Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:6778

2026-09-02 Bestuursrecht; Belastingrecht ARN 25/140
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-09-02
Publicatiedatum
2026-08-31
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ARN 25/140
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; Viditax (FutD) 2026090404; FutD 2026-1572; NLF 2026/1811; V-N Vandaag 2026/1844; Sdu Nieuws Belastingzaken 2026/962; NDFR Nieuws 2026/1385

Inhoudsindicatie

IB/PVV 2022; arbeidskorting en ziektewetuitkering. Dienstbetrekking is beëindigd door ziekmelding, de ziektewetuitkering kan daarom niet worden gerekend tot inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking. Er bestaat geen recht op arbeidskorting. Beroep ongegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.122 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND


Zittingsplaats Arnhem


Bestuursrecht


zaaknummer: ARN 25/140



uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 2 september 2026


in de zaak tussen





[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: [gemachtigde] ),


en




de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur.




Inleiding


In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 19 november 2024.



De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.962.



Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 73 aan belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).



De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag en de belastingrentebeschikking gehandhaafd.



De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, bijgestaan door zijn gemachtigde, en namens de inspecteur [persoon 1] en [persoon 2] .








Feiten



Belanghebbende heeft op 25 november 2021 een arbeidsovereenkomst gesloten met [bedrijf] ( [bedrijf] ).


In de arbeidsovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:





1. Aard van de overeenkomst

1.1 Soort overeenkomst
Deze arbeidsovereenkomst is een uitzendovereenkomst zoals beschreven in artikel 7:690 van het Burgerlijk Wetboek en in het bijzonder een overeenkomst fase A met uitzendbeding volgens artikel 9 lid 3 en artikel 10 lid 1 van de CAO […].



[…]



3.2


Einde van de overeenkomst
De overeenkomst eindigt in de volgende gevallen van rechtswege en zonder dat opzegging vereist is:
[…]



c) Bij melding van ziekte of ongeval (CAO Artikel 15, lid 1);



[…]




3.3


Opnieuw ingaan van de overeenkomst

[…] Indien Werknemer in de tussentijd ergens anders heeft gewerkt of als de overeenkomst vanwege c) of d) of e) uit artikel 3.2 is beëindigd, sluiten partijen voor een eventuele nieuwe terbeschikkingstelling wel altijd een nieuwe overeenkomst.


3. Belanghebbende heeft over de volgende weken in 2022 arbeid verricht voor en looninkomsten ontvangen van [bedrijf] :


- weken 1 tot en met 6 (1 januari 2022 tot en met 13 februari 2022); en
- weken 8 tot en met 13 (21 februari 2022 tot en met 3 april 2022).


4. Belanghebbende heeft zich voor de volgende weken in 2022 ziekgemeld bij [bedrijf] en een ziektewetuitkering ontvangen:


- week 7 (14 februari 2022 tot en met 20 februari 2022); en
- weken 14 tot en met 52 (4 april 2022 tot en met 31 december 2022).


5. Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2022 een bedrag van € 26.962 aan inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking aangegeven en daarbij een arbeidskorting van € 4.008 in aanmerking genomen.
6. Bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2022 is de inspecteur afgeweken van de door belanghebbende ingediende aangifte. De inspecteur heeft in de aanslag een arbeidskorting van € 915 in aanmerking genomen.




Beoordeling door de rechtbank

7. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2022 tot de juiste hoogte is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Meer specifiek is in geschil de vraag of de arbeidskorting kan worden toegepast over ziektewetuitkeringen. Oftewel: vormen de ziektewetuitkeringen inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking? Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de inspecteur ontkennend.

8. De rechtbank staat allereerst voor de vraag of tijdig beroep is aangetekend. Als het beroepschrift niet tijdig is ingediend, is het beroep niet-ontvankelijk en komt zij niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep. De inspecteur heeft gesteld dat het beroepschrift tijdig is ingediend en daarmee ontvankelijk is. De rechtbank ziet geen reden om daarvan af te wijken. Dat betekent dat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.

9. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Juridisch kader


10. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de wetgever met ingang van 1 januari 2020 een onderscheid heeft willen maken tussen personen die een ziektewetuitkering ontvangen terwijl zij nog een dienstbetrekking hebben en personen die een ziektewetuitkering ontvangen zonder dat nog een dienstbetrekking bestaat. Sinds deze datum worden ziektewetuitkeringen alleen nog als arbeidsinkomen aangemerkt indien zij worden genoten tijdens een bestaande dienstbetrekking. Daaruit volgt dat als er geen sprake meer is van een dienstbetrekking, de ziektewetuitkeringen ook geen inkomen vormen uit tegenwoordige dienstbetrekking. In dat geval bestaat er geen recht op de arbeidskorting over de ziektewetuitkeringen op grond van artikel 8.1, tweede lid, onderdeel c van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Toepassing op de zaak
11. De ziekmelding van belanghebbende per 14 februari 2022, leidt tot een beëindiging van de dienstbetrekking per die datum. De ziektewetuitkering die belanghebbende heeft ontvangen in week 7 van 2022, kan daarom niet gerekend worden tot inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking. Over dit bedrag bestaat dus geen recht op arbeidskorting.
12. Omdat de arbeidsovereenkomst wegens een ziekmelding van rechtswege is geëindigd, moeten [bedrijf] en belanghebbende een nieuwe overeenkomst sluiten wanneer zij een nieuwe terbeschikkingstelling tot stand willen brengen. Vanaf 21 februari 2022, en dus na beëindiging van de eerdere arbeidsovereenkomst, heeft belanghebbende opnieuw arbeid verricht voor en loon ontvangen van [bedrijf] . Daarmee hebben belanghebbende en [bedrijf] naar het oordeel van de rechtbank feitelijk uitvoering gegeven aan een nieuw tot stand gekomen arbeidsovereenkomst onder dezelfde voorwaarden als de arbeidsovereenkomst van 25 november 2021. Deze arbeidsovereenkomst is vervolgens van rechtswege geëindigd met de ziekmelding van belanghebbende op 4 april 2022. Daaruit volgt dat ook de ziektewetuitkeringen die belanghebbende heeft ontvangen in de weken 14 tot en met 52 van 2022, niet gerekend kunnen worden tot inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking. Over deze bedragen bestaat dus ook geen recht op arbeidskorting.
13. De verwijzing van belanghebbende naar het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2024 maakt dit niet anders. Dit arrest ziet immers op werkhervattingsuitkeringen voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten die worden verstrekt op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en niet op uitkeringen op grond van de Ziektewet. Daarmee ziet het oordeel van de Hoge Raad niet op een geval dat gelijk is aan dat van belanghebbende.
Belastingrente
14. Het beroep wordt geacht ook betrekking te hebben op de opgelegde beschikking belastingrente van € 73. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de beschikking belastingrente.



Conclusie en gevolgen


15. Het beroep is ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug.




Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F. Kossen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.N.N. Hustinx, griffier.
Deze uitspraak is uitgesproken op 2 september 2026, vervolgens geplaatst in het digitale dossier en verzonden aan partijen op de datum vermeld in de brief waarmee deze aan partijen is verzonden.





















griffier


rechter









Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.



De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.






Kamerstukken II 2018/19, 35026, nr. 3, p. 18-19.


Artikel 3.2, onderdeel c, van de arbeidsovereenkomst.


Artikel 3.3 van de arbeidsovereenkomst.


Artikelen 6:217 en 3:37 van het Burgerlijk Wetboek.


Artikel 3.2, onderdeel c, van de arbeidsovereenkomst.


Hoge Raad 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1657.