Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:6967

2026-09-11 Bestuursrecht; Omgevingsrecht ARN 25/4772
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-09-11
Publicatiedatum
2026-09-09
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ARN 25/4772
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing handhaving beregeningssysteem. Artikel 22.27 omgevingsplan. Goede procesorde. Archeologie en relativiteit. Stiltegebied.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.002 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummer: ARN 25/4772

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2026


in de zaak tussen


[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. E.P. Euverman),


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berkelland
(gemachtigde: mr. I. Nikkels).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: KS NL28 B.V. uit Den Haag
(gemachtigde: mr. T.A. Hubregtse).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het handhavingsverzoek van eiseres. Eiseres heeft om handhaving verzocht vanwege de aanleg van een beregeningssysteem. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar verzoek en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het handhavingsverzoek.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het handhavingsverzoek mocht afwijzen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Procesverloop


2. Op 2 april 2025 heeft het college het handhavingsverzoek van eiseres afgewezen. Met de beslissing op bezwaar van 5 september 2025 is het college bij de afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven.



2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, namens het college: [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] , namens de derde-partij: [persoon 4] en de gemachtigde van de derde-partij. De rechtbank heeft het beroep gelijktijdig op zitting behandeld met de zaken met zaaknummers ARN 25/2487 en ARN 26/1012.




Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?

3. De derde-partij heeft in 2020 een omgevingsvergunning gekregen voor een zonnepark aan de [adres 1] in [woonplaats] . Eiseres woont hier tegenover aan de [adres 2] in [woonplaats] .



3.1.
Op 21 februari 2025 heeft zij een handhavingsverzoek ingediend omdat de derde-partij op dat moment een beregeningssysteem aan het aanleggen was rond het zonnepark. Eiseres heeft verzocht om handhaving van de verleende en onherroepelijke omgevingsvergunning. Meer concreet ziet het handhavingsverzoek op:


het beregeningssysteem maakt geen onderdeel uit van de in 2020 verleende omgevingsvergunning en is daarom illegaal;


de pomp bij het beregeningssysteem zal een overschrijdend geluid maken;


er zijn illegale sleuven gegraven in de aangelegde ophoging van 50 centimeter rondom het zonnepark.





3.2.
Op 25 februari 2025 heeft de toezichthouder van het college ter plaatse een controle uitgevoerd. Hierbij is geconstateerd dat er zand werd opgebracht, bomen geplant, sleuven gegraven en leidingen aangebracht. Op 5 maart 2025 heeft de toezichthouder telefonisch contact gehad met het loon- en grondverzetbedrijf dat ter plaatse werkzaam is. Het bedrijf heeft verklaard dat er een beregeningssysteem wordt aangebracht met een pompinstallatie. De pomp bevindt zich onder het maaiveld.


4. Op het perceel is het omgevingsplan gemeente Berkelland van toepassing. Het omgevingsplan bestaat uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die voor 1 januari 2024 golden. Op het perceel was voor 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Buitengebied Berkelland 2020” van toepassing. Het perceel had de bestemming “Agrarisch” en de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 6”. Ook gold de gebiedsaanduiding “milieuzone - stiltegebied”.




4.1.
Volgens het college is geen sprake van een overtreding. Op 12 maart 2025 heeft het college daarom een voornemen tot het afwijzen van het handhavingsverzoek verstuurd. Op 21 maart 2025 heeft eiseres haar zienswijze hiertegen kenbaar gemaakt.



4.2.
Met het besluit van 2 april 2025 heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen. Volgens het college bestaat er geen vergunningplicht voor het aanleggen van een beregeningssysteem op grond van het omgevingsplan. Het beregeningssysteem past volgens het college binnen de instandhoudingsplicht van de landschappelijke inpassing. Volgens het college is het beregeningssysteem wel aan te merken als een bouwwerk, maar kon dit zonder omgevingsvergunning worden gerealiseerd. Met de beslissing op bezwaar van 5 september 2025 is het college, onder aanvulling van de motivering, bij de afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven.



Heeft het college het besluit voldoende gemotiveerd?

5. Eiseres betoogt dat het college het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Het college heeft bij het besluit geen informatie overgelegd over het aangelegde beregeningssysteem. Ook heeft het college volgens eiseres niet gemotiveerd wat het vermogen van de pomp bij het beregeningssysteem is. Tot slot is niet bekend wat de situatie ter plaatse is.




5.1.
De rechtbank stelt vast dat, voor zover relevant, in het constateringsrapport van de toezichthouder van 5 maart 2025 een luchtfoto is opgenomen met daarop de locatie aangeduid waar de activiteiten plaatsvinden. Op diverse foto’s in het constateringsrapport is te zien wat voor werkzaamheden plaatsvinden. De rechtbank stelt verder vast dat bij het besluit tot afwijzing van het handhavingsverzoek van 2 april 2025 een bijlage is gevoegd met informatie over de betreffende pomp. In die bijlage staat de technische data van de pomp. De rechtbank ziet in dat wat eiseres betoogt geen aanleiding voor het oordeel dat het college het besluit onvoldoende gemotiveerd.



Is er sprake van een overtreding?


