Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:6968

2026-09-11 Bestuursrecht; Omgevingsrecht ARN 25/2516 en ARN 25/2521
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-09-11
Publicatiedatum
2026-09-09
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ARN 25/2516 en ARN 25/2521
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

omgevingsvergunning voor verruiming gebruiksmogelijkheden bedrijfsverzamelgebouw, parkeren, ontsluiting parkeerplaatsen via perceel met bestemming 'wonen', aanvulling aanvraag in bezwaarfase, geen wijziging van ondergeschikte aard, beroep gegrond

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (45.132 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummers: ARN 25/2516 en ARN 25/2521

uitspraak van de enkelvoudige kamer van


in de zaken tussen



[eiser 1] (ARN 25/2516), [eiser 2] (ARN 25/2521),

beiden uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. H.P.J.G. Berkers),



en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe
(gemachtigde: mr. M. van de Beek en [gemachtigde] ).

Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [bedrijf] uit [plaats]
(gemachtigde: mr. M.H. Fleers).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de beroepen van eisers tegen de verleende omgevingsvergunning voor het gebruiken van bouwwerken aan de Oenerweg 11A tot en met 13D en van aansluitende percelen in strijd met het bestemmingsplan. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de vergunning niet heeft kunnen verlenen en dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Het beroep is gegrond en eisers krijgen dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de bestreden besluiten. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank met name in op het aantal te realiseren parkeervakken en de bruikbaarheid ervan en de rechtmatigheid van de ontsluitingsroute naar de Oenerweg . Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.





Procesverloop


2. Op 17 juli 2024 heeft het college aan de derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken van bouwwerken aan de Oenerweg 11A tot en met 13D en van aansluitende percelen in afwijking van het bestemmingsplan. Met de beslissing op bezwaar van 30 april 2025 is het college bij dat besluit gebleven.



2.1.
Eisers hebben op 5 juni 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. De derde-partij heeft ook schriftelijk gereageerd.



2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, de gemachtigden van het college en de gemachtigde van de derde-partij.




Waar gaat deze zaak over?



Voorgeschiedenis

3. Het college heeft op 2 maart 2023 aan de derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een bedrijfsverzamelgebouw met acht units op het (binnenterreins gelegen) perceel Oenerweg 11 in Epe. Die omgevingsvergunning ziet op de activiteiten ‘bouwen’ en ‘gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan’. Deze vergunning is onherroepelijk en het bedrijfsgebouw is gerealiseerd. Aan deze vergunning was een voorschrift verbonden voor het soort bedrijven dat zich in het bedrijfsgebouw mochten vestigen.




Omgevingsvergunning



3.1.
Op 21 december 2023, met nadere specificering op 12 maart 2024, heeft de derde-partij een aanvraag ingediend voor het verruimen van de gebruiksmogelijkheden van de adressen Oenerweg 11A-11D en 13A-13D , zodat ook andersoortige bedrijven zich in het bedrijfsverzamelgebouw kunnen vestigen.



3.2.
Het college heeft de verzochte vergunning voor de activiteit ‘handelen in strijd met het bestemmingsplan’ op 17 juli 2024 aan de derde-partij verleend voor het gebruiken van bouwwerken aan de Oenerweg 11A tot en met 13D en van aansluitende percelen kadastraal bekend gemeente Epe en Oene, sectie-U, nummers 8253, 9015, 8250, 8252, 9067, 8315 en 9073. Met toepassing van een ‘binnenplanse afwijkingsmogelijkheid’ en de ‘kruimelgevallenregeling’ heeft het college (aanvullend) ingestemd met de vestiging van een patisserie, een garagebedrijf met verkoop, een autopoetsbedrijf, een reclame bureau, een webwinkel grammofoonplaten en een evenementen organisatiebureau. Daarnaast is met de vergunning toegestaan dat het voor wonen bestemde aangrenzende perceel (nummer 9073) gebruikt wordt voor bedrijfsmatig parkeren.



3.3.
Samen met andere omwonenden hebben eisers op 23 augustus 2024 bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning. Gedurende de bezwaarfase is eind 2024 geconstateerd dat de inmiddels feitelijk aangelegde parkeerplaatsen qua inrichting en aantallen niet overeenkwamen met dat wat was vergund. De derde-partij is daarom gevraagd om een oplossing, zodat het aantal gerealiseerde parkeerplaatsen overeenkomt met de norm en vormgeving, passend bij de verleende vergunning. In dat kader heeft de derde-partij een nieuwe tekening (gedateerd op 16 april 2025) ingediend.



3.4.
In de beslissing op bezwaar van 30 april 2025 heeft het college, in navolging van het advies van de commissie bezwaarschriften, het primaire besluit in stand gelaten onder aanvulling van de motivering en aanvulling van de voorschriften met betrekking tot het parkeren. Daarnaast heeft het college aanvullend gemotiveerd ten behoeve van welke activiteit perceel 9067 onderdeel uitmaakt van de verleende omgevingsvergunning en waarom daartoe in zijn ogen rechtmatig is besloten. Het college heeft ook expliciet aangegeven dat de tekening van 16 april 2025 onderdeel uitmaakt van de beslissing op bezwaar en daarmee van de omgevingsvergunning.



