Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:6990

2026-07-30 Civiel recht K/5001/466254
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-07-30
Publicatiedatum
2026-09-09
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
K/5001/466254
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; INS-Updates.nl 2026-0217

Inhoudsindicatie

Beroep ex artikel 67 Fw tegen de beschikking van de rechter-commissaris waarin hij het verzoek van gefailleerde, om de curator te gebieden hoger beroep in te stellen, afwijst. Bekrachtiging beschikking rechter-commissaris.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.271 tekens)
RECHTBANK
GELDERLAND



Civiel recht



Zittingsplaats Arnhem



Zaaknummer / rekestnummer: C/05/466254 HA RK 26/64




Beschikking van 30 juli 2026




Deze beschikking wordt gegeven naar aanleiding van het op 20 april 2026 ter griffie van de rechtbank ingekomen beroepschrift ex artikel 67 van de Faillissementswet (Fw) van:





[appellante] ,
verblijvende te [verblijfplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: [appellante] ,
advocaat: mr. M.M. van der Marel






1De feiten en het verloop van de procedure


1.1.
Bij vonnis van 27 november 2012 van deze rechtbank is [appellante] in staat van faillissement verklaard. [curator] (hierna: de curator) is daarbij tot curator aangesteld. Nu is mr. S. Boot (hierna: de rechter-commissaris) rechter-commissaris in het faillissement van [appellante] .



1.2.
Op 11 maart 2026 heeft de meervoudige belastingkamer van deze rechtbank vonnis gewezen ten aanzien van de aanslagen Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2009 tot en met 2012 van [appellante] .



1.3.

[appellante] heeft de curator verzocht hoger beroep in te stellen tegen dit vonnis. De curator heeft op 10 april 2026 laten weten niet voornemens te zijn hoger beroep in te stellen.



1.4.
Bij verzoek ex artikel 69 Fw van 15 april 2026 heeft [appellante] zich tot de rechter-commissaris gewend met het verzoek de curator te gebieden om tijdig hoger beroep in te (laten) stellen tegen de uitspraak van de meervoudige belastingkamer van de Rechtbank Gelderland, locatie Arnhem van 11 maart 2026. In dat verzoek staat, voor zover hier van belang, het volgende:



“[…]



3. [appellante] heeft bij schrijven d.d. 2 april 2026 en 8 april 2026 aan de curator laten weten dat hij hoger beroep wilt instellen tegen de uitspraak omdat de curator ten onrechte de notulen van de buitengewone aandeelhoudersvergadering van […] [bedrijf] B.V. d.d. 16 maart 2007 en een kopie van forensisch onderzoeksrapport over de authenticiteit daarvan, niet in het geding heeft gebracht. […]


4. Indien de notulen waren ingediend dan had de Rechtbank het belastbaar inkomen ten aanzien van alle fiscale jaren naar nihil bijgesteld.


5. In zijn schrijven d.d. 10 april 2026 stelt de curator dat authenticiteit van de notulen ter discussie staat, hetgeen [appellante] uitdrukkelijk betwist. De curator gaat met standpunt bovendien voorbij aan het forensisch rapport d.d. 9 april 2021 waarin de authenticiteit van de notulen wordt bevestigd, in die zin dat wordt geconcludeerd dat de resultaten van het onderzoek extreem veel waarschijnlijker zijn wanneer hypothese 1 (document kan zijn vervaardigd op de datum van dagtekening) waar is dan wanneer hypothese 2 (document kan niet zijn vervaardigd op de datum van dagtekening) waar is. […]”




1.5.
De curator heeft bij brief van diezelfde datum op het verzoek van [appellante] aan de rechter-commissaris gereageerd.



1.6.
Op 16 april 2026 heeft de rechter-commissaris het verzoek van [appellante] afgewezen. In die beschikking staat, voor zover hier van belang, het volgende:



“U heeft mij verzocht de curator te gebieden om hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, meervoudige belastingkamer d.d. 11 maart 2026. Dat verzoek wijs ik af.





U stelt dat de curator ten onrechte een bepaald stuk niet in het geding heeft gebracht in de procedure in eerste aanleg. Daarbij gaat het om de notulen van de BAVA gedateerd op 16 maart 2007. De status van dit stuk is herhaaldelijk onderwerp in onze correspondentie geweest. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, afdeling strafrecht, is in zijn arrest d.d. 2 december 2022 duidelijk geweest: de notulen zijn niet in 2007 opgemaakt. Uit de onderbouwing van het Hof blijkt dat de strafkamer van het Hof ervan uitgaat dat het stuk van (veel) latere datum is. Het is met andere woorden: geantedateerd/ vervalst. Ik had en heb geen reden om aan dit oordeel te twijfelen en dat heb ik u in het verleden herhaaldelijk medegedeeld, laatstelijk in mijn brief aan de heer [appellante] van 27 februari 2025. Het is een stuk dat niet geschikt is om als onderbouwing te kunnen dienen voor welk argument in welke gerechtelijke procedure ook. […]





Ik acht het niet in het belang van de gezamenlijke crediteuren om de curator te gebieden om hoger beroep in te stellen tegen de uitspraak van de rechtbank.”





