Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:6854
2026-09-08
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ARN 25/3711
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Invordering dwangsom wegens permanente bewoning recreatiewoning. College heeft niet aangetoond dat de last is overtreden.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2025:5873 Raad van State 03-12-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.746 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/3711
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026
in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats 1] ( [land] ), eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo
(gemachtigden: mr. L.M. Jonker en [gemachtigde] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [persoon] , uit [plaats 2] (gemachtigde mr. D. Schilstra).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over invordering van een dwangsom van € 5.000,- wegens het permanent bewonen van de recreatiewoning aan de [adres] in [plaats 2] in mei 2024. Eiser is het niet eens met de invordering van de dwangsom. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de invordering.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college onvoldoende heeft aangetoond dat eiser de last heeft overtreden. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen.
Heeft het college aangetoond dat de last is overtreden?
Heeft het college het gelijkheidsbeginsel geschonden?
Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Bij besluit van 11 januari 2022 heeft het college eiser gelast:
“ (…) de overtreding van artikel 4.1 en 9 van het bestemmingsplan en artikel 2.1 eerste lid, aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) (het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken dan wel laten gebruiken van het recreatieverblijf aan de [adres] te [plaats 2] met bijbehorende gronden voor bewoning), binnen acht maanden na dagtekening van deze brief te beëindigen en beëindigd te houden.
U kunt aan de last voldoen door het (laten) bewonen van het recreatieverblijf met bijbehorende gronden aan de [adres] te beëindigen en beëindigd te houden.
Als u niet, niet tijdig of niet volledig aan de opgelegde last voldoet, dan verbeurt u een dwangsom van € 5.000,00 (vijfduizend euro) per maand of deel van de maand dat de strijdige situatie voortduurt, met een maximum van € 60.000,00 (zestigduizend euro).”
2.1.
Vast staat dat de last onder dwangsom onherroepelijk is.
2.2.
Bij besluit van 14 november 2024 heeft het college € 15.000,- aan dwangsommen ingevorderd van eiser.
2.3.
Bij besluit van 16 juli 2025 op het bezwaar van eiser heeft het college de invordering beperkt tot een dwangsom van € 5.000,- omdat aannemelijk is dat de last alleen is overtreden in de maand mei 2024.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar.
2.5.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van het college. Derde-partij is met bericht van verhindering niet verschenen tijdens de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt de invordering aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Toepasselijk recht
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
4.1.
Bij besluit van 11 januari 2022 heeft verweerder de last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Heeft het college aangetoond dat de last is overtreden?
5. Eiser betoogt dat hij in mei 2024 niet in de recreatiewoning verbleef, maar in zijn camper op verschillende locaties. Het college interpreteert zijn verklaring tegen de toezichthouders dat hij voor recreatie in de woning verbleef, verkeerd. Het enkel ontbreken van een officieel woonadres mag volgens hem niet automatisch leiden tot de conclusie dat hij zijn hoofdverblijf in de recreatiewoning had. Eiser had een postadres en verbleef bewust elders, namelijk in zijn camper. Er is geen objectief bewijs dat hij in de recreatiewoning woonde. Voor zover eiser bij de recreatiewoning is aangetroffen is dat geweest vanwege onderhoud aan de recreatiewoning. Verder heeft eiser drie verklaringen van derden overgelegd waaruit blijkt dat hij daadwerkelijk verbleef in zijn camper.
5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het gegeven dat eiser stond ingeschreven op een adres waar eiser niet over een zelfstandig woonruimte beschikte een aanwijzing kan zijn dat de recreatiewoning als hoofdverblijf wordt gebruikt. Uit het controlerapport van 1 mei 2024 volgt dat eiser heeft verklaard in de recreatiewoning te recreëren. Omdat eiser destijds in mei geen vaste verblijfplaats had, leidt dat tot strijdig gebruik met het bestemmingsplan. Uit artikel 4.1, onder a van het bestemmingsplan ‘Recreatieterreinen’ volgt namelijk dat een persoon zonder vaste verblijfplaats niet recreatief mag verblijven in de recreatiewoning.
