Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:6951

2026-09-02 Bestuursrecht ARN 25/4448
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-09-02
Publicatiedatum
2026-09-08
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ARN 25/4448
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verkeersbesluit tot plaatsing van 292 laadpalen en het bijbehorend reserveren van telkens twee parkeerplaatsen voor het opladen van elektrische voertuigen. Eiser is het niet eens met het plaatsen van een laadpaal en het aanwijzen van twee bijbehorende parkeerplaatsen voor zijn huis. De rechtbank is van oordeel dat de voor eiser nadelige gevolgen van het verkeersbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Eiser is ten onrechte niet gehoord in bezwaar. De rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Beroep ongegrond. Afwijzing verzoek immateriële schadevergoeding, omdat de redelijke termijn van twee jaar niet is overschreden.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.646 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND


Zittingsplaats Arnhem


Bestuursrecht


zaaknummer: ARN 25/4448



proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
2 september 2026 in de zaak tussen




[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,


en




het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijkerk, het college
(gemachtigden: [gemachtigde] en mr. J.P.W. Barendse).





Zitting


De rechtbank heeft het beroep van eiser op 2 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigden van het college deelgenomen.



Na afloop van de zitting heeft de rechtbank, na een onderbreking voor raadkameroverleg, mondeling uitspraak gedaan.





Beslissing


De rechtbank:




verklaart het beroep ongegrond;


wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af;


draagt het college op om het door eiser betaalde griffierecht van € 194 te vergoeden.






Motivering

1. Het gaat in deze zaak om een verkeersbesluit van het college van 26 maart 2025. Eiser heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, wat het college met het besluit van
1 september 2025 ongegrond heeft verklaard. Tegen dat besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.

2. Hoe worden verkeersbesluiten door de rechter beoordeeld? Verkeersbesluiten kunnen alleen worden genomen als daar een in de wet aangewezen belang mee is gediend. In artikel 2, eerste tot en met het vierde lid, van de Wegenverkeerswet (WVW 1994) staan de belangen op grond waarvan een verkeersbesluit mag worden genomen. Het verkeersbesluit is genomen om door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer te voorkomen of te beperken. In eerdere uitspraken over verkeersbesluiten is bepaald dat een bestuursorgaan – in dit geval: het college – bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toekomt bij de uitleg van de in artikel 2 van de WVW 1994 genoemde begrippen.

3. De rechtbank moet dus toetsen of het college geen onredelijk gebruik heeft gemaakt van zijn beoordelingsruimte. Dat is dus een beperkte toets, zoals ook op de zitting is besproken. De rechtbank vindt niet dat het college onredelijk gebruik heeft gemaakt van die beoordelingsruimte. De rechtbank legt hierna uit waarom zij dat vindt.


3.1.
Met het verkeersbesluit van 26 maart 2025 heeft het college tot de plaatsing van 292 laadpalen en bijbehorende telkens twee parkeerplaatsen ten behoeve van elektrische voertuigen besloten. Dit besluit vloeit voort uit de eerder door de gemeenteraad van Nijkerk vastgestelde Integrale laadvisie 2030. Met het vaststellen van die visie heeft de gemeente de verantwoordelijkheid op zich genomen om een dekkend netwerk van laadpalen en bijbehorende parkeerplaatsen in de gemeente te realiseren die op loopafstand (van maximaal 200 meter) bereikbaar zijn. Dit omdat elektrisch vervoer bijdraagt aan een beter klimaat, het verminderen van geluidshinder en verbeterde luchtkwaliteit. In de visie is voor 2025 een behoefte van 473 laadpunten onderkend, met een verdere groei in 2030 naar 820 laadpunten en in 2035 naar 1.712 laadpunten. In 2023-2024 hebben inwoners de gelegenheid gekregen om op de ontwerpplankaart te reageren, wat heeft geleid tot een aantal aanpassingen. De locaties op de definitieve plankaart zijn met het verkeersbesluit formeel vastgesteld.