Bouwwerk

6. Eiseres betoogt dat met het beregeningssysteem sprake is van een bouwwerk. Op grond van artikel 22.26 van het omgevingsplan geldt hiervoor een vergunningplicht. Dit artikel ziet echter op binnenplanse omgevingsplanactiviteiten. Het beregeningssysteem is een nieuwe activiteit. Omdat het een nieuwe activiteit is, kan het geen deel uitmaken van de omgevingsvergunning uit 2020. Daarom is het volgens eiseres een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.




6.1.
De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet ter discussie staat dat met het beregeningssysteem sprake is van een bouwwerk. Dat het beregeningssysteem geen onderdeel uitmaakt van de in 2020 verleende omgevingsvergunning, betekent niet automatisch dat er sprake is van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit waarvoor een omgevingsvergunning is vereist. Dat is pas het geval als er sprake is van een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan. Volgens het college is hiervoor op grond van artikel 22.27, onder h, van het omgevingsplan geen omgevingsvergunning vereist. Dat is door eiseres niet betwist. De beroepsgrond slaagt niet.



6.2.
Het betoog van de gemachtigde van eiseres op de zitting dat bij de toepassing van artikel 22.27 het omgevingsplan onverminderd van toepassing blijft, en het college dus ook had moeten toetsen aan de bouwregels van de agrarische bestemming, merkt de rechtbank aan als nieuwe beroepsgrond. Die grond is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de goede procesorde. Eiseres had dit eerder in de procedure naar voren kunnen brengen, zodat de andere partijen zich daar ook op hadden kunnen voorbereiden. De beroepsgrond slaagt daarom niet.



Dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 6”

7. Eiseres betoogt dat een pompput is gegraven van ongeveer een meter diep en breed. Op grond van artikel 30.4.1. onder e van de planregels is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een boor- en pompput tot stand te brengen. Volgens eiseres mocht het college de werkzaamheden niet scharen onder de uitzondering op de vergunningplicht vanwege normaal beheer en onderhoud. Er is geen sprake van normaal beheer en onderhoud, omdat het gaat om een nieuw aangelegd werk. Verder betoogt eiseres dat het college ten onrechte niet gekeken heeft naar de andere vergunningplichten die gelden binnen de archeologische dubbelbestemming. Zo heeft het college volgens eiseres ten onrechte niet gekeken naar de oppervlakte van de werkzaamheden. Daardoor is het onduidelijk is of sprake is van grondwerkzaamheden met een oppervlakte groter dan 5.000 m2 en waarbij de bodemingreep dieper is dan 0,3 meter beneden het maaiveld. Ook heeft het college niet gekeken of het waterpeil wordt verlaagd. Voor het beregeningssysteem zijn stalen buizen ingeheid. Tot slot is er een ondergronds transport aangelegd door de beregeningsslangen in de bodem in te graven. Het college heeft volgens eiseres daarmee zijn motiveringsplicht en onderzoeksplicht geschonden.




7.1.
De bestemmingsplanregels die strekken tot bescherming van het algemeen belang van archeologische waarden, strekken niet tot bescherming van het belang van eiseres die bescherming zoekt tegen de door haar gestelde nadelige gevolgen van het beregeningssysteem. Dat belang bij bescherming tegen de nadelige gevolgen die zij ondervindt is ook niet verweven met het algemeen belang van archeologische waarden die de planregels beogen te beschermen. Wanneer een rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept, kan de rechtbank een besluit op grond van het relativiteitsvereiste niet vernietigen op de grond dat het besluit in strijd is met die regel of dat rechtsbeginsel. De rechtbank is daarom van oordeel dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan het inhoudelijk bespreken van deze beroepsgrond.



Gebiedsaanduiding “stiltegebied”

8. Eiseres betoogt dat het college heeft miskend dat de pomp bij het beregeningssysteem een gebiedseigen geluid produceert. Volgens eiseres is dit geluid niet passend in het gebied en ook frequent aanwezig. Dit verstoort de waarden van het stiltegebied.




8.1.
Op grond van artikel 37.12 van het bestemmingsplan zijn de gronden tevens bestemd voor het bewaren en het bevorderen van stilte en rust, tenzij er sprake is van gebiedseigen activiteiten zoals agrarische bedrijfsvoering, wonen inclusief aan huis verbonden beroep en/of aan huis verbonden bedrijf, kleinschalige kampeerterreinen en het normale onderhoud en beheer van de gronden.



8.2.
De gebiedsaanduiding is een uitwerking van het stiltegebied zoals vastgelegd in de omgevingsverordening van de provincie Gelderland. Aan de gebiedsaanduiding zijn geen normen gekoppeld die het college kan/moet handhaven. De aanduiding heeft tot gevolg, zo blijkt uit de toelichting bij het bestemmingsplan, dat het aspect ‘stilte’ één van de waarden is die van belang zijn bij de beoordeling van initiatieven aan de randvoorwaarden voor het verlenen van binnenplanse afwijkingen of voor het wijzigen van het bestemmingsplan. De beroepsgrond slaagt niet.




Conclusie en gevolgen


9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van het handhavingsverzoek in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.






Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van D. van Til, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2026














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.


Op grond van artikel 22.27 onder h van het omgevingsplan.


Artikel 30.4.2 onder b van de planregels.


Artikel 30.4.1 onder b van de planregels.


Artikel 30.4.1 onder d van de planregels.


Artikel 30.4.1 onder f van de planregels.


Artikel 30.4.1 onder h van de planregels.


Zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, r.o. 10.74 en 10.75.


Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).