Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:6781

2026-08-26 Civiel recht; Verbintenissenrecht K/5002/11861844
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-08-26
Publicatiedatum
2026-08-31
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
K/5002/11861844
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Non-conformiteit paard wegens gedragsproblemen. Bewijsvermoeden 7:18a BW is niet weerlegd. Verkoper heeft ook na getuigenverhoor niet aangetoond/aannemelijk gemaakt dat de gedragsproblemen het gevolg zijn van dan wel hun oorsprong vinden in een handelen of nalaten dat dateert van na de levering.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.863 tekens)
RECHTBANK
GELDERLAND



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Apeldoorn



Zaaknummer: 11861844 \ CV EXPL 25-2691




Vonnis van 26 augustus 2026




in de zaak van





[eiser] ,

te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. F. Kolkman,



tegen





[gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam] ,

te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. H.G. Ruis.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 11 februari 2026,
- het proces-verbaal van het getuigenverhoor aan beide zijden van 29 juni 2026.



1.2.
Na afloop van het getuigenverhoor hebben beide partijen te kennen gegeven af te zien van een contra-enquête en hebben zij de kantonrechter verzocht vonnis te wijzen.



1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.






2De verdere beoordeling


2.1.
De kantonrechter blijft bij hetgeen is overwogen in het tussenvonnis van 11 februari 2026 (hierna: het tussenvonnis). In het tussenvonnis is [eiser] opgedragen te bewijzen dat het paard in het eerste jaar na levering zodanige gedragsproblemen vertoonde dat het paard niet kon worden gebruikt als braaf sportpaard.



2.2.

[eiser] heeft ter voldoening aan de bewijsopdracht de volgende getuigen doen horen:
- [eiser] ,
- [getuige 1] ,
- [getuige 2] ,
- [getuige 3] ,
- [getuige 4] ,
- [getuige 5] .



2.3.

[eiser] heeft onder meer verklaard:“(…) Het leek mij wel een makkelijk paard, maar soms had hij onvoorspelbaar gedrag. (…) Je kon soms 5 keer langs On Top lopen terwijl hij rustig bleef en bij de zesde keer schrok hij heel hard. Ik heb wel eens gedacht hij springt door de muur. (…) Ik heb van verhalen gehoord van het ongeval van [getuige 2] . Zij had op hem gereden en wilde afstappen toen hij vanuit het niets een explosie had. [getuige 2] bleef met haar voet in de beugel hangen terwijl het paard er van door ging. Zij is hard gevallen en een stukje meegesleept door de bak. Gelukkig kwam haar voet weer los. Dat gebeurde in de bak van de pensionstalling. Ik ben er wel een keer bij geweest waarbij het paard schrok toen [getuige 2] er opzat. (…)”



2.4.


[getuige 1] heeft onder meer verklaard:

“(…) De eerste twee weken stond On Top op stal en werd hij niet bereden. Hij had boxrust en medicatie voor zijn gebit. In die tijd was hij kalm omdat hij moest wennen. Daarna was hij altijd onrustig als er andere paarden waren of drukte. Hij vlucht weg of hij wordt agressief. Destijds hadden wij meerdere paarden op stal. Ik was er niet bij toen [getuige 2] een ongeluk had met dit paard. Ik heb wel andere dingen gezien. Als je het paard benadert dan gaat het de ene keer goed en de andere keer zorgt het voor een explosie. Het gedrag is onvoorspelbaar. Dat heeft de dierenarts in Den Ham ook geconstateerd, daar waren vier dierenartsen bij betrokken. Dat zou in september of oktober twee jaar geleden geweest zijn. Hij zei dat het paard niet goed is. Het paard wantrouwt alles en het advies was om hem terug te doen. On Top mag maar door 1 persoon, [persoon 1] naar buiten worden gebracht, omdat hij niet te vertrouwen is. Hij wordt niet bereden.


De val van [getuige 2] zal in september 2024 geweest zijn. Dat was in de buiten bak bij [persoon 2] waar wij een stal huurden. Zij heeft eerder een keer een buitenrit gemaakt bij [persoon 2] aan de overkant en is er toen van af gevallen. Zij eindigde toen in de sloot met hem. Dat was de eerste valpartij. Ik weet niet of er een speciale aanleiding was. Het paard is onvoorspelbaar. Haar zusje [getuige 3] was daar wel bij aanwezig als ruiter. (…)”





2.5.


