Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:6768

2026-08-26 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/05/428153
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-08-26
Publicatiedatum
2026-08-31
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/05/428153
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Eindvonnis en vaststelling van causaal verband en schade nadat de rechtbank eerder bij tussenvonnis heeft geoordeeld dat gedaagden 1 en 2 onrechtmatig jegens eiser hebben gehandeld door onjuiste informatieverstrekking over een bestrijdingsmiddel dat eiser op bramenplanten heeft toegepast.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (26.150 tekens)
RECHTBANK Gelderland


Civiel recht



Zittingsplaats Arnhem



Zaaknummer: C/05/428153 / HA ZA 23-502




Vonnis van 26 augustus 2026




in de zaak van





[bedrijf 1]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [bedrijf 1] ,
advocaat: mr. A.C. Teeuw,



tegen



1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN GEWASBESCHERMINGSMIDDELEN EN BIOCIDEN,
te Ede,
advocaat: mr. M.E. Witting,2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CERTIS BELCHIM B.V.,
te Utrecht,
advocaat: mr. J.M.H.W. Bindels,3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid


[bedrijf 2]
,
te [plaats] ,
advocaat: mr. I. Ghazarian,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: Ctgb, Certis en [bedrijf 2] , en gezamenlijk: gedaagden.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 28 mei 2025,
- het deskundigenbericht van 17 maart 2026,
- de conclusie na deskundigenbericht van 3 juni 2026 van [bedrijf 1] ,
- de conclusie na deskundigenbericht van 3 juni 2026 van Ctgb,
- de conclusie na deskundigenbericht van 3 juni 2026 van Certis,



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.






2De verdere beoordeling



Ten aanzien van het Ctgb en Certis




2.1.
In juni 2022 heeft [bedrijf 1] het gewasbeschermingsmiddel Scelta toegepast ter bestrijding van spint op haar bramenplanten, nadat zij eerder het middel Floramite had toegepast. Dit is gebeurd nadat Certis onjuiste informatie over de toepassingsvoorwaarden van Scelta had aangeleverd aan het Ctgb en het Ctgb deze onjuiste informatie had gepubliceerd op zijn website. Op deze website stond ten onrechte dat voor het gebruik van Scelta bij bramen een veiligheidstermijn van één dag gold. Het middel mag namelijk pas na de laatste oogst worden gebruikt.



2.2.
In het tussenvonnis van 23 oktober 2024 heeft de rechtbank overwogen dat het Ctgb en Certis een zorgvuldigheidsnorm hebben geschonden en aldus onrechtmatig hebben gehandeld jegens [bedrijf 1] . Het Ctgb en Certis zijn aansprakelijk voor de schade die [bedrijf 1] als gevolg van de onjuiste vermelding van de veiligheidstermijn van één dag heeft geleden doordat zij haar bramenplanten in juni 2022 vóór de laatste oogst heeft bespoten met Scelta.



2.3.
In het tussenvonnis van 28 mei 2025 heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek bevolen. Zij heeft de heer J.H. Brouwer van Brouwer Expertise benoemd tot deskundige om de vraag te beantwoorden of causaal verband bestaat tussen het gebruik van Scelta en het verlies van de (volledige) bramenoogst en de vraag tot welke schade de toepassing van Scelta heeft geleid. Aan de deskundige zijn de volgende vragen gesteld:



Zou [bedrijf 1] na 18 juni 2022 (de datum waarop Scelta is toegepast) in de [locatie] nog verkoopbare bramen hebben kunnen oogsten, als zij de bramen ter bestrijding van spint niet met Scelta zou hebben bespoten, maar – voor een tweede keer dat seizoen – met Floramite?


Zo ja, hoeveel kg bramen zou [bedrijf 1] in dat geval na 18 juni 2022 in de [locatie] hebben geoogst en wat zou daarvan de verkoopopbrengst zijn geweest? Kunt u bij de bepaling van de verkoopopbrengst een mogelijke hogere marktprijs ten gevolge van de toegenomen schaarste door het verloren gaan van de bramen uit de [locatie] buiten beschouwing laten?


Op welk bedrag begroot u de schade van [bedrijf 1] doordat de op 18 juni 2022 nog niet geoogste bramen in de [locatie] verloren zijn gegaan?


Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechtbank volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?





