Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:6770

2026-09-01 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht AWB-23_7163
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-09-01
Publicatiedatum
2026-08-31
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
AWB-23_7163
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen, Wet WIA, mate van arbeidsongeschiktheid, zorgvuldigheid, beperkingen, functies, hoorplicht, schadevergoeding redelijke termijn.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (61.401 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummer: ARN 23/7163

uitspraak van de enkelvoudige kamer van


in de zaak tussen


[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R.N. van der Ham),


en




de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [gemachtigde] ).





Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).





Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de arbeidsongeschiktheid van eiser. Eiser is het niet eens met de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. Hij vindt dat hij meer arbeidsongeschikt is dan aangenomen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de beslissing van het UWV juist is.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser juist heeft vastgesteld. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Omdat het UWV één van de geduide functies ten onrechte heeft geselecteerd, maar dit geen gevolgen heeft voor de uitkomst, past de rechtbank artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toe. Daarom worden de proceskosten en het griffierecht van eiser wel vergoed. Ook krijgt eiser een schadevergoeding omdat hij te lang op deze uitspraak heeft moeten wachten en worden de proceskosten die daarmee samenhangen vergoed. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 4 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen: is het onderzoek zorgvuldig geweest (vanaf 5), is eiser meer beperkt dan aangenomen (vanaf 6), zijn de geduide functies geschikt (vanaf 8), is de hoorplicht geschonden (vanaf 10) en of eiser recht heeft op schadevergoeding (vanaf 12). Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.





Procesverloop


2. Met het primaire besluit van 10 mei 2023 heeft het UWV eiser meegedeeld dat hij vanaf 18 januari 2023 (datum in geding) recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 51,49%.
Aan het besluit ligt een theoretische schatting ten grondslag, gebaseerd op een medisch onderzoek van de verzekeringsarts en een arbeidsdeskundig onderzoek van de arbeidsdeskundige. De bevindingen van de [verzekeringsarts ] (hierna: [verzekeringsarts ] ) zijn vastgelegd in de rapportage van 28 december 2022 en een aanvullende rapportage van 24 april 2023. De door haar aangenomen functionele beperkingen van eiser zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 28 december 2022. De [arbeidsdeskundige] (hierna: [arbeidsdeskundige] ) heeft gerapporteerd op 8 mei 2023.



2.1.

Met het bestreden besluit van 29 september 2023 op het bezwaar van eiser is het UWV bij dat besluit gebleven.
Dit besluit is, naast de eerdere genoemde rapporten, gebaseerd op de medische rapportages van de [verzekeringsarts bezwaar en beroep] (hierna: [verzekeringsarts bezwaar en beroep] ) van 25 september 2023 en 23 oktober 2023 en de rapportage van de [arbeidsdeskundige bezwaar en beroep]
(hierna: [arbeidsdeskundige bezwaar en beroep] ) van 28 september 2023.



3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.




3.1.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van het UWV.



3.2.
Bij beslissing van 16 juli 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend, omdat het onderzoek niet volledig is geweest. De rechtbank heeft vragen gesteld aan het UWV.


3.2.1.
Bij brief van 20 augustus 2025 heeft het UWV geantwoord op vragen van de rechtbank. Bij deze brief zijn aanvullende rapportages van [verzekeringsarts bezwaar en beroep] en [arbeidsdeskundige bezwaar en beroep] van respectievelijk 23 juli 2025 en 15 augustus 2025 gevoegd. Bij brief van 2 oktober 2025, met bijlagen, heeft eiser gereageerd op de brief van het UWV.



3.2.2.
Bij brief van 2 december 2025 heeft de rechtbank een nadere toelichting gevraagd aan het UWV. Nadien heeft de rechtbank twee brieven van het UWV ontvangen, gedateerd 30 december 2025 en 25 februari 2026. Bij deze brieven zijn aanvullende rapportages van [arbeidsdeskundige bezwaar en beroep] gevoegd van respectievelijk 24 december 2025 en 24 februari 2026. Eiser heeft op deze brieven van het UWV gereageerd bij brieven van 10 februari 2026, met één bijlage, en 25 maart 2026. In laatstgenoemde brief heeft eiser verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.




3.3.
Geen van de partijen heeft, nadat zij zijn gewezen op hun recht nogmaals ter zitting te worden gehoord, binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van dit recht. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.



3.4.
In verband met de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding heeft de rechtbank de Staat der Nederlanden als partij aangemerkt.





Beoordeling door de rechtbank



Totstandkoming van het bestreden besluit

4. Eiser is werkzaam geweest als (vrijwillig verzekerde) gipswandenmonteur voor gemiddeld 40 uur per week.



4.1.
Op 20 januari 2021 heeft eiser zich ziekgemeld na een val van een trap met als gevolg een schedelfractuur, schouderbreuk, sleutelbeenbreuk, ribbreuken, polsbreuk en scheurtjes in het bekken.



4.2.
Met het besluit van 1 februari 2021 heeft het UWV aan eiser vanaf 20 januari 2021 ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.



4.3.
Het UWV is hierna overgegaan tot de besluitvorming als vermeld onder het kopje “Procesverloop”.



Is het onderzoek zorgvuldig geweest?

5. Eiser heeft – kort samengevat – aangevoerd dat het (medisch) onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat niet alle relevante medische informatie is betrokken. Hiernaast had eiser in bezwaar onderzocht moeten worden door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. In de periode na het spreekuur met de primaire verzekeringsarts op 29 november 2022 tot en met de datum in geding van 18 januari 2023 zijn de (schouder)klachten namelijk toegenomen. Ter onderbouwing verwijst eiser naar de brief van de [revalidatiearts] van 27 september 2023 waarin wordt gesproken over de verslechtering in/na november 2022. De verslechtering wordt ook bevestigd in de correspondentie van de [pijnspecialist] (in het kader van een letselschadeprocedure) en die van [neuroloog] .




5.1.
Volgens het UWV is het onderzoek zorgvuldig geweest. Eiser heeft niet toegelicht welke medische informatie niet zou zijn betrokken bij het onderzoek. Er was geen reden om eiser op te roepen voor een fysiek spreekuurcontact in bezwaar. In zijn rapport van 25 september 2023 heeft [verzekeringsarts bezwaar en beroep] gemotiveerd dat een spreekuurcontact in dit geval niet van toegevoegde waarde is.



5.2.

Naar het oordeel van de rechtbank is alle medische informatie betrokken bij de beoordeling door de verzekeringsartsen van het UWV. Het gaat zowel om de informatie die zich al in het dossier bevond, vanwege een eerdere ziekmelding van eiser, als de door eiser overgelegde medische stukken.
Uit de rapportages van [verzekeringsarts ] blijkt dat zij kennisgenomen heeft genomen van het dossier en eiser heeft gezien op haar spreekuur. Zij heeft hem daarna ook nog telefonisch gesproken. Ook heeft zij de medische informatie die eiser bij het spreekuur had meegenomen bij de beoordeling betrokken. Het gaat om de brieven van:



31 oktober 2022 van [persoon 1] , neurochirurg, en [persoon 2] , anesthesioloog i.o., Pijnbehandelcentrum Radboud UMC;


27 september 2022 van [persoon 3] , fysiotherapeut, en [persoon 4] , GZ-psycholoog, van het pijnbehandelteam Radboud UMC;


18 mei 2022 van [persoon 5] , cardiothoracaal chirurg van het Radboud UMC;


3 augustus 2021 van [neuroloog] , neurochirurg van het Radboud UMC;


1 februari 2021 van [chirurg] , chirurg Gelre Ziekenhuizen Apeldoorn.



