Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:6957

2026-07-17 Civiel recht; Verbintenissenrecht K/5004/12275609
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-07-17
Publicatiedatum
2026-09-09
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
K/5004/12275609
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Huur woonruimte. Kort geding. Gezien de grote betaling door de huurder en verdere omstandigheden, onder andere inwonende minderjarigen, wordt ontruiming afgewezen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.579 tekens)
RECHTBANK
GELDERLAND



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Nijmegen



Zaaknummer: 12275609 \ VV EXPL 26-44




Vonnis in kort geding van 17 juli 2026




in de zaak van



de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser] B.V.
gevestigd te [plaats]
eisende partij
hierna te noemen: [eiser]
gemachtigde: [gemachtigde 1]



tegen





[gedaagde]

wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
hierna te noemen: [gedaagde]
gemachtigde: [gemachtigde 2] (sociaal raadsman Schuldhulpverlening)






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 9;
- de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 juli 2026. Namens [eiser] is verschenen [persoon] , zij heeft een machtiging overgelegd, en zij werd bijgestaan door [gemachtigde 1] . [gedaagde] is verschenen met zijn gemachtigde [gemachtigde 2] . De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen aan de orde is gekomen.



1.2.
Vervolgens is de datum van het vonnis bepaald.






2De feiten


2.1.

[eiser] verhuurt sinds 6 december 2024 aan [gedaagde] de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: het gehuurde) tegen een maandelijks bij vooruitbetaling verschuldigde huurprijs van laatstelijk € 1.249,20.



2.2.

[gedaagde] heeft vanaf november 2025 een achterstand in de huurbetaling laten ontstaan.



2.3.
Op 28 juni 2026, na betekening van de dagvaarding, heeft [gedaagde] € 5.147,60 aan [eiser] betaald.






3Het geschil


3.1.

[eiser] vordert samengevat - ontruiming van het gehuurde en [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 5.723,19 (bestaande uit € 9.993,60 aan huur tot en met juni 2026, € 765,18 aan buitengerechtelijke kosten, € 85,41 aan wettelijke rente tot 17 juni 2026, waarop in mindering strekken de betalingen van € 4.846,00 en € 275,00), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.872,60 vanaf 17 juni 2026, € 1.249,20 per maand vanaf 1 juli 2026 tot de dag van ontruiming vermeerderd met de wettelijke rente en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, waaronder de nakosten.



3.2.

[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] schiet tekort in de nakoming van zijn betalingsverplichtingen uit de huurovereenkomst. De tekortkoming is zodanig dat dit ontbinding van de huurovereenkomst in de bodemprocedure zou rechtvaardigen en daarop vooruitlopend ontruiming van het gehuurde. Omdat [gedaagde] ondanks aanmaning de huurachterstand niet heeft betaald is hij de wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten verschuldigd.



3.3.

[gedaagde] voert verweer. Hij erkent dat de gestelde huurachterstand is ontstaan en heeft deze betaald. Hij heeft zich ondertussen aangemeld bij schuldhulpverlening om zijn financiën op orde te krijgen en hij wil bewindvoering aanvragen. [gedaagde] geeft aan dat hij heel graag in de woning wil blijven, ook voor zijn minderjarige kinderen, en dat hij zijn best doet om dit op te lossen.



3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.






4De beoordeling


4.1.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eiser] heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.



4.2.
Naast de ontruiming vordert [eiser] ook betaling van de (resterende) huurachterstand. Bij de beoordeling van een geldvordering in kort geding is terughoudendheid op zijn plaats is. Wel geldt dat als de hoofdvordering voldoende spoedeisend is om in kort geding te kunnen worden beoordeeld, de proceseconomie ermee gebaat is dat in hetzelfde geding ook over een daarmee nauw verwante nevenvordering kan worden beslist. Daarbij moet in de afweging van de belangen van partijen ook de vraag beoordeeld worden of er sprake is van een restitutierisico. Dat betekent een risico van onmogelijkheid van terugbetaling. Dat risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.




Spoedeisend belang





4.3.

