Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:6858

2026-09-08 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht ARN 25/5881
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-09-08
Publicatiedatum
2026-09-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
ARN 25/5881
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak gaat over de vraag of het beroep van eiseres voldoet aan de door de wet gestelde vereisten voor het in behandeling nemen daarvan. Omdat de rechtbank in deze uitspraak tot het oordeel komt dat het beroep aan deze gestelde vereisten voldoet, beoordeelt de rechtbank vervolgens het beroep dat eiseres heeft ingesteld omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaarschrift. De rechtbank past daarbij de lijn toe die zij heeft neergelegd in haar uitspraak van 7 september 2026. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, legt een beslistermijn op van 52 weken na de dag van verzending van deze uitspraak en legt een dwangsom op van € 100 per dag met een maximum van € 15.000 voor iedere dag dat het UWV in gebreke blijft de uitspraak na te leven.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.099 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummer: ARN 25/5881

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 september 2026


in de zaak tussen

Stichting Wageningen Research uit Wageningen, eiseres
(gemachtigde: mr. B.C. van Bekkum),


en




de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigden: mr. R. Spanjer, mr. M. Kooistra en mr. Ö. Kaya-Yazici).



Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het beroep van eiseres voldoet aan de door de wet gestelde vereisten voor het in behandeling nemen daarvan. Omdat de rechtbank in deze uitspraak tot het oordeel komt dat het beroep aan deze gestelde vereisten voldoet, beoordeelt de rechtbank vervolgens het beroep dat eiseres heeft ingesteld omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaarschrift. De rechtbank past daarbij de lijn toe die zij heeft neergelegd in haar uitspraak van 7 september 2026.



1.1.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, legt een beslistermijn op van 52 weken na de dag van verzending van deze uitspraak en legt een dwangsom op van € 100 per dag met een maximum van € 15.000 voor iedere dag dat het UWV in gebreke blijft de uitspraak na te leven.




Procesverloop


2. Eiseres heeft beroep ingesteld omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaarschrift van 1 april 2025. Eiseres heeft dit bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit van het UWV van 17 maart 2025. Met dit besluit heeft het UWV beslist dat de loongerelateerde uitkering Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA-uitkering) op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van [persoon 1] , (ex-)werkneemster van eiseres, met ingang van 4 mei 2025 wordt omgezet naar een WGA-loonaanvullingsuitkering.



2.2.
Met de brief van 8 oktober 2025 heeft eiseres het UWV in gebreke gesteld. De rechtbank heeft op 3 december 2025 het beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een besluit ontvangen. Eiseres stelt dat het UWV niet binnen de beslistermijn en ook niet binnen twee weken na de ingebrekestelling op haar bezwaar heeft beslist.



2.3.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het UWV deelgenomen.




De beoordeling van de vertegenwoordigingsbevoegdheid

3. De rechtbank ontvangt veel beroepschriften, ingediend door medewerkers van Equivalence B.V. (hierna: Equivalence). Omdat de rechtbank in de meeste beroepen de vertegenwoordigingsbevoegdheid van (de betreffende medewerker van) Equivalence niet kan vaststellen, stelt zij Equivalence schriftelijk in de gelegenheid om de voor deze beoordeling benodigde documenten (machtiging, KvK-stukken en/of statuten) binnen een hersteltermijn te overleggen. Dit heeft vaak geen afdoende effect, zoals in onderhavige zaak, waardoor de rechtbank heeft besloten om het beroep door een meervoudige kamer op een zitting te behandelen. Uit de overweging van de rechtbank hieronder in punt 5.4 volgt dat de onduidelijkheden met betrekking tot de vertegenwoordigingsbevoegdheid in deze zaak uiteindelijk op de zitting zijn opgelost. Maar omdat de rechtbank nog meer beroepen, ingediend door Equivalence te beoordelen heeft, waar de kwestie van de vertegenwoordigingsbevoegdheid ook speelt, ziet de rechtbank aanleiding hieraan de volgende overwegingen te wijden. De rechtbank zal hierna eerst het toetsingskader van een juiste vertegenwoordigingsbevoegdheid uiteenzetten en daarna aangeven waar de schoen wringt.