Daarnaast heeft [verzekeringsarts ] op 6 april 2023 telefonisch overleg gehad met een behandelaar van eiser, te weten met [behandelaar] klinisch arbeidsgeneeskundige en bedrijfsarts van het Radboud UMC.
Uit de rapportages in bezwaar van [verzekeringsarts bezwaar en beroep] blijkt dat hij kennis heeft genomen van het dossier en de rapportages van [verzekeringsarts ] . Bij de beoordeling heeft hij ook betrokken wat eiser in bezwaar heeft aangevoerd en de medische informatie die hij heeft overgelegd, te weten de brieven van:



29 juni 2026 van eisers huisarts, [huisarts] ;


9 juni 2023 en van 1 augustus 2023 van [persoon 6] , fellow neurologie, van het Radboud UMC;


10 augustus 2023 van de hiervoor genoemde [behandelaar] .




Eiser heeft zoals het UWV terecht opmerkt, ook niet toegelicht welke informatie niet is betrokken bij het onderzoek. Zijn stelling, dat dit niet zo is, wordt dan ook niet gevolgd.




5.3.
Eiser heeft tijdens de zitting en in zijn brief, die als bijlage is gevoegd bij de brief van zijn gemachtigde van 2 oktober 2025, aangevoerd dat het lichamelijk onderzoek tijdens het spreekuur zeer kort en summier is geweest. Voor zover eiser ook daarmee wil stellen dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest, wordt hij daarin niet gevolgd. De verzekeringsarts is een medisch deskundige. Het is aan deze om te bepalen op welke wijze, waaronder hoe uitgebreid, het lichamelijk onderzoek tijdens het spreekuur moet plaatsvinden. De rechtbank heeft ook geen enkele indicatie dat bij dit onderzoek aspecten van eisers gezondheid zijn gemist. Bovendien hebben zowel [verzekeringsarts ] als [verzekeringsarts bezwaar en beroep] hun medisch oordeel niet uitsluitend gebaseerd op dit lichamelijk onderzoek, maar ook op alle gegevens in het dossier, waaronder de hierboven weergegeven – grote hoeveelheid – aan medische stukken. [verzekeringsarts bezwaar en beroep] heeft ook meerdere keren in zijn rapportages aangegeven dat de bevindingen tijdens het lichamelijk onderzoek van [verzekeringsarts ] overeenkomen met de bevindingen van, bijvoorbeeld, de neuroloog van eiser.



5.4.
Ten aanzien van de omstandigheid dat eiser door [verzekeringsarts bezwaar en beroep] niet is gezien op het spreekuur, overweegt de rechtbank als volgt.


5.4.1.

Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat in de bezwaarfase een volledige heroverweging plaats moet vinden, waarbij de feiten juist worden vastgesteld en de conclusies logisch uit die feiten voortvloeien. Daarom zal, indien de medische grondslag van de besluitvorming wordt betwist, in deze fase van de procedure een louter dossieronderzoek als regel niet volstaan. De zorgvuldigheid van de besluitvorming in bezwaar brengt verder met zich dat in situaties, waarin de medische grondslag van het primaire besluit gemotiveerd wordt betwist en waarin in de primaire fase geen sprake is geweest van een spreekuurcontact met een geregistreerde verzekeringsarts, als uitgangspunt geldt dat in de fase van bezwaar de betrokkene door een verzekeringsarts bezwaar en beroep tijdens een spreekuurcontact wordt onderzocht en er dus feitelijk sprake is van een contact met deze verzekeringsarts.
Uit deze vaste rechtspraak volgt het uitgangspunt dat een betrokkene die aanspraak maakt op een WIA-uitkering, in de regel, of in de primaire fase of in de bezwaarfase onderzocht moet worden door een geregistreerde verzekeringsarts tijdens een spreekuurcontact.




5.4.2.

De rechtbank stelt vast dat eiser in de primaire fase tijdens een spreekuur is onderzocht door een geregistreerde verzekeringsarts. Daarmee is voldaan aan het uitgangspunt van voornoemde vaste rechtspraak. [verzekeringsarts bezwaar en beroep] heeft ook inzichtelijk en navolgbaar gemotiveerd waarom een spreekuurcontact in bezwaar niet van toegevoegde waarde was. Er waren namelijk geen nieuwe medische gegevens die zien op de datum in geding. Het medisch beeld op de datum in geding is in al die tijd niet veranderd. Dát is leidend, niet de subjectieve klachtenbeleving (onder andere de ervaren toegenomen pijn) van eiser.
De medische stukken die eiser in beroep naar voren heeft gebracht, leiden niet tot een ander oordeel, omdat daaruit niet blijkt dat de medische situatie van eiser is veranderd, zoals [verzekeringsarts bezwaar en beroep] ook schrijft in zijn aanvullende rapportages in beroep. Er blijkt alleen uit dat eiser meer pijn heeft maar dat is, zoals al opgemerkt, niet leidend. Het UWV heeft daarom mogen afzien van een spreekuurcontact in bezwaar.





5.5.
De rechtbank komt tot de slotsom dat het onderzoek niet onzorgvuldig is geweest. De beroepsgrond slaagt niet.



Heeft eiser meer beperkingen dan aangenomen?

6. Eiser voert aan dat zijn beperkingen zijn onderschat. De schouderfunctie is meer beperkt dan het UWV veronderstelt. De conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat voornamelijk psychosociale factoren de pijn beïnvloeden, houdt niet stand. In geval van eiser zijn er wel degelijk geobjectiveerde oorzaken aan te wijzen voor de pijn, waaronder de fracturen, het plexus brachialisletsel en de chronische zenuwbeschadiging.
Er is bij eiser een hersenkneuzing vastgesteld met cognitieve klachten als duizeligheid, wazigheid en vergeetachtigheid tot gevolg. In het dagelijks leven kan eiser slechts een kort stukje lopen. Met rechts kan hij heel weinig doen, in elk geval geen repetitieve handelingen of reiken. De pijn wordt dan snel erger (één keer een beweging is nog tot daaraan toe, maar een herhaling zorgt voor toename van de pijn). Ook de rotatie van de nek naar rechts is beperkt en pijnlijk. De blijvende klachten als gevolg van het ongeval zorgen ervoor dat eiser na twintig minuten zitten drukkende pijn krijgt op de borst en nek. Die borstdruk bestaat sinds het ongeval. Door rust te nemen, te liggen en pijnmedicatie te gebruiken, zakt de pijn weg. Niet rusten zorgt voor toename van pijn. Vooral vanuit de schouder komt veel pijn. Daarom kan eiser ook niet lang achter de computer zitten. Niet alleen zitten is moeilijk, eiser moet ook veel verzitten. Hij probeert zoveel mogelijk met links te doen. Stil staan is lastig, dan verergert de pijn. Ten slotte heeft eiser energetische beperkingen. Naast het feit dat pijnklachten op zichzelf een aanslag zijn op de energie, zorgt in geval van eiser de pijn ook voor een verstoorde nachtrust. Ondanks dat hij op tijd naar bed gaat, kan hij pas in de loop van de ochtend in slaap vallen, waarbij hij effectief maximaal vier uur (onderbroken) slaapt. Dit wordt ook nog eens versterkt door de medicatie en de tinnitusklachten. De aanname van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat de tinnitusklachten na wijziging van de medicatie zijn afgenomen, is onjuist. De tinnitus is nog steeds structureel aanwezig en zorgt voor problemen met slapen. Ook heeft eiser hierdoor moeite met veel achtergrondgeluid en telefoneren. Eiser moet gedurende de dag wel drie of vier keer rusten (één tot anderhalf uur per keer). Door te liggen kan hij de pijn laten wegtrekken. Eiser moet continue doseren.



