Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:6925
2026-09-14
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ARN 25/4717
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Omgevingsvergunning voor een balustrade om een dakterras (bouwactiviteit). Het bouwwerk is niet in strijd met het omgevingsplan.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2015:1801 Raad van State 10-06-2015
- ECLI:NL:RVS:2014:241 Raad van State 29-01-2014
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.596 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/4717
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 2026
in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats ] , eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Betuwe, het college
(gemachtigde: mr. S.M.J. Thijssen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [woonplaats ] (de vergunninghouder).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning voor een balustrade om een dakterras. Eisers zijn het niet eens met deze omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Voorgeschiedenis en procesverloop
2. Vergunninghouder is de (nieuwe) eigenaar van de vrijstaande woning op het perceel [adres] en [adres] in [woonplaats ] . Deze woning heeft een breedte van 10,25 meter en beschikt aan de achtergevel over een aanbouw met een diepte van 7 meter en een hoogte van 3 meter. De woning beschikte over een (klein) dakterras met balustrade aan de achtergevel.
3. Op 9 juli 2021 heeft de vorige eigenaar een aanvraag ingediend voor de activiteit “bouwen” voor (onder meer) het gelijk trekken van de hoogte van de aanbouw zodat er een plat dak van gelijk niveau ontstaat en het op dit platte dak realiseren van een dakterras (van 10,25 meter breed en 6,75 meter diep) met daaromheen een balustrade. In het besluit van 13 januari 2022 heeft het college overwogen dat de aanvraag in strijd is met de bestemming “Wonen -1”, zodat er ook een omgevingsvergunning voor de activiteit “gebruik in strijd met het bestemmingsplan of beheersverordening” is vereist. Die vergunning heeft het college niet verleend omdat het bouwplan tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefmilieu van aangrenzende gronden leidt zodat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
4. Op 7 februari 2022 heeft de vorige eigenaar een nieuwe aanvraag ingediend. In deze aanvraag is een dakterras aangevraagd dat wederom 10,25 meter breed is, maar met een diepte die gelijk is aan het bestaande dakterras (van ongeveer 4 meter diep).
In het besluit van 8 maart 2022 heeft het college overwogen dat de aanvraag niet in strijd is met de beheersverordening “Kern Asperen”, zodat er alleen omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen” is vereist. Deze bouwvergunning heeft het college verleend. Deze omgevingsvergunning is onherroepelijk.
5. De vorige eigenaar heeft vervolgens niet een dakterras met balustrade van 4 meter diep gerealiseerd maar een dakterras over het gehele platte dak.
6. Op 11 oktober 2023 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd vanwege het zonder omgevingsvergunning realiseren van een valbescherming rondom het dakterras en gelast om deze overtreding binnen een termijn van zes weken te beëindigen door het verwijderen van de valbescherming onder straffe van een dwangsom van € 5.000. Daarnaast is een dwangsom van € 2.500 opgelegd voor het niet in overeenstemming brengen van het dakterras met de op 8 maart 2022 verleende omgevingsvergunning.
7. Op 8 april 2024 is ter legalisatie van het bouwwerk een nieuwe aanvraag ingediend voor het bouwen van een balustrade/hekwerk over de gehele aanbouw met een hoogte van 1 meter. Deze aanvraag is gewijzigd op 1 december 2024 en 23 december 2024.
8. In het primaire besluit van 11 februari 2025 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de omgevingsplanactiviteit bouwen. Volgens het college is de omgevingsvergunning niet in strijd met het omgevingsplan en voldoet het bouwplan aan de redelijke eisen van welstand.
9. Eisers zijn eigenaar van de woning aan de achterzijde van vergunninghouder. Tussen het perceel van eisers en vergunninghouder bevindt zich een groenstrook met een diepte van ongeveer 9 meter. Zij zijn het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunning en zij hebben daarom een bezwaarschrift ingediend. Zij vrezen dat door het dakterras hun privacy en woon- en leefklimaat wordt aangetast en begrijpen niet waarom de vergunning nu wordt verleend terwijl een identieke aanvraag eerder nog werd geweigerd vanwege juist die afweging van belangen.