3.5.
Eisers wonen direct ten zuiden van het bedrijfsverzamelgebouw, aan respectievelijk [straatnaam] nummer [huisnummer ] en nummer [huisnummer ] . Zij zijn het met dit besluit niet eens vanwege verwachte geluidsoverlast, lichtoverlast, parkeeroverlast en de volgens hen onterechte aanname dat een nieuwe ontsluitingsweg tussen de Oenerweg 9 en 15 , over perceel 9067, kan worden gerealiseerd. Zij zijn daarom in beroep gekomen tegen dit besluit en richten hun beroepsgronden tegen de parkeerplaatsen bij het bedrijfsverzamelgebouw en de zuidelijke ontsluiting van de parkeerplaatsen via perceel 9067 naar de Oenerweg .




Beoordeling door de rechtbank



Wettelijk kader




4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo.



4.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 21 december 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.



4.2.
Voor het perceel waarop het bedrijfsverzamelgebouw is gelegen en de aangrenzende percelen gelden ten tijde van belang het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Kweekweg’ (hierna: het bestemmingsplan) en het ‘Parapluplan Parkeren’ (hierna: het parapluplan). De percelen zijn bestemd als ‘Bedrijf (B2)’ en ‘Wonen’. In het parapluplan is het gebied aangeduid als ‘Overige zone – parkeernormen rest bebouwde kom.’



Er zijn te weinig parkeerplaatsen gerealiseerd




5. Volgens eisers is de behoefte aan parkeerplaatsen hoger dan het aantal van 25 dat in het bouwplan is voorzien. Daartoe voeren zij aan dat de toe te passen parkeernorm toegesneden moet zijn op de aanwezigheid van acht aparte bedrijfsunits en niet op de aanwezigheid van een bedrijfsverzamelgebouw. Van dat laatste is in deze situatie namelijk geen sprake. Daarnaast brengen eisers naar voren dat het college bij de vaststelling van het aantal benodigde parkeerplaatsen de afrondingsregels op een onjuiste manier heeft toegepast, zodat het totaal aantal benodigde parkeerplaatsen te laag uitkomt.




Bedrijfsverzamelgebouw




5.1.
De discussie of al dan niet sprake is van een bedrijfsverzamelgebouw is in deze zaak niet van belang. Het college is voor de vaststelling van het aantal benodigde parkeerplaatsen namelijk uitgegaan van de aanwezigheid van acht individuele bedrijfsunits die elk aan een per unit vast te stellen parkeernorm moeten voldoen. De parkeernorm voor een bedrijfsverzamelgebouw is bij de verlening van de vergunning niet toegepast. Het betoog van eisers dat het college voor de vaststelling van het aantal noodzakelijke parkeerplaatsen onterecht is uitgegaan van de normering voor een bedrijfsgebouw, slaagt dan ook niet.



Aantal parkeerplaatsen




5.2.
In het parapluplan is bepaald dat de parkeerbehoefte wordt berekend op basis van de parkeernormen en de berekeningsmethode, zoals vastgelegd in de ‘Nota Parkeernormen 2017 gemeente Epe’ (hierna: de nota parkeernormen). Deze nota bevat een parkeerbehoeftetabel waarin per functie (van de bedrijfsunits) is af te lezen wat de parkeerbehoefte is, uitgaande van de toepasselijke parkeernorm en de oppervlakte van de unit. Daarnaast is in de nota parkeernormen toegelicht dat is aangesloten bij de functielijsten en de waarden zoals gehanteerd door het CROW (dat is het nationaal kenniscentrum voor infrastructuur, verkeer en openbare ruimte in Nederland).



5.3.

De rechtbank stelt vast dat het college voor de vaststelling van het aantal benodigde parkeerplaatsen voor de acht bedrijfsunits, is aangesloten bij het rapport ‘Beoordeling milieuzonering en parkeren Bedrijfsunits Oenerweg Epe’ van 13 juni 2024, opgesteld door DSN in opdracht van de derde-partij. In dit deskundigenrapport is onderstaande tabel opgenomen, waarin is af te lezen hoeveel parkeerplaatsen per bedrijfsunit en in totaal noodzakelijk zijn, uitgaande van de nota parkeernormen.
Tabel: Berekening parkeerbehoefte van alle units bij elkaar (opgenomen in rapport ‘Beoordeling milieuzonering en parkeren Bedrijfsunits Oenerweg Epe’.