Ter onderbouwing van het voorgaande verwijst eiser naar de brief van de [revalidatiearts] van 27 september 2023, een medicatieoverzicht van BENU Apotheek Wijchen Centrum, algemene informatie over de (gevolgen van een) hersenkneuzing, brieven van anesthesioloog- [pijnspecialist] van pijnpoli Radboud UMC van 29 augustus 2023 en 14 november 2023, een brief van [persoon 6] van 25 september 2023 van de afdeling neurologie van het Radboud UMC en een brief van [neuroloog] van 1 maart 2024, zijnde een concept expertiserapportage in het kader van een letselschadeprocedure.



Eiser verzoekt de rechtbank een onafhankelijk deskundige te benoemen, omdat uit (met name) de neurologische expertise blijkt dat de ernstige pijnklachten van eiser wel degelijk geobjectiveerd kunnen worden.




6.1.
Volgens het UWV bestaat er geen aanleiding om meer beperkingen aan te nemen. Ter onderbouwing verwijst het UWV naar de (aanvullende) rapportages van [verzekeringsarts ] en [verzekeringsarts bezwaar en beroep] .


6.1.1.


[verzekeringsarts ] stelt vast dat er bij eiser sprake is van multiple traumatische fracturen (rib 1-4 rechts, scapulafractuur rechts, claviculafractuur rechts, distale radiusfractuurrechts en schedelfracturen), plexus brachialisletsel, de ziekte van Forestier (Diffuse Iodopathic Skeletal Hyperostosis/DISH) en bursitis subacromalis/impingement syndroom rechts. Zij schrijft verder, onder meer:
“(…) Uit de brief van het pijnteam d.d. 31-10-2022 blijkt dat er sprake is van chronische neuropathische en nociceptieve pijnklachten bij combinatie van status na fracturen, plexus brachialisletsel, algehele deconditionering, verminderde lichaamsbewustwording, disbalans in belasting en belastbaarheid met antalgisch beweeggedrag. Bij lichamelijk onderzoek valt afstaand schouderblad rechts op en beperkte actieve endorotatie en abductie. (…) Diffuse palpitatiepijn van de aanhechting van de ribben recht dorsaal. Myalgie bij eindstanden nekbewegingen, geen bewegingsbeperkingen. (…)
De belangrijkste beperkingen zijn:
Persoonlijk en sociaal functioneren: beperkt ten aanzien werken op hoogtes en met gevaarlijke machines vanwege kans op verminderd reactievermogen bij medicatiegebruik (…), daarom ook niet beroepsmatig gemotoriseerde voertuigen besturen.
Fysieke omgevingseisen: geen zware beschermmiddelen om lichaam/hoofd/armen, geen frequente of continue inwerking van sterke schokken of trillingen, cliënt heeft tevens pollenallergie.
Statisch en dynamisch handelen: vanwege de chronische pijnklachten rechterarm/schouder en thoracaal rechts thv ribaanhechtingen dorsaal bij status na multiple fracturen geen zware fysieke belasting. Cliënt is beperkt ten aanzien van zwaar tillen/dragen en duwen/trekken, frequent reiken en bovenschouderhoogte reiken rechts. Geen frequente krachtige wring/schroefbewegingen. Cliënt moet bij lang zitten even kunnen verzitten of vertreden. Tevens beperkt in langdurig lopen en staan (vanwege thoracale ribpijnklachten). Niet frequent torderen/buigen of langdurig gebogen/getordeerd actief zijn. Beperkt in klimmen en langdurig traplopen.
Werktijden: indien voldoende rekening wordt gehouden met de beperkingen in de functionele mogelijkheden is er geen indicatie voor een structurele urenbeperking. (…) Vanwege slaapproblematiek geen nachtwerk.”
De recente schouderoperatie heeft geen vermindering van de pijnklachten gegeven. Er is sprake van chronische pijnklachten.




6.1.2.


[verzekeringsarts bezwaar en beroep] geeft aan dat de problematiek van eiser, zoals beschreven in de brief van het pijnteam van 31 oktober 2022 – naast pijn – functioneel gezien tot relatief weinig beperkingen leidt. Bij psychisch onderzoek (waarbij wordt gedoeld op onderzoek van [verzekeringsarts ] ) waren er geen aanwijzingen voor ernstige psychopathologie en/of cognitieve stoornissen. Wel was er sprake van slaapproblematiek.
“Obv deze gegevens is cliënt aangewezen op fysiek lichte arbeid waarbij rekening wordt gehouden met een verminderde schouderfunctie, waarbij ook rekening wordt gehouden met het gegeven dat cliënt met name niet teveel kracht kan zetten om zo de gevoelige schouder, ribben, sleutelbeen en arm te ontlasten. Vanwege oxycodon gebruik zijn chauffeursfuncties niet geschikt en moet persoonlijk risico worden beperkt tav werken op hoogte of in de buurt van gevaarlijke machines. (…) Mentaal gezien zijn er dus geen aanwijzingen voor ernstige psychopathologie zodat dit niet leidt tot extra/andere beperkingen. Vanuit slaaphygiënische overwegingen werd dan wel nog een beperking voor nachtdiensten gegeven.
Door cliënt geclaimde cognitieve klachten werden niet geobjectiveerd. Voor zover er sprake is van duizeligheidsklachten werd dit al gecoupeerd met de beperking tav persoonlijk risico en beroepsmatig chauffeuren. De stelling dat hij niets kan met zijn arm past niet bij de bevindingen bij lichamelijk onderzoek. Wat betreft de pijnscores moet worden opgemerkt dat pijn beïnvloed wordt door psychosociale omstandigheden (zie NHG standard pijn) zoals die ook bij cliënt aanwezig zijn, namelijk de onzekerheden over werk, inkomen etc. die ook door het pijnteam werden onderkend in de zijn van psychologisch attributieve factoren. Met cliënt is om die reden ook gesproken over de kennelijk aanwezige sensitisatie, plausibel vanwege de tevens door hen beschreven deconditionering. Door de gezondheidsraad werd in 2005 immers al aangegeven in hun advies (…) dat een verhoogde aandacht voor lichamelijke sensaties leidt tot een proces van sensitisatie van het pijnmodulerend systeem met als gevolg steeds verdere verlaging van pijndrempels. (…) Pijnklachten zijn daarom dan ook per definitie subjectief van aard en kunnen niet worden gebruik als maat bij het beoordelen van de belastbaarheid waarbij allen kan worden uitgegaan van datgene dat werd geobjectiveerd hetgeen wordt ondersteund door vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (…)”.
Hij ziet daarom geen aanleiding voor het aannemen van meer beperkingen.