10. De commissie bezwaarschriften heeft op 15 juli 2025 een advies uitgebracht en het college geadviseerd om het besluit van 11 februari 2025 te herroepen en een nieuw besluit op de aanvraag te nemen met inachtneming van hetgeen is overwogen door de commissie ten aanzien van de ruimtelijke afweging en de uitbreiding van het dakterras.
11. In de beslissing op bezwaar van 3 september 2025 heeft het college het primaire besluit in stand gelaten onder aanvulling van de motivering met betrekking tot de toets aan de beheersverordening.
12. Eisers zijn het hier niet mee eens en zij hebben beroep ingesteld bij de rechtbank.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
13. De rechtbank heeft het beroep op 26 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eisers en de gemachtigde van het college deelgenomen. Vergunninghouder is met voorafgaand bericht niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Het toetsingskader
14. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Voor de locatie geldt het “Omgevingsplan gemeente West Betuwe” (Omgevingsplan). Dat Omgevingsplan bestaat onder meer uit een tijdelijk deel: de voorheen vastgestelde bestemmingsplannen en beheersverordeningen, en de omgevingsplanregels van rechtswege (de bruidsschat).
Op grond van de bruidsschat is op het perceel de beheersverordening “Kern Asperen” van toepassing. In deze beheersverordening wordt verwezen naar de plankaart en voorschriften van eerder vastgestelde bestemmingsplannen. Voor het perceel was het bestemmingsplan “Kern Asperen” van toepassing. Het perceel is daarin bestemd als “Wonen -1” en voorzien van een bouwvlak. De relevante voorschriften uit dit bestemmingsplan zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Voor de leesbaarheid zal de rechtbank hierna verwijzen naar de beheersverordening.
15. Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow bepaalt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Een omgevingsplanactiviteit is – voor zover hier van belang – een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die wel of niet in strijd is met het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de beoordelingsregels opgenomen voor een aanvraag om een omgevingsplanactiviteit. In artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. In dat geval is sprake van een gebonden beschikking. Dat betekent dat het college dan gehouden is de omgevingsvergunning te verlenen.
Is het bouwplan in strijd met de beheersverordening?
16. Eisers geven aan dat het college in de geweigerde omgevingsvergunning van 13 januari 2022 over eenzelfde bouwwerk het standpunt heeft ingenomen dat dit bouwwerk in strijd was met de beheersverordening. Zij begrijpen niet waarom het college, ondanks dat de regels niet zijn gewijzigd, nu tot het oordeel komt dat het bouwwerk in overeenstemming is met de beheersverordening en er dus geen omgevingsvergunning nodig is voor het afwijken hiervan. Dit is volgens eisers in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
16.1.
De rechtbank stelt vast dat het college de balustrade in de eerdere omgevingsvergunning aanmerkte als een “bouwwerk, geen gebouw zijnde” en aan de daarvoor in de beheersverordening opgenomen bouwregels heeft getoetst. Aan de bouwregels voor een “bouwwerk, geen gebouw zijnde” uit artikel 20.2.5 voldeed de aanvraag volgens het college niet, zodat er om die reden toen volgens het college ook een omgevingsvergunning nodig was om van de beheersverordening af te wijken.
16.2.
Het college heeft in deze zaak de balustrade aangemerkt als onderdeel van het bijgebouw waarop deze wordt gerealiseerd. Om die reden heeft hij het niet aan de regels voor “bouwwerk, geen gebouw zijnde” getoetst, maar aan de bouwregels voor bijgebouwen. De rechtbank is van oordeel dat het college dit terecht heeft gedaan. De balustrade is onderdeel van het bijgebouw en moet daarom worden getoetst aan de bouwregels die gelden voor het bijgebouw. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dit in vergelijkbare zaken over dakterrassen ook geoordeeld. Met de bouwregels voor bijgebouwen uit artikel 20.2.2 is het bouwwerk niet in strijd want het voldoet aan de maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3 en 5 meter. Dit betekent dat het plaatsen van de balustrade niet in strijd is met de beheersverordening. Het gebruiken van het gehele dak van het bijgebouw als dakterras is evenmin in strijd met de beheersverordening. Dit hoort bij de woonfunctie die op die plek geldt, en in de gebruiksregels is ook geen verbod opgenomen om het bijgebouw als dakterras te gebruiken. Het college heeft dus terecht overwogen dat het bouwwerk niet in strijd is met de beheersverordening. Dat betekent dat geen omgevingsvergunning nodig is om af te wijken van de beheersverordening en dat er dus ook geen toetsing aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (voorheen: goede ruimtelijke ordening) plaatsvindt. Ook de belangen van omwonenden, zoals aantasting van de privacy, wordt dan niet beoordeeld. Omdat het een gebonden beschikking betreft moet het college de omgevingsvergunning verlenen.