Unit




Potentiële invulling




Type functie uit de


Parkeernota




Norm per 100 m2 bvo




Oppervlakte unit (bvo)




Parkeer-behoefte






1




Patisserie



Bedrijf (arbeidsintensief/
bezoekersextensief)


2,35


138 m2


3,24 pp





2




Garagebedrijf met verkoop



Bedrijf (arbeidsintensief
/bezoekersextensief)


2,35


167 m2


3,92 pp





3




Meubelmakerij



Bedrijf (arbeidsintensief/
bezoekersextensief)


2,35


138 m2


3,24 pp





4




Glascoatbedrijf



Bedrijf (arbeidsintensief/
bezoekersextensief)


2,35


117 m2


2,75 pp





5




Autopoetsbedrijf



Bedrijf (arbeidsintensief/
bezoekersextensief)


2,35


135 m2


3,17 pp





6




Reclame bureau



Kantoor zonder
baliefunctie


2,55


102 m2


2,60 pp





7




Webwinkel grammofoonplaten



Bedrijf (arbeidsintensief/
bezoekersextensief)


1,05


102 m2


1,07 pp





8




Evenementen organisatie bureau



Kantoor zonder
baliefunctie


2,55


102 m2


2,60 pp














Totaal




22,6 pp









5.4.
De totale behoefte van 22,6 parkeerplaatsen heeft het college vervolgens nog opgehoogd vanwege de aanvullende behoefte van het garagebedrijf voor het stallen van enkele auto's die in de verkoop zijn. Dit betreffen tot maximaal 2 auto's buiten de eigen unit en 2 auto's binnen in de unit. Zodoende is er volgens het college in totaal een behoefte aan 24,6 parkeerplaatsen, wat afgerond neerkomt op 25 parkeerplaatsen.



5.5.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat de parkeerbehoefte is gebaseerd op de van toepassing zijnde nota parkeernormen, zodat het college deze heeft kunnen bepalen op 25 parkeerplaatsen. De opmerking van eisers dat van een te laag aantal parkeerplaatsen is uitgegaan, omdat alleen al voor het personeel van de acht bedrijfsunits 16 van de 25 parkeerplaatsen nodig zijn, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Zoals hiervoor overwogen is de parkeernorm voor bedrijfsunits toegepast. Daarin is de parkeerbehoefte voor personeel al verwerkt. Bovendien hebben eisers geen deskundigenadvies waar een andere parkeerbehoefte uit zou blijken overgelegd.



5.6.

Ook de aanvulling van eisers op zitting dat het aantal parkeerplaatsen te laag uitvalt door onjuiste afronding van de behoefte slaagt niet. In de nota parkeernormen is de volgende afrondingsregel opgenomen:

”Bij het bepalen van het benodigd aantal parkeerplaatsen wordt gerekend met één decimaal. Ook de uitkomst is op één decimaal nauwkeurig; bijvoorbeeld 13,5 parkeerplaatsen. Het heeft echter weinig toegevoegde waarde om ook een halve parkeerplaats aan te leggen. Daarom geldt bij het bepalen van het benodigde aantal parkeerplaatsen dat de uitkomst van de berekening afgerond wordt op een geheel aantal parkeerplaatsen waarbij vanaf '0,5' en hoger naar boven wordt afgerond.”

In bovenstaande tabel is de behoefte per bedrijfsunit tot twee decimalen achter de komma berekend. Vervolgens zijn de acht uitkomsten, afgerond op één decimaal, bij elkaar opgeteld tot 22,6. Deze behoefte is opgehoogd met twee parkeerplaatsen tot een totale parkeerbehoefte van 24,6. Op basis van de afrondingsregel dat de uitkomst met een decimaal van 5 of hoger naar boven wordt afgerond, heeft het college de totale parkeerbehoefte terecht bepaald op 25 parkeerplaatsen. De stelling van eisers dat de benodigde parkeerruimte eerst per unit zou moeten worden afgerond, voordat de optelsom voor de totale parkeerbehoefte kan worden gemaakt, blijkt niet uit de omschrijving van de afrondingsregel. Bovendien zou dat in dit geval ook niet tot een andere uitkomst leiden. De initiële optelsom zou dan namelijk uitkomen op 23 parkeerplaatsen. Dat leidt ook weer tot een totale parkeerbehoefte van 25, als daar de twee aanvullende parkeerplaatsen bij worden opgeteld.




Bruikbaarheid van de parkeerplaatsen




6. Eisers betogen dat het niet mogelijk is om alle 25 ingetekende parkeervakken te realiseren en feitelijk te gebruiken. Daartoe voeren eisers aan dat de parkeervakken 1 tot en met 4 (gesitueerd voor de voorgevel van het bedrijfsverzamelgebouw) niet kunnen worden gebruikt, omdat ze dan de toegangsdeuren van bedrijfsunits zijn geplaatst. Ook de parkeervakken 22 en 26 hebben volgens eisers geen zin, omdat ze de doorgang naar de parkeerplaatsen 23 tot en met 25 aan de Lange Veenteweg 24 blokkeren wat volgens eisers in strijd is met de vergunningvoorschriften. Volgens eisers resteren dan alleen de zeventien parkeervakken (nummers 5 tot en met 21) gelegen achter de woningen aan de [straatnaam] [huisnummer ] en [huisnummer ] die feitelijk bruikbaar zijn vanwege de vereiste ruimte om te kunnen manoeuvreren.




