Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:6947
2026-09-10
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ARN 23/6751
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Aanvraag Wajong afgewezen. Einduitspraak na tussenuitspraak. Ongegrond. Schadevergoeding redelijke termijn.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2011:BR5704 Raad van State 24-08-2011
- ECLI:NL:RVS:2012:BX4694 Raad van State 15-08-2012
- ECLI:NL:HR:2016:252 Hoge Raad 19-02-2016
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.464 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/6751
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2026
in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. I. Amghar),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [gemachtigde] )
alsmede
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), derde-partij.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar herhaalde aanvraag om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).
1.1.
Bij besluit van 23 november 2022 heeft het UWV de herhaalde aanvraag van eiseres om een Wajong-uitkering afgewezen.
1.2.
In het besluit van 5 september 2023 (het bestreden besluit I) heeft het UWV het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 23 november 2022 ongegrond verklaard.
1.3.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.
1.4.
Op 23 mei 2025 heeft het UWV een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen (het bestreden besluit II). Het UWV heeft de herhaalde aanvraag van eiseres aangemerkt als een nieuwe aanvraag en heeft deze in volle omvang beoordeeld aan de hand van hoofdstuk 1a van de Wajong 2015. Het UWV blijft bij de afwijzing van de aanvraag maar dan op de grondslag dat eiseres op haar 18e verjaardag geen ingezetene was.
1.5.
Eiseres heeft hier op gereageerd. Na een nadere vraagstelling van de rechtbank heeft ook het UWV gereageerd.
1.6.
Bij tussenuitspraak van 12 februari 2026 heeft de rechtbank geoordeeld dat het UWV in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld door bij het bestreden besluit II de Wajong-aanvraag van eiseres af te wijzen op de grondslag dat zij op haar 18e verjaardag geen ingezetene was van Nederland. De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld het gebrek te herstellen en meegedeeld dat het UWV de Wajong-aanvraag van eiseres opnieuw moet beoordelen, waarbij er vanuit moet worden gegaan dat eiseres op haar 18e verjaardag ingezetene was.
1.7.
Op 17 april 2026 heeft het UWV in navolging van de tussenuitspraak opnieuw een beslissing op bezwaar genomen (het bestreden besluit III). Het UWV heeft het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 23 november 2022 ongegrond verklaard.
1.8.
Eiseres heeft hierop haar zienswijze gegeven. Het UWV heeft hier vervolgens weer op gereageerd. Hierna heeft eiseres nog verzocht om een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.De Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) heeft afgezien van het voeren van verweer.
1.9.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
De tussenuitspraak
2. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Beroep tegen bestreden besluiten I en II niet-ontvankelijk
3. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak al geoordeeld dat eiseres niet langer belang heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit I. Hetzelfde geldt voor de beoordeling van het bestreden besluit II. Het UWV is er bij bestreden besluit III namelijk van uitgegaan dat eiseres op haar 18e verjaardag ingezetene was en heeft de Wajong-aanvraag van eiseres opnieuw beoordeeld. Daarmee is het gebrek in bestreden besluit II hersteld. Gesteld noch gebleken is dat eiseres nog een belang heeft bij een beoordeling daarvan. Het beroep tegen de bestreden besluiten I en II zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Totstandkoming bestreden besluit III
4. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op het bestreden besluit III. De rechtbank verwijst ten aanzien van de vaststaande feiten en de totstandkoming van de besluiten, tot aan het moment van het bestreden besluit II, naar de tussenuitspraak.
4.1.
Aan het bestreden besluit III legt het UWV ten grondslag dat de Wajong-aanvraag van eiseres bij het besluit van 23 november 2022 terecht is afgewezen, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) van mening is dat het op basis van de beschikbare medische informatie niet mogelijk is om een uitspraak te doen over de beperkingen in het functioneren van eiseres en daarmee haar arbeidsvermogen op haar 18e verjaardag en de periode van vijf jaar daarna. Daarbij is gewezen op de rapporten van de verzekeringsarts b&b van 30 maart 2026 en 15 april 2026.
Is de Wajong-aanvraag van eiseres terecht afgewezen?