In de aanvullende rapportage van 23 oktober 2023 heeft hij toegelicht waarom de cognitieve klachten niet werden geobjectiveerd: de primaire verzekeringsarts heeft die niet beschreven en heeft zelfs expliciet vermeld dat de aandacht goed te trekken en te behouden was tijdens het onderzoek. Ook de rapporten van de behandelaars maken geen melding van cognitieve problemen en ook de POH-GGZ meldt dat er geen sprake is van een psychische stoornis.




6.1.3.
In beroep heeft [verzekeringsarts bezwaar en beroep] nog de volgende toelichtingen gegeven.


De brief van 27 september 2023 van revalidatiearts [revalidatiearts] bevat geen nieuwe informatie. Het toont de al bekende gegevens en de daaraan gerelateerde pijnklachten en beperkte schouderfunctie. Eiser is verwezen voor revalidatie ondanks dat er twijfel is over het te verwachten effect daarvan vanwege terughoudendheid bij eiser.



In antwoord op de vraag in de heropeningsbeslissing, of de chronische pijn en andere door eiser naar voren gebrachte klachten (alsnog) aanleiding geven voor het aannemen van een uren- of andere beperkingen, heeft [verzekeringsarts bezwaar en beroep] in de aanvullende rapportage van 23 juli 2025 onder meer het volgende geschreven.
Pijn kan leiden tot vermoeidheid, waardoor het aannemelijk is dat eiser problemen ervaart met doorslapen, maar [verzekeringsarts ] heeft desondanks geen recuperatiemomenten beschreven. In de informatie van de revalidatiearts staat dat eiser gaat liggen om de pijn te verzachten, niet omdat hij vermoeid is en vermoeidheid wordt later in de brief van de neuroloog van 1 maart 2024 niet aangegeven bij de ervaren belemmeringen. Het pijngedrag is mede te relateren aan de door de neuroloog beschreven psychologische attributieve factoren en dit heeft ook geleid tot de, meermaals, beschreven deconditionering. Er is daarom geen indicatie voor een urenbeperking (op energetische gronden), ook omdat er bij eiser sprake is van een normaal bewustzijn en hij in staat is de aandacht en concentratie goed vast te houden.
Dat eiser weinig met rechts kan doen, sluit niet aan bij de bevindingen van het lichamelijk onderzoek door [verzekeringsarts ] én die van de revalidatiearts. Zij beschrijven een normale armfunctie, normale sensibiliteit en kracht. Ook wordt de kracht in de bovenarm in de informatie van de neuroloog van 25 september 2023 aangegeven als +4, hetgeen hierbij aansluit.
Het onderzoek van de nek toonde geen functionele afwijkingen; dit sluit aan bij het gegeven dat er geen sprake is van beschreven letsel van de hals/wervelkolom. (Niet uitgesloten is dat er sprake is van uitstralende pijn vanuit de schouder naar de nek.) Daarom leidt dit niet tot meer beperkingen. Het is juist belangrijk om de nek zoveel mogelijk te mobiliseren.
Eiser geeft aan dat hij slechts een kort stukje kan lopen. Dit is medisch niet verklaarbaar en ook niet in overeenstemming met de informatie van de revalidatiearts inhoudende dat eiser meer dan een uur kan wandelen zonder hulpmiddelen.
Bij pijnsyndromen is het belangrijk om dynamisch actief te zijn om spieren te mobiliseren, om deconditionering en klachtentoename te voorkomen. De statische belastbaarheid moet echter niet té lang aaneengesloten plaatsvinden. Daarom werd het aaneengesloten staan beperkt tot een half uur aansluitend en werd bij zitten aangegeven dat eiser van houding moet kunnen verwisselen of verzitten. Voor wat betreft het lopen en staan wijst [verzekeringsarts bezwaar en beroep] op de bevindingen van de neuroloog van 1 maart 2024: geen afwijkingen konden worden geobjectiveerd bij gang- en standsproeven.
Cognitieve klachten werden noch door [verzekeringsarts ] noch door de neuroloog of andere behandelaars geobjectiveerd. De neuroloog schrijft op 1 maart 2024 dat er sprake is van normaal bewustzijn en dat de aandacht goed te trekken en te behouden is.
Voor de tinnitus wordt verwezen naar de eerdere rapportage van 21 november 2023.





6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsartsen op alle punten inzichtelijk en navolgbaar aangegeven waarom er geen aanleiding bestaat om meer beperkingen aan te nemen dan vermeld in de FML van 28 december 2022. Het klopt dat eiser gevolgen ondervindt van de opgelopen fracturen, het plexus brachialisletsel en de chronische zenuwbeschadiging. Daar gaan de verzekeringsartsen van het UWV ook vanuit en daar is ook rekening mee gehouden. Er is niet gebleken dat de verzekeringsartsen van het UWV uitgaan van een andere medische situatie, dan uit de ingebrachte medische stukken naar voren komt of dat de behandelaars van eiser een beredeneerd ander medisch oordeel hebben over de belastbaarheid van eiser. Met name [verzekeringsarts bezwaar en beroep] heeft uitgebreid en voldoende toegelicht waarom de brieven van de behandelaars geen aanleiding geven voor het aannemen van meer beperkingen en dat de bevindingen tijdens het onderzoek van [verzekeringsarts ] overeenstemmen met die van de revalidatiearts en de neuroloog. Hoewel met name de aanvullende rapportages van [verzekeringsarts bezwaar en beroep] duidelijk zijn, zal de rechtbank nog expliciet ingaan op een aantal door eiser geclaimde beperkingen.


6.2.1.
Uit de overgelegde medische stukken komt wel naar voren dat eiser ten gevolge van de val een hersenkneuzing heeft gehad, maar niet dat er op de datum in geding bij eiser sprake is van is van cognitieve klachten of wazigheid. Er blijkt niet dat dergelijke klachten door een arts zijn vastgesteld. Er wordt meermaals (door behandelaars en de verzekeringsarts) benoemd dat er sprake is van normaal bewustzijn en dat de aandacht goed te trekken en te behouden is. Met de duizeligheid is rekening gehouden door de verzekeringsartsen.



6.2.2.
Er zijn geen functionele afwijkingen aan de nek die een beperking kunnen rechtvaardigen. De pijn die eiser ervaart komt mogelijk vanuit de schouder en houdt – zo begrijpt de rechtbank – geen verband met enig letsel aan de hals of nek. Eiser heeft geen medische informatie ingebracht die aanleiding geeft om te twijfelen aan wat [verzekeringsarts bezwaar en beroep] daarover heeft opgeschreven. In dit verband is van belang dat de verzekeringsartsen rekening hebben gehouden met de ziekte van Forestier bij eiser.



6.2.3.

