Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:6678
2026-08-26
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ARN 25/6350
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Handhavingsverzoeken tegen windpark terecht buiten behandeling gelaten. Herhaalde verzoeken.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2020:663 Raad van State 04-03-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.090 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/6350
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oude IJsselstreek.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Windpark Den Tol Exploitatie B.V. uit Netterden (derde-partij).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de handhavingsverzoeken van eiser tegen het windpark aan de Jonkerstraat in Netterden. Eiser is het niet eens met het buiten behandeling laten van deze handhavingsverzoeken. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de verzoeken.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de handhavingsverzoeken terecht buiten behandeling heeft gelaten. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of sprake is van herhaalde handhavingsverzoeken. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Op 12 juni, 25 juni en 8 juli 2025 heeft eiser verzocht om handhaving tegen slagschaduw van het windpark aan de Jonkerstraat in Netterden.
2.1.
Bij besluit van 19 augustus 2025 heeft het college besloten de verzoeken buiten behandeling te stellen omdat eiser op 18 maart 2025 eenzelfde verzoek heeft gedaan.
2.2.
Bij besluit van 11 december 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij zijn besluit gebleven.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar.
2.4.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt het besluit om de handhavingsverzoeken van eiser buiten behandeling te laten aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Is sprake van herhaalde handhavingsverzoeken?
3.1.
In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat als na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Op grond van het tweede lid kan het bestuursorgaan de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit als geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld.
3.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) moet onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, als op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.
3.3.
De rechtbank stelt vast dat in het eerdere handhavingsverzoek van 18 maart 2025 eiser in nagenoeg dezelfde bewoordingen ook al heeft verzocht om handhavend op te treden tegen slagschaduw van het windpark. Naar aanleiding van het verzoek van 18 maart 2025 heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen omdat de normen voor slagschaduw niet worden overschreden. Het is in dit geval aan eiser om aannemelijk te maken dat er iets gewijzigd is sinds dat (onherroepelijke) afwijzingsbesluit van 19 mei 2025, waardoor het college de handhavingsverzoeken op deze grondslag opnieuw zou moeten controleren.
3.4.
Eiser betoogt dat het college moet handhaven om te voorkomen dat het windpark tot slagschaduw op zijn perceel leidt omdat het college volgens eiser een foutieve vergunning heeft afgegeven. Daardoor wordt de norm voor slagschaduw op zijn perceel overschreden. Eiser heeft aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag gelegd. Dat het handhavingsverzoek ziet op een nieuwe periode doet hieraan niet aan af omdat dit geen veranderde omstandigheid is. Het college heeft daarom terecht het verzoek om handhavend op te treden met toepassing van artikel 4:6 tweede lid van de Awb kunnen afwijzen. Het betoog van eiser slaagt dus niet.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de handhavingsverzoeken terecht buiten behandeling heeft gelaten. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
De griffier is verhinderd om
deze uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:663 onder 2.3.
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/6350
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oude IJsselstreek.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Windpark Den Tol Exploitatie B.V. uit Netterden (derde-partij).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de handhavingsverzoeken van eiser tegen het windpark aan de Jonkerstraat in Netterden. Eiser is het niet eens met het buiten behandeling laten van deze handhavingsverzoeken. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de verzoeken.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de handhavingsverzoeken terecht buiten behandeling heeft gelaten. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of sprake is van herhaalde handhavingsverzoeken. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Op 12 juni, 25 juni en 8 juli 2025 heeft eiser verzocht om handhaving tegen slagschaduw van het windpark aan de Jonkerstraat in Netterden.
2.1.
Bij besluit van 19 augustus 2025 heeft het college besloten de verzoeken buiten behandeling te stellen omdat eiser op 18 maart 2025 eenzelfde verzoek heeft gedaan.
2.2.
Bij besluit van 11 december 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij zijn besluit gebleven.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar.
2.4.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt het besluit om de handhavingsverzoeken van eiser buiten behandeling te laten aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Is sprake van herhaalde handhavingsverzoeken?
3.1.
In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat als na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Op grond van het tweede lid kan het bestuursorgaan de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit als geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld.
3.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) moet onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, als op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.
3.3.
De rechtbank stelt vast dat in het eerdere handhavingsverzoek van 18 maart 2025 eiser in nagenoeg dezelfde bewoordingen ook al heeft verzocht om handhavend op te treden tegen slagschaduw van het windpark. Naar aanleiding van het verzoek van 18 maart 2025 heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen omdat de normen voor slagschaduw niet worden overschreden. Het is in dit geval aan eiser om aannemelijk te maken dat er iets gewijzigd is sinds dat (onherroepelijke) afwijzingsbesluit van 19 mei 2025, waardoor het college de handhavingsverzoeken op deze grondslag opnieuw zou moeten controleren.
3.4.
Eiser betoogt dat het college moet handhaven om te voorkomen dat het windpark tot slagschaduw op zijn perceel leidt omdat het college volgens eiser een foutieve vergunning heeft afgegeven. Daardoor wordt de norm voor slagschaduw op zijn perceel overschreden. Eiser heeft aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag gelegd. Dat het handhavingsverzoek ziet op een nieuwe periode doet hieraan niet aan af omdat dit geen veranderde omstandigheid is. Het college heeft daarom terecht het verzoek om handhavend op te treden met toepassing van artikel 4:6 tweede lid van de Awb kunnen afwijzen. Het betoog van eiser slaagt dus niet.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de handhavingsverzoeken terecht buiten behandeling heeft gelaten. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
De griffier is verhinderd om
deze uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:663 onder 2.3.