5. Eiseres voert primair aan dat op grond van de medische informatie wel een inschatting kan worden gemaakt van haar belastbaarheid op haar 18e verjaardag, dan wel binnen vijf jaar daarna. Het onderzoek van de verzekeringsarts b&b is onzorgvuldig, althans innerlijk tegenstrijdig. Het dossier bevat voldoende medische informatie om de beperkingen in de relevante periode te kunnen beoordelen, waaronder het huisartsenjournaal en de informatie van [persoon] van 26 november 2001 waaruit de lichamelijke en psychische klachten van eiseres blijken. De verzekeringsarts b&b gaat hier inhoudelijk nauwelijks op in en motiveert niet concreet en inzichtelijk waarom op basis daarvan geen beperkingen kunnen worden vastgesteld. Ook de verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 22 november 2022 een inschatting kunnen maken van de beperkingen van eiseres op haar 18e verjaardag en heeft geconcludeerd dat eiseres desondanks vier uur per dag belastbaar was en één uur aaneengesloten kon werken, terwijl hij toen beschikte over beperktere medische informatie, omdat de gegevens over de psychische klachten van eiseres toen nog ontbraken. De verzekeringsarts heeft destijds alleen overwogen dat onvoldoende kon worden vastgesteld of de klachten binnen vijf jaar waren toegenomen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres meerdere medische stukken ingebracht met data uit 2002, 2004, 2006 tot en met 2008 en 2021. Ten onrechte heeft dan ook geen arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden. Subsidiair verzoekt eiseres de rechtbank om een onafhankelijke verzekeringsarts te benoemen om te beoordelen of een inschatting kan worden gemaakt van de belastbaarheid van eiseres op haar 18e verjaardag en de vijf jaar daarna. Daarbij heeft eiseres er op gewezen dat de procedure al geruime tijd loopt en het UWV meermalen de grondslag van het besluit heeft gewijzigd waardoor eiseres er onvoldoende vertrouwen in heeft dat het UWV haar dossier alsnog zorgvuldig zal beoordelen.
5.1.
De rechtbank acht ten eerste het onderzoek van de verzekeringsarts b&b niet onzorgvuldig. De verzekeringsarts b&b heeft er rekening mee gehouden dat eiseres op haar 18e jaar bekend was met scoliose en ernstige poliomyelitis van het onderste bewegingsapparaat en dat hiervan in algemene zin bekend is dat dit kan leiden tot beperkingen voor rugbelastende activiteiten en activiteiten die belastend zijn voor het onderste bewegingsapparaat. Verder heeft hij rekening gehouden met de al bekende medische informatie uit het dossier en met de nog door eiseres ingebrachte medische informatie. De rechtbank stelt vast dat eiseres haar psychische klachten, waar ze in haar beroepsgronden naar verwijst, in het geheel niet heeft gemeld bij de verzekeringsarts. De verzekeringsarts b&b heeft deze klachten echter wel betrokken bij zijn medisch onderzoek. Dat de verzekeringsarts eerder wel een oordeel heeft gegeven over de belastbaarheid van eiseres, betekent ook niet dat de conclusie van de verzekeringsarts b&b innerlijk tegenstrijdig is. De verzekeringsarts heeft namelijk ook overwogen dat de mate van beperkingen destijds niet is vast te stellen aan de hand van de aanwezige medische gegevens. Ook is volgens de verzekeringsarts niet vast te stellen per wanneer de beperkingen zijn toegenomen, zeker niet in de eerste vijf jaar na de 18e verjaardag van eiseres.
5.1.1.
