Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:6979

2026-09-03 Strafrecht 05/132654-26, 05/163236-21 (TUL) en 21/001843-22 (TUL)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-09-03
Publicatiedatum
2026-09-09
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
05/132654-26, 05/163236-21 (TUL) en 21/001843-22 (TUL)
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van een inbraak (diefstal met braak/verbreking) in een tankstation waarbij sigaretten zijn gestolen. Bekennende verdachte. Oplegging gvs 5 maanden. Vordering TUL toewijzen. Voor civiele vordering zonder kvk-uittreksel: geen reden te twijfelen dat de persoon die aangifte heeft gedaan en directeur van de BV was, gemachtigd is om een vordering benadeelde partij in te dienen. Beslaglijst ontbreekt, niet duidelijk onder wie goederen in beslag zijn genomen (onder verdachte, mededader of onbekende mededader), kan rb geen beslissing over nemen en niet toegehouden conform art. 353 sv.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (22.216 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND




Team strafrecht



Zittingsplaats: Arnhem



Parketnummers: 05/132654-26, 05/163236-21 (TUL) en 21/001843-22 (TUL)
Datum uitspraak : 3 september 2026



Tegenspraak




vonnis van de meervoudige kamer




in de zaak van




de officier van justitie




tegen





[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] te [woonplaats]
en op dit moment gedetineerd in de P.I. [plaats] .



Raadsvrouw mr. B. Klunder, advocaat te Amsterdam



Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.





1De inhoud van de tenlastelegging


Aan verdachte is ten laste gelegd dat:



hij op of omstreeks 7 mei 2026 te Epe, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, uit/bij een

[Tankstation] (gelegen aan [adres] )
een grote hoeveelheid sigaretten en shag (ter waarde van ongeveer € 10.000,-), in elk
geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan B.V. [bedrijf] en/of [aangever]
, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)
toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk
toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de
plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen
voornoemd onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak,
verbreking, inklimming.




2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs





Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte zich – samen met een ander en een nog onbekende derde – schuldig heeft gemaakt aan de inbraak van het tankstation, zoals ten laste is gelegd.




Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.




Beoordeling door de rechtbank


Bekennende verdachte

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.



Bewijsmiddelen:



het proces-verbaal van aangifte van de heer [aangever] , p. 80;


het proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 16-20;


het proces-verbaal van bevindingen, p. 82-83;


het proces-verbaal van bevindingen, p. 165-167 en


- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 augustus 2026.




3De bewezenverklaring


Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:



hij op of omstreeks 7 mei 2026 te Epe, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, uit/bij een [Tankstation] (gelegen aan [adres] ) een grote hoeveelheid sigaretten en shag (ter waarde van ongeveer € 10.000,-), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan B.V. [bedrijf] en/of [aangever] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen voornoemd onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en
verbreking, inklimming.



Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.



Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.





4De kwalificatie van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde levert op:




diefstal door meer verenigde personen waarbij de schuldigen zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak/verbreking.






5De strafbaarheid van het feit


Het feit is strafbaar.





6De strafbaarheid van de verdachte


Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.





7De overwegingen ten aanzien van straf



Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden.




Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen strafmaatverweer gevoerd. De raadsvrouw heeft echter wel toegelicht dat het (negatieve) reclasseringsadvies niet herkend wordt aan de zijde van de verdediging. Dit is niet met verdachte besproken. De nuances ontbreken in het rapport en verdachte wil verder met het reclasseringstoezicht in het kader van de lopende proeftijd. Hij heeft het zwaar in de penitentiaire inrichting.




De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.




Ernst van het feit

Verdachte heeft samen met anderen een inbraak bij een tankstation gepleegd waarbij een grote hoeveelheid rookwaren is weggenomen. Verdachte heeft daarmee blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van anderen. Naar eigen zeggen heeft verdachte zich laten leiden door geldelijk gewin. Verdachte en zijn medeverdachten hebben in het tankstation ingebroken door de toegangsdeuren te vernielen en zij hebben ook ín het tankstation schade veroorzaakt. Dit brengt voor de eigenaar nog meer kosten met zich en ook een hoop geregel. Die schade, maar ook de kosten van maatregelen om dergelijke inbraken te voorkomen, komen uiteindelijk voor rekening van de klant. Dit alles maakt het bewezenverklaarde zeer kwalijk.