6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet.



6.2.
De rechtbank stelt vast dat met de omgevingsvergunning van 2 maart 2023 de vier parkeervakken bij de voorgevel van het bedrijfsverzamelgebouw al zijn vergund. Die omgevingsvergunning is inmiddels onherroepelijk, zodat het betoog van eisers alleen daarom al niet kan slagen voor wat betreft deze parkeervakken en dus inhoudelijk niet beoordeeld hoeft te worden.



6.3.

Dan resteert het betoog van eisers tegen de parkeerplaatsen 22 en 26, die in strijd met de vergunningvoorschriften, de doorgang naar de parkeerplaatsen 23 tot en met 25 aan de Lange Veenteweg 24 zouden blokkeren. Daarover overweegt de rechtbank als volgt. In de beslissing op bezwaar heeft het college het relevante vergunningvoorschrift zo uitgelegd dat de doorgang om van de ene locatie (bedrijfsgebouw Oenerweg ) naar de andere locatie (bedrijfsgebouw Lange Veenteweg) te lopen, altijd in stand moet worden gehouden. Gelijktijdig gebruik van de parkeerplaatsen 22 en 26, hoeft hier volgens het college niet aan in de weg te staan, mits de parkeerplaatsen gerealiseerd worden conform de bij de vergunning behorende inrichtingstekening van 16 april 2025. Om dat te borgen heeft het college met de beslissing op bezwaar aanvullend nog het volgende voorschrift verbonden aan de omgevingsvergunning:

“Voordat u gebruik kunt maken van de met de omgevingsvergunning van 17 juli 2024 verruimde gebruiksmogelijkheden, dient het aantal parkeerplaatsen en de inrichting van de parkeerplaatsen te voldoen aan de NEN-normen, bijvoorbeeld zoals weergegeven in de tekening van 16 april 2025.”

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college hiermee de bruikbaarheid van de parkeerplaatsen 22 en 26 voldoende toegelicht en verzekerd, zodat het betoog van eisers ook voor deze parkeervakken niet slaagt. Indien de feitelijke situatie hiervan af zal wijken, is dat een handhavingskwestie.




6.4.
Overigens merkt de rechtbank nog op dat het college er in de beslissing op bezwaar op heeft gewezen dat de door de derde-partij ingediende inrichtingstekening is opgesteld conform de normen van de richtlijn NEN 2443:2013 . Eerder heeft de derde-partij in zijn zienswijze van 3 oktober 2024 ook al aangegeven dat bij het intekenen van de parkeervakken door de architect rekening is gehouden met de voorwaarden die volgen uit deze richtlijn, de gegevens uit het kadaster en de normen voor maatvoering uit de nota parkeernormen. De rechtbank ziet op basis hiervan geen aanleiding om te twijfelen aan de maatvoering van de parkeervakken of de beschikbare manoeuvreerruimte. Daarbij is ook van belang dat het geleverde maatwerk volgens de verkeerskundig adviseur van de gemeente is toegepast en voldoet. Het college mag afgaan op dit advies. Zeker nu eisers daar geen andersluidend deskundigenadvies tegenover stellen. Hun eigen interpretatie van de ruimtelijke en/of verkeerstechnische situatie van het terrein is daarmee niet gelijk te stellen.



6.5.
Het betoog van eisers dat de parkeervakken met nummers 14 tot en met 21, gelegen op een strook achtertuin van het voor wonen bestemde perceel aan de Oenerweg 9 , niet met toepassing van de ‘kruimelgevallenregeling’ vergund kunnen worden, slaagt niet. Ook voor deze parkeervakken geldt dat deze op 2 maart 2023 al zijn vergund. Omdat deze vergunning onherroepelijk is, hoeft de rechtbank zich over dit betoog niet meer inhoudelijk uit te laten.



Vergunningvoorschriften zijn in strijd met het legaliteitsbeginsel, het rechtszekerheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel




7. Eisers betogen dat het aan de vergunning verbonden voorschrift:

“Als blijkt dat het aantal parkeerplaatsen onvoldoende is voor de werkelijke parkeerbehoefte, dan kan deze omgevingsvergunning worden ingetrokken.”

blijk geeft van onzorgvuldige vergunningverlening, die geen rechtszekerheid biedt. Daartoe voeren eisers aan dat bij en met de vergunningverlening moet vaststaan dat een bedrijfsterrein kan voldoen en voorzien in voldoende (reële) parkeergelegenheid. Indien dit volgens eisers onvoldoende of, zoals in onderhavige vergunning, zelfs helemaal niet vaststaat, kan de vergunning niet verleend worden onder het mom dat er altijd nog een mogelijkheid is om achteraf de vergunning te kunnen intrekken of te gaan handhaven.