Verder heeft de verzekeringsarts b&b naar het oordeel van de rechtbank in zijn rapporten van 30 maart 2026, 15 april 2026 en van 15 juni 2026 voldoende inzichtelijk en gemotiveerd overwogen dat niet kan worden aangegeven welke beperkingen er concreet zijn geweest in de periode vanaf het 18e jaar van eiseres tot aan haar 23e. De verzekeringsarts b&b heeft gemotiveerd dat de mate waarin de bekende aandoeningen van eiseres kunnen leiden tot beperkingen voor rugbelastende activiteiten en belastende activiteiten voor het bewegingsapparaat, sterk kunnen verschillen afhankelijk van de mate waarin deze pathologie aanwezig was (verschijningsvorm/uitingsvorm, ernst) op dat punt. Volgens de verzekeringsarts b&b geeft de (door eiseres ingebrachte) medische informatie aan dat eiseres bekend was en is met forse medische problematiek, maar is deze informatie onvoldoende om aan te kunnen geven welke beperkingen er concreet zijn geweest in de referteperiode. Hij heeft overwogen dat de medische stukken spreken over grotere medische problematiek op het vlak van het bewegingsapparaat en ook psychisch traumatische gebeurtenissen. De klachten die hieruit voortvloeiden en de gezondheidstoestand en beperkingen daarbij kennen een wat wisselend beloop, zoals volgens de verzekeringsarts b&b ook duidelijk wordt uit de medische stukken. Er is dan ook geen sprake van een situatie die vanaf het 18e jaar van eiseres stabiel is gebleven, waardoor ook niet kan worden volstaan met de vaststelling welke beperkingen er heden zijn om die van toepassing te verklaren op het punt waarop eiseres 18 werd. De verzekeringsarts b&b kan dus niet vaststellen welke beperkingen er destijds exact waren en of deze leidden tot al dan niet volledig ontbreken van arbeidsvermogen en zo ja, of dat duurzaam was. Daarvoor is de medische informatie onvoldoende gedetailleerd. Ook de rechtbank leest het wisselende beloop van (pijn)klachten en beperkingen terug in de (ingebrachte) medische informatie en in wat eiseres bij de verzekeringsarts naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsarts b&b. Die aanleiding wordt ook niet gevonden in de medische informatie die door eiseres bij brief van 20 mei 2026 nog is ingebracht. Daarover heeft de verzekeringsarts b&b inzichtelijk en gemotiveerd overwogen dat dit gaat over de periode dat eiseres 19 jaar en ouder was. Daarin wordt wel gesproken over problemen van het onderste bewegingsapparaat in het vierde levensjaar van eiseres, maar daaruit is niet op te maken welke beperkingen er waren in de periode dat eisers het 18e levensjaar bereikte. De informatie van de revalidatiekliniek uit 2002 geeft volgens de verzekeringsarts b&b wel wat factoren van het functioneren en beperkingen aan, maar te weinig om te kunnen bepalen welke beperkingen eiseres op het punt van het bereiken van het 18e levensjaar als geheel had. Bovendien is daarin aangegeven dat de orthese problemen gaf, wat kan bijdragen in de matige loopafstand van eiseres. De verzekeringsarts b&b heeft volgens de rechtbank in dit verband eveneens inzichtelijk en gemotiveerd overwogen dat bij het duiden van de beperkingen moet worden uitgegaan van een adequate behandeling en begeleiding en dus ook het (zo ver mogelijk) optimaliseren van hulpmiddelen zoals ortheses. Volgens de verzekeringsarts b&b geldt voor de informatie van latere datum hetzelfde. Ook die informatie geeft niet duidelijk een volledig beeld van het functioneren van eiseres ten tijde van belang. De rechtbank is ervan overtuigd dat eiseres op dit moment kampt met ernstige klachten, die haar functioneren belemmeren. Alleen is in het kader van deze aanvraag niet van belang welke beperkingen eiseres nu heeft maar welke beperkingen zij had op haar 18e verjaardag en de vijf jaar erna. Deze beperkingen zijn – zo volgt uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen – niet vast te stellen en daarmee is ook de vraag of eiseres voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een Wajong-uitkering niet te beantwoorden. Het UWV heeft zich terecht op dit standpunt gesteld.
5.1.2.
Uit het voorgaande volgt dat een arbeidsdeskundig onderzoek niet plaats hoefde te vinden. De primaire beroepsgrond van eiseres slaagt niet.
5.2.