Weliswaar heeft verdachte ter zitting gezegd zijn verantwoordelijkheid te willen nemen, het achterste van zijn tong heeft hij niet laten zien. Zo is het overgrote deel van de weggenomen goederen nog altijd spoorloos en is niet bekend wie de derde, onbekende dader van de inbraak is. Verdachte neemt dan ook slechts ten dele zijn verantwoordelijkheid.




Justitiële documentatie

Uit het uittreksel justitiële documentatie van 13 juli 2026 blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld, ook voor soortgelijke zaken. Zo is verdachte bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 juni 2025 veroordeeld wegens twee woninginbraken tot acht maanden gevangenisstraf waarvan drie voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Op 1 oktober 2021 heeft de politierechter te Gelderland verdachte veroordeeld wegens een woninginbraak tot een gevangenisstraf van 160 dagen waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, welke proeftijd bij beslissing van deze rechtbank d.d. 29 april 2022 is verlengd met twee jaren.



Verdachte liep dus in twee proeftijden. Dit heeft verdachte er niet van weerhouden om weer in te breken.




Reclasseringsrapport

In het rapport van de reclassering van 9 juli 2026 adviseert zij om bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. Bij veroordeling is er sprake van recidive binnen een lopende proeftijd. Voortzetten van het lopende toezicht heeft geen meerwaarde, aldus de reclassering. Verdachte is al sinds zijn vijftiende in contact met justitie en sinds 2015 bekend bij de reclassering. Er worden risico’s gezien op alle leefgebieden en er zijn nauwelijks beschermende factoren. Verdachte zegt bereidwillig te zijn, maar haakt af als er iets moet gebeuren. Het opleggen van een taakstraf wordt niet als passend gezien omdat de reclassering in januari 2026 nog drie te plannen werkstraffen heeft ingeschreven. Tot slot schat de reclassering het risico op recidive en het risico op het onttrekken aan voorwaarden als hoog in.




Straf

Gelet op het bewezenverklaarde feit, de Oriëntatiepunten voor straftoemeting, het strafblad van verdachte en het rapport van de reclassering, acht de rechtbank enkel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank ziet op grond van het voorgaande in onderlinge samenhang bezien geen enkele aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie.



Alles overwegende zal aan verdachte dan ook een gevangenisstraf worden opgelegd voor de duur van vijf maanden.



De rechtbank zal de voorlopige hechtenis opheffen met ingang van de dag waarop de voorlopige hechtenis gelijk is aan de gevangenisstraf.





8De beoordeling van de civiele vordering


De benadeelde partij [bedrijf] B.V. heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 3.941,14 aan materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.




Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen voorzover deze ziet op de gestolen rookwaren en ‘beveiliging alarmmelding’, met toekenning van de wettelijke rente en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft verzocht de vordering tot de schadevergoeding in verband met de legplanken, rookwarenmistmachinevulling en arbeid niet-ontvankelijk te verklaren.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Zij heeft daartoe aangevoerd dat uit het verzoek tot schadevergoeding niet (voldoende) blijkt dat de heer [aangever] gemachtigd was om namens de besloten vennootschap het verzoek in te dienen.



Subsidiair heeft de verdediging zich aangesloten bij het requisitoir van de officier van justitie.




Overweging van de rechtbank

Namens de besloten vennootschap [bedrijf] is op 7 mei 2026 aangifte gedaan door de heer [aangever] in diens hoedanigheid van directeur van deze vennootschap. In deze aangifte is het KVK-nummer van de besloten vennootschap benoemd behorende bij het [Tankstation] . Uit het verzoek tot schadevergoeding volgt dat het [Tankstation] te Epe valt onder betreffende vennootschap.



De rechtbank heeft geen enkele reden te twijfelen aan de bevoegdheid van de directeur van de besloten vennootschap om namens deze een verzoek tot schadevergoeding in te dienen. De verdediging heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet voldoende gemotiveerd betwist dat de heer [aangever] bevoegd was om de vordering in te dienen namens [bedrijf] B.V.. De heer [aangever] is zodoende bevoegd tot het indienen van de vordering.




Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.



De schadepost ter zake ‘beveiliging alarmmelding’ is voldoende onderbouwd en komt redelijk voor.



Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.



De vordering kan daarom voor wat betreft de schadeposten gestolen rookwaren en beveiliging alarmmelding integraal, tot een hoogte van € 2.849,26 en € 91,88, worden toegewezen.



