Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:6855
2026-09-04
Bestuursrecht; Belastingrecht
ARN 25/1306
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
MRB; bezwaren zijn terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze niet tijdig zijn ingediend. Beroep ongegrond.
Citeert (4)
- ECLI:NL:HR:2002:AE0462 Hoge Raad 22-03-2002
- ECLI:NL:HR:2010:BL0078 Hoge Raad 22-01-2010
- ECLI:NL:HR:2024:515 Hoge Raad 05-04-2024
- ECLI:NL:CBB:2024:31 College van Beroep voor het bedrijfsleven 30-01-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.217 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 25/1306, 25/5836 en 25/5837
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 september 2026
in de zaken tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,
en
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Apeldoorn, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 7 februari 2025.
Met dagtekening 16 november 2023 heeft de inspecteur aan belanghebbende over het tijdvak 31 augustus 2023 tot en met 29 november 2023 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) opgelegd, ten bedrage van € 175.
Met dagtekening 15 februari 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende over het tijdvak 30 november 2023 tot en met 28 februari 2024 een naheffingsaanslag MRB opgelegd, ten bedrage van € 175, alsmede een verzuimboete van € 55.
Met dagtekening 16 mei 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende over het tijdvak 29 februari 2024 tot en met 30 mei 2024 een naheffingsaanslag MRB opgelegd, ten bedrage van € 194, alsmede een verzuimboete van € 55.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard. Hij heeft daarbij de naheffingsaanslagen en boeten gehandhaafd.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, en [persoon 1] en [persoon 2] namens de inspecteur.
Feiten
1. Belanghebbende is houder van het motorrijtuig van het merk Opel, type Corsa, met het [kenteken] .
2. Belanghebbende stond volgens Basisregistratie Personen (BRP) van 2 augustus 2022 tot 27 september 2024 ingeschreven op het woonadres aan de [adres 1] in [plaats 1] ( [plaats 1] ) en vanaf 27 september 2024 aan [adres 2] in [woonplaats] ( [woonplaats] ).
3. De inspecteur heeft op 1 september 2023, 1 december 2023 en 1 maart 2024 rekeningen MRB verstuurd naar het woonadres van belanghebbende in [plaats 1] , omdat belanghebbende als houder van het motorrijtuig de verschuldigde MRB moet betalen. De inspecteur heeft op 16 november 2023, 15 februari 2024 en 16 mei 2024 naheffingsaanslagen MRB naar het woonadres van belanghebbende in [plaats 1] verstuurd. De naheffingsaanslag van 15 februari 2024 en 16 mei 2024 bevatten tevens een verzuimboete.
4. Belanghebbende heeft op 16 september 2024 om een adreswijziging verzocht. Op 26 september 2024 heeft de Belastingdienst het feitelijk woonadres geregistreerd. Op 27 september 2024 is het woonadres in de BRP gewijzigd in [woonplaats] .
5. Belanghebbende heeft op 17 december 2024, ontvangen door de inspecteur op 23 december 2024, bezwaren ingediend tegen de naheffingsaanslagen en de boeten. Belanghebbende geeft aan dat de beschikkingen naar een onjuist adres zijn verstuurd en dit bekend was bij de inspecteur, maar niet in het systeem is aangepast.
6. Met dagtekening 7 februari 2025 heeft de inspecteur uitspraken op bezwaar gedaan. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze niet tijdig zijn ingediend.
Beoordeling door de rechtbank
7. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de bezwaren van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
8. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen van belanghebbende ongegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
9. Belanghebbende voert aan dat de rekeningen motorrijtuigenbelasting en de naheffingsaanslagen niet of veel te laat zijn ontvangen, omdat die naar het onjuiste adres zijn verzonden. Belanghebbende stelt dat hij verplicht was om uit [plaats 1] te verhuizen, omdat in zijn wooncomplex een asielzoekerscentrum kwam. Vanaf medio januari 2023 woonde hij [woonplaats] . Belanghebbende voert verder aan dat de post in het jaar 2023 en later naar het woonadres in [plaats 1] bij herhaling is geretourneerd. Volgens belanghebbende was de Belastingdienst hiervan op de hoogte en is dit telefonisch en later schriftelijk bevestigd. Belanghebbende geeft aan dat hij mondeling heeft toegelicht dat eerder digitaal in bezwaar gaan bij herhaling niet mogelijk bleek wegens een storing met DigiD en benodigde documenten op de webpagina ontbraken.
10. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de bezwaren niet tijdig zijn ontvangen en geen omstandigheden bekend zijn die kunnen leiden tot het standpunt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De inspecteur stelt tevens dat de MRB een aangiftebelasting is en dus ook is verschuldigd als geen rekeningen zijn ontvangen.
11. De bezwaartermijn bedraagt zes weken. De termijn begint te lopen op de dag na de dagtekening van de aanslag. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Het bezwaarschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard wanneer het bezwaarschrift na afloop van de termijn is ingediend, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. In geval van indiening van het bezwaar is daarvan sprake indien belanghebbende pas na het verstrijken van de termijn een bezwaarschrift heeft ingediend als gevolg van een hem niet toe te rekenen omstandigheid en tevens dat belanghebbende, nadat die omstandigheid zich niet langer voordeed, het bezwaar heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd.
12. Tussen partijen is niet in geschil dat het bezwaarschrift met dagtekening 17 december 2024 buiten de bezwaartermijn door de inspecteur is ontvangen. Belanghebbende heeft gesteld dat door de bijzondere omstandigheden die verband houden met zijn verhuizing en zijn woonadres de naheffingsaanslagen te laat door hem zijn ontvangen en daardoor niet tijdig bezwaren heeft kunnen maken. Op de zitting heeft belanghebbende verklaard dat nadat hij de naheffingsaanslagen heeft ontvangen twee maanden heeft gewacht met het indienen van zijn bezwaarschrift. Gelet hierop kan het antwoord op de vraag of de te late indiening van de bezwaren niet aan belanghebbende valt toe te rekenen (verschoonbare termijnoverschrijding) in het midden blijven. Belanghebbende heeft niet binnen zes weken nadat hij bekend is geworden met de naheffingsaanslagen bezwaren gemaakt. Dit maakt dat de rechtbank tot het oordeel komt dat belanghebbende in verzuim is en dus geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.
Conclusie en gevolgen
13. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de inspecteur de bezwaren van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Metin, griffier. Uitgesproken op 4 september 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 22j, aanhef en onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
Artikel 6:11 van de Awb.
Hoge Raad 22 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0462 en Hoge Raad 22 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0078.
Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515 en College van Beroep voor het bedrijfsleven, 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 25/1306, 25/5836 en 25/5837
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 september 2026
in de zaken tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,
en
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Apeldoorn, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 7 februari 2025.
Met dagtekening 16 november 2023 heeft de inspecteur aan belanghebbende over het tijdvak 31 augustus 2023 tot en met 29 november 2023 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) opgelegd, ten bedrage van € 175.
Met dagtekening 15 februari 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende over het tijdvak 30 november 2023 tot en met 28 februari 2024 een naheffingsaanslag MRB opgelegd, ten bedrage van € 175, alsmede een verzuimboete van € 55.
Met dagtekening 16 mei 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende over het tijdvak 29 februari 2024 tot en met 30 mei 2024 een naheffingsaanslag MRB opgelegd, ten bedrage van € 194, alsmede een verzuimboete van € 55.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard. Hij heeft daarbij de naheffingsaanslagen en boeten gehandhaafd.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, en [persoon 1] en [persoon 2] namens de inspecteur.
Feiten
1. Belanghebbende is houder van het motorrijtuig van het merk Opel, type Corsa, met het [kenteken] .
2. Belanghebbende stond volgens Basisregistratie Personen (BRP) van 2 augustus 2022 tot 27 september 2024 ingeschreven op het woonadres aan de [adres 1] in [plaats 1] ( [plaats 1] ) en vanaf 27 september 2024 aan [adres 2] in [woonplaats] ( [woonplaats] ).
3. De inspecteur heeft op 1 september 2023, 1 december 2023 en 1 maart 2024 rekeningen MRB verstuurd naar het woonadres van belanghebbende in [plaats 1] , omdat belanghebbende als houder van het motorrijtuig de verschuldigde MRB moet betalen. De inspecteur heeft op 16 november 2023, 15 februari 2024 en 16 mei 2024 naheffingsaanslagen MRB naar het woonadres van belanghebbende in [plaats 1] verstuurd. De naheffingsaanslag van 15 februari 2024 en 16 mei 2024 bevatten tevens een verzuimboete.
