Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:6666
2026-08-26
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ARN 25/4216
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Last onder dwangsom vanwege permanente bewoning recreatiewoning blijft in stand. Geen concreet zicht op legalisatie.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2025:854 Raad van State 05-03-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.262 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/4216
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een last onder dwangsom vanwege de wijze van gebruik van de recreatiewoning aan de [adres] in [plaats] . Eiseres is eigenaar van de recreatiewoning en is het niet eens met de aan haar opgelegde last. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de last.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de last onder dwangsom in stand blijft. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of er concreet zicht op legalisatie bestaat. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Bij besluit van 21 maart 2025 heeft het college eiseres gelast om de permanente bewoning van de recreatiewoning te laten beëindigen en beëindigd te houden vóór 1 oktober 2025, onder een dwangsom van € 20.000 ineens.
2.1.
Bij besluit van 29 juli 2025 op het bezwaar van eiseres heeft het college de last in stand gelaten.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar.
2.3.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt de last onder dwangsom aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Is er concreet zicht op legalisatie?
4. Eiseres betoogt dat het college met handhaving had moeten wachten tot er meer duidelijkheid is over het permanent wonen in recreatiewoningen zoals aangekondigd in de brief van de (voormalige) Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 19 mei 2024. Dan had de bewoning van de huurders gelegaliseerd kunnen worden.
4.1.
De rechtbank oordeelt dat er geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Het college stelt zich terecht op het standpunt dat alleen kan worden afgeweken van de beginselplicht tot handhaving als handhaving onevenredig is, bijvoorbeeld als er geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volstaat in beginsel het enkele feit dat het college niet bereid is een omgevingsvergunning te verlenen voor afwijking van het omgevingsplan voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisering van de overtreding aanwezig is. Het college heeft voldoende toegelicht dat hij een permanente woonwijk in of dichtbij Natura 2000-gebied vanwege het intensievere gebruik niet wenselijk vindt. Daaruit blijkt dat het college niet bereid is een vergunning te verlenen voor afwijking van het omgevingsplan.
4.2.
De omstandigheid dat er in de landelijke politiek aandacht was en is voor het mogen bewonen van recreatiewoningen, leidt niet tot een ander oordeel. Op het moment van de last onder dwangsom maar ook ten tijde van het besluit op bezwaar was geen sprake van een ophanden zijnde inwerkingtreding van gewijzigde regelgeving over permanente bewoning van recreatiewoningen. Het college kon daarmee in de besluitvorming dus geen rekening houden. Bovendien is het de vraag of de aangekondigde wijziging van de regelgeving tot gevolg zal hebben dat de permanente bewoning van deze recreatiewoning in dit geval zal moeten worden toegestaan door het college. Uit de door eiseres bedoelde brief van 19 december 2024 volgt dat de voorwaarden waaronder permanente bewoning van recreatiewoningen mogelijk moet worden gemaakt, nog verder moeten worden uitgewerkt. Het gaat daarbij om aspecten als bestaande plannen voor revitalisering, transformatie, minimumeisen aan de bouwkwaliteit en milieuonderwerpen. Omdat die voorwaarden nog moeten worden uitgewerkt, is er op dit moment geen concreet zicht op legalisering. Daarbij merkt de rechtbank op dat de besluitvorming van het college getoetst wordt naar de juridische stand van zaken op het moment van het besluit op bezwaar, namelijk op 29 juli 2025. Of de opvatting van de landelijke politiek dat het vanwege de woningnood wenselijk zou zijn als bewoners van recreatiewoningen daar in bepaalde gevallen zouden mogen blijven wonen in de toekomst leidt tot nadere regelgeving of een beleidslijn bij het college maakt geen onderdeel uit van deze procedure. Als dat gebeurt, kan het er wel toe leiden dat partijen met elkaar in overleg gaan of dat eiseres met een beroep op gewijzigde omstandigheden het college kan verzoeken de last in te trekken. Daar kan nu echter niet op vooruit worden gelopen.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de last onder dwangsom in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
De griffier is verhinderd om
deze uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:854, onder 9.2.