2.4.
In zijn rapport van 17 maart 2026 beantwoordt de deskundige deze vragen – kort samengevat – als volgt:



Ja, dat zou mogelijk zijn geweest.


Er zijn twee scenario’s mogelijk:







Scenario 1

In scenario 1 is de teelt op 1 juli 2022 stopgezet. In week 25 nam de productie af ten opzichte van de voorgaande week terwijl deze in voorgaande jaren juist een opgaande lijn liet zien. Gezien de ernst van de spintaantasting mag worden verwacht dat een 20% lagere opbrengst reëel is. De verwachting is dat [bedrijf 1] na 18 juni 2022 nog 51.009 kg had kunnen oogsten. Volgens de administratie is er in week 25 en 26 nog 7.673 kg verkocht. Dat maakt dus een verschil van 43.336 kg. De gemiddelde prijs van de bramen was in die periode € 7,33. Op de locatie [locatie] had [bedrijf 1] in de jaren ervoor een 15% lagere prijs dan op andere locaties van het bedrijf. De mogelijk gemiste opbrengst komt daarmee op 43.336 kg x € 7,33 x 85% = € 270.005,00.




Scenario 2

In scenario 2 is de teelt niet afgebroken maar zijn de bramen via een andere locatie van [bedrijf 1] afgezet. Als de totale productie van [bedrijf 1] wordt verminderd met de productie van de locatie [locatie] , was de productie in 2022 50.074 kg (29,35%) boven het meerjarig gemiddelde over 2020, 2021 en 2023. De gemiste opbrengst zou in dit scenario bestaan uit twee weken gemiste productie. De productie in deze weken in 2021 bedroeg 14.280 kg. De totale gemiste opbrengst in dit scenario is dan 14.280 kg X € 7,33 X 85% = € 88.971,54.


3. De hoogte van de schade bestaat uit de gemiste opbrengst minus de bespaarde kosten. De eerste bespaarde kostenpost bestaat uit de commissie die [bedrijf 1] aan haar afnemer betaalt. Op facturen is te zien dat het gaat om een percentage van in totaal 11,945% over de opbrengst. Daarnaast is er een besparing op de arbeidskosten. De hoogte van de schade is dan voor elk scenario:



Scenario 1

In scenario 1 zijn de bespaarde commissiekosten 11,945% X € 270.005,00 =
€ 32.252,10. De bespaarde arbeidskosten bedragen in dit scenario € 97.938,23. De totale schade komt in dit scenario daarmee uit op € 270.005,00 - € 32.252,10 –
€ 97.938,23 = € 139.814,67.




Scenario 2

De bespaarde kosten bedragen in scenario 2 11,945% X € 88.971,54 = € 10.627,70. De bespaarde arbeidskosten bedragen in dit scenario € 32.272,75. Daarmee komt de totale schade in dit scenario uit op: € 88.971,54 - € 10.627,70 - € 32.272,75 =
€ 46.071,09.


4. [bedrijf 1] is zeer terughoudend geweest in de informatieverstrekking en stelt slechts de productiecijfers ter beschikking die haar afnemer Oxin Growers haar verstrekt. [bedrijf 1] geeft hierbij aan dat dit de enige productie informatie is die zij heeft. Ik acht dit volstrekt ongeloofwaardig voor een bedrijf van deze omvang. Mede hierom acht ik het niet onmogelijk dat het tweede scenario van toepassing is.



2.5.
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of en, zo ja, in hoeverre [bedrijf 1] schade heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige daad van het Ctgb en Certis. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen een feitelijke situatie (wat is er daadwerkelijk voorgevallen?) en een hypothetische situatie (wat zou er vermoedelijk zijn gebeurd zonder onrechtmatige daad?). Hierbij geldt voor de rechtbank een beperkte motiveringsplicht ten aanzien van haar beslissing om de bevindingen van de deskundige al dan niet te volgen. Wel dient zij bij de beantwoording van de vraag of zij de conclusies van de deskundige volgt alle ter zake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking te nemen. Op basis van die stellingen moet in volle omvang worden getoetst of aanleiding bestaat van de in het rapport geformuleerde conclusies af te wijken. De rechter moet op specifieke bezwaren van een partij ingaan als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de zienswijze van de deskundige.



Wat is de feitelijke situatie?