[eiser] stelt in de dagvaarding dat sprake was van een huurachterstand van meer dan drie maanden. Daaruit volgt naar het oordeel van de kantonrechter een voldoende spoedeisend belang bij ontruiming van de woning en daarmee ook dat over de daaraan ten grondslag liggende geldvorderingen in dit kort geding kan worden beslist.



Beoordeling of toewijzing van vorderingen in een bodemprocedure waarschijnlijk is





4.4.
De kantonrechter moet vervolgens beoordelen of de vorderingen tot ontruiming en betaling in dit kort geding ook daadwerkelijk toewijsbaar zijn. De kantonrechter zal daarvoor allereerst beoordelen of sprake is van wanbetaling. Als daarvan sprake is, zal vervolgens worden beoordeeld of het op grond daarvan voldoende waarschijnlijk is dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst vanwege de gestelde tekortkoming ontbonden zal worden en daarmee de ontruiming toegewezen zal worden.



4.5.

[gedaagde] betwist niet dat hij de gestelde huurachterstand heeft laten ontstaan, zodat vast staat dat sprake is van wanbetaling aan de zijde van [gedaagde] . [gedaagde] stelt dat hij op 28 juni 2026 de huurachterstand heeft betaald. [eiser] stelt op haar beurt dat zij kosten heeft moeten maken voor de inning van haar vordering, zodat de betaling van [gedaagde] (met toepassing van artikel 6:44 lid 1 BW) eerst in mindering strekt op de buitengerechtelijke kosten, daarna van de reeds vervallen rente en tot slot van de huurachterstand zelf. [eiser] is daarom van mening dat nog steeds sprake is van een huurachterstand. Om te bepalen of dit zo is – en zo ja, wat die huurachterstand bedraagt – dient eerst bekeken te worden of [gedaagde] de wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten verschuldigd is aan [eiser] . Hiertoe wordt het volgende overwogen.



4.6.
De huurovereenkomst is gesloten met een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). De kantonrechter constateert dat er geen sprake is van oneerlijke bedingen voor wat betreft de rente en buitengerechtelijke kosten.



Wettelijke rente





4.7.
Aangezien vast staat dat [gedaagde] te laat is met het betalen van de huur tot en met juni 2026, is hij de wettelijke rente over de huurachterstand verschuldigd. De reeds vervallen rente van € 85,61 en de lopende rente zijn daarom toewijsbaar.



Buitengerechtelijke kosten





4.8.


[eiser] heeft als productie 5 bij haar dagvaarding een kopie van de 14-dagen brief overgelegd en stelt dat de brief op 2 april zowel per post als per aangetekende e-mail is verzonden aan [gedaagde] . [gedaagde] heeft de ontvangst van de brief niet betwist. De kantonrechter is echter van oordeel dat de aanmaning in deze zaak niet voldoet aan artikel 6:96 lid 6 BW, omdat [eiser] een onduidelijke formulering voor de 14 dagen termijn heeft gehanteerd. Enerzijds is een termijn van veertien dagen ‘na vandaag’ gesteld (dit kan de datum van de brief of die van ontvangst inhouden) en vervolgens een termijn van veertien dagen ‘na de datum van de brief’.
Deze termijnen kunnen van elkaar afwijken, als gevolg waarvan het voor de consument, in dit geval [gedaagde] , onvoldoende duidelijk vanaf welk moment de veertiendagen termijn aanvangt. De buitengerechtelijke kosten worden daarom afgewezen.




4.9.

Uit de specificatie in de dagvaarding blijkt dat aan achterstallige huur een bedrag van € 4.872,60 open stond (€ 9.993,60 minus de betalingen van € 4.846,00 en € 275,00). De betaling van [gedaagde] van € 5.147,60 strekt met toepassing van artikel 6:44 BW als eerste in mindering van de reeds vervallen rente van € 85,41, daarna van de huurachterstand van
€ 4.872,60 en van de lopende wettelijke rente van € 6,41 (berekend over de huurachterstand van € 4.872,60 over de periode 17 juni 2026 tot en met de datum van betaling op 28 juni 2026). Dan resteert een bedrag van € 183,18 van het door [gedaagde] betaalde bedrag. [eiser] stelt dat [gedaagde] de huur voor de maand juli van € 1.325,40 (na indexering) niet heeft betaald, maar zij heeft haar eis in deze procedure niet vermeerderd. Het bedrag van € 183,18 kan evenwel in mindering strekken op de huurbetaling van de maand juli, voor zover [gedaagde] dit bedrag tot op heden nog niet heeft betaald.