Vaststaat dat eiser veel pijn ervaart en dat de (ervaren) pijn is toegenomen. Dit wordt ook onderkend door de verzekeringsartsen en er is ook rekening gehouden met de pijn. [verzekeringsarts ] en [verzekeringsarts bezwaar en beroep] hebben echter goed gemotiveerd dat deze pijn niet alleen een objectieve oorzaak heeft. De pijn vindt ook zijn oorzaak in de psychosociale factoren en het proces van sensitisatie. Dit proces, alsook de deconditionering en het antalgisch beweeggedrag, wordt genoemd in onder meer in brieven van 31 oktober 2022 en 27 september 2022 van het pijnbehandelcentrum en het pijnbehandelteam van het Radboud UMC, schrijft [verzekeringsarts ] . De rechtbank stelt vast dat dit ook staat beschreven in brieven van eisers behandelaar [persoon 6] , fellow neurologie, van het Radboud UMC. Die schrijft op 9 juni 2023:
“Tevens is besproken dat er een combinatie van meerdere lichamelijk factoren is, waarnaast lichamelijke en mentale klachten elkaar versterken”
en op 1 augustus 2023:
“Gesproken over het proces van sensitisatie”.
Het een en ander betekent niet dat de ervaren pijn er niet is. Die is er wel. Maar met de mate van pijn wordt niet in volle omvang rekening gehouden: er wordt rekening mee gehouden voor zover de pijn een lichamelijke oorzaak heeft (sensitisatie is dat niet) en voor zover dat niet gecontra-indiceerd is. Uit de rapportages van [verzekeringsarts bezwaar en beroep] volgt dat eiser, ondanks de pijn, toch in enige mate moet blijven bewegen om deconditionering en juist ook een verdere toename van klachten (pijn!) te voorkomen. Overigens stelt [verzekeringsarts bezwaar en beroep] niet, zoals eiser dat kennelijk opvat, dat eiser volledig inactief is.



Eiser wijst op de brief van neuroloog [neuroloog] van 1 maart 2024, waaruit volgens hem volgt dat er sprake is van ernstige pijnklachten en dat bewegingsbeperkingen geobjectiveerd kunnen worden. Deze brief leidt niet tot een ander oordeel. Allereerst is dat zo omdat de brief gaat over eisers “eindtoestand” na het ongeval op 27 februari 2024. Dat is ruim na de datum in geding. Daarnaast is de brief door [verzekeringsarts bezwaar en beroep] beoordeeld en dit heeft bij hem niet geleid tot een ander medisch oordeel. Voor zover eiser meent dat [neuroloog] meer bewegingsbeperkingen aanneemt dan de verzekeringsartsen of zijn behandelaars hebben gesignaleerd (en dat dit ook relevant is op de datum in geding), had het op zijn weg gelegen om aan te geven waar het verschil in inzicht zich dan voordoet. Eiser heeft dat niet gedaan en de rechtbank ziet een dergelijk verschil ook niet.




6.2.4.

[verzekeringsarts bezwaar en beroep] heeft voldoende toegelicht dat en waarom de tinnitus geen aanleiding geeft voor het aannemen van beperkingen: het was een bijwerking van de medicatie (amitriptyline) en daarom is de medicatie veranderd. De rechtbank leest de rapportage van [verzekeringsarts bezwaar en beroep] van 21 november 2023 zo, dat hij er vanuit gaat dat sindsdien geen sprake meer is van tinnitus, ook omdat de behandelaars dat probleem ook verder niet benoemen en dat anders medicatie kan worden aangepast om dat te bereiken. Eiser stelt wel dat de tinnitus nog steeds aanwezig is, maar hij heeft geen medische informatie ingebracht die deze stelling ondersteunt. De bij brief van 2 oktober 2025 overgelegde berichtenwisseling op 27 oktober 2022 met zijn huisarts ziet namelijk op de periode dat eiser nog wel amitriptyline gebruikte en vormt dus geen onderbouwing van de stelling dat die tinnitus is gebleven na het staken van het gebruik daarvan.



6.2.5.
In de brief van 27 september 2023 van [pijnspecialist] wordt wel gerept van de door eiser genoemde, drukkende pijn op de borst en nek. [verzekeringsarts bezwaar en beroep] heeft deze brief betrokken bij zijn aanvullende rapportage van 16 februari 2024 en ook in die van 23 juli 2025 gaat hij in op de door eiser beschreven pijn bij de borstkas. Naar het oordeel van de rechtbank geeft de enkele vermelding van deze klacht in deze brief geen aanleiding om te twijfelen aan de beoordeling van de verzekeringsartsen van het UWV. Zij gaan immers uit van dezelfde medische situatie als [pijnspecialist] .



6.2.6.

[verzekeringsarts bezwaar en beroep] acht wel aannemelijk dat eiser slaapproblemen ondervindt ten gevolge van de pijn, maar is van oordeel dat niet is gebleken dat dit leidt tot energetische beperkingen. De reden hiervoor is dat eiser geen recuperatiemomenten nodig heeft. De rechtbank kan [verzekeringsarts bezwaar en beroep] volgen in zijn redenering dat eiser overdag gaat liggen vanwege de pijn, niet vanwege vermoeidheid. In zijn brief van 2 oktober 2025 geeft eiser aan dat deze reden voor het gaan liggen vermoeidheid niet uitsluit. Dat is juist. Het zou zo kunnen zijn dat eiser om beide redenen overdag gaat liggen, maar dat blijkt nergens uit. Bovendien heeft [verzekeringsarts bezwaar en beroep] voldoende uitgelegd dat en waarom er geen indicaties zijn voor het aanwezig zijn van energetische beperkingen.



6.2.7.
Tot slot wordt het volgende opgemerkt. Uit de in beroep overgelegde medische stukken blijkt (ook) niet dat de medische situatie is verslechterd op (of na) de datum in geding. Uit die stukken blijkt dat er (op de datum in geding) geen andere of nieuwe behandelingen zijn gestart en eiser steeds opnieuw wordt voorgesteld om hem (terug) te verwijzen naar een revalidatieprogramma of naar de pijnpoli. Dit volgt bijvoorbeeld uit de brief van 27 september 2023 van de revalidatiearts. [verzekeringsarts bezwaar en beroep] geeft over deze brief ook aan dat hieruit geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren komen. Ook schrijft anesthesioloog-pijnspecialist [pijnspecialist] in zijn brief van 14 november 2023 dat er geen aanvullende behandelmogelijkheden zijn bij de pijnpolikliniek. Ook overigens heeft eiser geen medische informatie ingebracht die aanleiding geeft om aan het medisch oordeel van de verzekeringsartsen van het UWV te twijfelen.




6.3.
Het voorgaande betekent dat eiser niet meer beperkt is dan aangenomen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige te benoemen. De beroepsgrond slaagt niet.

7. De belastbaarheid van eiser is (dus) correct weergegeven in de FML van 28 december 2022. Eiser wordt geacht functies te kunnen verrichten waarin de in de FML vastgestelde belastbaarheid niet wordt overschreden.



Zijn de geduide functies passend?


8. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat eiser in staat is om de volgende functies te verrichten:


administratief medewerker (document scannen) met sbc-code 315133,


telefonist/receptionist/typist met sbc-code 315120,


operator voedingsmiddelenindustrie met sbc-code 271121, en daarnaast:


productiemedewerker (samenstellen van producten) met sbc-code 111180 en


medewerker tandtechniek met sbc-code 264050.