7.1.
De beroepsgrond slaagt niet.



7.2.

De rechtbank volgt het college in zijn betoog dat de parkeerbehoefte op de juiste wijze is vastgesteld en dat de door de derde-partij ingediende nieuwe tekening voor de inrichting van het plangebied en de afmetingen van de parkeerplaatsen in die behoefte voorziet. De vergunning kan om die reden niet worden geweigerd. Het voorschrift waar eisers op doelen is voor de beoordeling van de vraag of het bouwplan aan wet- en regelgeving voldoet of het besluit de omgevingsvergunning te verlenen dus niet relevant. Overigens heeft het college, juist met het oog op de borging van de inrichting van de parkeerplaats conform de NEN-normen met de beslissing op bezwaar de vergunningvoorschriften als volgt aangevuld:

“Voordat u gebruik kunt maken van de met de omgevingsvergunning van 17 juli 2024 verruimde gebruiksmogelijkheden, dient het aantal parkeerplaatsen en de inrichting van de parkeerplaatsen te voldoen aan de NEN-normen, bijvoorbeeld zoals weergegeven in de tekening van 16 april 2025.”

Dit voorschrift dient de rechtszekerheid, zodat het verder niet onderbouwde betoog van eisers dat dit aanvullende voorschrift zinloos en in strijd met het zorgvuldigheids- en rechtzekerheidsbeginsel is, niet slaagt.




Ontsluiting bedrijfsverzamelgebouw




8. Eisers betogen dat de nieuwe zuidelijke bedrijfsontsluiting naar de Oenerweg in strijd is met de woonbestemming en het normale gebruik van deze in- en uitrit voor de woningen aan de Oenerweg . Zij betwisten de stelling van het college dat deze ontsluitingsroute eigenlijk al met de inmiddels onherroepelijke vergunning van 2 maart 2023 is vergund. Deze ontsluitingsroute is niet aangevraagd, niet beoordeeld en dus ook niet verleend. Datzelfde geldt volgens eisers voor de omgevingsvergunning van 17 juli 2024 die in deze procedure centraal staat. Ook daar is geen sprake geweest van een aanvraag voor het strijdige gebruik van perceel 9067, zodat dat perceel door het college onterecht is genoemd in de vergunningverlening. De commissie bezwaarschriften heeft geadviseerd om dit te herstellen, door of dit perceel uit de vergunning te laten, of te onderzoeken hoe het op rechtmatige wijze zou kunnen worden meegenomen in de vergunningverlening. Eisers betogen dat het college met het bestreden besluit hierin niet is geslaagd. Zij stellen dat het college doet voorkomen alsof het een vergissing was en dat toch duidelijk zou zijn dat de aanvraag ook zag op de bedrijfsontsluitingsweg. Nu de derde-partij dit alsnog formeel heeft gevraagd of benadrukt, zou volgens het college duidelijk zijn dat met de verleende vergunning ook een vergunning voor de bedrijfsontsluitingsweg zou zijn verleend. Eisers zijn het hier niet mee eens. Juist ook omdat in de voorschriften bij de vergunningverlening is bepaald dat de doorgang naar de Lange Veenteweg 24 in stand gehouden moet worden. Dat suggereert volgens eisers dat de parkeerplaatsen via die route ontsloten zouden worden. Nu het om een nieuwe ontsluitingsweg gaat, betogen eisers dat onterecht geen verkeers- of geluidsonderzoek is uitgevoerd met betrekking tot de vraag of deze bestaande in- en uitrit als nieuwe ontsluitingsweg mag worden gebruikt. Daarnaast brengen eisers naar voren dat de juridische grondslag ontbreekt om de in- en uitrit van de woningen op de woonbestemming als bedrijfsontsluitingsweg te mogen gebruiken en dat het college heeft verzuimd om in te gaan op de inbreuk die een dergelijk gebruik heeft op de bestaande woon- en leefomgeving van eisers. Bovendien ontbreekt het aan een verkeers- en geluidsonderzoek.




8.1.
Het college stelt zich primair op het standpunt dat de ontsluiting van de parkeerplaatsen via de Oenerweg al was voorzien ten tijde van de omgevingsvergunning van 2 maart 2023. Het gebruik van deze ontsluitingsweg maakt dus al onderdeel uit van de bestaande vergunning zodat daar niet nu nog eens tegen opgekomen kan worden. Daarnaast stelt het college dat in de beslissing op bezwaar aan het advies van de commissie bezwaarschriften tegemoet is gekomen, door aanvullend te motiveren waarom ook het strijdige gebruik van perceel 9067 in elk geval met het besluit van 17 juli 2024 is vergund. Aanvullend merkt het college nog op dat de gemeente eigenaar is van dat perceel, dat inderdaad de bestemming ‘wonen’ heeft, maar dat de daar aanwezige in- en uitrit al jarenlang als ontsluitingsweg naar het achtergelegen bedrijfspand in gebruik is geweest. Van een nieuwe ontsluitingsweg is volgens het college dan ook geen sprake is, zodat een verkeers- of geluidsonderzoek niet is vereist. Bovendien stelt het college dat het in deze vergunning enkel nog gaat om het beoordelen van wat ten opzichte van de vorige vergunning gewijzigd is. De verkeerskundige van de gemeente heeft geoordeeld dat van een substantiële verandering ten opzichte van de vorige vergunning geen sprake is. Het aanvullende onderzoek van Goudappel dat door de derde-partij is ingediend laat een zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen zien. Door eisers is geen deskundig tegenadvies ingediend.