4. Belanghebbende heeft op 16 september 2024 om een adreswijziging verzocht. Op 26 september 2024 heeft de Belastingdienst het feitelijk woonadres geregistreerd. Op 27 september 2024 is het woonadres in de BRP gewijzigd in [woonplaats] .
5. Belanghebbende heeft op 17 december 2024, ontvangen door de inspecteur op 23 december 2024, bezwaren ingediend tegen de naheffingsaanslagen en de boeten. Belanghebbende geeft aan dat de beschikkingen naar een onjuist adres zijn verstuurd en dit bekend was bij de inspecteur, maar niet in het systeem is aangepast.
6. Met dagtekening 7 februari 2025 heeft de inspecteur uitspraken op bezwaar gedaan. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze niet tijdig zijn ingediend.
Beoordeling door de rechtbank
7. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de bezwaren van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
8. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen van belanghebbende ongegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
9. Belanghebbende voert aan dat de rekeningen motorrijtuigenbelasting en de naheffingsaanslagen niet of veel te laat zijn ontvangen, omdat die naar het onjuiste adres zijn verzonden. Belanghebbende stelt dat hij verplicht was om uit [plaats 1] te verhuizen, omdat in zijn wooncomplex een asielzoekerscentrum kwam. Vanaf medio januari 2023 woonde hij [woonplaats] . Belanghebbende voert verder aan dat de post in het jaar 2023 en later naar het woonadres in [plaats 1] bij herhaling is geretourneerd. Volgens belanghebbende was de Belastingdienst hiervan op de hoogte en is dit telefonisch en later schriftelijk bevestigd. Belanghebbende geeft aan dat hij mondeling heeft toegelicht dat eerder digitaal in bezwaar gaan bij herhaling niet mogelijk bleek wegens een storing met DigiD en benodigde documenten op de webpagina ontbraken.
10. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de bezwaren niet tijdig zijn ontvangen en geen omstandigheden bekend zijn die kunnen leiden tot het standpunt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De inspecteur stelt tevens dat de MRB een aangiftebelasting is en dus ook is verschuldigd als geen rekeningen zijn ontvangen.
11. De bezwaartermijn bedraagt zes weken. De termijn begint te lopen op de dag na de dagtekening van de aanslag. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Het bezwaarschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard wanneer het bezwaarschrift na afloop van de termijn is ingediend, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. In geval van indiening van het bezwaar is daarvan sprake indien belanghebbende pas na het verstrijken van de termijn een bezwaarschrift heeft ingediend als gevolg van een hem niet toe te rekenen omstandigheid en tevens dat belanghebbende, nadat die omstandigheid zich niet langer voordeed, het bezwaar heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd.
12. Tussen partijen is niet in geschil dat het bezwaarschrift met dagtekening 17 december 2024 buiten de bezwaartermijn door de inspecteur is ontvangen. Belanghebbende heeft gesteld dat door de bijzondere omstandigheden die verband houden met zijn verhuizing en zijn woonadres de naheffingsaanslagen te laat door hem zijn ontvangen en daardoor niet tijdig bezwaren heeft kunnen maken. Op de zitting heeft belanghebbende verklaard dat nadat hij de naheffingsaanslagen heeft ontvangen twee maanden heeft gewacht met het indienen van zijn bezwaarschrift. Gelet hierop kan het antwoord op de vraag of de te late indiening van de bezwaren niet aan belanghebbende valt toe te rekenen (verschoonbare termijnoverschrijding) in het midden blijven. Belanghebbende heeft niet binnen zes weken nadat hij bekend is geworden met de naheffingsaanslagen bezwaren gemaakt. Dit maakt dat de rechtbank tot het oordeel komt dat belanghebbende in verzuim is en dus geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.
Conclusie en gevolgen
13. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de inspecteur de bezwaren van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Metin, griffier. Uitgesproken op 4 september 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 22j, aanhef en onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
Artikel 6:11 van de Awb.
Hoge Raad 22 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0462 en Hoge Raad 22 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0078.
Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515 en College van Beroep voor het bedrijfsleven, 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.