[getuige 2] heeft onder meer verklaard:

“(…) Na de eerste paar weken werd hij minder braaf. Hij kon schrikken van andere paarden en van onverwachte dingen. Zijn kop ging dan omhoog en hij wilde weg. Het was niet duidelijk wanneer hij zou schrikken. Je moet als ruiter daar altijd op bedacht zijn dat het kan gebeuren. Op het terrein kon hij al schrikken als een ander paard langs komt of als er een auto of tractor reed. Buiten het terrein schrok hij soms wel van een auto en een andere keer niet. Ik probeerde rustig te blijven, maar je kan er niet op voor bereiden wanneer hij schrikt. Ook achteraf is niet duidelijk waar hij van geschrokken was. Ik ben zelf een paar keer van het paard gevallen bij trainingen. Dat was door zijn gedrag en ook achteraf is mij niet duidelijk waarom hij schrok. Ik weet niet of er andere mensen of paarden bij waren. Het paard is niet gevallen. Ik heb 1 keer flink letsel gehad na een ongeluk. Mijn zusje reed op haar eigen paard in de bak. Zij stonden op grotere afstand en stonden stil. Ik probeerde af te stappen en dat gaf kennelijk te veel spanning voor hem. Ik had daarna flinke knieletsel. Ook ben ik toen op mijn hoofd gevallen. Ik weet niet meer precies wat er gebeurd is. Ik heb daar geen herinneringen aan. Dat was bij [persoon 2] in de overdekte buitenbak. Ik het begin ben ik een paar keer om het paard uit te testen naar buiten geweest, dat ging goed. De dag voor de val heb ik ook een buitenrit gemaakt samen met mijn zusje. Zij was ook te paard. On Top was gespannen. Hij sprong ineens rechts de sloot in. Ik ben er niet afgevallen. Wij zijn daarna terug gegaan naar de stal.


(…) Eén van de broers [familienaam] zet hem buiten, want de dames van stal lukt dat niet. Hij werd gevaarlijk en wilde omhoog komen en zich omdraaien. (…)”





2.6.


[getuige 3] heeft onder meer verklaard:

“On Top is een moeilijk paard. Het is geen amateur paard. Hij is explosief, onvoorspelbaar en onbetrouwbaar. Hij kan niet samen met andere paarden en het is moeilijk om er op te blijven zitten, want hij kan gekke sprongen maken. Dat deed hij vaak vooral als er andere paarden in de buurt waren. Als er geen andere paarden aanwezig zijn dan valt er wel mee te werken, maar daar kan je geen wedstrijd mee doen. Ik heb wel eens op On Top gereden. Dat was lastig, want je weet niet wat hij gaat doen. Het was niet fijn om op hem te rijden, want je voelt veel spanning. Hij reageert op onverwachte bewegingen, maar soms kan je 5 keer langs lopen zonder dat er wat gebeurt en de zesde keer flipt hij.


In augustus of september 2024 was ik er bij toen [getuige 2] een ongeluk kreeg. Ik zat ook op een paard, maar we ontweken elkaar. Ik reed achter in de bak en zij voorin. Ik heb niet gezien dat hij weg sprong, maar wel gehoord. Toen ik omkeek zag ik hem verder springen. [getuige 2] is gevallen, maar dat heb ik niet precies kunnen zien. Het gebeurde wel eens vaker dat we samen in de bak waren of tegelijk op stal bezig waren. We trainen er ook samen. Ik heb ook wel eens tijdens andere trainingen gezien dat On Top weg sprong. De dag voor de val hadden wij een buitenrit. We vertrouwden er toen nog op dat dit kon. On Top sprong opeens de berm in. Ik weet niet waar hij van geschrokken is. Ik vermoed van paarden die in de wei stonden. On Top is volgens mij niet gevallen. Het was onvoorspelbaar. De ene keer ging het goed met mijn paard en de andere keer niet. (…)”





2.7.


[getuige 5] heeft onder meer verklaard:

“Ik ben de trainer van [getuige 2] . (…) Het paard bleek na de aankoop erg onvoorspelbaar. Hij kon zonder aanleiding gekke dingen doen zoals: bokken, steigeren of wegrennen. Ik heb zelf een tijdje op On Top gereden, nadat [getuige 2] een blessure had na de val. Ik heb toen ook gemerkt dat hij opeens kon ontploffen. Dat gedrag is niet veranderd toen ik hem reed. (…) Op stal kon was er niet zo veel mis, maar als hij buiten kwam kon hij ineens heel gek doen. Als je hem aan een los touwtje naar buiten bracht, kon het goed gaan en dan opeens kon hij ontploffen. Hij was dan soms heel ontspannen en soms schrikachtig. Aan het touwtje heeft hij geen bit in. Dan zal het tandprobleem er niet zo zijn, maar dan bouwde hij toch spanning op. (…) Toen ik bij de aankoop het paard beoordeeld heb, leek het mij een geschikt paard voor [getuige 2] . Achteraf bleek het niet geschikt voor iemand van haar niveau. Ik zie On Top niet direct als dominant paard, daar heeft zijn gedrag niets mee te maken. (…)”