De beroepsgrond slaagt niet.
16.3.
De rechtbank begrijpt dat het voor eisers frustrerend is dat geen uitgebreidere toetsing plaatsvindt, zeker nu in de eerdere omgevingsvergunning de aantasting van de privacy wel is beoordeeld. Zoals het college op de zitting heeft aangegeven is er in de eerdere omgevingsvergunning echter een fout gemaakt bij de toets aan de beheersverordening en is daarom ten onrechte wel naar de privacy gekeken. Het college is niet gehouden om deze fout te herhalen.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mengerink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Artikel 20 – Wonen - 1
20.1
Bestemmingsomschrijving
De op de plankaart voor Wonen – 1 aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. Wonen in vrijstaande woningen, (…).
20.2
Bouwvoorschriften
(…)
20.2.2
Voor het bouwen van bijgebouwen gelden de volgende bepalingen:
a. de bijgebouwen mogen uitsluitend in een bouwvlak en binnen de gronden die op de plankaart zijn aangeduid als ‘achtertuin’ worden gebouwd;
(…)
d. de goothoogte bedraagt maximaal 3 m;
e. de bouwhoogte bedraagt maximaal 5 m.
20.2.5
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen:
a. (…)
b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 2,5 m bedragen.
In artikel 1.14 is de volgende definitie van “bijgebouw” opgenomen:
“een met het hoofdgebouw verbonden of daarvan vrijstaand gebouw, dat door zijn ligging, constructie of afmeting ondergeschikt is aan dat hoofdgebouw”.
Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Van 3 meter hoog.
Van 1 meter hoog.
Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.
Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in combinatie met artikel 22.26 van het omgevingsplan West Betuwe.
Artikel 22.1 en 22.2 van de Ow.
Dat bestemmingsplan is vastgesteld op 31 mei 2007.
Zie overweging 5 uit de uitspraak van 10 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1801) en overweging 4 uit de uitspraak van 29 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:241).
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/4717
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 2026
in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats ] , eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Betuwe, het college
(gemachtigde: mr. S.M.J. Thijssen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [woonplaats ] (de vergunninghouder).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning voor een balustrade om een dakterras. Eisers zijn het niet eens met deze omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Voorgeschiedenis en procesverloop
2. Vergunninghouder is de (nieuwe) eigenaar van de vrijstaande woning op het perceel [adres] en [adres] in [woonplaats ] . Deze woning heeft een breedte van 10,25 meter en beschikt aan de achtergevel over een aanbouw met een diepte van 7 meter en een hoogte van 3 meter. De woning beschikte over een (klein) dakterras met balustrade aan de achtergevel.
3. Op 9 juli 2021 heeft de vorige eigenaar een aanvraag ingediend voor de activiteit “bouwen” voor (onder meer) het gelijk trekken van de hoogte van de aanbouw zodat er een plat dak van gelijk niveau ontstaat en het op dit platte dak realiseren van een dakterras (van 10,25 meter breed en 6,75 meter diep) met daaromheen een balustrade. In het besluit van 13 januari 2022 heeft het college overwogen dat de aanvraag in strijd is met de bestemming “Wonen -1”, zodat er ook een omgevingsvergunning voor de activiteit “gebruik in strijd met het bestemmingsplan of beheersverordening” is vereist. Die vergunning heeft het college niet verleend omdat het bouwplan tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefmilieu van aangrenzende gronden leidt zodat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
4. Op 7 februari 2022 heeft de vorige eigenaar een nieuwe aanvraag ingediend. In deze aanvraag is een dakterras aangevraagd dat wederom 10,25 meter breed is, maar met een diepte die gelijk is aan het bestaande dakterras (van ongeveer 4 meter diep).
In het besluit van 8 maart 2022 heeft het college overwogen dat de aanvraag niet in strijd is met de beheersverordening “Kern Asperen”, zodat er alleen omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen” is vereist. Deze bouwvergunning heeft het college verleend. Deze omgevingsvergunning is onherroepelijk.