9. Eiser stelt dat de geduide functies niet passend zijn.

Ten aanzien van de functie van receptionist (sbc-code 315120) voert eiser aan dat bij de arbeidsdeskundige beoordeling ten onrechte is aangenomen dat eiser zowel het Engels als het Duits goed beheerst. Eiser heeft enkel de MAVO afgerond in 1980 en in dat kader wat verplichte vakken op basaal niveau gevolgd, maar nadien heeft hij er niks meer mee gedaan.
Eiser kan zich niet herinneren dat hij op het WIA-aanvraagformulier heeft ingevuld dat zijn beheersing van Engels en Duits “goed” is. De taalbeheersing had geverifieerd moeten worden. Er is dus geen sprake van mondelinge beheersing van de Engelse of Duitse taal, terwijl de functionaris in de functie van receptionist (sbc-code 315120) geacht wordt mondeling in het Engels te communiceren. Bovendien is het onjuist dat eiser een diploma op MBO-2 niveau heeft. Hij heeft enkel een certificaat Beveiliging gehaald in het kader van zijn diensttijd. Dit is niet gelijk te stellen aan een MBO-2 niveau diploma. Eiser voldoet dus niet aan de opleidingseis.
De functie procesoperator voedingsmiddelenindustrie (sbc-code 271121) kon ook niet geduid worden. Ten eerste wordt bij één van de arbeidsplaatsen verlangd dat een heftruckbewijs kan worden verkregen middels opleiding. In de FML is echter opgenomen dat eiser beperkt is voor het beroepsmatig besturen van gemotoriseerde voertuigen. Ook is eiser het niet eens met de arbeidsdeskundige dat de overschrijding qua tillen (tien kg) vanwege de frequentie geen beletsel is om deze functie te selecteren. Volgens CBBS gaat het bij “sterk beperkt” om niet meer dan twee kg tillen. Dan is ook een incidentele overschrijding van tien kg te groot om deze functie geschikt te achten.
Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat in drie van vier (gehandhaafde) functies sprake is van boven schouderhoogte actief zijn. Volgens eiser zijn deze functies niet passend, omdat niet duidelijk is of daarvoor het gebruik van beide handen nodig is. Eiser is namelijk sterk beperkt met rechts. In de functie 315133 staat specifiek bij de beoordelingspunten 4.3.2. t/m 4.3.6 dat er twee handen nodig zijn voor het hanteren van stapels post(mappen). De vermelding “tweehandig” betekent namelijk dat tweehandigheid vereist is (volgens het Compendium Participatiewet). Anders staat er namelijk linkerhand/rechterhand/hand naar keuze. Het is volgens eiser niet te begrijpen dat bij het ‘gewoon’ hanteren van postmappen tweehandigheid is vereist, maar bij het neerleggen daarvan in (hoge) postvakken één hand voldoende zou zijn. Er wordt daarom ten onrechte gesteld dat de handelingen in alle functies naar keuze met links kunnen worden verricht. Bij de functie 264050 heeft de arbeidsdeskundige niet aangegeven of de functionaris een keuze heeft of dat twee handen nodig zijn. Het moet er daarom voor gehouden worden dat er twee handen nodig zijn.



Het argument dat het gebruik van een opstapje het boven schouderhoogte actief zijn moet compenseren, gaat volgens eiser niet op. De arbeidsdeskundige verwijst bij de motivering over het opstapje naar beoordelingspunt 4.19 (‘klimmen’). Volgens het CBBS moet bij klimmen en dus ook bij het gebruik van een opstapje, tenminste één hand/arm/schouder gebruikt worden. Dat betekent dat er geen twee handen meer overblijven om de postmappen vast te houden. Verder gaat CBBS bij ‘op schouderhoogte actief zijn’ uit van een armlengte van ongeveer 70 centimeter. Als die hoogte gecompenseerd moet worden met een opstapje, dan moet het opstapje toch ten minste 70 (of 50) centimeter zijn. Het is arbo-technisch niet toegestaan om van een functionaris te verlangen dat hij, met beide handen vol, op een opstap gaat staan van 70 centimeter. De functionaris moet een hand/arm vrij kunnen houden om zich bijvoorbeeld ergens aan te kunnen vastgrijpen als hij zijn evenwicht verliest. De olifantspoot waar naar wordt verwezen is slechts 41-43 centimeter hoog en dus niet afdoende om het boven schouderhoogte werken te compenseren. Op een laag huishoudtrapje zit niet voor niets een leuning om je aan vast te kunnen houden.
Omdat de toelichting van de arbeidskundig analist, dat een opstapje gebruikt kan worden, niet bij de stukken zit, kan dit niet ten grondslag worden gelegd aan het bestreden besluit.




9.1.
Naar het oordeel van de rechtbank wordt de belastbaarheid van eiser in de geduide functies niet overschreden. Hieronder zal worden uitgelegd waarom dat zo is.


9.1.1.

Eiser heeft terecht naar voren gebracht dat de functie van procesoperator voedingsmiddelenindustrie (sbc-code 271121) niet passend is. [arbeidsdeskundige bezwaar en beroep] heeft dit namelijk in zijn aanvullende rapportage in beroep van 27 februari 2024 erkend: eiser mag geen heftruck rijden. De functie is daarom komen te vervallen. Hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd over deze functie hoeft dan ook verder geen bespreking.
Omdat deze functie ten onrechte is geduid, had dit niet ten grondslag gelegd mogen worden aan het bestreden besluit en is er in zoverre sprake van een zorgvuldigheidsgebrek. De rechtbank ziet aanleiding om het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat aannemelijk is dat eiser door dit gebrek niet is benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet had voorgedaan, zou een besluit met een gelijke uitkomst zijn genomen. Dat volgt uit wat hierna zal worden overwogen.




9.1.2.

Het UWV heeft voldoende gemotiveerd dat eiser voldoende taalkennis en het vereiste opleidingsniveau heeft voor de functie van receptionist (sbc-code 315120). De rechtbank deelt het standpunt van het UWV dat het UWV mag uitgaan van wat eiser zelf heeft ingevuld bij zijn aanvraag, namelijk dat zijn beheersing van het Engels en het Duits goed is. Niet valt in te zien waarom zijn taalkennis geverifieerd had moeten worden. Het is niet aannemelijk dat eiser dit formulier, zoals gesteld in zijn brief van 2 oktober 2025, onbedoeld verkeerd heeft ingevuld. [arbeidsdeskundige bezwaar en beroep] heeft in zijn aanvullende rapportage van 27 februari 2024 ook toegelicht dat de taalbeheersing geacht moet worden ook van voldoende niveau te zijn gezien het mavo-diploma van eiser en wat er in die functie verlangd wordt: het gaat niet om hoogwaardige gesprekken, maar om praktische zaken als het verwijzen van mensen en korte uitleg geven. Daarvoor is Engels op mavoniveau echt toereikend. Dat wat eiser hier tegenin heeft gebracht, geeft geen aanleiding om hieraan te twijfelen.
Ten aanzien van de opleidingseis heeft [arbeidsdeskundige bezwaar en beroep] in diezelfde aanvullende rapportage aangegeven dat eiser een basisdiploma beveiliging heeft en chauffeursdiploma’s. Strikt genomen is het basisdiploma beveiliging geen MBO-2 diploma, maar voor werk in de beveiligingsbranche wordt dat daarmee wel gelijkgesteld. Daarnaast is het chauffeursdiploma ook een diploma op mbo-2 niveau. Daarom beschikt eiser over een mbo-2 diploma. Deze toelichting komt de rechtbank overtuigend voor.