Toetsingskader


4. Een machtiging is een schriftelijke toestemming waarmee een gemachtigde namens een partij in een rechtszaak mag optreden. Iemand die namens een ander beroep instelt, zoals voor een rechtspersoon, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat diegene namens die ander beroep mag instellen. De rechtbank vraagt om zo’n machtiging om zeker te weten dat degene die namens een partij optreedt, hier ook daadwerkelijk toestemming voor heeft gekregen. Dit voorkomt misverstanden en beschermt de rechtspositie van alle betrokkenen. Advocaten zijn van deze regel uitgezonderd.


4.1.
Er is een aantal vereisten waar een machtiging aan moet voldoen. Zo moet het duidelijk zijn wie de volmacht verleent (de volmachtgever), wie er gemachtigd wordt (de gemachtigde) en wat de inhoud van de volmacht is. Daarnaast is er een handtekening van de volmachtgever vereist en moet er een datum op de machtiging staan. De gemachtigde hoeft de machtiging dus niet te ondertekenen, maar de naam van de gemachtigde moet wel op de machtiging staan. Als de naam van de gemachtigde niet op de machtiging staat, dan kan de rechtbank uit de machtiging niet afleiden dat die persoon gemachtigd is. De naam van de organisatie waarvoor de gemachtigde werkt is dus niet voldoende. Ook de naam van de bestuurder van deze organisatie is niet voldoende, tenzij het de bedoeling was om deze bestuurder als gemachtigde aan te stellen.



4.2.
Dat is anders als er een verklaring is van de daartoe bevoegde bestuurders van deze organisatie dat de persoon die als gemachtigde optreedt, daartoe is aangewezen. Deze verklaring dient dan als aanvulling op de over te leggen machtiging. Als de rechtbank beschikt over een doorlopende lijst met medewerkers die bevoegd zijn om vanuit de organisatie als gemachtigde van belanghebbenden op te treden, dan hoeft deze verklaring niet in ieder beroep apart te worden ingediend.



4.3.
Degene die de volmacht feitelijk verleent, is altijd een natuurlijke persoon. Als voor een rechtspersoon beroep wordt ingesteld mag de rechtbank verlangen dat een schriftelijke machtiging wordt overgelegd ter vaststelling of degene die zich als gemachtigde van een bepaalde rechtspersoon aandient daartoe werkelijk bevoegd is. In deze gevallen moet de machtiging ondertekend worden door de bestuurder(s) of gevolmachtigde(n) van deze rechtspersoon. Dan is het nodig om een uittreksel uit het handelsregister van de KvK over te leggen om de bevoegdheid van de bestuurder(s) of gevolmachtigde(n) aan te tonen. Het kan ook nodig zijn om de statuten van die rechtspersoon over te leggen, bijvoorbeeld als er sprake is van een gezamenlijke bevoegdheid van bestuurders en er voor de inhoud van die bevoegdheid wordt verwezen naar de statuten.



4.4.
Als degene die namens een ander beroep instelt desgevraagd niet kan aantonen dat die gemachtigd is, kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Dit mag de rechtbank (alleen dan) doen als de rechtbank degene die beroep heeft ingesteld schriftelijk heeft gevraagd om alsnog een (juiste) schriftelijke machtiging en/of onderliggende documenten in te dienen én diegene daarop niet (tijdig) reageert of het verzuim niet (tijdig) hersteld. Met andere woorden: de rechtbank moet degene die beroep heeft ingesteld de mogelijkheid geven om het in eerste instantie niet indienen van een (juiste) schriftelijke machtiging en/of onderliggende documenten te herstellen.



Is in deze zaak (tijdig) een juiste schriftelijke machtiging toegestuurd?