3.2.
Eiser bestrijdt de hiervoor genoemde uitgangspunten niet en kan zich ook voor het overgrote deel vinden in het verkeersbesluit. Hij is het alleen niet eens met de plaatsing van een laadpaal en het aanwijzen van twee bijbehorende parkeerplaatsen voor zijn deur (besluitonderdeel 143). Eiser vindt dat deze laadpaal (en de bijbehorende parkeerplaatsen) ook kunnen worden gerealiseerd op het hofje achter zijn woning, waar al laadplaatsen aanwezig zijn. Het college heeft echter voldoende toegelicht dat dit niet goed verenigbaar is met de Integrale laadvisie 2030, onder andere omdat daardoor niet meer sprake is van een dekkend netwerk dat op loopafstand bereikbaar is. Tegemoetkomen aan eisers wens zou daarom te zeer afbreuk doen aan de belangen die het verkeersbesluit dient. Eiser wijst er nog op dat diverse bewoners in zijn straat al een eigen laadpaal hebben, maar die laadpalen zijn alleen voor die bewoners beschikbaar. Die dragen dus niet bij aan een voor de gemeente dekkend netwerk.


4. Nadat het college heeft vastgesteld welke verkeersbelangen in welke mate naar zijn oordeel bij het besluit dienen te worden betrokken, moet het die belangen tegen elkaar af te wegen. Daarbij komt het college beleidsruimte toe. Dat betekent niet dat de rechtbank moet beoordelen of zij tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen. De rechtbank moet (slechts) toetsen of de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Ook dat is een beperkte toets. En de rechtbank vindt dat van zo’n onevenredigheid geen sprake is. De rechtbank licht dat als volgt toe.




4.1.
Het college hoeft niet de absolute noodzaak van een verkeersbesluit aan te tonen. Voldoende is dat inzichtelijk wordt gemaakt hoe de betrokken belangen zijn gewogen. Dat heeft het college in dit geval gedaan. Eiser wijst op zijn zorgen over overlast en zijn eigen (verkeers)veiligheid en vindt dat het college in strijd handelt met de uitgangspunten van het verkeersbesluit zelf. De rechtbank begrijpt dat eiser nu al zorgen over heeft over de verkeersveiligheid in zijn straat, doordat bezoekers en leveranciers in de doodlopende straat waarin eiser woont nu al regelmatig achteruit moeten rijden of gevaarlijke manoeuvres uithalen om de straat te verlaten. Eiser is – zo begrijpt de rechtbank – bezorgd dat de laadpaal extra verkeersbewegingen (van elektrische voertuigen) veroorzaakt en dat de door hem ervaren onveiligheid toeneemt. Eiser heeft echter niet onderbouwd dat dit ook daadwerkelijk het geval zal zijn. Het college wijst er daarbij op dat er twee nu al bestaande parkeervakken in gebruik worden genomen voor elektrisch laden en dat hierdoor de mogelijkheden voor het verkeer om de straat te benutten niet worden aangetast.



4.2.
Eiser vindt ook dat de plaatsing van de laadpaal een onaanvaardbare inbreuk op zijn privacy is. Eiser veronderstelt dat de bezitters van elektrische voertuigen bij het laden van de voertuigen min of meer in de omgeving blijven rondlopen, of dat potentiële inbrekers dit zelfs als een dekmantel gebruiken om zijn woning te bespieden. Verder zou een door eiser geraadpleegde makelaar hebben gezegd dat sprake is van een waardedaling van de woning na plaatsing van de laadpaal. De rechtbank vindt dat dit alles door eiser onvoldoende is onderbouwd. Bij de al aanwezige parkeervakken zal een verkeersbord en een laadpaal worden geplaatst. Twee van die vakken worden exclusief beschikbaar voor elektrische voertuigen. Daardoor wordt het voor minder voertuigen mogelijk om voor eisers woning te parkeren, wat eerder tot een toename dan een afname van privacy zal leiden. Eiser heeft geen objectieve gegevens overgelegd waarop zijn veronderstellingen over wat er tijdens het opladen van elektrische auto’s kan gebeuren zijn gebaseerd. Eiser heeft verder geen stukken overgelegd waaruit de door hem gestelde waardedaling van zijn woning blijkt. Overigens zal de ene koper van een woning een laadpaal voor de deur een nadeel vinden, zoals eiser. Een andere koper zal dat een voordeel vinden, met name mensen die zelf een elektrische auto hebben of bezoekende kennissen hebben die daarover beschikken. Dat is dus een subjectief aspect waar geen objectief waarde-effect voor een woning aan valt te koppelen. Het college wijst er verder terecht op dat enige overlast als gevolg van de plaatsing van laadpalen en aanwijzing van twee parkeerplaatsen voor elektrische voertuigen onvermijdelijk is. Eiser heeft onvoldoende aangedragen waarom zijn persoonlijke belangen bij het niet hoeven dulden van overlast en zorgen over (verkeers)veiligheid zwaarder zouden moeten wegen dan die van andere burgers die in voorkomend geval een laadpaal voor de deur krijgen dan wel de met het verkeersbesluit te dienen belangen.