9.1.3.
Dan is de vraag aan de orde of in een aantal functies de belastbaarheid van eiser wordt overschreden op het item boven schouderhoogte actief zijn. In de FML van 28 december 2022 is onder meer opgenomen dat eiser beperkt is voor boven schouderhoogte actief zijn – item 5.7. – namelijk “kan ongeveer 1 minuut aaneen boven schouderhoogte actief zijn, namelijk…Toelichting: rechts sterk beperkt, links niet beperkt”.

9.1.3.1. De rechtbank heeft met betrekking tot de passendheid van de functies op dit item een nadere toelichting gevraagd aan het UWV. [arbeidsdeskundige bezwaar en beroep] heeft in de aanvullende rapportage van 15 augustus 2025 de volgende toelichting gegeven. Het ‘boven schouderhoogte actief zijn’ komt in de functie:


administratief medewerker (document scannen) met sbc-code 315133, nummers 9011.0092.005/006 voor, namelijk in twee uren drie keer per uur ongeveer een minuut voor “bereik hogere kastplanken, bijvoorbeeld (post)mappen in de bovenste vakken leggen”. De functie is passend, omdat dit kan worden vermeden door het gebruik van een opstapje, waardoor niet meer boven schouderhoogte gewerkt hoeft te worden. Volgens de FML kan eiser ten minste een stapje op en af. De frequentie waarmee de verzekeringsarts beoordeelt, vier keer per uur, past binnen de mogelijkheden. Het plaatsen van een opstapje is mogelijk volgens de arbeidskundig analist.


productiemedewerker (samenstellen van producten) met sbc-code 111180, nummer 8441.0011.003 voor in vier uur, een keer per uur. Het gaat om het pakken van tangetjes, lijm en/of soldeertin. Dit zijn dermate lichte dingen dat dit met één hand gepakt kan worden, ook met de linkerhand.


medewerker tandtechniek met sbc-code 264050, nummers 38130009.001 en 38130009.018 1 keer per dag voor om iets uit de kast te pakken. Deze functie is passend. Hiervoor geldt hetzelfde als wat er is gezegd in het kader van de functie van administratief medewerker.


Het boven schouderhoogte actief zijn kan in de meeste functies vermeden worden of kan gedaan kan worden met de linkerhand.


In zijn aanvullende rapportage van 24 december 2025 voegt hij daar nog aan toe dat als er bij een functie niet specifiek staat aangegeven dat het op schouderhoogte actief zijn met links of met rechts of tweehandig moet, er dan gekozen kan worden voor links of rechts. Bij de betreffende functies staat niet specifiek tweehandig of een kant genoemd.



In de aanvullende rapportage van 24 februari 2026 geeft [arbeidsdeskundige bezwaar en beroep] aan dat hij uitgaat van de informatie van de arbeidskundig analist als het gaat om de beoordeling of handelingen wel of niet met twee handen verricht kunnen worden. Hij heeft geen reden om daar aan te twijfelen.
“(...) maar ben het met de gemachtigde eens dat het wel wat vreemd overkomt dat doorgaans de postmappen met twee handen gehanteerd moeten worden maar bij het neerleggen niet. Het kan zijn dat er minder postmappen gehanteerd moeten worden, maar dat kan ik uit de functieomschrijving niet afleiden. Het is wel zo dat als boven schouderhoogte werken met beide handen tegelijk vereist is, dat word toegelicht en dat is hier niet het geval. Het gebruik van een opstapje of olifantspoot blijft mijns inziens in ieder geval een mogelijkheid om het boven schouderhoogte actief zijn te compenseren (…).”


9.1.3.2. De omstandigheid dat de informatie van de arbeidskundige analist niet in een aparte rapportage is weergegeven, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat die informatie niet betrokken kan worden in de beoordeling. Er bestaat immers geen reden om te twijfelen aan de mededeling van [arbeidsdeskundige bezwaar en beroep] , in zijn rapportages, dat deze informatie is gegeven. Er bestaat ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de informatie die de arbeidskundig analist heeft gegeven.

9.1.3.3. Als de handelingen, die boven schouderhoogte moeten plaatsvinden, met twee handen moeten worden uitgevoerd, dan staat dat in functieomschrijving vermeld, aldus [arbeidsdeskundige bezwaar en beroep] . Dit betekent dus dat als dat er níet staat vermeld, de handeling met één hand kan worden gedaan en (dus) naar keuze met links of rechts. De rechtbank stelt vast dat dit zo is bij alle geduide functie(nummer)s die staan genoemd in 9.1.3.1. Uit de toelichting van [arbeidsdeskundige bezwaar en beroep] en uit de functieomschrijvingen zelf, volgt dat in de functies (en genoemde functienummers) nergens staat vermeld dat de handelingen die boven schouderhoogte moeten worden verricht, met twee handen moeten worden uitgevoerd. Dit betekent dus dat eiser die handelingen met één hand, zijn linker hand, kan verrichten. Daarmee wordt zijn belastbaarheid op dit item dus niet overschreden. Dit betekent dat het gebruik van een opstapje, voor het vermijden van het op schouderhoogte actief zijn, niet nodig is. Alles wat daarover is gezegd, behoeft daarom verder geen bespreking. Mócht eiser desondanks gebruik willen maken van een opstapje, dan kan hij de handelingen – bijvoorbeeld voorwerpen bovenin de kast leggen of er uit pakken – met links doen en zich (indien nodig) met rechts ergens aan vasthouden. Het is namelijk niet zo dat hij zijn rechter hand/arm/schouder in het geheel niet kan gebruiken.




9.2.
De beroepsgrond slaagt daarom niet.



Is de hoorplicht geschonden?

10. Tot slot voert eiser aan dat er ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden in bezwaar, terwijl eiser wel van deze mogelijkheid gebruik had willen maken.




10.1.
Het UWV stelt dat de hoorplicht niet is geschonden. Het UWV heeft op 24 augustus 2023 telefonisch contact gehad met eiser over de hoorzitting. Tijdens dit telefoongesprek is overeengekomen dat een hoorzitting geen toegevoegde waarde zou hebben. Vervolgens heeft het UWV op 17 oktober 2023 nogmaals eiser de mogelijkheid van een hoorzitting aangeboden. Eiser heeft - na uitleg wat een hoorzitting inhoudt - aangegeven hier van af te zien.



10.2.
Op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb stelt een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, de belanghebbende in de gelegenheid om te worden gehoord. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb kan van het horen worden afgezien indien de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord.



10.3.
Volgens vaste rechtspraak van de CRvB is het recht van een belanghebbende om te worden gehoord een essentieel onderdeel van de bezwaarprocedure en kan slechts van het horen worden afgezien indien er geen twijfel over bestaat dat daarvoor toestemming is gegeven. De bewijslast dat toestemming is gegeven ligt bij het bestuursorgaan.



