Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:6981

2026-09-03 Strafrecht 05-132661-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-09-03
Publicatiedatum
2026-09-09
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
05-132661-26
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van een inbraak (diefstal met braak/verbreking) in een tankstation waarbij sigaretten zijn gestolen. Bekennende verdachte. Art. 63 Sr van toepassing. TS 90 uur, GVS 1 maand voorwaardelijk proeftijd 3 jaar en oplegging bijzondere voorwaarden. Voor civiele vordering zonder kvk-uittreksel: geen reden te twijfelen dat de persoon die aangifte heeft gedaan en directeur van de BV was, gemachtigd is om een vordering benadeelde partij in te dienen. Beslaglijst ontbreekt, niet duidelijk onder wie goederen in beslag zijn genomen (onder verdachte, mededader of onbekende mededader), kan rb geen beslissing over nemen en niet toegehouden conform art. 353 sv.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (25.268 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND




Team strafrecht



Zittingsplaats: Arnhem



Parketnummer: 05/132661-26
Datum uitspraak : 3 september 2026



Tegenspraak




vonnis van de meervoudige kamer




in de zaak van




de officier van justitie




tegen





[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1986 in [geboorteplaats] (Marokko),
wonende aan [adres] te [woonplaats] .



Raadsman mr. S.C. van Klaveren, advocaat te Amsterdam



Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.





1De inhoud van de tenlastelegging


Aan verdachte is ten laste gelegd dat:



hij op of omstreeks 7 mei 2026 te Epe, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, bij/uit een [Tankstation]
(gelegen aan [adres] )
een grote hoeveelheid sigaretten en shag (ter waarde van ongeveer € 10.000,-), in elk
geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan B.V. [bedrijf] en/of [aangever]
, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)
toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk
toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de
plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen
voornoemd onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak,
verbreking, inklimming.




2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs





Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte zich – samen met de medeverdachte en een nog onbekende derde – schuldig heeft gemaakt aan de inbraak van het tankstation, zoals ten laste is gelegd.




Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.




Beoordeling door de rechtbank


Bekennende verdachte

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.



Bewijsmiddelen:



het proces-verbaal van aangifte van de heer [aangever] , p. 80;


het proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 16-20;


het proces-verbaal van bevindingen, p. 82-83;


het proces-verbaal van bevindingen, p. 165-167 en


- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 augustus 2026.




3De bewezenverklaring


Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:



hij op of omstreeks 7 mei 2026 te Epe, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, uit/bij een [Tankstation] (gelegen aan de Hoofdstraat 204) een grote hoeveelheid sigaretten en shag (ter waarde van ongeveer € 10.000,-), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan B.V. [bedrijf] en/of [aangever] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen voornoemd onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en verbreking, inklimming.



Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.



Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.





4De kwalificatie van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde levert op:




diefstal door meer verenigde personen waarbij de schuldigen zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak/verbreking.






5De strafbaarheid van het feit


Het feit is strafbaar.





6De strafbaarheid van de verdachte


Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.





7De overwegingen ten aanzien van straf



Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren waarvan 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van de reeds ondergane voorlopige hechtenis. Daaraan dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering.




Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gelet op de persoonlijke omstandigheden en onder verwijzing naar de oriëntatiepunten van de LOVS verzocht om aan verdachte een taakstraf op te leggen voor de duur van 120 uren met aftrek van de reeds ondergane hechtenis, waarvan 60 uren voorwaardelijk. Wat betreft de bijzondere voorwaarden wordt verwezen naar het advies van de reclassering.




De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.




Ernst van het feit

Verdachte had geldzorgen en heeft kennelijk om die reden samen met anderen een inbraak gepleegd bij een tankstation. Daarbij is een grote hoeveelheid rookwaren buitgemaakt, die een aanzienlijke waarde vertegenwoordigde. Verdachte heeft zo blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor andermans goederen. Verdachte en zijn medeverdachten hebben in het tankstation ingebroken door de toegangsdeuren te vernielen en zij hebben ook ín het tankstation schade veroorzaakt. Dit brengt voor de eigenaar nog meer kosten met zich en ook een hoop geregel. Die schade, maar ook de kosten van maatregelen om dergelijke inbraken te voorkomen, komen uiteindelijk voor rekening van de klant. Dit alles maakt het bewezenverklaarde zeer kwalijk.



Waar verdachte aanvankelijk koos voor een beroep op zijn zwijgrecht heeft hij bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting een bekennende verklaring afgelegd. Desalniettemin heeft verdachte geen volledige openheid van zaken gegeven. Zo heeft hij niet willen verklaren over de buit van de inbraak die tot op heden nog altijd spoorloos is noch heeft hij willen vertellen wie de derde, nog altijd onbekende, dader van de inbraak is.