2.8.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] door het horen van voormelde getuigen is geslaagd in het aan haar opgedragen bewijs van de stelling dat het paard in het eerste jaar na levering zodanige gedragsproblemen vertoonde dat het paard niet kon worden gebruikt als braaf sportpaard. De getuigen hebben in grote lijnen hetzelfde verklaard over het gedrag van het paard. Uit de getuigenverklaringen kan worden afgeleid dat het paard onrustig en gespannen kon zijn en schrikachtig en onvoorspelbaar gedrag vertoonde. Het paard kon daarbij ontploffen en gekke sprongen maken. Volgens de getuigen was daar soms een aanleiding voor, bijvoorbeeld de aanwezigheid van andere paarden of andere omgevingsfactoren zoals een voorbijrijdende tractor maar soms vertoonde het paard ook zonder aanwijsbare reden dit gedrag. Ook vertoonde het paard schrikachtig en onvoorspelbaar gedrag in de stal of tijdens het stappen aan de hand om het paard naar buiten te brengen. Dit door de getuigen omschreven gedrag maakt dat het paard niet als braaf sportpaard kan worden gebruikt.



2.9.

[gedaagde] heeft geen contra-enquête gehouden en heeft evenmin op andere wijze het door [eiser] geleverde bewijs ontzenuwd. Daarmee staat vast dat het paard in het eerste jaar na levering zodanige gedragsproblemen vertoonde dat het paard niet kon worden gebruikt als braaf sportpaard. Op grond van artikel 7:18a lid 2 BW wordt daarom vermoed dat deze gedragsproblemen al bij levering aanwezig waren.



2.10.
In het tussenvonnis is [gedaagde] vanuit proceseconomisch oogpunt in de gelegenheid gesteld om alvast bewijs te leveren van het tegendeel van het (mogelijke) bewijsvermoeden. Ter voldoening aan die bewijsopdracht heeft [gedaagde] de volgende getuigen doen horen:
- [getuige 6] ,
- [getuige 7] ,
- [getuige 8] ,
- [getuige 9] .



2.11.

[getuige 6] heeft verklaard:“(…) Ik heb On Top op wedstrijden en trainingen gezien in de winter van 2023/2024 en in het voorjaar van 2024. (…) Zijn prestaties in wedstrijden waren goed en het leek mij een paard wat voor iedereen geschikt is. (…) Ik heb het paard nooit zien schrikken of raar gedrag zien vertonen. Tijdens trainingen dat ik zelf ook te paard en heb ik nooit gedacht of gemerkt dat ik aan de kant moest als ik bij hem in de buurt kwam. Ik heb het paard niet als gevaarlijk ervaren. (…)”



2.12.

[getuige 7] heeft verklaard:“(…) Ik heb het paard nooit bereden, maar wel bijvoorbeeld wel geholpen met zadelen of longeren. On Top was een prettig paard in de omgang. Toen hij bij ons kwam was hij al zadelmak. Ik denk dat hij een jaar of vijf was. Hij is minder dan een jaar bij het bedrijf geweest. Ze konden allemaal goed met het paard overweg. Er was een zeer onzeker meisje dat op dit paard kon rijden en springen. Het paard vertoonde geen bijzonder gedrag. Bij wedstrijden kon hij terughoudend reageren op andere paarden. (…) Het paard was goed controleerbaar, maar reageerde iets als er veel paarden waren. Dan ging hij iets op zij. Hij ging niet steigeren of dat soort gekkigheid. Dat gebeurde bij veel paarden niet als er maar 1 of 2 paarden waren. (…) Op dit paard konden alle meiden van de stal rijden. Ook onervaren stagiairs en zaterdaghulpen. (…)”



2.13.


[getuige 8] heeft onder meer verklaard:

“Ik het paard On Top on concours meegemaakt. (…) Het zal ongeveer 2 jaar geleden geweest zijn misschien iets meer. Ik weet het jaartal niet. (…) Ik heb geen bijzonderheden gezien in zijn gedrag. Niet bij het inrijden en ook niet bij wedstrijden. Hij liep goed rond. Ik zag geen bijzonderheden als er paarden in de buurt waren. (…) Ik heb alleen [getuige 9] op dit paard zien rijden. (…)”





2.14.