Ook de subsidiaire beroepsgrond slaagt niet. Uit wat de rechtbank onder 5.1 en 5.1.1 heeft overwogen volgt dat het onderzoek van de verzekeringsarts b&b zorgvuldig is geweest en de rechtbank ook geen twijfel heeft aan de conclusies van de verzekeringsarts b&b. Het verzoek om benoeming van een onafhankelijk verzekeringsarts wordt dan ook afgewezen.
Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn
6. Eiseres heeft bij brief van 12 augustus 2026 verzocht om een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.
6.1.
De vraag of de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van een zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.
6.2.
Als uitgangspunt geldt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar maximaal een half jaar en de behandeling van het beroep maximaal anderhalf jaar duren. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ontvangen en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Zulke omstandigheden zich hier niet voor.
6.3.
Als de redelijke termijn is overschreden, wordt in beginsel verondersteld dat de betrokkene immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500 per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
Als sprake is van overschrijding van de redelijke termijn moet ook worden beoordeeld op welke wijze de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bezwaar- en aan de beroepsfase.
6.4.
In een geval als dit, waarin eerst na een tussenuitspraak einduitspraak wordt gedaan, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel in zijn geheel aan het bestuursorgaan toegerekend. Als echter in de loop van de procedure één of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat. Van een te lange behandelingsduur bij de rechter is geen sprake als de periode van het instellen van beroep bij de rechtbank tot de tussenuitspraak van de rechter ten hoogste anderhalf jaar heeft geduurd en de rechter vervolgens binnen één jaar na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak doet.
6.5.
In deze zaak is het bezwaarschrift ontvangen op 22 december 2022. Uitgaande van de datum van deze uitspraak heeft de procedure in bezwaar en beroep in totaal drie jaar en bijna negen maanden geduurd. Dat betekent dat de redelijke termijn is overschreden met één jaar en bijna negen maanden, afgerond 21 maanden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 2.000.
6.6.
In deze zaak heeft de rechtbank een tussenuitspraak gedaan. De periode tussen de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 12 oktober 2023 en de tussenuitspraak van de rechtbank op 12 februari 2026 heeft twee jaar en vier maanden in beslag genomen. De rechtbank heeft binnen een jaar na ontvangst van de mededeling van het UWV op 20 april 2026 einduitspraak gedaan. Dat betekent dat de behandeling door de rechtbank tien maanden te lang heeft geduurd. Hieruit volgt dat 10/21e deel van de overschrijding van de redelijke termijn voor rekening van de Staat komt. Het overige deel komt voor rekening van het UWV. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan eiseres tot een bedrag van € 952,38 (10/21e deel van € 2.000). Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan eiseres tot een bedrag van € 1.047,62 (11/21e deel van € 2.000).
Conclusie en gevolgen
7. Gelet op de overwegingen in deze uitspraak en op die in de tussenuitspraak is het beroep voor zover gericht tegen de bestreden besluiten I en II niet-ontvankelijk. Het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit III is ongegrond. Het UWV heeft de Wajong-aanvraag van eiseres terecht afgewezen.
7.1.
Vanwege de in beroep genomen gewijzigde bestreden besluiten II en III, krijgt eiseres haar proceskosten van beroep en het door haar betaalde griffierecht vergoed. Het UWV moet dit betalen. De rechtbank stelt de kosten van door een derde verleende rechtsbijstand op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van de nadere reactie op het bestreden besluit II en 0,5 punt voor het indienen van de nadere reactie op het bestreden besluit III, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).
7.2.
Er bestaat ook aanleiding om de Staat en het UWV te veroordelen in de proceskosten van eiseres in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467 (1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 0,5) elk voor de helft te betalen door de Staat en het UWV, dus ieder € 233,50.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen de bestreden besluiten I en II niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit III ongegrond;
- bepaalt dat het UWV aan eiseres het griffierecht van € 50 vergoedt;
- veroordeelt het UWV tot vergoeding van schade aan eiseres tot een bedrag van € 1.047,62;
- veroordeelt de Staat (de minister van Veiligheid en Justitie) tot vergoeding van schade aan eiseres tot een bedrag van € 952,38;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.101,50;
- veroordeelt de Staat (de minister van Veiligheid en Justitie) in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Het UWV noemt besluitdatum 5 september 2023 maar dat is onmiskenbaar onjuist en wordt aangemerkt als een kennelijke verschrijving.