Justitiële documentatie

Uit het strafblad van verdachte d.d. 13 juli 2026 volgt dat hij in de afgelopen jaren meermaals in aanraking is gekomen met politie en justitie. Weliswaar is verdachte niet recentelijk onherroepelijk veroordeeld wegens soortgelijke delicten, maar het aantal onherroepelijke vonnissen in het recente verleden acht de rechtbank zorgelijk.




Reclasseringsrapport

In het rapport van de reclassering d.d. 22 juli 2026 staat dat er vermoedens zijn dat sprake is van een lichte verstandelijke beperking bij verdachte. Verdachte was ten tijde van het delict onder invloed van cannabis. Verder heeft hij schulden, wat als een risicoverhogende factor voor recidive wordt gezien. De reclassering acht een plan van aanpak met diagnostisch onderzoek naar het cognitief functioneren geïndiceerd. Er moet worden ingezet op het versterken van de cognitieve vaardigheden en het verminderen van eventuele negatieve beïnvloedbaarheid. Hoewel verdachte is geschorst uit de voorlopige hechtenis is het reclasseringstoezicht nog niet opgestart. De reclassering merkt op dat hoewel verdachte zegt open te staan voor reclasseringstoezicht, hij in de praktijk nog niet heeft kunnen laten zien in hoeverre hij hiertoe gemotiveerd is. Verder wordt begeleiding op de praktische leefgebieden noodzakelijk geacht, waaronder het vinden van zinvolle dagbesteding om recidive te voorkomen. Het risico op recidive wordt door de reclassering geschat op gemiddeld.
Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met de navolgende bijzondere voorwaarden:
• Meldplicht bij reclassering
• Ambulante behandeling
• Contactverbod met zijn medeverdachte(n)
• Dagbesteding
• Aflossing schulden
• Beheersing middelengebruik



De rechtbank heeft kennis genomen van het advies van de reclassering en neemt haar conclusies over.




Straf

Kijkend naar straffen die worden opgelegd in soortgelijke zaken, en de Oriëntatiepunten voor straftoemeting, acht de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke taakstraf passend en geboden. Tot slot is het gestelde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.



Alles overwegende zal aan verdachte dan ook een taakstraf voor de duur van 90 uren worden opgelegd, met aftrek van de tijd die hij reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.



Daarnaast zal aan verdachte een voorwaardelijke straf worden opgelegd. Daarmee wil de rechtbank verdachte ervan doordringen om geen strafbare feiten meer te plegen en de zorgelijke trend op het strafblad doorbreken. Gelet op de ernst van het gepleegde feit en om de waarschuwing voldoende effectief te laten zijn zal de rechtbank, in afwijking van de eis van de officier van justitie, dit voorwaardelijke strafdeel opleggen in de vorm van een voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft bij haar keuze tot een zwaarder voorwaardelijk strafdeel laten meewegen dat verdachte niet geheel openheid van zaken heeft gegeven.
De duur van de op te leggen voorwaardelijke gevangenisstraf bedraagt één maand, met een proeftijd van 3 jaren.



De rechtbank zal aan deze proeftijd bijzondere voorwaarden verbinden, zoals geadviseerd door de reclassering. Op die manier hoopt de rechtbank dat verdachte de begeleiding krijgt die hij wenst en nodig heeft waardoor hij niet meer in aanraking zal komen met politie en justitie. Verdachte dient zich derhalve gedurende de proeftijd houden aan navolgende bijzondere voorwaarden:



Meldplicht bij reclassering


Ambulante behandeling


Contactverbod met zijn medeverdachte(n)


Dagbesteding


Aflossing schulden


Beheersing middelengebruik.




Gelet op de op te leggen straf zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.





8De beoordeling van de civiele vordering


De benadeelde partij [bedrijf] B.V. heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 3.941,14 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.




Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen voorzover deze ziet op de gestolen rookwaren en ‘beveiliging alarmmelding’, met toekenning van de wettelijke rente en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft verzocht de vordering tot de schadevergoeding in verband met de legplanken, rookwarenmistmachinevulling en arbeid niet-ontvankelijk te verklaren.



De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Zij heeft daartoe aangevoerd dat uit het verzoek tot schadevergoeding niet (voldoende) blijkt dat de heer [aangever] gemachtigd was om namens de besloten vennootschap het verzoek in te dienen.



Subsidiair heeft de verdediging gesteld dat een deel van de rookwaren is teruggevonden en dat onduidelijk is welk deel wel en welk deel niet is teruggevonden. Nu een uittreksel van een kassa ontbreekt dient dit deel van de vordering niet-ontvankelijk, althans deels niet-ontvankelijk te worden verklaard. Wat betreft de rookwarenmistmachinevulling ontbreekt een onderbouwing zoals een factuur of een toelichting en dient de vordering wat dat betreft niet-ontvankelijk te worden verklaard. Ten aanzien van de alarmmelding refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.