5.2.
Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft het college de volgende argumenten aangevoerd.
Een controlerapport van 1 mei 2024: de toezichthouder heeft eiser gesproken, en eiser heeft tegenover de toezichthouder verklaard dat hij van een heerlijke vakantie aan het genieten was in zijn vakantiewoning.
Een controlerapport van 7 mei 2024: eiser heeft tegenover de toezichthouder verklaard dat hij bezig was met onderhoud aan de recreatiewoning. De toezichthouder heeft geconstateerd dat er een ladder tegen de recreatiewoning stond en een trap ernaast.
Een controlerapport van 8 mei 2024: de toezichthouder heeft geen mensen gezien, maar wel buiten verfspullen, een trap, een oude cv-ketel, planten in potten en een aanhanger op het perceel, en de gordijnen (luxaflex) gesloten.
Een controlerapport van 17 mei 2024, geen gehoor bij de woning, toezichthouders hebben drie foto’s gemaakt.
Een controlerapport van 25 mei 2024, toezichthouders hebben een auto op de oprit gezien die volgens de buurvrouw van de buren zijn. Eiser was niet aanwezig.
Het gegeven dat eiser niet over een vaste woon- of verblijfplaats beschikt.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende heeft aangetoond dat eiser de last heeft overtreden. De last is namelijk overtreden als eiser de recreatiewoning bewoont. Anders dan het college stelt, heeft het college niet aangetoond dat eiser in mei 2024 in de recreatiewoning woonde. Het college baseert zich met name op de verklaring van eiser dat hij in de recreatiewoning recreëerde, waarop hij later op is teruggekomen, in combinatie met het gegeven dat hij op dat moment geen hoofdverblijf elders had. De verklaring dat eiser in de woning van een vakantie zou genieten zonder daarbij te beschikken over een hoofdverblijf elders is echter onvoldoende voor de conclusie dat eiser in mei 2024 woonachtig was in de recreatiewoning. Voor de last is namelijk van belang dat ter plaatse sprake is geweest van “het bewonen” van een recreatieverblijf. Dit veronderstelt dat eiser voor een langere duur daar is verbleven en de recreatiewoning ook heeft betrokken als woning. Eiser heeft echter juist in eerste instantie verklaard ter plaatse slechts te genieten van een vakantie en verbleef, zo heeft het college niet bestreden, in mei 2024 hoofzakelijk in zijn camper. Dat het bestemmingsplan recreëren zonder “vaste verblijfplaats elders” niet toestaat, maakt, wat daar verder ook van zij, nog niet dat daarmee in mei 2024 sprake is geweest van bewoning van de recreatiewoning en dat de opgelegde last is overtreden. Verder blijkt uit de controlerapporten enkel dat eiser een paar keer bij de recreatiewoning is aangetroffen, maar daarover heeft eiser verklaard dat dit was vanwege onderhoud. Het college heeft deze verklaringen ook niet bestreden.
5.4.
De beroepsgrond slaagt.
Heeft het college het gelijkheidsbeginsel geschonden?
6. Eiser betoogt dat het college willekeurig handhaaft. Op het recreatiepark wonen anderen permanent zonder gedoogstatus en staan zelfs ingeschreven op het adres van hun recreatiewoning. Daartegen wordt niet gehandhaafd.
6.1.
Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is het aan degene die een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel om dat beroep te onderbouwen met concrete gevallen die volgens hem op relevante punten vergelijkbaar zijn met zijn situatie.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser zijn betoog onvoldoende heeft onderbouwd. Onduidelijk is naar welke andere recreatiewoningen op het recreatiepark eiser verwijst. Voor zover eiser wijst op zijn naastgelegen buren en de buren tegenover, hebben zijn buren een gedoogstatus en hun situatie is zodoende niet vergelijkbaar met die van eiser. Het college heeft namelijk eenmalig persoonsgebonden gedoogverklaringen uitgegeven aan bewoners die voor 1996 in de woningen verbleven. Gesteld noch gebleken is dat eiser daarvoor in aanmerking komt.