8.2.
Ook de derde-partij stelt dat perceel 9067 al onderdeel uitmaakte van de aanvraag die leidde tot de omgevingsvergunning van (naar de rechtbank veronderstelt) 17 juli 2024. Daarvoor verwijst de derde-partij naar vaste rechtspraak van de Afdeling waaruit blijkt dat ook tekeningen, een ruimtelijke onderbouwing of andere stukken die als bijlage bij het aanvraagformulier zijn gevoegd, onderdeel zijn van die aanvraag en betrokken moeten worden bij de vraag waar de aanvraag op ziet. Meer specifiek verwijst de derde-partij naar een tekening in de ruimtelijke onderbouwing, waaruit zou blijken dat het volledige lichtgrijs gearceerde deel, waartoe ook perceel 9067 behoort, onderdeel uitmaakte van de oorspronkelijke vergunningaanvraag. Aanvullend brengt de derde-partij naar voren dat zij, op verzoek van het college, de aanvraag met het e-mailbericht van 21 januari 2025 en de aangepaste tekening, zodanig heeft aangepast dat perceel nummer 9067 (alsnog) expliciet onderdeel uitmaakt van de aanvraag.



8.3.
De beroepsgrond slaagt. De rechtbank licht dat hierna verder toe.



8.4.
Het gaat om de ontsluiting van het bedrijfsverzamelgebouw met de bijbehorende parkeerplaatsen, via perceel 9067 naar de Oenerweg . Op de plankaart behorende bij het bestemmingsplan is te zien dat dat perceel een woonbestemming heeft. Het is tussen partijen ook niet in geschil dat het gebruik van dit perceel als ontsluitingsweg strijdig is met het de bestemming van het perceel.



Is de ontsluitingsweg via perceel 9067 vergund met het besluit van 2 maart 2023?




8.5.
De vraag die de rechtbank, gelet op het primaire standpunt van het college, allereerst moet beantwoorden is of het college met de vergunning van 2 maart 2023 ook het strijdige gebruik van perceel 9607 als ontsluitingsweg naar het bedrijfsverzamelgebouw en de parkeerplaatsen heeft vergund. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. De rechtbank stelt namelijk, net zoals de commissie bezwaarschriften, vast dat zowel in de aanvraag destijds als in de verleende vergunning alleen wordt gesproken over het (toestaan van het) met het bestemmingsplan strijdige gebruik van perceelnummer 8253 ten behoeve van de realisatie van een bedrijfsverzamelgebouw. Over perceel 9067 wordt op geen enkele wijze gerept, net zo min als over de beoogde ontsluitingsweg via dat perceel. Het betoog van het college dat met die vergunning het strijdige gebruik van perceel 9067 als ontsluitingsweg al is vergund, slaagt daarom niet.



Is de ontsluitingsweg via perceel 9067 vergund met de vergunning van 17 juli 2024?




8.6.

Dat leidt vervolgens tot de vraag of het college met de omgevingsvergunning van 17 juli 2024 en het daarop volgende bestreden besluit toestemming heeft verleend voor het gebruik van het betreffende perceel als ontsluitingsweg. De rechtbank stelt in dit kader vast dat perceel 9067 geen deel uitmaakt van de projectomschrijving waarvoor de ‘nieuwe’ omgevingsvergunning door de derde-partij is aangevraagd. Op het aanvraagformulier van 21 december 2023 is het project namelijk omschreven als:

"Het verruimen van de gebruiksmogelijkheden van de adressen Lange Veenteweg 24 en Oenerweg 11-13 . Het mogelijk maken van de categorie A en B van de lijst van functiemenging, zoals bedoeld in de VNG brochure.”

Daarbij heeft de derde-partij als specifieke locatie van het project de volgende percelen aangeduid:

“Lange Veenteweg 24: perceel nummer U 8315, U 8250, U 8252, U 9015 en U 6525. ( Oenerweg 11 -13: perceelnummer U 8253).”

Op advies van het college heeft de derde-partij de aanvraag vervolgens gewijzigd en op 12 maart 2024 als volgt aangevuld:

“1. De aanvraag voor zover deze betrekking heeft op de Lange Veenteweg 24 kan worden geschrapt; hiervoor gaan wij een aparte aanvraag doen.