Overweging van de rechtbank

Namens de besloten vennootschap [bedrijf] is op 7 mei 2026 aangifte gedaan door de heer [aangever] in diens hoedanigheid van directeur van deze vennootschap. In deze aangifte is het KVK-nummer van de besloten vennootschap genoemd, behorende bij het [Tankstation] . Uit het verzoek tot schadevergoeding volgt dat het [Tankstation] te Epe valt onder betreffende vennootschap.



De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de bevoegdheid van de directeur van de besloten vennootschap om namens deze een verzoek tot schadevergoeding in te dienen. De verdediging heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet voldoende gemotiveerd betwist dat de heer [aangever] bevoegd was om de vordering in te dienen namens [bedrijf] B.V.. De heer [aangever] is zodoende bevoegd tot het indienen van de vordering.




Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.



De schadepost ‘gestolen rookwaren’ is, anders dan is aangevoerd door de verdediging, voldoende onderbouwd. Benadeelde partij heeft overzichtelijk gemaakt welke rookwaren geteld zijn en waar een telverschil in is aangetroffen. Deze schadepost kan volledig worden toegewezen.



De schadepost ter zake ‘beveiliging alarmmelding’ is voldoende onderbouwd en komt ook voor toewijzing in aanmerking.



Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.



De vordering kan daarom voor wat betreft de schadeposten gestolen rookwaren en beveiliging alarmmelding integraal, tot een hoogte van € 2.849,26 en € 91,88, worden toegewezen.



Ten aanzien van het gevorderde bedrag in verband met de vulling van de rookwarenmistmachine is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreekse schade heeft geleden. De rechtbank constateert immers dat op beelden is waargenomen dat deze beveiligingsmaatregel is geactiveerd als gevolg van de bewezenverklaarde inbraak.



Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Op grond van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek zal de rechtbank de schade begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Nu de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld zal deze worden geschat op een bedrag van € 100,00.



De schadeposten ‘legplanken’ en ‘arbeid’ zijn kunnen zonder nadere debat, onderbouwing en zo nodig bewijslevering niet worden beoordeeld. Dit zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. Daarom zal de rechtbank deze delen van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan deze delen van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.



Verdachte is wettelijke rente over de toegewezen bedragen verschuldigd vanaf:



Gestolen rookwaren en rookwarenmistmachinevulling: 7 mei 2026;


Beveiliging alarmmelding: 12 mei 2026 (de factuurdatum).




De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht de aan de benadeelde partij toegewezen bedragen aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.



De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte(n) ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed.





9De beoordeling van het beslag


In het strafrechtelijk onderzoek zijn diverse goederen inbeslaggenomen (genoemd op pagina 10 van het proces-verbaal PL0600-2026222842 onder het kopje ‘Inbeslagnames’). waaronder breekijzers, handschoenen en bivakmutsen, waarover kennelijk nog geen beslissing is genomen. Nu een beslaglijst ontbreek, de kennisgevingen van inbeslagname zich evenmin bij de stukken bevinden en ook overigens niet duidelijk is of genoemde goederen in beslag zijn genomen onder verdachte, dan wel bijvoorbeeld onder medeverdachte of de nog onbekende derde mededader, kan de rechtbank daarover geen beslissing nemen en is zij daartoe ook niet gehouden op grond van artikel 353 Sv (HR 13-09-2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9398, NJ 2011/434).





10De toegepaste wettelijke bepalingen


De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.





11De beslissing


De rechtbank:



 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;



 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;



 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;



 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;



 veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 90 (negentig) uren;


 beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;


veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van één (1) maand;


bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:




stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;


stelt als bijzondere voorwaarden dat:- verdachte zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen vijf dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Nieuwe Oeverstraat 65, 6811 JB in Arnhem;- verdachte meewerkt aan (intelligentie)onderzoek en de eventueel daaruit voortvloeiende behandeling/begeleiding door Kairos, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op intelligentieonderzoek, cognitieve vaardigheden en middelengebruik;- verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met de medeverdachten in onderhavige zaak, waaronder in ieder geval de heer [medeverdachte] , geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] ;- verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;- verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden en- verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst II (softdrugs) in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;



 geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorgaande bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.


Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:



meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;


meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;



 heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis;

De beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij:


 veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [bedrijf] BV van:- € 2.849,26 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;- € 100,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 7 mei 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald en- € 91,88 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 mei 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
 verklaart de benadeelde partij [bedrijf] B.V. voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij, een bedrag te betalen van- € 2.849,26 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;- € 100,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 7 mei 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald en- € 91,88 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 mei 2026
tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als deze bedragen niet worden betaald, kunnen 30 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht.




Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Verbeek (voorzitter), mr. T.P.E.E. van Groeningen en mr. E.S.M. van Bergen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Breed, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 september 2026.

mr. E.S.M. van Bergen is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.





Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Veluwe-Noord, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2026222842, gesloten op 29 mei 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.