget. Dit terwijl de Belastingdienst wel ieder jaar burgers actief benadert om aangifte inkomstenbelasting te doen en daar ook reclame voor maakt. Ook wist de Dienst Toeslagen volgens eiser dat eiser en zijn toeslagpartner recht hadden op kindgebonden budget. Eiser vindt het niet geloofwaardig dat de Dienst Toeslagen zegt dat zijn toeslagpartner eerder is geïnformeerd, omdat zij die informatiebrieven nooit heeft ontvangen. Verder hebben eiser en zijn toeslagpartner op dit moment een betalingsachterstand van ruim € 13.000 bij de Belastingdienst die voorkomen had kunnen worden als zij wel het aangevraagde kindgebonden budget hadden gekregen. Eiser berekent dat hij € 40.000 aan ondersteuning is misgelopen. Eiser hoeft niet dit volledige bedrag te ontvangen, maar zou al geholpen zijn als de betalingsachterstand bij de Belastingdienst kan worden ingelost. Ook wijst eiser op zijn gezinssituatie. Een van de drie kinderen van eiser en zijn toeslagpartner is zorgintensief, wat vereist dat er constant één ouder thuis moet zijn. Daardoor kunnen eiser en zijn toeslagpartner minder werken en is er minder gezinsinkomen. Eiser doet een beroep op een humane benadering vanuit de instanties en de rechtbank, om het hele plaatje echt te zien en te onderkennen en zich niet te beroepen op regeltjes achteraf. Rechtspraak is groter dan dat en niet zwart wit. Eiser hoopt dat dit deel dan ook wordt meegenomen in de beoordeling.



3.4.2.
De Dienst Toeslagen vindt dat hij de aanvragen terecht heeft afgewezen. Hij wijst erop dat aan de toeslagpartner van eiseres op 9 december 2013 een brief is gestuurd waarin staat dat haar toen lopende aanvraag voor kindgebonden budget niet werd verlengd. Daarin staat ook dat als zij meent wel (weer) recht te hebben op kindgebonden budget, dat zij dat moet aanvragen. Eiser stelt nu dat die brief nooit is ontvangen, maar het is voor de Dienst Toeslagen niet mogelijk om zich daar ruim tien jaar later nog tegen te verweren. De Dienst Toeslagen wijst er verder op dat er geen wettelijke verplichting bestaat op grond waarvan hij eiser dan wel zijn toeslagpartner had moeten informeren over het bestaan van kindgebonden budget. Overigens is dat laatste in dit geval wel (onverplicht) gebeurd. Op 10 december 2019 heeft de Dienst Toeslagen aan de toeslagpartner van eiser een brief gestuurd waarin staat dat zij vanaf 2020 mogelijk in aanmerking kwam voor kindgebonden budget, omdat de inkomensgrenzen voor mogelijke rechthebbenden met een partner in dat jaar hoger kwamen te liggen. Dat eiser stelt dat ook deze brief niet is ontvangen, maakt de zaak voor de Dienst Toeslagen niet anders. De reden daarvoor is dat er geen verplichting voor de Dienst Toeslagen was om die brief te versturen. Tot slot vindt de Dienst Toeslagen het invoelbaar dat eiser in zijn situatie alsnog het aangevraagde kindgebonden budget kan ontvangen. Maar hier is al meerdere keren over geprocedeerd. De hoogste bestuursrechter heeft al geoordeeld dat voor de wettelijke termijn voor het aanvragen van kindgebonden budget door de wetgever bewust een harde grens is gesteld. Een afwijking van de wettelijke termijn is alleen mogelijk als de wetgever iets essentieels over het hoofd heeft gezien, maar dat betekent niet dat de wetgever met elke individuele situatie rekening had moeten houden.




3.5.
De rechtbank vindt dat de Dienst Toeslagen de aanvragen van eiseres terecht heeft afgewezen, omdat er geen grond was om de te laat ingediende aanvragen alsnog in behandeling te nemen.


3.5.1.
Eiser wijst er terecht op dat rechtspraak niet zwart-wit is, en dat het ook van belang is dat de rechtbank naar het hele plaatje kijkt. Dat doet zij ook. Maar het is niet zo dat de rechterlijke macht onbegrensd is en dat de rechtbank dus kan doen waar zij zelf zin in heeft. Nederland is een democratische rechtsstaat, wat betekent dat er een scheiding van (en evenwicht tussen) de drie staatsmachten is. De wetgever maakt wetten, de regering voert die uit en de rechter controleert of de wetgever en de regering zich daarbij aan het recht houden. Vanwege de machtenscheiding (en het machten-evenwicht) is ook de rechter daarbij gebonden aan regels. Zo niet, dan zou de rechter alle staatsmacht naar zich toe kunnen trekken. Dan is er geen machtenscheiding (en machten-evenwicht) meer, en houdt de democratische rechtsstaat op te bestaan.