2.6.
De rechtbank is, gelet op het deskundigenbericht en wat partijen daarover hebben aangevoerd in hun conclusies na deskundigenbericht, van oordeel dat moet worden uitgegaan van het tweede scenario dat de deskundige schetst. Dit scenario komt erop neer dat de oogst na de toepassing van Scelta in de [locatie] na twee weken is hervat en verkocht via een andere locatie van [bedrijf 1] . De deskundige schrijft dat het ontbreken van data het tweede scenario tot een reële mogelijkheid heeft gemaakt. Uit het deskundigenrapport blijkt dat [bedrijf 1] slechts de productie-informatie van haar afnemer Oxin Growers heeft verstrekt en geen aanvullende productiegegevens heeft overgelegd. De deskundige wijst erop dat, als de [locatie] buiten beschouwing wordt gelaten, de totale productie van [bedrijf 1] in 2022 bijna 30% hoger is dan het meerjarig gemiddelde over 2020, 2021 en 2023. De rechtbank stelt vast dat [bedrijf 1] hiervoor geen verklaring heeft gegeven in haar conclusie na deskundigenbericht. Dit klemt te meer, nu de deskundige opmerkt dat de werkzame stof in Scelta een hoge halfwaardetijd had. Hij verwijst naar een gehalte werkzame stof van 0,22 mg/kg in een monster dat op 28 juni 2022 is genomen en een gehalte van 0,12 mg/kg in een monster dat op 1 juli 2022 is genomen. Na nog een week zal de werkzame stof naar verwachting niet meer aantoonbaar zijn, aldus de deskundige. [bedrijf 1] stelt hier een alternatieve halfwaardetijdberekening tegenover, die erop uitkomt dat na twaalf weken nog steeds niet aan de grenswaarde (MRL) zou zijn voldaan. Deze berekening wordt niet gevolgd, reeds omdat hierin geen rekening wordt gehouden met het gedaalde gehalte op 1 juli 2022 waarop de deskundige zijn bevindingen mede baseert. Dat Oxin Growers de andere locaties van [bedrijf 1] extra heeft laten controleren en het onmogelijk was om het product via andere locaties te leveren, wordt dan ook niet gevolgd. De rechtbank houdt het voor mogelijk dat het gehalte werkzame stof na twee weken zover was gedaald dat de bramen alsnog konden worden verkocht. In haar conclusie stelt [bedrijf 1] ook niet voldoende gemotiveerd waarom het eerste scenario van de deskundige moet worden gevolgd. Zij stelt slechts dat in werkelijkheid Oxin Growers de afname heeft geblokkeerd, de teelt is gestaakt en de planten zijn teruggesnoeid. Dit is echter niet onderbouwd. De opmerking dat de planten zijn teruggesnoeid, strookt ook niet zonder meer met de verklaring van [bedrijf 1] op de mondelinge behandeling dat de planten na de laatste oogst worden vernietigd en dat voor het nieuwe seizoen nieuwe planten worden gekweekt. Al met al is de rechtbank – met het Ctgb en Certis – van oordeel dat scenario 2 de feitelijke situatie reflecteert, zodat dit scenario in zoverre als uitgangspunt dient.



2.7.
Volgens het Ctgb en Certis heeft [bedrijf 1] niet voldaan aan haar verplichting om mee te werken aan het deskundigenonderzoek, en moeten hier gevolgtrekkingen aan worden verbonden op grond van artikel 190 lid 3 Rv. De rechtbank ziet hiervoor echter geen aanleiding. Hoewel uit het deskundigenbericht blijkt dat de informatieverstrekking vanuit [bedrijf 1] moeizaam verliep en zij geen aanvullende productiegegevens heeft verstrekt aan de deskundige, kan in het licht van wat [bedrijf 1] daarover aanvoert niet met zekerheid worden vastgesteld over welke informatie zij wel beschikt maar ten onrechte niet aan de deskundige heeft verstrekt. Bij die stand van zaken kan niet worden vastgesteld dat [bedrijf 1] onvoldoende heeft meegewerkt aan het deskundigenonderzoek, nog daargelaten dat het Ctgb en Certis vooral willen dat de rechtbank gevolgtrekkingen maakt die erin bestaan dat de rechtbank uitgaat van het tweede scenario (zoals zij zal doen).