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/4216
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een last onder dwangsom vanwege de wijze van gebruik van de recreatiewoning aan de [adres] in [plaats] . Eiseres is eigenaar van de recreatiewoning en is het niet eens met de aan haar opgelegde last. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de last.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de last onder dwangsom in stand blijft. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of er concreet zicht op legalisatie bestaat. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Bij besluit van 21 maart 2025 heeft het college eiseres gelast om de permanente bewoning van de recreatiewoning te laten beëindigen en beëindigd te houden vóór 1 oktober 2025, onder een dwangsom van € 20.000 ineens.
2.1.
Bij besluit van 29 juli 2025 op het bezwaar van eiseres heeft het college de last in stand gelaten.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar.
2.3.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt de last onder dwangsom aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Is er concreet zicht op legalisatie?
4. Eiseres betoogt dat het college met handhaving had moeten wachten tot er meer duidelijkheid is over het permanent wonen in recreatiewoningen zoals aangekondigd in de brief van de (voormalige) Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 19 mei 2024. Dan had de bewoning van de huurders gelegaliseerd kunnen worden.
4.1.
De rechtbank oordeelt dat er geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Het college stelt zich terecht op het standpunt dat alleen kan worden afgeweken van de beginselplicht tot handhaving als handhaving onevenredig is, bijvoorbeeld als er geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volstaat in beginsel het enkele feit dat het college niet bereid is een omgevingsvergunning te verlenen voor afwijking van het omgevingsplan voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisering van de overtreding aanwezig is. Het college heeft voldoende toegelicht dat hij een permanente woonwijk in of dichtbij Natura 2000-gebied vanwege het intensievere gebruik niet wenselijk vindt. Daaruit blijkt dat het college niet bereid is een vergunning te verlenen voor afwijking van het omgevingsplan.
4.2.
De omstandigheid dat er in de landelijke politiek aandacht was en is voor het mogen bewonen van recreatiewoningen, leidt niet tot een ander oordeel. Op het moment van de last onder dwangsom maar ook ten tijde van het besluit op bezwaar was geen sprake van een ophanden zijnde inwerkingtreding van gewijzigde regelgeving over permanente bewoning van recreatiewoningen. Het college kon daarmee in de besluitvorming dus geen rekening houden. Bovendien is het de vraag of de aangekondigde wijziging van de regelgeving tot gevolg zal hebben dat de permanente bewoning van deze recreatiewoning in dit geval zal moeten worden toegestaan door het college. Uit de door eiseres bedoelde brief van 19 december 2024 volgt dat de voorwaarden waaronder permanente bewoning van recreatiewoningen mogelijk moet worden gemaakt, nog verder moeten worden uitgewerkt. Het gaat daarbij om aspecten als bestaande plannen voor revitalisering, transformatie, minimumeisen aan de bouwkwaliteit en milieuonderwerpen. Omdat die voorwaarden nog moeten worden uitgewerkt, is er op dit moment geen concreet zicht op legalisering. Daarbij merkt de rechtbank op dat de besluitvorming van het college getoetst wordt naar de juridische stand van zaken op het moment van het besluit op bezwaar, namelijk op 29 juli 2025. Of de opvatting van de landelijke politiek dat het vanwege de woningnood wenselijk zou zijn als bewoners van recreatiewoningen daar in bepaalde gevallen zouden mogen blijven wonen in de toekomst leidt tot nadere regelgeving of een beleidslijn bij het college maakt geen onderdeel uit van deze procedure. Als dat gebeurt, kan het er wel toe leiden dat partijen met elkaar in overleg gaan of dat eiseres met een beroep op gewijzigde omstandigheden het college kan verzoeken de last in te trekken. Daar kan nu echter niet op vooruit worden gelopen.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de last onder dwangsom in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
De griffier is verhinderd om
deze uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:854, onder 9.2.