Brief van 12 augustus 2026.
Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Stcrt. 20210.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Zie de uitspraken van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, ro. 3.6.2.
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/6751
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2026
in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. I. Amghar),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [gemachtigde] )
alsmede
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), derde-partij.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar herhaalde aanvraag om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).
1.1.
Bij besluit van 23 november 2022 heeft het UWV de herhaalde aanvraag van eiseres om een Wajong-uitkering afgewezen.
1.2.
In het besluit van 5 september 2023 (het bestreden besluit I) heeft het UWV het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 23 november 2022 ongegrond verklaard.
1.3.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.
1.4.
Op 23 mei 2025 heeft het UWV een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen (het bestreden besluit II). Het UWV heeft de herhaalde aanvraag van eiseres aangemerkt als een nieuwe aanvraag en heeft deze in volle omvang beoordeeld aan de hand van hoofdstuk 1a van de Wajong 2015. Het UWV blijft bij de afwijzing van de aanvraag maar dan op de grondslag dat eiseres op haar 18e verjaardag geen ingezetene was.
1.5.
Eiseres heeft hier op gereageerd. Na een nadere vraagstelling van de rechtbank heeft ook het UWV gereageerd.
1.6.
Bij tussenuitspraak van 12 februari 2026 heeft de rechtbank geoordeeld dat het UWV in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld door bij het bestreden besluit II de Wajong-aanvraag van eiseres af te wijzen op de grondslag dat zij op haar 18e verjaardag geen ingezetene was van Nederland. De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld het gebrek te herstellen en meegedeeld dat het UWV de Wajong-aanvraag van eiseres opnieuw moet beoordelen, waarbij er vanuit moet worden gegaan dat eiseres op haar 18e verjaardag ingezetene was.
1.7.
Op 17 april 2026 heeft het UWV in navolging van de tussenuitspraak opnieuw een beslissing op bezwaar genomen (het bestreden besluit III). Het UWV heeft het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 23 november 2022 ongegrond verklaard.
1.8.
Eiseres heeft hierop haar zienswijze gegeven. Het UWV heeft hier vervolgens weer op gereageerd. Hierna heeft eiseres nog verzocht om een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.De Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) heeft afgezien van het voeren van verweer.
1.9.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
De tussenuitspraak
2. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Beroep tegen bestreden besluiten I en II niet-ontvankelijk
3. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak al geoordeeld dat eiseres niet langer belang heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit I. Hetzelfde geldt voor de beoordeling van het bestreden besluit II. Het UWV is er bij bestreden besluit III namelijk van uitgegaan dat eiseres op haar 18e verjaardag ingezetene was en heeft de Wajong-aanvraag van eiseres opnieuw beoordeeld. Daarmee is het gebrek in bestreden besluit II hersteld. Gesteld noch gebleken is dat eiseres nog een belang heeft bij een beoordeling daarvan. Het beroep tegen de bestreden besluiten I en II zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Totstandkoming bestreden besluit III
4. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op het bestreden besluit III. De rechtbank verwijst ten aanzien van de vaststaande feiten en de totstandkoming van de besluiten, tot aan het moment van het bestreden besluit II, naar de tussenuitspraak.
4.1.
Aan het bestreden besluit III legt het UWV ten grondslag dat de Wajong-aanvraag van eiseres bij het besluit van 23 november 2022 terecht is afgewezen, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) van mening is dat het op basis van de beschikbare medische informatie niet mogelijk is om een uitspraak te doen over de beperkingen in het functioneren van eiseres en daarmee haar arbeidsvermogen op haar 18e verjaardag en de periode van vijf jaar daarna. Daarbij is gewezen op de rapporten van de verzekeringsarts b&b van 30 maart 2026 en 15 april 2026.
Is de Wajong-aanvraag van eiseres terecht afgewezen?