Wat is de hypothetische situatie?





2.8.
In de hypothetische situatie zou [bedrijf 1] geen Scelta hebben toegepast. De deskundige concludeert dat [bedrijf 1] dan nog wel verkoopbare bramen had kunnen oogsten. Volgens de deskundige heeft een ernstige spintaantasting een grote impact op de vitaliteit van het gewas en de productiecapaciteit. Hierdoor blijven de vruchten kleiner en minder in aantal. Een 20% lagere opbrengst is reëel. Dit is een inschatting op basis van kennis en ervaring. Een exact percentage noemen, is niet mogelijk. Een spintaantasting is een voortschrijdend en in de tijd toenemend probleem. Ten tijde van de gewraakte bespuiting zal de aantasting nog niet van dien aard zijn geweest dat dit direct merkbaar was in de kwaliteit en productie van de bramen. In de laatste weken van de teelt zal dit wel een groot probleem zijn geweest. De 20% is een gemiddelde tussen beide stadia van aantastingen. Op het weinige beeldmateriaal dat beschikbaar is, is een duidelijke witte waas over het gewas zichtbaar die herkenbaar is als het rag van de spint. Als het rag zichtbaar is op de bovenzijde van het blad is sprake van een stevige aantasting. Als op 23 mei 2022 tegen een geconstateerde aantasting van spint wordt gespoten met Floramite zonder het gewenste resultaat, zal er zeker eind juni sprake zijn van een stevige aantasting, aldus de deskundige. De rechtbank ziet geen aanleiding om deze bevindingen niet te volgen. Het bezwaar van [bedrijf 1] dat de deskundigen ten onrechte is uitgegaan van een ernstige spintaantasting die tot een opbrengstderving van 20% zou hebben geleid, behoeft geen bespreking. De deskundige heeft de schade in het tweede scenario namelijk berekend op basis van de oogst in de weken 26 en 27 van 2021, kennelijk zonder daarop 20% in mindering te brengen. Het bezwaar van het Ctgb dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat de teelt in de hypothetische situatie zonder Scelta in relevante mate verkoopbare productie zou hebben opgeleverd, lijkt (ook) vooral te zien op het eerste scenario. Het Ctgb heeft niet aangevoerd dat en waarom niet kan worden uitgegaan van een verlies van 14.280 kg bramen in de twee weken van het tweede scenario.



Wat is de schade?





2.9.
Gelet op het voorgaande komt uitsluitend winstderving van [bedrijf 1] gedurende deze twee weken voor vergoeding in aanmerking. De deskundige heeft deze schade berekend op een bedrag van € 88.971,54 - € 10.627,70 - € 32.272,75 = € 46.071,09. Het bedrag van € 10.627,70 ziet op een besparing van de afzetkosten van 11,945% van de verkoopwaarde. Volgens [bedrijf 1] heeft de deskundige ten onrechte een provisie van 12% in mindering gebracht op de schade. Haar afnemer, Oxin Growers, rekent uitsluitend een contributie van 0,5% en een heffing van 0,065%. De 9% ‘provisie’ die de deskundige hierbij heeft opgeteld, is btw. Hiertoe verwijst [bedrijf 1] naar een e-mail van een medewerker van Oxin Growers, waarin staat dat de commissie verwijst naar het btw-tarief en de commissie is die Driscoll’s ontvangt. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om de begroting van de commissie op 11,945% door de deskundige niet te volgen. De deskundige heeft onder verwijzing naar de factuur van week 25 van 2022 toegelicht dat onder meer 9% commissie in mindering wordt gebracht op de waarde van de bramen, waarna het uit te keren bedrag wordt vermeerderd met 9% btw. Hiervoor heeft [bedrijf 1] geen toereikende verklaring gegeven, ook niet met de e-mail van de medewerker van Oxin Growers.