5. De vorige eigenaar heeft vervolgens niet een dakterras met balustrade van 4 meter diep gerealiseerd maar een dakterras over het gehele platte dak.
6. Op 11 oktober 2023 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd vanwege het zonder omgevingsvergunning realiseren van een valbescherming rondom het dakterras en gelast om deze overtreding binnen een termijn van zes weken te beëindigen door het verwijderen van de valbescherming onder straffe van een dwangsom van € 5.000. Daarnaast is een dwangsom van € 2.500 opgelegd voor het niet in overeenstemming brengen van het dakterras met de op 8 maart 2022 verleende omgevingsvergunning.
7. Op 8 april 2024 is ter legalisatie van het bouwwerk een nieuwe aanvraag ingediend voor het bouwen van een balustrade/hekwerk over de gehele aanbouw met een hoogte van 1 meter. Deze aanvraag is gewijzigd op 1 december 2024 en 23 december 2024.
8. In het primaire besluit van 11 februari 2025 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de omgevingsplanactiviteit bouwen. Volgens het college is de omgevingsvergunning niet in strijd met het omgevingsplan en voldoet het bouwplan aan de redelijke eisen van welstand.
9. Eisers zijn eigenaar van de woning aan de achterzijde van vergunninghouder. Tussen het perceel van eisers en vergunninghouder bevindt zich een groenstrook met een diepte van ongeveer 9 meter. Zij zijn het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunning en zij hebben daarom een bezwaarschrift ingediend. Zij vrezen dat door het dakterras hun privacy en woon- en leefklimaat wordt aangetast en begrijpen niet waarom de vergunning nu wordt verleend terwijl een identieke aanvraag eerder nog werd geweigerd vanwege juist die afweging van belangen.
10. De commissie bezwaarschriften heeft op 15 juli 2025 een advies uitgebracht en het college geadviseerd om het besluit van 11 februari 2025 te herroepen en een nieuw besluit op de aanvraag te nemen met inachtneming van hetgeen is overwogen door de commissie ten aanzien van de ruimtelijke afweging en de uitbreiding van het dakterras.
11. In de beslissing op bezwaar van 3 september 2025 heeft het college het primaire besluit in stand gelaten onder aanvulling van de motivering met betrekking tot de toets aan de beheersverordening.
12. Eisers zijn het hier niet mee eens en zij hebben beroep ingesteld bij de rechtbank.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
13. De rechtbank heeft het beroep op 26 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eisers en de gemachtigde van het college deelgenomen. Vergunninghouder is met voorafgaand bericht niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Het toetsingskader
14. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Voor de locatie geldt het “Omgevingsplan gemeente West Betuwe” (Omgevingsplan). Dat Omgevingsplan bestaat onder meer uit een tijdelijk deel: de voorheen vastgestelde bestemmingsplannen en beheersverordeningen, en de omgevingsplanregels van rechtswege (de bruidsschat).
Op grond van de bruidsschat is op het perceel de beheersverordening “Kern Asperen” van toepassing. In deze beheersverordening wordt verwezen naar de plankaart en voorschriften van eerder vastgestelde bestemmingsplannen. Voor het perceel was het bestemmingsplan “Kern Asperen” van toepassing. Het perceel is daarin bestemd als “Wonen -1” en voorzien van een bouwvlak. De relevante voorschriften uit dit bestemmingsplan zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Voor de leesbaarheid zal de rechtbank hierna verwijzen naar de beheersverordening.
15. Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow bepaalt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Een omgevingsplanactiviteit is – voor zover hier van belang – een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die wel of niet in strijd is met het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de beoordelingsregels opgenomen voor een aanvraag om een omgevingsplanactiviteit. In artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. In dat geval is sprake van een gebonden beschikking. Dat betekent dat het college dan gehouden is de omgevingsvergunning te verlenen.
Is het bouwplan in strijd met de beheersverordening?
16. Eisers geven aan dat het college in de geweigerde omgevingsvergunning van 13 januari 2022 over eenzelfde bouwwerk het standpunt heeft ingenomen dat dit bouwwerk in strijd was met de beheersverordening. Zij begrijpen niet waarom het college, ondanks dat de regels niet zijn gewijzigd, nu tot het oordeel komt dat het bouwwerk in overeenstemming is met de beheersverordening en er dus geen omgevingsvergunning nodig is voor het afwijken hiervan. Dit is volgens eisers in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
16.1.