5. Eiseres voert primair aan dat op grond van de medische informatie wel een inschatting kan worden gemaakt van haar belastbaarheid op haar 18e verjaardag, dan wel binnen vijf jaar daarna. Het onderzoek van de verzekeringsarts b&b is onzorgvuldig, althans innerlijk tegenstrijdig. Het dossier bevat voldoende medische informatie om de beperkingen in de relevante periode te kunnen beoordelen, waaronder het huisartsenjournaal en de informatie van [persoon] van 26 november 2001 waaruit de lichamelijke en psychische klachten van eiseres blijken. De verzekeringsarts b&b gaat hier inhoudelijk nauwelijks op in en motiveert niet concreet en inzichtelijk waarom op basis daarvan geen beperkingen kunnen worden vastgesteld. Ook de verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 22 november 2022 een inschatting kunnen maken van de beperkingen van eiseres op haar 18e verjaardag en heeft geconcludeerd dat eiseres desondanks vier uur per dag belastbaar was en één uur aaneengesloten kon werken, terwijl hij toen beschikte over beperktere medische informatie, omdat de gegevens over de psychische klachten van eiseres toen nog ontbraken. De verzekeringsarts heeft destijds alleen overwogen dat onvoldoende kon worden vastgesteld of de klachten binnen vijf jaar waren toegenomen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres meerdere medische stukken ingebracht met data uit 2002, 2004, 2006 tot en met 2008 en 2021. Ten onrechte heeft dan ook geen arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden. Subsidiair verzoekt eiseres de rechtbank om een onafhankelijke verzekeringsarts te benoemen om te beoordelen of een inschatting kan worden gemaakt van de belastbaarheid van eiseres op haar 18e verjaardag en de vijf jaar daarna. Daarbij heeft eiseres er op gewezen dat de procedure al geruime tijd loopt en het UWV meermalen de grondslag van het besluit heeft gewijzigd waardoor eiseres er onvoldoende vertrouwen in heeft dat het UWV haar dossier alsnog zorgvuldig zal beoordelen.
5.1.
De rechtbank acht ten eerste het onderzoek van de verzekeringsarts b&b niet onzorgvuldig. De verzekeringsarts b&b heeft er rekening mee gehouden dat eiseres op haar 18e jaar bekend was met scoliose en ernstige poliomyelitis van het onderste bewegingsapparaat en dat hiervan in algemene zin bekend is dat dit kan leiden tot beperkingen voor rugbelastende activiteiten en activiteiten die belastend zijn voor het onderste bewegingsapparaat. Verder heeft hij rekening gehouden met de al bekende medische informatie uit het dossier en met de nog door eiseres ingebrachte medische informatie. De rechtbank stelt vast dat eiseres haar psychische klachten, waar ze in haar beroepsgronden naar verwijst, in het geheel niet heeft gemeld bij de verzekeringsarts. De verzekeringsarts b&b heeft deze klachten echter wel betrokken bij zijn medisch onderzoek. Dat de verzekeringsarts eerder wel een oordeel heeft gegeven over de belastbaarheid van eiseres, betekent ook niet dat de conclusie van de verzekeringsarts b&b innerlijk tegenstrijdig is. De verzekeringsarts heeft namelijk ook overwogen dat de mate van beperkingen destijds niet is vast te stellen aan de hand van de aanwezige medische gegevens. Ook is volgens de verzekeringsarts niet vast te stellen per wanneer de beperkingen zijn toegenomen, zeker niet in de eerste vijf jaar na de 18e verjaardag van eiseres.
5.1.1.