6.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het besluit op bezwaar wordt vernietigd en dat het college opnieuw een besluit moet nemen op het bezwaar van eiser tegen het invorderingsbesluit voor zover het gaat over de maand mei 2024.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep van eiser gegrond;
vernietigt het besluit op bezwaar van 16 juli 2025;
bepaalt dat het college binnen acht weken een nieuw besluit moet nemen;
draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: de relevante planregels van het bestemmingsplan ‘Recreatieterreinen’.
Bijlage: de relevante planregels van het bestemmingsplan ‘Recreatieterreinen’
artikel 1 Begrippen
1.29
Permanente bewoning:
bewoning van een verblijf als hoofdverblijf.
artikel 4 Recreatie - Verblijfsrecreatie - 2
4.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Recreatie - Verblijfsrecreatie - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. recreatiebedrijven waar personen, die hun vaste verblijfplaats elders hebben, voor hun recreatie verblijf kunnen houden in recreatiewoningen, stacaravans, mobiele kampeermiddelen en trekkershutten en voor de daarbij behorende voorzieningen ten behoeve van de op het recreatiebedrijf verblijf houdende personen;
met dien verstande dat de eis van wisselende verhuur van recreatiewoningen niet van toepassing is op recreatiewoningen die op het moment van het ter visie leggen van het bestemmingsplan niet wisselend worden verhuurd. In bijlagen bij de regels, behorende bij deze regels, is per bouwvlak behorende bij de recreatiebedrijven, het aantal recreatiewoningen waar geen wisselende verhuur plaatsvindt aangegeven;
(…)
artikel 9 Algemene gebruiksregels
9.1
Gebruiksverbod
Overeenkomstig hetgeen in artikel 7.10 Wro is geregeld, is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of voor een doel in strijd met de bestemming en de daarbij behorende regels.
9.2
Vormen van verboden gebruik
Een verboden gebruik als bedoeld in lid 1 is in ieder geval:
het gebruik van de in het plan begrepen groepsaccommodatie, recreatiewoningen, stacaravans, trekkershutten en mobiele kampeermiddelen voor permanente bewoning.
(…)
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5873 onder 12.2.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/3711
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026
in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats 1] ( [land] ), eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo
(gemachtigden: mr. L.M. Jonker en [gemachtigde] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [persoon] , uit [plaats 2] (gemachtigde mr. D. Schilstra).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over invordering van een dwangsom van € 5.000,- wegens het permanent bewonen van de recreatiewoning aan de [adres] in [plaats 2] in mei 2024. Eiser is het niet eens met de invordering van de dwangsom. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de invordering.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college onvoldoende heeft aangetoond dat eiser de last heeft overtreden. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen.
Heeft het college aangetoond dat de last is overtreden?
Heeft het college het gelijkheidsbeginsel geschonden?
Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Bij besluit van 11 januari 2022 heeft het college eiser gelast:
“ (…) de overtreding van artikel 4.1 en 9 van het bestemmingsplan en artikel 2.1 eerste lid, aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) (het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken dan wel laten gebruiken van het recreatieverblijf aan de [adres] te [plaats 2] met bijbehorende gronden voor bewoning), binnen acht maanden na dagtekening van deze brief te beëindigen en beëindigd te houden.
U kunt aan de last voldoen door het (laten) bewonen van het recreatieverblijf met bijbehorende gronden aan de [adres] te beëindigen en beëindigd te houden.
Als u niet, niet tijdig of niet volledig aan de opgelegde last voldoet, dan verbeurt u een dwangsom van € 5.000,00 (vijfduizend euro) per maand of deel van de maand dat de strijdige situatie voortduurt, met een maximum van € 60.000,00 (zestigduizend euro).”
2.1.
Vast staat dat de last onder dwangsom onherroepelijk is.
2.2.
Bij besluit van 14 november 2024 heeft het college € 15.000,- aan dwangsommen ingevorderd van eiser.
2.3.
Bij besluit van 16 juli 2025 op het bezwaar van eiser heeft het college de invordering beperkt tot een dwangsom van € 5.000,- omdat aannemelijk is dat de last alleen is overtreden in de maand mei 2024.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar.