3.5.2.
Een van de regels waarmee de rechterlijke macht wordt begrensd, is dat de rechter wetgeving en daarbij door de wetgever gemaakte politiek-bestuurlijke afwegingen in principe moet respecteren. Dat kan anders zijn, als de wetgever met het vaststellen van een bepaalde regel in strijd handelt met hoger recht, zoals (mensenrechten)verdragen. Een andere (ook door de Dienst Toeslagen genoemde) uitzondering is als de wetgever bij het vaststellen van een bepaalde wettelijke regeling iets essentieels over het hoofd heeft gezien. Het is zeer uitzonderlijk als dat laatste wordt aangenomen, en de Dienst Toeslagen wijst er ook terecht op dat dit niet betekent dat de wetgever met elke individuele situatie rekening moet houden.



3.5.3.
Eiser gaat er allereerst vanuit dat de Dienst Toeslagen verplicht was om hem dan wel zijn toeslagpartner te informeren over hun (mogelijke) recht op kindgebonden budget. Maar een dergelijke wettelijke verplichting bestaat niet. Wel is het zo dat de Dienst Toeslagen de ontvanger van toeslagen moet informeren als (naar aanleiding van een eerdere aanvraag) een toeslag niet langer wordt toegekend. De rechtbank vindt het aannemelijk dat de Dienst Toeslagen daaraan heeft voldaan in het geval van (de toeslagpartner van) eiser met het versturen van de brief van 9 december 2013. De enkele stelling van eiser dat zijn toeslagpartner geen brief heeft ontvangen, is voor de rechtbank onvoldoende om anders te oordelen. Maar ook al zou deze brief niet zijn verzonden, dan is het ook zo dat eiser (en zijn toeslagpartner) een eigen verantwoordelijkheid hebben om zich te informeren over financiële tegemoetkomingen door de overheid. Nergens blijkt uit dat eiser hier invulling aan heeft gegeven. Ook volgt uit de brief van 9 december 2013 dat de toeslagpartner van eiseres eerder kindgebonden budget heeft ontvangen dan wel aangevraagd. Gelet daarop kan de rechtbank niet zondermeer volgen dat (de toeslagpartner van) eiser niet op de hoogte zou zijn van het bestaan van kindgebonden budget. Eiser vindt ook dat de Dienst Toeslagen een morele verplichting heeft om hem te informeren. Maar (alleen) de wetgever gaat erover om in dit verband verplichtingen aan de Dienst Toeslagen op te leggen. En van een wettelijke informatieplicht is – zoals gezegd – geen sprake.



3.5.4.
De rechtbank is het met de Dienst Toeslagen eens dat het in eisers situatie heel invoelbaar is dat hij probeert om via het verkrijgen van kindgebonden budget zijn betalingsachterstand bij de Belastingdienst in te lossen. Maar de Dienst Toeslagen heeft ook gelijk dat de wettelijke aanvraagtermijn een heel duidelijke keuze van de wetgever is geweest, en dat die ook weloverwogen heeft gekozen voor een harde grens. De wetgever heeft daarbij ook expliciet overwogen dat aanvragen die na de termijn zijn ingediend niet meer in behandeling moeten worden genomen. Die keuze moet de rechtbank in principe ook respecteren. Eiser heeft niet gesteld dat de wettelijke regels over de uiterste aanvraagtermijn in strijd zijn met hoger recht, en dat is de rechtbank ook niet gebleken. Voor zover eiser stelt dat er in zijn situatie iets uitzonderlijks aan de hand is waar de wetgever geen rekening mee heeft gehouden en heeft kunnen houden, volgt de rechtbank dat niet. Eiser en zijn toeslagpartner hebben een heel verdrietige gezinssituatie, met zorgen over de gezondheid van een van hun kinderen en daar bovenop ook nog eens geldzorgen. Het alsnog ontvangen van het kindgebonden budget zou in ieder geval die laatste zorg kunnen wegnemen of verlichten. Maar hoe verdrietig ook, uitzonderlijk is dat niet. In Nederland zijn er helaas veel meer mensen die in een dergelijke situatie zitten. Het is dan aan de wetgever om te bekijken of voor die gevallen de wet moet worden aangepast. De rechtbank gaat daar niet over. De rechtbank moet controleren of de Dienst Toeslagen zich aan het geldende recht heeft gehouden, en dat is het geval.






Conclusie en gevolgen


4. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.




Beslissing


De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Stroink, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.



Artikel 8:1, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Artikel 7:1a, eerste lid, van de Awb.


Artikel 6:15, eerste lid, van de Awb.


Artikel 8:54a van de Awb.


Artikel 15, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Per 1 januari 2026 is de uiterste termijn aangepast naar: tot en met 31 december. Voor de beoordeling van het beroep van eiser maakt dat geen verschil.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) 16 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3125, overweging 10.1.2.


Afdeling 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772, overwegingen 9.6. en 9.10.


Dat volgt onder andere uit artikel 120 van de Grondwet en artikel 11 van de Wet algemene bepalingen.


Artikel 15, zesde lid, van de Awir.


Kamerstukken II 2004-05, 29764, nr. 3, p. 18-19.


Kamerstukken II 2004-05, 29764, nr. 3, p. 47.