1.7.

[appellante] heeft op 20 april 2026 hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechter-commissaris van 16 april 2026. Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 10 juli 2026.





2De beoordeling


2.1.
Op grond van artikel 67 Fw staat tegen een beschikking van de rechter-commissaris gedurende vijf dagen hoger beroep open. Het beroepschrift is op 20 april 2026 ter griffie van deze rechtbank binnengekomen en richt zich tegen de beschikking van 16 april 2026. Het beroepschrift is dus binnen de in artikel 67 lid 1 Fw gestelde termijn ontvangen. Daarmee komt de rechtbank toe aan een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.



2.2.
Het hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking van de rechter-commissaris in het kader van haar toezichthoudende taak; daarom dient de rechtbank terughoudend te toetsen (zie: HR 17-05-2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3645). Dat wil zeggen dat de rechtbank alleen beoordeelt of de rechter-commissaris in redelijkheid tot haar beslissing heeft kunnen komen.



2.3.
Op 15 april 2026 heeft [appellante] aan de rechter-commissaris verzocht de curator te gebieden om tijdig hoger beroep in te (laten) stellen tegen de hiervoor onder 1.2. genoemde uitspraak van de belastingrechter. De curator heeft gesteld dat hij – in verband met het onderhavige hoge beroep tegen de beschikking van de rechter-commissaris – inmiddels tijdig “pro forma” hoger beroep tegen die uitspraak heeft ingesteld, en dit is door [appellante] niet betwist. De rechtbank begrijpt het verzoek van [appellante] aldus dat onder hoger beroep in (laten) stellen mede wordt verstaan het daadwerkelijk inhoudelijk (voort)procederen in hoger beroep. Het door de curator reeds ingestelde “pro forma” hoger beroep tegen de uitspraak van de belastingrechter maakt daarom niet dat [appellante] geen belang meer heeft bij toewijzing van zijn verzoek.



2.4.
Het verzoek gaat evenwel niet over de wijze waarop de curator moet procederen en ook niet over hetgeen door de curator in hoger beroep (inhoudelijk) naar voren moet worden gebracht.



2.5.


[appellante] heeft tijdens de mondelinge behandeling en in zijn eigen verklaring, die door hem als productie 5 in het geding is gebracht, uitgebreid uiteengezet wat in het kader van het hoger beroep tegen de uitspraak van de meervoudige belastingkamer van de rechtbank zou moeten worden aangevoerd en waarom dat zou leiden tot een ander resultaat in die procedure. Dit zal de rechtbank niet bij haar oordeel betrekken; het gaat in het onderhavige hoger beroep immers alleen om de gronden die door [appellante] aan zijn verzoek aan de rechter-commissaris ten grondslag zijn gelegd, te weten dat de curator ten onrechte het dateringsrapport van ID Solutions van 9 april 2021 in de procedure in eerste aanleg bij de belastingkamer niet in het geding heeft gebracht, en niet om de in het kader van deze procedure nader genoemde gronden. [appellante] heeft aan zijn hoger beroep tegen de beslissing van de rechter-commissaris niet (ook) ten grondslag gelegd dat de notulen van de bijzondere vergadering van aandeelhouders van [bedrijf] B.V. van 16 maart 2016 zélf (hierna: de [bedrijf] -notulen) niet zouden zijn overgelegd in de procedure bij de belastingkamer (zoals hij nog wel schreef in het verzoek aan de rechter-commissaris); zijn klacht ziet alleen op het bovengenoemde rapport van ID Solutions van
9 april 2021 (hierna kortheidshalve aangeduid als “het dateringsrapport”). Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de [bedrijf] -notulen zelf door de curator wel in de procedure bij de belastingrechter zijn overgelegd.




2.6.