2.5.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van het college. Derde-partij is met bericht van verhindering niet verschenen tijdens de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt de invordering aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Toepasselijk recht
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
4.1.
Bij besluit van 11 januari 2022 heeft verweerder de last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Heeft het college aangetoond dat de last is overtreden?
5. Eiser betoogt dat hij in mei 2024 niet in de recreatiewoning verbleef, maar in zijn camper op verschillende locaties. Het college interpreteert zijn verklaring tegen de toezichthouders dat hij voor recreatie in de woning verbleef, verkeerd. Het enkel ontbreken van een officieel woonadres mag volgens hem niet automatisch leiden tot de conclusie dat hij zijn hoofdverblijf in de recreatiewoning had. Eiser had een postadres en verbleef bewust elders, namelijk in zijn camper. Er is geen objectief bewijs dat hij in de recreatiewoning woonde. Voor zover eiser bij de recreatiewoning is aangetroffen is dat geweest vanwege onderhoud aan de recreatiewoning. Verder heeft eiser drie verklaringen van derden overgelegd waaruit blijkt dat hij daadwerkelijk verbleef in zijn camper.
5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het gegeven dat eiser stond ingeschreven op een adres waar eiser niet over een zelfstandig woonruimte beschikte een aanwijzing kan zijn dat de recreatiewoning als hoofdverblijf wordt gebruikt. Uit het controlerapport van 1 mei 2024 volgt dat eiser heeft verklaard in de recreatiewoning te recreëren. Omdat eiser destijds in mei geen vaste verblijfplaats had, leidt dat tot strijdig gebruik met het bestemmingsplan. Uit artikel 4.1, onder a van het bestemmingsplan ‘Recreatieterreinen’ volgt namelijk dat een persoon zonder vaste verblijfplaats niet recreatief mag verblijven in de recreatiewoning.
5.2.
Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft het college de volgende argumenten aangevoerd.
Een controlerapport van 1 mei 2024: de toezichthouder heeft eiser gesproken, en eiser heeft tegenover de toezichthouder verklaard dat hij van een heerlijke vakantie aan het genieten was in zijn vakantiewoning.
Een controlerapport van 7 mei 2024: eiser heeft tegenover de toezichthouder verklaard dat hij bezig was met onderhoud aan de recreatiewoning. De toezichthouder heeft geconstateerd dat er een ladder tegen de recreatiewoning stond en een trap ernaast.
Een controlerapport van 8 mei 2024: de toezichthouder heeft geen mensen gezien, maar wel buiten verfspullen, een trap, een oude cv-ketel, planten in potten en een aanhanger op het perceel, en de gordijnen (luxaflex) gesloten.
Een controlerapport van 17 mei 2024, geen gehoor bij de woning, toezichthouders hebben drie foto’s gemaakt.
Een controlerapport van 25 mei 2024, toezichthouders hebben een auto op de oprit gezien die volgens de buurvrouw van de buren zijn. Eiser was niet aanwezig.
Het gegeven dat eiser niet over een vaste woon- of verblijfplaats beschikt.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende heeft aangetoond dat eiser de last heeft overtreden. De last is namelijk overtreden als eiser de recreatiewoning bewoont. Anders dan het college stelt, heeft het college niet aangetoond dat eiser in mei 2024 in de recreatiewoning woonde. Het college baseert zich met name op de verklaring van eiser dat hij in de recreatiewoning recreëerde, waarop hij later op is teruggekomen, in combinatie met het gegeven dat hij op dat moment geen hoofdverblijf elders had. De verklaring dat eiser in de woning van een vakantie zou genieten zonder daarbij te beschikken over een hoofdverblijf elders is echter onvoldoende voor de conclusie dat eiser in mei 2024 woonachtig was in de recreatiewoning. Voor de last is namelijk van belang dat ter plaatse sprake is geweest van “het bewonen” van een recreatieverblijf. Dit veronderstelt dat eiser voor een langere duur daar is verbleven en de recreatiewoning ook heeft betrokken als woning. Eiser heeft echter juist in eerste instantie verklaard ter plaatse slechts te genieten van een vakantie en verbleef, zo heeft het college niet bestreden, in mei 2024 hoofzakelijk in zijn camper. Dat het bestemmingsplan recreëren zonder “vaste verblijfplaats elders” niet toestaat, maakt, wat daar verder ook van zij, nog niet dat daarmee in mei 2024 sprake is geweest van bewoning van de recreatiewoning en dat de opgelegde last is overtreden. Verder blijkt uit de controlerapporten enkel dat eiser een paar keer bij de recreatiewoning is aangetroffen, maar daarover heeft eiser verklaard dat dit was vanwege onderhoud. Het college heeft deze verklaringen ook niet bestreden.