2. de aanvraag voor de Oenerweg 11a t/m 11d en 13a t/m 13d wordt gespecificeerd door per bedrijfsunit het beoogde gebruik te benoemen:

[…]”

Ook hieruit blijkt niet dat perceel 9067 of het gebruik van enig ander perceel als ontsluitingsweg in de aanvraag is meegenomen. Sterker nog, in de aangepaste aanvraag heeft de derde-partij het deel van de aanvraag dat niet zag op de Oenerweg 11A tot en met 13D geschrapt, zodat alleen een vergunningaanvraag voor de gewenste activiteiten op perceelnummer 8253 resteerde. De ontsluitingsweg voor het bedrijfsverzamelgebouw en de parkeerplaatsen via perceel 9067 maakt dan ook geen onderdeel uit van de aanvraag van de derde-partij.




8.7.

Desondanks heeft het college op 17 juli 2024 besloten om:

“de aangevraagde omgevingsvergunning voor het gebruiken van bouwwerken aan de Oenerweg 11A tot en met 13D […] en van aansluitende percelen kadastraal bekend gemeente Epe en Oene, sectie-U, nummer 8253, 9015, 8250, 8252, 9067, 8315 en 9073 te verlenen voor de activiteit: • Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening.”

Hieruit volgt dat het college het bereik van de vergunning heeft uitgebreid naar meerdere perceelnummers, waaronder perceel 9067. De vergunningaanvraag was echter niet gericht op het strijdige gebruik van dit perceel als ontsluitingsweg. Net als de commissie bezwaarschriften, oordeelt de rechtbank dan ook dat het college door het opnemen van (onder meer) perceelnummer 9067 in de vergunningverlening, met het primaire besluit buiten de aanvraag van de derde-partij is getreden.




8.8.
Het college betwist dit en stelt dat het gebruik van perceel 9067 rechtmatig als bedrijfsontsluitingsweg is vergund. Daartoe heeft het college in de beslissing op bewaar naar voren gebracht dat de omvang van de vergunningaanvraag verder reikt dan de omschrijving op het aanvraagformulier. Ook meegestuurde stukken, waaronder tekeningen en ruimtelijke onderbouwingen, spelen een rol bij de vaststelling van de reikwijdte van de aanvraag. In dat kader wijst het college op het onderzoek van DNS, 'Bedrijfsunits Oenerweg Epe - Beoordeling milieuzonering en parkeren', van 13 juni 2024 één van stukken is die bij de (gewijzigde) vergunningaanvraag is meegestuurd. Uit dit rapport, en dan met name pagina 2, blijkt volgens het college dat het de bedoeling is dat perceel 9067 als ontsluitingsweg voor het bedrijfsverzamelgebouw gebruikt gaat worden. Daarnaast voert het college nog aan dat de derde-partij met het e-mailbericht van 21 januari 2025 zekerheidshalve een aanvulling op de aanvraag heeft gedaan, die met de beslissing op bezwaar is vergund. Tot slot wijst het college er nog op dat perceel 9067 eigendom is van de gemeente Epe, in gebruik is als openbare weg en in het verleden ook al dienst deed als ontsluitingsweg.



8.9.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat het de aanvrager is die bepaalt voor welke activiteiten hij een aanvraag indient en dus wat de omvang van het project is. Op het aanvraagformulier moet worden vermeld wat wordt aangevraagd en het is aan het college om op de aanvraag te beslissen zoals die is ingediend. Het aanvraagformulier alleen is niet bepalend voor de omvang van de aanvraag. Ook tekeningen, een ruimtelijke onderbouwing of andere stukken die als bijlage bij het aanvraagformulier zijn gevoegd en daarmee onderdeel zijn van de aanvraag moeten worden betrokken bij de vraag waar de aanvraag op ziet.



8.10.
De rechtbank volgt niet het standpunt van het college dat uit het onderzoek van DNS zou blijken dat perceel 9067 onderdeel uitmaakt van de vergunningaanvraag. Het blijkt niet uit de tekst en ook niet uit de afbeeldingen die in het rapport zijn opgenomen. De afbeeldingen lijken vooral gericht op (de inrichting van) perceel 8253. Daarnaast zijn in de opgenomen tekeningen geen perceelaanduidingen terug te vinden. Weliswaar valt perceel 9067 onder het bereik van de tekening op pagina 2, uit niets blijkt dat dit perceeldeel onderdeel uitmaakt van de vergunningaanvraag.