Veroordeling tot schadevergoeding





2.10.
De rechtbank zal de schade derhalve in navolging van de deskundige begroten op € 46.071,09 en het Ctgb en Certis veroordelen tot vergoeding van deze schade. Voor zover [bedrijf 1] verzoekt om benoeming van een nieuwe deskundige omdat de deskundige de schijn van partijdigheid heeft gewekt, wordt zij daarin niet gevolgd. Dat [bedrijf 1] het niet eens is met de inhoud van het rapport is daarvoor onvoldoende. Er is voldoende gelegenheid voor hoor en wederhoor geweest. Hieraan doet niet af dat de deskundige niet is ingegaan op het verzoek van [bedrijf 1] in haar reactie op het concept-deskundigenbericht om een bijeenkomst te beleggen met de deskundige en partijen. De deskundige heeft aangegeven dat en waarom hij daarvoor geen aanleiding ziet. De rechtbank ziet, anders dan [bedrijf 1] , geen aanwijzingen dat de deskundige onzorgvuldig, ondeskundig of partijdig te werk is gegaan. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om een nieuwe mondelinge behandeling te gelasten. Het bewijsaanbod van [bedrijf 1] , inhoudende dat getuigen en deskundigen moeten worden gehoord, wordt gepasseerd. [bedrijf 1] heeft geen feiten te bewijzen aangeboden die niet reeds zijn verdisconteerd in het deskundigenbericht.



Buitengerechtelijke incassokosten en deskundigenkosten





2.11.
Verder vordert [bedrijf 1] vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en vergoeding van de kosten van deskundige Finqa. Gedaagden betwisten dat [bedrijf 1] schade lijdt, onder meer omdat deze kosten zijn betaald door haar rechtsbijstandsverzekeraar en [bedrijf 1] deze kosten dus niet zelf heeft gemaakt. [bedrijf 1] heeft hier niet op gereageerd. Tegenover de betwisting door het Ctgb en Certis heeft zij haar stellingen daarmee onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank zal dit deel van de vordering afwijzen.



Proceskosten





2.12.
Het Ctgb en Certis zijn aan te merken als de partijen die in overwegende mate in het ongelijk worden gesteld, ook nu een aanzienlijk lagere schadevergoeding zal worden toegewezen dan is gevorderd. Zij moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [bedrijf 1] betalen. De proceskosten van [bedrijf 1] worden zowel in de procedure tegen Ctgb als in de procedure tegen Certis afzonderlijk begroot op:










- kosten van de dagvaarding





€


114,86







- griffierecht





€


2.868,50







- salaris advocaat





€


3.225,00


(2,5 punten × € 1.290,00)




- kosten deskundige





€


2.048,54







- nakosten






€



189,00



(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal





€


8.445,90











2.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.




Hoofdelijke aansprakelijkheid





2.14.
De veroordeling onder 3.1 wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat ieder van de veroordeelden kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan [bedrijf 1] .



Ten aanzien van [bedrijf 2]





2.15.
In het tussenvonnis van 23 oktober 2024 is overwogen dat [bedrijf 2] niet aansprakelijk is voor de gestelde schade, zodat de vordering van [bedrijf 1] jegens [bedrijf 2] voor afwijzing gereedligt. De vorderingen jegens [bedrijf 2] zullen dus worden afgewezen.



2.16.

[bedrijf 1] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [bedrijf 2] betalen. De proceskosten van [bedrijf 2] worden begroot op:










- griffierecht


€


5.737,00










- salaris advocaat


€


2.580,00





(2 punten × € 1.290,00)




- nakosten


€


189,00





(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


8.506,00














2.17.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





3De beslissing


De rechtbank



3.1.
veroordeelt het Ctgb en Certis hoofdelijk tot betaling aan [bedrijf 1] van een schadevergoeding van € 46.071,09, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 31 juli 2022 tot de dag van volledige betaling,



3.2.
veroordeelt het Ctgb in de proceskosten van € 8.445,90, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als het Ctgb niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



3.3.
veroordeelt het Ctgb tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van [bedrijf 1] als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



3.4.
veroordeelt Certis in de proceskosten van € 8.445,90, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Certis niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



3.5.
veroordeelt Certis tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van [bedrijf 1] als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



3.6.
veroordeelt [bedrijf 1] in de kosten van de procedure tegen [bedrijf 2] , tot aan dit vonnis begroot op € 8.506,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [bedrijf 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



3.7.
veroordeelt [bedrijf 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van [bedrijf 2] als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



3.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



3.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.









Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.L. van de Sande en in het openbaar uitgesproken en ondertekend door mr. S.J. Peerdeman op 26 augustus 2026.

















































ECLI:NL:RBGEL:2024:6987.