5.4.
De beroepsgrond slaagt.
Heeft het college het gelijkheidsbeginsel geschonden?
6. Eiser betoogt dat het college willekeurig handhaaft. Op het recreatiepark wonen anderen permanent zonder gedoogstatus en staan zelfs ingeschreven op het adres van hun recreatiewoning. Daartegen wordt niet gehandhaafd.
6.1.
Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is het aan degene die een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel om dat beroep te onderbouwen met concrete gevallen die volgens hem op relevante punten vergelijkbaar zijn met zijn situatie.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser zijn betoog onvoldoende heeft onderbouwd. Onduidelijk is naar welke andere recreatiewoningen op het recreatiepark eiser verwijst. Voor zover eiser wijst op zijn naastgelegen buren en de buren tegenover, hebben zijn buren een gedoogstatus en hun situatie is zodoende niet vergelijkbaar met die van eiser. Het college heeft namelijk eenmalig persoonsgebonden gedoogverklaringen uitgegeven aan bewoners die voor 1996 in de woningen verbleven. Gesteld noch gebleken is dat eiser daarvoor in aanmerking komt.
6.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het besluit op bezwaar wordt vernietigd en dat het college opnieuw een besluit moet nemen op het bezwaar van eiser tegen het invorderingsbesluit voor zover het gaat over de maand mei 2024.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep van eiser gegrond;
vernietigt het besluit op bezwaar van 16 juli 2025;
bepaalt dat het college binnen acht weken een nieuw besluit moet nemen;
draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: de relevante planregels van het bestemmingsplan ‘Recreatieterreinen’.
Bijlage: de relevante planregels van het bestemmingsplan ‘Recreatieterreinen’
artikel 1 Begrippen
1.29
Permanente bewoning:
bewoning van een verblijf als hoofdverblijf.
artikel 4 Recreatie - Verblijfsrecreatie - 2
4.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Recreatie - Verblijfsrecreatie - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. recreatiebedrijven waar personen, die hun vaste verblijfplaats elders hebben, voor hun recreatie verblijf kunnen houden in recreatiewoningen, stacaravans, mobiele kampeermiddelen en trekkershutten en voor de daarbij behorende voorzieningen ten behoeve van de op het recreatiebedrijf verblijf houdende personen;
met dien verstande dat de eis van wisselende verhuur van recreatiewoningen niet van toepassing is op recreatiewoningen die op het moment van het ter visie leggen van het bestemmingsplan niet wisselend worden verhuurd. In bijlagen bij de regels, behorende bij deze regels, is per bouwvlak behorende bij de recreatiebedrijven, het aantal recreatiewoningen waar geen wisselende verhuur plaatsvindt aangegeven;
(…)
artikel 9 Algemene gebruiksregels
9.1
Gebruiksverbod
Overeenkomstig hetgeen in artikel 7.10 Wro is geregeld, is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of voor een doel in strijd met de bestemming en de daarbij behorende regels.
9.2
Vormen van verboden gebruik
Een verboden gebruik als bedoeld in lid 1 is in ieder geval:
het gebruik van de in het plan begrepen groepsaccommodatie, recreatiewoningen, stacaravans, trekkershutten en mobiele kampeermiddelen voor permanente bewoning.
(…)
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5873 onder 12.2.