5. Het beroepschrift is ingediend door [persoon 2] , werkzaam bij Equivalence. Zij doet dit namens eiseres, een rechtspersoon. Zij heeft bij het beroepschrift een schriftelijke machtiging en een uittreksel van het handelsregister van de KvK van eiseres overgelegd. Uit de machtiging blijkt niet dat [persoon 2] namens eiseres gemachtigd is om dit beroep in te stellen. In de schriftelijke machtiging is namelijk [persoon 3] , partner van Equivalence, gemachtigd om namens eiseres op te treden, en niet [persoon 2] . Daarnaast is de volmacht verleend door [persoon 4] en [persoon 5] . Uit de KvK-stukken kan de rechtbank niet opmaken dat [persoon 4] en [persoon 5] gezamenlijk bevoegd zijn om een volmacht te verlenen namens eiseres. Uit de KvK-stukken volgt dat zowel [persoon 4] als [persoon 5] een gezamenlijke bevoegdheid met andere bestuurders hebben. Voor de inhoud van deze bevoegdheid wordt verwezen naar de statuten van eiseres. Zonder deze statuten kan de rechtbank niet beoordelen of de handtekeningen van [persoon 4] en [persoon 5] afdoende zijn om iemand te machtigen namens eiseres. De rechtbank heeft Equivalence, ter attentie van [persoon 2] , met de brief van 21 april 2026 verzocht om binnen drie weken een schriftelijke machtiging te overleggen waarop de naam [persoon 2] staat en waaruit blijkt dat zij de belangen van eiseres mag behartigen. Ook heeft de rechtbank hierbij verzocht om de statuten van eiseres te overleggen.




5.1.
De rechtbank heeft op 30 april 2026 een brief ontvangen van [persoon 2] . Daarin geeft [persoon 2] aan dat zij werkzaam is bij Equivalence en zij daardoor gemachtigd is om het verzoek (bedoeld zal zijn: het beroep) in te dienen. Ook zijn de KvK-stukken van eiseres nogmaals meegestuurd. Met de brief van 21 mei 2026 heeft de rechtbank wederom uitgelegd waarom uit de overgelegde machtiging niet blijkt dat [persoon 2] gemachtigd is om de belangen van eiseres te behartigen. De rechtbank heeft [persoon 2] verzocht om binnen twee weken de statuten van eiseres te overleggen en om een machtiging te overleggen waarop de naam [persoon 2] staat. In de brief is ook vermeld dat als hieraan niet wordt voldaan, de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren.



5.2.
Met het e-mailbericht van 27 mei 2026 geeft [persoon 2] aan dat alleen de rechtbank Arnhem de door haar overgelegde machtigingen niet accepteert en dat na telefonisch onderhoud met de rechtbank is gebleken dat zij wel gemachtigd is in de door haar ingestelde procedures bij deze rechtbank. [persoon 2] geeft aan dat dit bij haar vragen oproept over of de beoordeling van de machtiging op juiste wijze heeft plaatsgevonden. Op 29 mei 2026 heeft de rechtbank telefonisch contact gehad met [persoon 2] inzake de verschillende beroepen die door Equivalence zijn ingediend. Daarin is toegelicht waar een machtiging aan moet voldoen en dat het niet vereist is dat [persoon 2] de machtiging zelf ondertekent, maar dat het voor de geldigheid van de machtiging wel nodig is dat de naam van [persoon 2] op de machtiging is genoemd. Vervolgens heeft de rechtbank diezelfde dag in navolging van het telefoongesprek een samenvatting van het telefoongesprek, een informatieblad over machtigingen en een format machtiging opgestuurd naar [persoon 2] .



5.3.
Op 15 juni 2026 ontvangt de rechtbank inzake de verschillende beroepen, waaronder deze procedure, tegen het niet tijdig beslissen die zijn ingesteld door (medewerkers van) Equivalence een brief van mr. B.C. van Bekkum van 15 juni 2026. Daarin stelt Van Bekkum namens Equivalence dat de overgelegde machtiging wel juist is omdat deze rechtbank een eerder beroep van Equivalence wel inhoudelijk heeft behandeld na het aanleveren van diezelfde machtiging. Tevens vloeit volgens Van Bekkum uit de aard van de in de machtiging omschreven werkzaamheden voort dat de bestuurder van de rechtspersoon de volmacht mede aan een medewerker verleent. Tot slot accepteren andere rechtbanken deze machtiging wel. Na deze brief van Van Bekkum is nog meermaals door [persoon 2] om uitstel gevraagd voor het aanleveren van een juiste machtiging, maar heeft de rechtbank geen nieuwe machtiging meer ontvangen.