[getuige 9] heeft onder meer verklaard:“Ik heb On Top getraind en gereden voor [gedaagde] . Ik heb hem opgeleid in de springsport. Dit zou 2 a 3 jaar geleden zijn en ik denk dat ik hem een maand of zes gehad heb. (…) Ik denk dat er naast mij ook ongeveer 4 andere ruiters op hem gereden hebben bij ons. Dat waren amazones, stagiaires en zaterdaghulpen. Meiden van een jaar of 15 of 17. (…) Er waren geen bijzonderheden met zijn gedrag. Hij ging gewoon door ook als het druk was. In het begin was hij wel wat terughoudend met andere paarden en ook bij de eerste wedstrijden. Ik heb zo’n 15 wedstrijden met hem gesprongen en aan het eind ging het een stuk beter. (…) Het paard is nooit agressief geweest en ik heb geen abnormaal gedrag gezien. (…) On top was niet onhandelbaar. (…) Ik vond het belangrijk om te vertellen dat het paard terughoudend was geweest. Ik bedoel daarmee dat hij in hield als een ander paard hem tegemoet kwam. Hij was dan wat bang. Het is niet zo dat hij zich omdraaide of dat hij niet meer mee wilde. (…) Als je het niet weet en pakt hem hard aan dan geef je hem geen vertrouwen. (…) In de zes maanden die ik hem heb gehad, heeft hij nooit een stap verkeerd gezet.”



2.15.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] niet is geslaagd in het aan hem opgedragen bewijs van het tegendeel van het bewijsvermoeden dat het paard bij levering niet kon worden gebruikt als braaf sportpaard. Daarvoor is het volgende redengevend.



2.16.

[gedaagde] diende te bewijzen dat de gedragsproblemen van het paard bij levering niet bestonden, door aan te tonen of tenminste aannemelijk te maken dat deze gedragsproblemen het gevolg zijn van dan wel hun oorsprong vinden in een handelen of nalaten dat dateert van na de levering. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. De getuigen aan de zijde van [gedaagde] verklaren weliswaar in hoofdlijnen dat het paard in of omstreeks 2024 braaf was en dat hij hooguit iets reageerde in de nabijheid van andere paarden maar deze verklaringen zien alleen op de periode voorafgaand aan de levering. Uit de verklaringen kan dus niet worden afgeleid dat de gedragsproblemen van het paard het gevolg zijn van een handelen of nalaten dat dateert van na de levering. [gedaagde] heeft daarom door het laten horen van voormelde getuigen het bewijsvermoeden dat het paard ten tijde van de levering niet kon worden gebruikt als braaf sportpaard, niet weerlegd.



2.17.
Gelet op het voorgaande moet er in rechte van worden uitgegaan dat het paard ten tijde van de levering niet aan de koopovereenkomst beantwoordde. Door een non-conform paard aan [eiser] te leveren is [gedaagde] tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst. Aangezien herstel en vervanging van het paard onmogelijk zijn en de afwijking van het overeengekomene de ontbinding van de koopovereenkomst rechtvaardigt, heeft [eiser] de koopovereenkomst op grond van artikelen 7:21 BW en 7:22 BW terecht bij brief van 13 januari 2025 buitengerechtelijk ontbonden.



2.18.
Als gevolg van de ontbinding ontstaat op grond van het bepaalde in artikel 6:271 BW voor beide partijen de verplichting tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties. [gedaagde] moet daarom de koopsom van het paard (€ 19.000,00) terugbetalen aan [eiser] en [eiser] moet op haar beurt het paard teruggeven aan [gedaagde] . De door [eiser] gevorderde betaling van het bedrag van € 19.000,00 zal dan ook worden toegewezen. De niet betwiste wettelijke rente daarover is eveneens toewijsbaar.



2.19.

[eiser] maakt ook aanspraak op een schadevergoeding bestaande uit de door haar gemaakte kosten voor stalling en onderhoud van het paard vanaf de datum van de ontbinding van de koopovereenkomst. Dit onderdeel van de vordering zal worden afgewezen. Daarvoor is redengevend dat voor toewijzing van een schadevergoeding op grond van het bepaalde in artikel 6:74 BW onder meer is vereist dat sprake is van schade. Aan dit vereiste is in dit geval niet voldaan. De door [eiser] betaalde kosten voor stalling en onderhoud kunnen namelijk niet worden aangemerkt als schade omdat [eiser] deze kosten ook zou hebben gemaakt als van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst geen sprake was geweest.



2.20.

[eiser] vordert voorts vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Dit onderdeel van de vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal het gevorderde bedrag van € 1.074,28 (incl. btw) aan buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente daarover is eveneens toewijsbaar.



2.21.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden vastgesteld en begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


149,02







- griffierecht


€


732,00







- salaris gemachtigde


€


1.296,00


(3 punten × € 432,00)




- getuigenkosten (taxe getuige Haafkes)


€


30,00







- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


2.351,02














3De beslissing


De kantonrechter



3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 19.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 13 januari 2025 tot de dag van volledige betaling,



3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.074,28 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 14 mei 2025 tot de dag van volledige betaling,



3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.321,02, te vermeerderen met de kosten van betekening en de wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden,



3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,






3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.










Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.
lt




!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!





!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!


























!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!









Zie in dit verband het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Faber/Hazet Ochten (HvJ EU 4 juni 2015, C-497/13, ECLI:EU:C:2015:357, NJ 2016/148).