Verder heeft de verzekeringsarts b&b naar het oordeel van de rechtbank in zijn rapporten van 30 maart 2026, 15 april 2026 en van 15 juni 2026 voldoende inzichtelijk en gemotiveerd overwogen dat niet kan worden aangegeven welke beperkingen er concreet zijn geweest in de periode vanaf het 18e jaar van eiseres tot aan haar 23e. De verzekeringsarts b&b heeft gemotiveerd dat de mate waarin de bekende aandoeningen van eiseres kunnen leiden tot beperkingen voor rugbelastende activiteiten en belastende activiteiten voor het bewegingsapparaat, sterk kunnen verschillen afhankelijk van de mate waarin deze pathologie aanwezig was (verschijningsvorm/uitingsvorm, ernst) op dat punt. Volgens de verzekeringsarts b&b geeft de (door eiseres ingebrachte) medische informatie aan dat eiseres bekend was en is met forse medische problematiek, maar is deze informatie onvoldoende om aan te kunnen geven welke beperkingen er concreet zijn geweest in de referteperiode. Hij heeft overwogen dat de medische stukken spreken over grotere medische problematiek op het vlak van het bewegingsapparaat en ook psychisch traumatische gebeurtenissen. De klachten die hieruit voortvloeiden en de gezondheidstoestand en beperkingen daarbij kennen een wat wisselend beloop, zoals volgens de verzekeringsarts b&b ook duidelijk wordt uit de medische stukken. Er is dan ook geen sprake van een situatie die vanaf het 18e jaar van eiseres stabiel is gebleven, waardoor ook niet kan worden volstaan met de vaststelling welke beperkingen er heden zijn om die van toepassing te verklaren op het punt waarop eiseres 18 werd. De verzekeringsarts b&b kan dus niet vaststellen welke beperkingen er destijds exact waren en of deze leidden tot al dan niet volledig ontbreken van arbeidsvermogen en zo ja, of dat duurzaam was. Daarvoor is de medische informatie onvoldoende gedetailleerd. Ook de rechtbank leest het wisselende beloop van (pijn)klachten en beperkingen terug in de (ingebrachte) medische informatie en in wat eiseres bij de verzekeringsarts naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsarts b&b. Die aanleiding wordt ook niet gevonden in de medische informatie die door eiseres bij brief van 20 mei 2026 nog is ingebracht. Daarover heeft de verzekeringsarts b&b inzichtelijk en gemotiveerd overwogen dat dit gaat over de periode dat eiseres 19 jaar en ouder was. Daarin wordt wel gesproken over problemen van het onderste bewegingsapparaat in het vierde levensjaar van eiseres, maar daaruit is niet op te maken welke beperkingen er waren in de periode dat eisers het 18e levensjaar bereikte. De informatie van de revalidatiekliniek uit 2002 geeft volgens de verzekeringsarts b&b wel wat factoren van het functioneren en beperkingen aan, maar te weinig om te kunnen bepalen welke beperkingen eiseres op het punt van het bereiken van het 18e levensjaar als geheel had. Bovendien is daarin aangegeven dat de orthese problemen gaf, wat kan bijdragen in de matige loopafstand van eiseres. De verzekeringsarts b&b heeft volgens de rechtbank in dit verband eveneens inzichtelijk en gemotiveerd overwogen dat bij het duiden van de beperkingen moet worden uitgegaan van een adequate behandeling en begeleiding en dus ook het (zo ver mogelijk) optimaliseren van hulpmiddelen zoals ortheses. Volgens de verzekeringsarts b&b geldt voor de informatie van latere datum hetzelfde. Ook die informatie geeft niet duidelijk een volledig beeld van het functioneren van eiseres ten tijde van belang. De rechtbank is ervan overtuigd dat eiseres op dit moment kampt met ernstige klachten, die haar functioneren belemmeren. Alleen is in het kader van deze aanvraag niet van belang welke beperkingen eiseres nu heeft maar welke beperkingen zij had op haar 18e verjaardag en de vijf jaar erna. Deze beperkingen zijn – zo volgt uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen – niet vast te stellen en daarmee is ook de vraag of eiseres voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een Wajong-uitkering niet te beantwoorden. Het UWV heeft zich terecht op dit standpunt gesteld.
5.1.2.
Uit het voorgaande volgt dat een arbeidsdeskundig onderzoek niet plaats hoefde te vinden. De primaire beroepsgrond van eiseres slaagt niet.
5.2.
Ook de subsidiaire beroepsgrond slaagt niet. Uit wat de rechtbank onder 5.1 en 5.1.1 heeft overwogen volgt dat het onderzoek van de verzekeringsarts b&b zorgvuldig is geweest en de rechtbank ook geen twijfel heeft aan de conclusies van de verzekeringsarts b&b. Het verzoek om benoeming van een onafhankelijk verzekeringsarts wordt dan ook afgewezen.
Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn
6. Eiseres heeft bij brief van 12 augustus 2026 verzocht om een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.
6.1.
De vraag of de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van een zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.
6.2.
Als uitgangspunt geldt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar maximaal een half jaar en de behandeling van het beroep maximaal anderhalf jaar duren. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ontvangen en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Zulke omstandigheden zich hier niet voor.
6.3.
Als de redelijke termijn is overschreden, wordt in beginsel verondersteld dat de betrokkene immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500 per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
Als sprake is van overschrijding van de redelijke termijn moet ook worden beoordeeld op welke wijze de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bezwaar- en aan de beroepsfase.
6.4.
In een geval als dit, waarin eerst na een tussenuitspraak einduitspraak wordt gedaan, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel in zijn geheel aan het bestuursorgaan toegerekend. Als echter in de loop van de procedure één of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat. Van een te lange behandelingsduur bij de rechter is geen sprake als de periode van het instellen van beroep bij de rechtbank tot de tussenuitspraak van de rechter ten hoogste anderhalf jaar heeft geduurd en de rechter vervolgens binnen één jaar na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak doet.
6.5.
In deze zaak is het bezwaarschrift ontvangen op 22 december 2022. Uitgaande van de datum van deze uitspraak heeft de procedure in bezwaar en beroep in totaal drie jaar en bijna negen maanden geduurd. Dat betekent dat de redelijke termijn is overschreden met één jaar en bijna negen maanden, afgerond 21 maanden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 2.000.
6.6.
In deze zaak heeft de rechtbank een tussenuitspraak gedaan. De periode tussen de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 12 oktober 2023 en de tussenuitspraak van de rechtbank op 12 februari 2026 heeft twee jaar en vier maanden in beslag genomen. De rechtbank heeft binnen een jaar na ontvangst van de mededeling van het UWV op 20 april 2026 einduitspraak gedaan. Dat betekent dat de behandeling door de rechtbank tien maanden te lang heeft geduurd. Hieruit volgt dat 10/21e deel van de overschrijding van de redelijke termijn voor rekening van de Staat komt. Het overige deel komt voor rekening van het UWV. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan eiseres tot een bedrag van € 952,38 (10/21e deel van € 2.000). Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan eiseres tot een bedrag van € 1.047,62 (11/21e deel van € 2.000).
Conclusie en gevolgen
7. Gelet op de overwegingen in deze uitspraak en op die in de tussenuitspraak is het beroep voor zover gericht tegen de bestreden besluiten I en II niet-ontvankelijk. Het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit III is ongegrond. Het UWV heeft de Wajong-aanvraag van eiseres terecht afgewezen.
7.1.
Vanwege de in beroep genomen gewijzigde bestreden besluiten II en III, krijgt eiseres haar proceskosten van beroep en het door haar betaalde griffierecht vergoed. Het UWV moet dit betalen. De rechtbank stelt de kosten van door een derde verleende rechtsbijstand op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van de nadere reactie op het bestreden besluit II en 0,5 punt voor het indienen van de nadere reactie op het bestreden besluit III, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).
7.2.
Er bestaat ook aanleiding om de Staat en het UWV te veroordelen in de proceskosten van eiseres in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467 (1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 0,5) elk voor de helft te betalen door de Staat en het UWV, dus ieder € 233,50.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen de bestreden besluiten I en II niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit III ongegrond;
- bepaalt dat het UWV aan eiseres het griffierecht van € 50 vergoedt;
- veroordeelt het UWV tot vergoeding van schade aan eiseres tot een bedrag van € 1.047,62;
- veroordeelt de Staat (de minister van Veiligheid en Justitie) tot vergoeding van schade aan eiseres tot een bedrag van € 952,38;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.101,50;
- veroordeelt de Staat (de minister van Veiligheid en Justitie) in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Het UWV noemt besluitdatum 5 september 2023 maar dat is onmiskenbaar onjuist en wordt aangemerkt als een kennelijke verschrijving.
Brief van 12 augustus 2026.
Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Stcrt. 20210.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Zie de uitspraken van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, ro. 3.6.2.