8.11.
Omdat de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat perceel 9067 geen onderdeel uitmaakt van wat met de omgevingsvergunningen van 2 maart 2023 of 17 juli 2024 is vergund, beschouwt de rechtbank het bericht van 21 januari 2025 van de derde-partij – dat het gebruik van perceel 9067 als ontsluitingsweg wel degelijk onderdeel uitmaakt van de vergunningaanvraag – als een wijziging van de vergunningaanvraag hangende bezwaar. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is geen nieuwe aanvraag nodig als de wijziging van het bouwplan van ondergeschikte aard is. De vraag of zich een wijziging van ondergeschikte aard voordoet, moet per concreet geval worden beantwoord. In dit geval beoogt de derde-partij met de gewijzigde aanvraag weliswaar geen verandering van de uiterlijke verschijningsvorm of het gebruik van het bouwwerk, maar gaat het wel om het gebruik als ontsluitingsweg van een smal perceel dat tussen twee woningen is gelegen. Dat roept vragen op over de mogelijkheid van verkeersdoorstroming, de verkeersveiligheid van onder meer omwonenden en andere belangen die hierdoor mogelijk worden geschaad. Het is niet gebleken dat de belangen van omwonenden door deze gewijzigde vergunningaanvraag niet worden geschaad. Daarom is niet aan te nemen dat de gevolgen van deze gewijzigde vergunningaanvraag van ondergeschikte aard is. De rechtbank oordeelt dat de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag zodanig ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan gesproken kan worden. Het betoog van eisers slaagt en de rechtbank zal dit deel van het bestreden besluit vernietigen.



8.12.
De rechtbank komt niet toe aan beoordeling van het standpunt van het college dat de verkeerskundige van de gemeente heeft geoordeeld dat van een substantiële verandering ten opzichte van de vorige vergunning geen sprake is en dat het aanvullende onderzoek van Goudappel een zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen laat zien.



8.13.
Het betoog van het college dat het betreffende perceel eigendom is van de gemeente en bovendien een openbare weg is die al jaren in gebruik is als ontsluitingsweg naar het bedrijventerrein, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Het college heeft deze stelling namelijk onvoldoende aannemelijk gemaakt. Alleen de, pas in het verweerschrift gevoegde, luchtfoto uit 2005 van het terrein is daarvoor onvoldoende, omdat hieruit niet blijkt dat andere routes geen ontsluitingsroutes zijn. Bovendien hebben eisers tijdens de zitting (niet weersproken) gesteld dat het voorheen aanwezige bedrijfsgebouw in het verleden werd ontsloten via de ten westen van het terrein gelegen Korte Veenteweg.




Conclusie en gevolgen


9. De beroepen van eisers zijn gegrond. Dat betekent dat de rechtbank het besluit van 30 april 2025 vernietigt, voor zover het ziet op de vergunning voor het afwijkende gebruik van perceel 9067 ten behoeve van de ontsluiting van het bedrijfsverzamelgebouw aan de Oenerweg 11A tot en met 13 D en de bijbehorende parkeerplaatsen. Het college zal op de aanvraag 21 januari 2025 alsnog een besluit moeten nemen.



9.1.
Het college heeft voor de uitbreiding van de gebruiksmogelijkheden van het bedrijfsverzamelgebouw en de daarin gesitueerde bedrijfsunits, met de daarbij horende tekening van de parkeervakken, wel in redelijkheid een omgevingsvergunning kunnen verlenen. Dit besluitonderdeel blijft dus in stand.



9.2.
Omdat de beroepen gegrond zijn moet het college de door eisers betaalde griffierechten van € 194,- per beroepschrift vergoeden.



9.3.
Eisers krijgen ook een vergoeding van hun proceskosten. De hoogte van de proceskostenveroordeling stelt de rechtbank vast met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Voor kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt aan eisers gezamenlijk een bedrag van € 1.868,- toegekend (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor van 1), waarbij de rechtbank de zaken beschouwt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Bpb. De rechtbank veroordeelt het college in deze kosten.






Beslissing


De rechtbank:




verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit van 30 april 2025, voor zover het ziet op het besluitonderdeel een omgevingsvergunning te verlenen voor het strijdige gebruik van perceel 9067;


veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868,-;


draagt het college op het door eisers betaalde griffierecht van € 197,- per beroepschrift aan eisers te vergoeden.






Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.G. Hoijinck, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op














griffier


rechter





griffier is verhinderd te tekenen


Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Kadastraal bekend als gemeente Epe en Oene, sectie-U, nummer 8253.


Alleen bedrijven binnen de categorie B2 van de bijlage van het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Kweekweg Epe’ waren toegestaan.


In de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo)


Artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 1o, van de Wabo in samenhang met artikel 5.1.1 van de planregels van het bestemmingsplan.


Artikel 2.1, eerste lid, onder c en artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2o van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in samenhang met artikel 4, onderdeel 9, bijlage II, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) en artikel 13 van het “Ontheffingenbeleid kruimelgevallen Wabo/Bor 2022, gemeente Epe”.


Zie artikel 4.1 van de planregels van het ‘Parapluplan Parkeren’.


Het gaat specifiek om de parkeerkerncijfers uit publicatie 317 van het CROW uit 2012.


Uit de nota parkeernormen volgt dat haaksparkeerplaatsen minimaal 2,5 meter breed zijn en een minimale lengte hebben van 5,0 meter.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4061, r.o. 5.2.


Zie de uitspraken van de Afdeling van 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4061, en van 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:577.


Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH3232.