5.4.
Op de zitting is Van Bekkum verschenen namens Equivalence. Hij heeft toegelicht dat hij als gemachtigde van eiseres optreedt. Omdat Van Bekkum in zijn hoedanigheid als advocaat voor eiseres optreedt, vervalt het vereiste van het overleggen van een juiste machtiging. Het beroep voldoet daarom aan de door de wet gestelde vereisten voor het in behandeling nemen daarvan. Dit maakt dat de rechtbank nu geen aanleiding ziet de brief van Van Bekkum van 15 juni 2026 nog te beoordelen.



5.5.

De rechtbank heeft na het sluiten van het onderzoek op de zitting nog een brief van [persoon 2] ontvangen met als bijlage een nieuwe machtiging. Deze stukken geven de rechtbank – gezien voorgaande – geen aanleiding om het onderzoek te heropenen. De stukken zijn daarom retour gezonden aan eiseres.

De beoordeling van het beroep



6. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaar kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij of zij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn of haar aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als het bestuursorgaan na die twee weken nog steeds geen besluit heeft genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.



Is het beroep ontvankelijk en gegrond?


7. Het bestreden besluit heeft als datum 17 maart 2025.



Welke beslistermijn gold hier?




7.1.
Uit de brief van het UWV van 6 augustus 2025 volgt dat het UWV meent dat hij uiterlijk op 25 augustus 2025 had moeten beslissen. Dat zou betekenen dat het UWV binnen zeventien weken na het verstrijken van de bezwaartermijn op het bezwaar had moeten beslissen. Zoals op de zitting desgevraagd is toegelicht, stelt het UWV zich op het standpunt dat bij een besluit waarbij een loongerelateerde WGA-uitkering wegens het bereiken van de maximale duur wordt omgezet in een loonaanvullingsuitkering of een vervolguitkering (omzetbeslissing) er (ten onrechte) geen verzekeringsgeneeskundige en/of arbeidsdeskundige beoordeling heeft plaatsgevonden, wat als een gebrek moet worden gekwalificeerd, dat in bezwaar moet worden hersteld. Dit rechtvaardigt volgens het UWV toepassing van artikel 112, eerste lid, van de Wet WIA.



7.2.
De rechtbank volgt dit standpunt niet. Artikel 112, eerste lid, van de Wet WIA bepaalt dat de termijn van zeventien weken na het verstrijken van de bezwaartermijn van toepassing is als aan het besluit waartegen bezwaar is ingediend een verzekeringsgeneeskundige of arbeidsdeskundige beoordeling ten grondslag ligt. Vast staat dat aan de omzettingsbeslissing in de regel feitelijk geen verzekeringsgeneeskundige of arbeidsdeskundige beoordeling ten grondslag ligt. Ook in dit geval is dat niet gebeurd. Dat een dergelijk onderzoek had moeten plaatsvinden is voor de rechtbank geen reden om de bijzondere beslistermijn van zeventien weken alsnog toe te passen. Daarom zal de rechtbank in dit geval de wettelijke beslistermijn van dertien weken na het verstrijken van de bezwaartermijn toepassen. Dat betekent dat de beslistermijn in het geval van eiseres eindigde op 28 juli 2026. De brieven die het UWV heeft gestuurd over het verlengen van de beslistermijn zijn na het einde van de beslistermijn gestuurd. Daarom komt aan de verlengde beslistermijn geen betekenis toe.



7.3.

Partijen zijn het erover eens dat het UWV niet binnen de beslistermijn heeft beslist. Na afloop van de beslistermijn heeft het UWV de ingebrekestelling van eiseres ontvangen op 14 oktober 2025. Het beroepschrift heeft de rechtbank meer dan twee weken daarna ontvangen. Omdat het UWV niet binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling op het bezwaar van eiseres heeft beslist, en nog altijd niet heeft beslist, is het beroep ontvankelijk en gegrond.