4.3.
Wat ook gewicht in de schaal legt, is dat het college er op de zitting op heeft gewezen dat het vanwege netcongestie per 1 juli 2026 moeilijker is om nieuwe laadpalen te plaatsen of te verplaatsen. De in het verkeersbesluit opgenomen laadpalen kunnen worden gerealiseerd, maar als nu een andere locatie moet worden aangewezen, dan wordt die locatie door de netbeheerder op een wachtlijst geplaatst en kan plaatsing pas over ettelijke jaren aan de orde zijn. Overigens heeft het college op de zitting de bereidheid uitgesproken om twee door eiser aangedragen alternatieven te onderzoeken. Namelijk een plaatsing op de Prinsenhof dan wel het verplaatsen van de in deze zaak aan de orde zijnde laadpaal naar één parkeervak terug in de straat. Dat is dan wel afhankelijk van de mogelijkheden van het energienet en hoe buurtbewoners daarop reageren.

5. Eiser vindt dat de bekendmaking van het verkeersbesluit van 26 maart 2025 gebrekkig was. Of dat zo is kan in het midden blijven, omdat eiser tijdig bezwaar heeft kunnen maken tegen het verkeersbesluit. Zelfs als de bekendmaking gebrekkig zou zijn, dan is hij daardoor niet in zijn belangen geschaad.

6. Het verzoek van eiser om immateriële schadevergoeding vanwege de lange duur van de procedure wordt afgewezen. Procedures als deze moeten binnen een redelijke termijn worden afgerond. Die is in vaste rechtspraak bepaald op twee jaar, te rekenen vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het college tot en met de uitspraakdatum van de rechtbank. Deze periode bedraagt in deze zaak minder dan twee jaar, zodat voor de verzochte immateriële schadevergoeding geen grond is.

7. De rechtbank is het wel met eiser eens dat het college hem in de bezwaarfase ten onrechte niet heeft gehoord. Met wat eiser in bezwaar heeft aangevoerd was geen sprake van een situatie dat over de ongegrondheid daarvan redelijkerwijs geen twijfel kon zijn. Het college kon dus niet om die reden van het horen afzien. Het besluit van 1 september 2025 is daarom gebrekkig tot stand gekomen, maar de rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek te passeren. Eiser heeft namelijk in beroep zijn standpunt op de zitting bij de rechtbank uitvoerig kunnen toelichten. De rechtbank ziet wel aanleiding om het college op te dragen het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden, omdat in bezwaar ten onrechte is afgezien van het horen. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.



De rechter deelt mee dat van deze uitspraak een proces-verbaal wordt opgemaakt dat binnen twee weken aan partijen zal worden toegestuurd.



De rechter wijst erop dat partijen het recht hebben om tegen deze uitspraak hoger beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hoger beroep moet zijn ingesteld binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal.




Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026 door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. I.H. Verzijl-Stoop, griffier.














griffier


rechter








Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:




Artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, WVW 1994.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3908, overweging 5, en Afdeling 1 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1541, overweging 6.1.


Gemeenteblad 2025, 126177.


Gemeenteblad 2022, 449791.


Afdeling 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2081, overweging 6.


Afdeling 8 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2759, overweging 4.


Artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.