Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:6758

2026-08-26 Civiel recht C/05/466618
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-08-26
Publicatiedatum
2026-08-31
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/05/466618
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vrijwaringsincident

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.055 tekens)
RECHTBANK Gelderland


Civiel recht



Zittingsplaats Arnhem



Zaaknummer: C/05/466618 / HA ZA 26-191




Vonnis in incident van 19 augustus 2026




in de zaak van





1SIRIUS COMMITMENT B.V.,

gevestigd te Riethoven,2. HUMAN CORE B.V.,
gevestigd te Nunspeet,
eisende partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: Sirius en Human Core,
advocaat: mr. J.J.H. Post,



tegen





1BT HOLDING B.V.,

gevestigd te Riethoven,2. [gedaagde 1],
wonende te [woonplaats] ,3. [gedaagde 2],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. E. Hoekstra.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring,
- de conclusie van antwoord in het incident.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.





2Het geschil

2.1.
Samengevat draait de hoofdzaak om een volgens Sirius en Human Core onregelmatige opzegging van een managementovereenkomst door [gedaagden] , schending van garanties bij de verkoop van aandelen door [gedaagden] en overtreding van een non-concurrentiebeding door [gedaagden] Sirius en Human Core vorderen daarom in de hoofdzaak onder meer schadevergoeding en nakoming van het boetebeding.



2.2.
In dit incident vorderen [gedaagden] toe te staan om de heren [persoon 1] en [persoon 2] in vrijwaring op te roepen. De heren [persoon 1] en [persoon 2] zijn via Human Core middellijk bestuurders van Sirius. Volgens [gedaagden] hebben de heren [persoon 1] en [persoon 2] persoonlijk onrechtmatig jegens [gedaagden] gehandeld. Daarom zou in ieder geval rekening moeten worden gehouden met een regresvordering en voordeelstoerekening. Volgens [gedaagden] hebben de heren [persoon 1] en [persoon 2] persoonlijk onrechtmatig jegens [gedaagden] gehandeld door onder meer:


als bestuurders van Sirius de managementvergoeding onrechtmatig op te schorten, terwijl zij wisten dat [gedaagden] daarvan afhankelijk was en daarmee financieel volledig vast kwam te zitten;


bewust een situatie te creëren waarin [gedaagden] gedwongen zou worden de overeenkomst te beëindigen, om vervolgens schadeclaims te kunnen incasseren;


de forecast doelbewust te frustreren door opdrachten te blokkeren, klanten niet te bedienen, contracten te beëindigen en vervolgens [gedaagden] aansprakelijk te stellen voor het niet-halen van diezelfde forecast;


omzet doelbewust tegen te houden en stop te zetten en om vervolgens het opschortingspercentage van art. 4.6 managementovereenkomst te activeren;


het vertrouwen in de samenwerking actief te ondermijnen door vanaf augustus 2025 juridisch te dreigen, een vijandige werkomgeving te creëren en gesprekken slechts mogelijk te maken onder de voorwaarde van afstand van rechten;


bewijsmateriaal te vervalsen en essentiële mails uit de mailbox van mevrouw [persoon 3] te verwijderen;


het concurrentiebeding te misbruiken door derden te informeren over het beding en het conflict.





2.3.
Sirius en Human Core voeren daartegen verweer. Volgens Sirius en Human Core is de vordering van [gedaagden] op geen enkele wijze onderbouwd en is er geen rechtsverhouding die tot vrijwaring verplicht.





3De beoordeling in het incident


3.1.
Op grond van artikel 210 Rv is het mogelijk om iemand in vrijwaring op te roepen. Deze persoon (de waarborg) dient krachtens zijn rechtsverhouding tot de gewaarborgde verplicht te zijn de nadelige gevolgen te dragen van het verlies van de hoofdzaak door de gewaarborgde. Verder moeten de belangen van partijen of de eisen van een doelmatige procesvoering niet aan het toestaan van de vrijwaring in de weg staan, bijvoorbeeld omdat daarvan onredelijke of onnodige vertraging van het geding te verwachten is.



3.2.
Het bestaan van de hiervoor beschreven rechtsverhouding hoeft in deze vrijwaringsprocedure nog niet vast te komen staan. Voor het toestaan van de oproeping in vrijwaring acht de rechtbank het echter wel relevant of deze rechtsverhouding voldoende aannemelijk is, ook gelet op de eerdergenoemde eisen van een doelmatige procesvoering. Zoals de rechtbank hierna zal toelichten, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagden] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [persoon 1] en [persoon 2] door onrechtmatig handelen jegens [gedaagden] de nadelige gevolgen van een eventuele veroordeling in de hoofdzaak zouden moeten dragen.



3.3.

[gedaagden] stelt dat [persoon 1] en [persoon 2] persoonlijk onrechtmatig jegens [gedaagden] hebben gehandeld. De omstandigheden die [gedaagden] hiervoor aanvoert, zien echter op het handelen van [persoon 1] en [persoon 2] als (middellijk) bestuurders van Sirius. Die handelingen worden, als deze komen vast te staan, aan de vennootschap toegerekend. Indien een vennootschap een onrechtmatige daad pleegt, is dus uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Slechts onder bijzondere omstandigheden is er ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van een vennootschap. De bestuurder zal persoonlijk een ernstig verwijt moeten kunnen worden gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden] onvoldoende heeft toegelicht waarom volgens haar aan deze hoge drempel is voldaan. Echter, ook als wel aan de hiervoor genoemde hoge drempel zou worden voldaan, is de vordering tot oproeping in vrijwaring niet toewijsbaar. [gedaagden] heeft namelijk niet duidelijk gemaakt waarom [persoon 1] en [persoon 2] op basis van het gestelde onrechtmatige handelen gehouden zouden zijn [gedaagden] te vrijwaren in de hoofdzaak. Zo hebben zij nagelaten uiteen te zetten waarom de verwijten die zij [persoon 1] en [persoon 2] in hun hoedanigheid van bestuurders maken, indien terecht bevonden, niet zouden moeten leiden tot afwijzing van de vorderingen in de hoofdzaak (in welk geval vrijwaring niet aan de orde zou zijn), maar wel tot een regresvordering op [persoon 1] en [persoon 2] . Immers, de stellingen van [gedaagden] lijken er juist met name op gericht te zijn dat datgene wat hen in de hoofdzaak door Sirius en Human Core wordt verweten ofwel onjuist is, ofwel hen niet kan worden toegerekend, en niet zo zeer daarop dat, indien wel een grond zou bestaan voor de toewijzing van de vorderingen in de hoofdzaak, een tot vrijwaring verplichtende rechtsverhouding tussen [persoon 1] en [persoon 2] en [gedaagden] zou bestaan.



3.4.
De incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring zal daarom worden afgewezen.



3.5.

[gedaagden] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Sirius en Human Core worden begroot op € 842,00 (€ 653,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 653,00) en € 189,00 aan nakosten), plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.



3.6.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





4De beslissing


De rechtbank




in het incident




4.1.
wijst de incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring af,



4.2.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



4.3.
veroordeelt [gedaagden] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



4.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,



in de hoofdzaak





4.5.
verwijst de zaak naar de rol van 30 september 2026 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagden] ,



4.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.









Dit vonnis is gewezen door mr. E. Boerwinkel en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.





!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!





!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!


























!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!









HR 10 april 1992, NJ 1992/446.


Vgl. o.m. HR 8 december 2006, NJ 2006/659; HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628, NJ 2015/21.