Welke beslistermijn moet aan het UWV worden opgelegd?

8. Als het beroep gegrond is en het bestuursorgaan nog geen besluit heeft bekendgemaakt, bepaalt de rechtbank dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit bekendmaakt. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.




8.1.
Het UWV heeft nog steeds geen besluit op bezwaar genomen. Het UWV moet dit alsnog doen. Het UWV heeft in het verweerschrift meegedeeld dat het UWV nog geen besluit op het bezwaar heeft kunnen nemen omdat er nog geen behandeling van het verzoek om een actueel sociaal medisch onderzoek heeft kunnen plaatsvinden. Dit is gelegen in het feit dat het UWV kampt met een tekort aan verzekeringsartsen.



8.2.
De rechtbank vindt dat er sprake is van een bijzonder geval en er daarom een langere beslistermijn moet worden opgelegd dan twee weken. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft in haar uitspraak van 7 september 2026 neergelegd hoe zij vanaf die datum omgaat met het bepalen van de duur van de nadere beslistermijn in beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid. Daarin stelt de rechtbank een termijn vast van 52 weken waarbinnen het UWV alsnog moet beslissen op de herbeoordelingsverzoeken, te rekenen vanaf de datum van verzending van de uitspraak. De rechtbank heeft deze lijn ook van toepassing verklaard op beroepen tegen het niet tijdig beslissen op een bezwaarschrift tegen een besluit inhoudende een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid. De rechtbank kan een andere beslistermijn opleggen wanneer in een concrete zaak sprake is van een schrijnend geval. Het ligt dan op de weg van de indiener van het beroep om zich (gemotiveerd) op deze situatie te beroepen.



8.3.
Gelet op deze (nieuwe) lijn, draagt de rechtbank het UWV op om uiterlijk binnen 52 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op het bezwaar van eiseres bekend te maken. In dit beroep is niet gesteld noch gebleken dat er sprake is van een schrijnende situatie dat een kortere beslistermijn rechtvaardigt.



Welke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?

9. Bij een gegrond beroep bepaalt de rechtbank dat het bestuursorgaan een dwangsom moet betalen voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000. Deze dwangsom stemt overeen met het landelijk beleid. De rechtbank ziet geen grond om in dit geval bijzondere omstandigheden aan te nemen en een andere (lagere) dwangsom op te leggen.






Conclusie en gevolgen


10. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en het UWV de onder 8.3 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en de onder 9.1 genoemde dwangsom wordt opgelegd.



10.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden. Daarbij krijgt eiseres een vergoeding voor haar proceskosten. Het UWV moet die vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en is verschenen ter zitting. De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.




Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;


draagt het UWV op binnen 52 weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het bezwaar van eiseres bekend te maken;


bepaalt dat het UWV aan eiseres een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;




bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 385 aan eiseres moet vergoeden;


veroordeelt het UWV tot betaling van € 934 aan proceskosten aan eiseres.





Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, voorzitter, mr. W.P.C.G. Derksen en mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechters, in aanwezigheid van mr. L. Beijerinck, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2026.














griffier


voorzitter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Rechtbank Gelderland 7 september 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6845.


KvK = Kamer van Koophandel.


Dat de rechtbank hieraan in de uitspraak aandacht zou besteden, is op de zitting ook aan partijen medegedeeld.


Dit staat in artikel 8:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Dit staat in artikel 8:24, derde lid, van de Awb.


Dit staat in artikel 6:6 van de Awb.


Dit volgt (onder andere) uit artikel 6:12 van de Awb.


Zoals bepaald in artikel 112, eerste lid, van de Wet WIA.


Dit volgt uit artikel 111 van de Wet WIA, waarin wordt afgeweken van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb.


Van 6 augustus 2025 en van 17 september 2025.


Dit volgt uit artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.


Rechtbank Gelderland 7 september 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6845.


Dit volgt uit artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.


https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx#tabs