4.10.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] de vordering van [eiser] reeds heeft betaald, zodat de vordering tot betaling van de huurachterstand wordt afgewezen.



Beoordeling van de vordering tot ontruiming





4.11.

Hoewel een late betaling van de huurachterstand de wanprestatie op zichzelf niet opheft, is de kantonrechter evenwel van oordeel dat de wanprestatie in de gegeven omstandigheden van het geval niet zodanig is, dat dit de ontbinding van de huurovereenkomst en daarop vooruitlopend de ontruiming van het gehuurde kan rechtvaardigen. Naast dat [gedaagde] een substantiële betaling heeft gedaan, is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat [gedaagde] al de nodige concrete stappen heeft gezet om zijn financiële situatie op de rit te krijgen. Hij heeft zich, nadat [eiser] een melding bij de Gemeente heeft gedaan in het kader van vroegsignalering, aangemeld bij schuldhulpverlening en hij wil bewindvoering aanvragen. Ook heeft hij aangegeven dat hij een uitkering en huurtoeslag ontvangt, wat een stabielere (financiële) basis geeft om de huur maandelijks te (kunnen) blijven betalen.
Daarnaast wegen de belangen van de minderjarige kinderen van [gedaagde] mee in de beoordeling, zoals bepaald in artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hij met zijn minderjarige kinderen (5 en 9 jaar) in het gehuurde woont en stelt dat een gedwongen ontruiming tot dakloosheid zal leiden. Hij heeft geen familie of vrienden om op terug te vallen. [gedaagde] heeft daarnaast toegelicht dat zijn zoon autisme heeft en dat het – mede door de scheiding – niet goed gaat met hem op school. De gevolgen van een gedwongen ontruiming zullen dus groot zijn voor [gedaagde] en zijn kinderen. [eiser] heeft er op gewezen dat de kinderen van [gedaagde] bij hun moeder zouden kunnen verblijven, maar de kantonrechter acht het, mede gezien de persoonlijke situatie van de zoon van [gedaagde] , van groot belang dat er een stabiele basis blijft. De stellingen over de vogel van [gedaagde] , het beweerde boren in de kozijnen en de vieze afzuigkap blijven buiten beschouwing, omdat – mede gezien de betwisting door [gedaagde] – deze een vordering tot ontruiming niet kunnen dragen.




4.12.
Het voorgaande in samenhang beschouwd is de kantonrechter van oordeel dat het belang van [eiser] om een huurder te hebben die zijn huur (tijdig) betaalt, tegenover het belang van [gedaagde] (en zijn kinderen) bij behoud van zijn woning, niet zodanig zwaar weegt dat het gerechtvaardigd is om haar vordering tot ontruiming op dit moment toe te wijzen. De vordering tot ontruiming wordt daarom afgewezen.



4.13.
De vordering tot betaling van de huur tot de dag van ontruiming wordt eveneens afgewezen nu die daarmee samenhangt. De kantonrechter wijst [gedaagde] er evenwel op dat het noodzakelijk is dat hij zijn huur tijdig aan [eiser] betaalt en blijft betalen. Dit om te voorkomen dat [eiser] zich genoodzaakt ziet een nieuwe procedure tegen [gedaagde] te starten waarbij de uitkomst dan mogelijk anders zou kunnen uitvallen.



4.14.
De kantonrechter ziet aanleiding de proceskosten te compenseren. Dat betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit gezien de bij aanvang van de procedure bestaande achterstand en de uiteindelijk beslissing.






5De beslissing


De kantonrechter



5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af;



5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zien dat iedere partij de eigen kosten draagt.










Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.





!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!





!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!


























!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!








40140 / 560