De rechtbank stelt vast dat het college de balustrade in de eerdere omgevingsvergunning aanmerkte als een “bouwwerk, geen gebouw zijnde” en aan de daarvoor in de beheersverordening opgenomen bouwregels heeft getoetst. Aan de bouwregels voor een “bouwwerk, geen gebouw zijnde” uit artikel 20.2.5 voldeed de aanvraag volgens het college niet, zodat er om die reden toen volgens het college ook een omgevingsvergunning nodig was om van de beheersverordening af te wijken.
16.2.
Het college heeft in deze zaak de balustrade aangemerkt als onderdeel van het bijgebouw waarop deze wordt gerealiseerd. Om die reden heeft hij het niet aan de regels voor “bouwwerk, geen gebouw zijnde” getoetst, maar aan de bouwregels voor bijgebouwen. De rechtbank is van oordeel dat het college dit terecht heeft gedaan. De balustrade is onderdeel van het bijgebouw en moet daarom worden getoetst aan de bouwregels die gelden voor het bijgebouw. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dit in vergelijkbare zaken over dakterrassen ook geoordeeld. Met de bouwregels voor bijgebouwen uit artikel 20.2.2 is het bouwwerk niet in strijd want het voldoet aan de maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3 en 5 meter. Dit betekent dat het plaatsen van de balustrade niet in strijd is met de beheersverordening. Het gebruiken van het gehele dak van het bijgebouw als dakterras is evenmin in strijd met de beheersverordening. Dit hoort bij de woonfunctie die op die plek geldt, en in de gebruiksregels is ook geen verbod opgenomen om het bijgebouw als dakterras te gebruiken. Het college heeft dus terecht overwogen dat het bouwwerk niet in strijd is met de beheersverordening. Dat betekent dat geen omgevingsvergunning nodig is om af te wijken van de beheersverordening en dat er dus ook geen toetsing aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (voorheen: goede ruimtelijke ordening) plaatsvindt. Ook de belangen van omwonenden, zoals aantasting van de privacy, wordt dan niet beoordeeld. Omdat het een gebonden beschikking betreft moet het college de omgevingsvergunning verlenen.
De beroepsgrond slaagt niet.
16.3.
De rechtbank begrijpt dat het voor eisers frustrerend is dat geen uitgebreidere toetsing plaatsvindt, zeker nu in de eerdere omgevingsvergunning de aantasting van de privacy wel is beoordeeld. Zoals het college op de zitting heeft aangegeven is er in de eerdere omgevingsvergunning echter een fout gemaakt bij de toets aan de beheersverordening en is daarom ten onrechte wel naar de privacy gekeken. Het college is niet gehouden om deze fout te herhalen.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mengerink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Artikel 20 – Wonen - 1
20.1
Bestemmingsomschrijving
De op de plankaart voor Wonen – 1 aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. Wonen in vrijstaande woningen, (…).
20.2
Bouwvoorschriften
(…)
20.2.2
Voor het bouwen van bijgebouwen gelden de volgende bepalingen:
a. de bijgebouwen mogen uitsluitend in een bouwvlak en binnen de gronden die op de plankaart zijn aangeduid als ‘achtertuin’ worden gebouwd;
(…)
d. de goothoogte bedraagt maximaal 3 m;
e. de bouwhoogte bedraagt maximaal 5 m.
20.2.5
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen:
a. (…)
b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 2,5 m bedragen.
In artikel 1.14 is de volgende definitie van “bijgebouw” opgenomen:
“een met het hoofdgebouw verbonden of daarvan vrijstaand gebouw, dat door zijn ligging, constructie of afmeting ondergeschikt is aan dat hoofdgebouw”.
Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Van 3 meter hoog.
Van 1 meter hoog.
Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.
Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in combinatie met artikel 22.26 van het omgevingsplan West Betuwe.
Artikel 22.1 en 22.2 van de Ow.
Dat bestemmingsplan is vastgesteld op 31 mei 2007.
Zie overweging 5 uit de uitspraak van 10 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1801) en overweging 4 uit de uitspraak van 29 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:241).