Ten aanzien van het gevorderde bedrag in verband met de vulling van de rookwarenmistmachine is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreekse schade heeft geleden. De rechtbank constateert immers dat op beelden is waargenomen dat deze beveiligingsmaatregel is geactiveerd als gevolg van de bewezenverklaarde inbraak.



Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Op grond van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek zal de rechtbank de schade begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Nu de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, zal deze worden geschat op een bedrag van € 100,00.



De schadeposten ‘legplanken’ en ‘arbeid’ kunnen zonder nader debat, onderbouwing en zo nodig bewijslevering niet worden beoordeeld. Dit zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. Daarom zal de rechtbank deze delen van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan deze delen van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.



Verdachte is wettelijke rente over de toegewezen bedragen verschuldigd vanaf:



Gestolen rookwaren: 7 mei 2026;


Rookwarenmistmachinevulling: 7 mei 2026 en


Beveiliging alarmmelding: 12 mei 2026 (de factuurdatum).




De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht de aan de benadeelde partij toegewezen bedragen aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.



De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte(n) ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed.


9. De vorderingen tot tenuitvoerlegging (parketnummers 05/163236-21 en 21/001843-22)


De politierechter van de rechtbank Gelderland heeft verdachte op 1 oktober 2021 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur 160 dagen waarvan 60 dagen voorwaardelijk. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest d.d. 19 juni 2025 verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk.



De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van die straffen.



De raadsvrouw kan zich vinden in de toewijzing van de vordering ten aanzien van de 60 dagen voorwaardelijke gevangenisstraf. Ten aanzien van de vordering die ziet op 3 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk opgelegd door het gerechtshof heeft de raadsvrouw verzocht de vordering af te wijzen opdat het reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde blijft voortduren en deze voorwaardelijke straf fungeert als een stok achter de deur. Subsidiair is verzocht de proeftijd te verlengen.



Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijden opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is gelet daarop en bezien het advies van de reclassering van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straffen ten uitvoer moeten worden gelegd. De vorderingen worden dan ook toegewezen.





9De beoordeling van het beslag


In het strafrechtelijk onderzoek zijn diverse goederen inbeslaggenomen (genoemd op pagina 10 van het proces-verbaal PL0600-2026222842 onder het kopje ‘Inbeslagnames’). waaronder breekijzers, handschoenen en bivakmutsen, waarover kennelijk nog geen beslissing is genomen. Nu een beslaglijst ontbreek, de kennisgevingen van inbeslagname zich evenmin bij de stukken bevinden en ook overigens niet duidelijk is of genoemde goederen in beslag zijn genomen onder verdachte, dan wel bijvoorbeeld onder medeverdachte of de nog onbekende derde mededader, kan de rechtbank daarover geen beslissing nemen en is zij daartoe ook niet gehouden op grond van artikel 353 Sv (HR 13-09-2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9398, NJ 2011/434).





11De toegepaste wettelijke bepalingen


De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 47 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.





12De beslissing


De rechtbank:



 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;



 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;



 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;



 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;



 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf (5) maanden;

 heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan die van de opgelegde straf;

De beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij:


 veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [bedrijf] B.V. van:- € 2.849,26 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;- € 100,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 7 mei 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald en- € 91,88 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 mei 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
 verklaart de benadeelde partij [bedrijf] B.V. voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;


legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij, een bedrag te betalen van- € 2.849,26 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;- € 100,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 7 mei 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald en- € 91,88 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 mei 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als deze bedragen niet worden betaald, kunnen 30 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;


bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;


 bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;



De beslissing ten aanzien van de vorderingen tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf





beveelt de tenuitvoerlegging van de op 1 oktober 2021 door de politierechter Gelderland voorwaardelijk opgelegde straf, te weten 60 dagen gevangenisstraf voorwaardelijk (parketnummer 05/163236-21);


beveelt de tenuitvoerlegging van de op 19 juni 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voorwaardelijk opgelegde straf, te weten drie (3) maanden gevangenisstraf (parketnummer 21/001843-22).












Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Verbeek (voorzitter), mr. T.P.E.E. van Groeningen en mr. E.S.M. van Bergen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Breed, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 september 2026.
















mr. E.S.M. van Bergen is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.































Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Veluwe-Noord, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2026222842, gesloten op 29 mei 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.