10.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV aannemelijk gemaakt dat eiser heeft afgezien van een hoorzitting. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in zijn bezwaarschrift heeft aangegeven dat hij gehoord wilde worden. Uit een brief van 24 oktober 2023 van het UWV aan eiser volgt evenwel dat eiser daar uiteindelijk van heeft afgezien. In deze brief staat dat een medewerker van het UWV drie keer telefonisch met eiser heeft gesproken over zijn bezwaarschrift. Er is toen al die keren aangegeven dat het UWV geen vragen had en een hoorzitting daarom alleen met een medewerker van het UWV zou zijn, dus zonder een verzekeringsarts bezwaar en beroep of arbeidskundige bezwaar en beroep. Het UWV ‘meent’ dat tijdens de telefoongesprekken op 28 juni 2023 en 24 augustus 2023 is overeengekomen dat een hoorzitting voor eiser onder deze omstandigheden geen toegevoegde waarde had en dat die daarom niet zou plaatsvinden. Dit laat ruimte voor twijfel of eiser toen daadwerkelijk heeft afgezien van een hoorzitting. Echter op 17 oktober 2023 is nogmaals telefonisch contact geweest, op initiatief van eiser. Er is eiser aangeboden om een hoorzitting in te plannen, maar eiser zag daar vanaf, omdat er geen verzekeringsarts bezwaar en beroep bij zou zijn. Eiser betwist deze gang van zaken, maar de rechtbank acht het aannemelijk dat het is gegaan zoals het UWV schrijft. Het is niet aannemelijk dat het UWV eiser tot drie keer toe verkeerd heeft begrepen. Dat het zo is gegaan als beschreven in de brief van 23 oktober 2023 volgt bovendien uit de door eiser geschreven brief, die als bijlage is gevoegd bij de brief van zijn gemachtigde van 2 oktober 2025. Daarin schrijft eiser namelijk:
“(…) Haar reactie was: ‘Wat wil je dan? Je kunt nu naar kantoor komen, dan doen we de hoorzitting en kun je hetzelfde zeggen als nu aan de telefoon (…), want de arts gaat er echt nooit meer bij zitten. Ik heb haar toen uitgelegd dat dat natuurlijk geen zin had, omdat het juist om het medische stuk ging (…)”.
Eiser heeft onder deze omstandigheden dus afgezien van een hoorzitting. Dat eiser (wel) een hoorzitting wilde in aanwezigheid van een verzekeringsarts, maakt dit niet anders. Gelet op hetgeen hierboven onder 5.4.2. is overwogen over het spreekuurcontact met een verzekeringsarts bezwaar en beroep, is de keuze van het UWV om een eventuele hoorzitting alleen met een jurist van het UWV te houden ook voorstelbaar.




10.5.
Dit betekent dat de hoorplicht niet is geschonden. De beroepsgrond slaagt niet.



Wat betekent het voorgaande?

11. Het voorgaande brengt mee dat het onderzoek niet onzorgvuldig is geweest. Daarnaast is de belastbaarheid van eiser juist vastgesteld en wordt deze niet overschreden in de geduide functies. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.




11.1.

In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat het UWV het door eiser betaalde griffierecht en de door eiser gemaakte proceskosten moet vergoeden. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van
€ 934. De rechtbank stelt de vergoeding voor de proceskosten vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting).




Heeft eiser recht op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn?

12. Eiser voert aan dat hij recht heeft op immateriële schadevergoeding op grond van artikel 6 van het EVRM wegens overschrijding van de redelijke termijn.




12.1.
Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid voert de Staat geen verweer op het verzoek om schadevergoeding.



12.2.

De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval.
Volgens vaste rechtspraak van de CRvB geldt in beginsel dat het bezwaar binnen een half jaar en het beroep binnen anderhalf jaar zouden moeten worden afgehandeld. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500 per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.
Indien sprake is van overschrijding van de redelijke termijn moet ook worden beoordeeld op welke wijze de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bezwaar- en aan de beroepsfase.




12.3.
De rechtbank stelt vast dat er vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van eiser op 15 juni 2023 tot deze uitspraak ongeveer drie jaar en twee maanden zijn verstreken. Dat is een overschrijding van de redelijke termijn met veertien maanden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 1.500.



12.4.
De bezwaarfase heeft, gerekend vanaf het moment van het ontvangen van het bezwaarschrift tot het moment van verzenden van het bestreden besluit op 29 september 2023, minder dan een half jaar geduurd. Dat betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden in de beroepsfase en om die reden moet worden toegerekend aan de Staat.



12.5.
Eiseres heeft daarnaast recht op vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt deze vergoeding vast op een bedrag van € 467 (1 punt voor het indienen van het verzoek, wegingsfactor 0,5 (licht) met een waarde van € 934 per punt). De Staat moet dit bedrag betalen.




































Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep ongegrond;


bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 50 aan eiser moet vergoeden;


veroordeelt het UWV tot betaling van €1.868 aan proceskosten aan eiser voor de behandeling van zijn beroep


veroordeelt de Staat tot vergoeding van schade aan eiser tot een bedrag van


€ 1.500 en
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiser voor de behandeling van zijn verzoek om schadevergoeding tot een bedrag van € 467.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P. Hoenderboom, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op:














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Zie bijvoorbeeld de aanvullende rapportage in beroep van [verzekeringsarts bezwaar en beroep] van 23 juli 2025.


Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1491.


Rapportage van 28 december 2022, p. 8-10.


Rapportage van 24 april 2023.


Rapportage van 25 september 2023, p. 5 en 6.


Praktijkondersteuner Huisarts Geestelijke Gezondheidszorg.


Aanvullende rapportage van 16 februari 2024.


Namelijk dat hij met rechts heel weinig kan doen, de rotatie van de nek naar rechts beperkt en pijnlijk is, hij slechts een kort stukje kan lopen, stil staan lastig is, omdat de pijn dan verergert, zitten moeilijk is, hij niet lang achter de computer kan zitten, een hersenkneuzing cognitieve klachten kan geven waarmee de geclaimde klachten op dat vlak bij eiser wel degelijk te objectiveren zijn en hij na het wijzigen van de medicatie nog steeds tinnitusklachten heeft en hierdoor moeite heeft met slapen, veel achtergrondgeluid en telefoneren.


In de folder “Sensitisatie bij langdurige pijnklachten” van het Erasmus MC staat hierover “Als pijn langdurig is (langer dan 3 maanden), kan het pijnsysteem steeds gevoeliger worden. De pijngrens gaat dan juist omlaag en u voelt sneller en heviger pijn. Pijn is dan geen goede graadmeter meer van de hoeveelheid weefselschade. Dit fenomeen heet sensitisatie.”


Dit betekent ‘pijnvermijdend’.


Punt 4 van zijn brief van 2 oktober 2025.


In de aanvullende rapportage in beroep van 14 januari 2025.


Pagina 2 van de brief.


Dit staat in de rapportage van [arbeidsdeskundige bezwaar en beroep] van 28 september 2023.


Claim Beoordelings- en Borgingssysteem.


Zie Staatscourant 2014, nr. 20210 en Staatscourant 2017, nr. 62751.


Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 13 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1679.


Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5294.