De rechtbank begrijpt hetgeen [appellante] in het kader van dit hoger beroep heeft aangevoerd aldus, dat hij zich op het standpunt stelt dat de rechter-commissaris in redelijkheid niet had kunnen besluiten zijn verzoek tot het geven van het gevraagde bevel aan de curator af te wijzen, omdat in de procedure in eerste aanleg bij de belastingrechter een deskundigenrapport buiten het geding is gebleven dat, indien de belastingrechter daarvan had kennisgenomen, tot een andere (voor [appellante] en de boedel gunstiger) uitkomst had geleid, in die zin dat de rechtbank het belastbaar inkomen ten aanzien van alle fiscale jaren naar nihil zou hebben bijgesteld. De rechtbank volgt [appellante] niet in dat standpunt.
Nog daargelaten in hoeverre het door [appellante] verzochte bevel van de rechter-commissaris, indien dat zou zijn of worden gegeven, er zonder meer toe zou leiden dat het dateringsrapport in het hoger beroep bij de belastingrechter in het geding zou worden gebracht, en eveneens daargelaten of een ander oordeel over de authenticiteit van de [bedrijf] -notulen tot nihilstelling van het belastbaar inkomen zou hebben geleid, heeft [appellante] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat het in een hoger beroep in het geding brengen van het dateringsrapport tot een andere uitkomst van de procedure bij de belastingkamer zou leiden. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het dateringsrapport, anders dan door [appellante] is betoogd, namelijk niet worden afgeleid dat de [bedrijf] -notulen authentiek zijn. In dit dateringsrapport is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:




“Teneinde daarmee onderscheid te kunnen maken tussen de onderzoekshypothesen:





H1: Het document kan op basis van de gebruikte printtechnieken zijn vervaardigd op de datum waarop het document is gedagtekend.





H2: Het document kan op basis van de gebruikte printtechnieken niet zijn vervaardigd op de datum waarop het document is gedagtekend.





(…)





De resultaten van het onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.”




Hieruit volgt hooguit dat, gelet op de gebruikte printtechniek, niet onmogelijk is dat de [bedrijf] -notulen zijn vervaardigd op de datum waarop het document is gedagtekend, maar niet dat ze ook op die datum zijn vervaardigd, laat staan dat daaruit zonder meer volgt dat de [bedrijf] -notulen authentiek zijn. De hiervoor weergegeven conclusie in het dateringsrapport kan kortom hooguit worden beschouwd als ontkrachting van één mogelijke contra-indicatie ten aanzien van de authenticiteit van de [bedrijf] -notulen.




2.7.

[appellante] stelt nog dat als het dateringsrapport wel zou zijn overgelegd in de procedure bij de meervoudige belastingkamer, de belastingdienst haar verweer, dat de [bedrijf] -notulen niet authentiek zouden zijn, in dat geval nader had moeten onderbouwen, en dat dit tot een andere uitkomst van de procedure had geleid. De rechtbank volgt [appellante] ook hierin niet. In de procedure bij de belastingkamer is immers wel het (overkoepelende) onderzoeksrapport van Forensicon naar de printtechniek van 14 april 2021 ingebracht. In dit onderzoeksrapport zijn de hiervoor onder 2.6. geciteerde onderzoekshypothesen en conclusie van het dateringsonderzoek van ID Solutions van 9 april 2021 integraal en prominent opgenomen. Dit brengt met zich dat de meervoudige belastingkamer reeds kennis heeft kunnen nemen van (in ieder geval) de uitkomst van het dateringsonderzoek.



2.8.
Reeds op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de rechter-commissaris in redelijkheid niet tot haar (afwijzende) beschikking heeft kunnen komen. Dit alles nog daargelaten de vragen of de rechter-commissaris in het kader van haar toezichthoudende taak bevoegd zou zijn geweest de curator te instrueren met betrekking tot de in hoger beroep bij de belastingkamer te nemen procesbeslissingen en welk gewicht in dat kader zou moet worden toegekend aan het belang van [appellante] bij de uitkomst van de fiscale procedure, mede gelet op de belangen van de gezamenlijke schuldeisers.



2.9.
De rechtbank merkt ten overvloede nog op dat uit de verklaringen van [appellante] (schriftelijk en op de mondelinge behandeling) is gebleken dat het hem er, naast het aanvechten van de belastingaanslagen, om te doen is om in rechte vastgesteld te zien worden dat de [bedrijf] -notulen authentiek zijn, omdat het gerechtshof in een tegen hem gevoerde strafzaak hierover volgens [appellante] een verkeerd oordeel heeft gegeven. Dat is echter niet een belang dat de rechter-commissaris bij haar beslissing heeft meegewogen of heeft moeten meewegen, en de onderhavige procedure is er ook niet voor bedoeld om dergelijke belangen te dienen. De rechtbank kan en zal die belangen dan ook niet bij deze beslissing betrekken.



2.10.
De conclusie is dat het hoger beroep wordt verworpen en de beslissing van de rechter-commissaris dus in stand blijft.





3De beslissing


De rechtbank verwerpt het beroep van [appellante] .











Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boerwinkel en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026.





!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!





!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!


























!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!








Waarmee in dit geval wordt bedoeld: op nader aan te voeren gronden.