Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:6567

2026-08-11 Strafrecht 05/740307-18
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-08-11
Publicatiedatum
2026-08-20
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
05/740307-18
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

TBS, aanvankelijk opgelegd met voorwaarden waarbij later verpleging is bevolen, duurt maximaal 4 jaar indien opgelegd voor niet-geweldsmisdrijf, ook al is de verpleging uiteindelijk weer voorwaardelijk beëindigd. Door combinatie van psychiatrische stoornissen (anti-sociale persoonlijkheidsstoornis en borderline, verslavingsgevoeligheid) en fysieke c.q. neurologische problematiek (als gevolg van beroerte (CVA) en mogelijk beginnende dementie, is het buitengewoon problematisch gebleken een verblijfsinstelling te vinden die hem wil opnemen wanneer de TBS ophoudt. Het gaat het om de problematische aansluiting van zorgverlening vanuit het tbs-kader naar zorgverlening binnen de reguliere GGZ. Het vinden van adequate vervolgopvang voor betrokkene lijkt af te stuiten op administratieve regels, vaste werkwijzen, protocollen, toewijzingscriteria, financieringssystemen en -afspraken. Kortom, bureaucratie.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (22.001 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND




Strafrecht



Zittingsplaats: Arnhem
Parketnummer: 05/740307-18



Datum uitspraak: 11 augustus 2026




Beslissing van de meervoudige kamer als bedoeld in artikel 6:6:10 van het Wetboek van Strafvordering



in de zaak van




de officier van justitie




tegen





[betrokkene] , hierna: betrokkene,
geboren op [geboortedag] 1969 in [geboorteplaats] ,
verblijvende in het Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) Dr. S. van Mesdag in Groningen
(hierna: de kliniek).



Raadsman mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal.




1
1. Procedure


1.1

Betrokkene is op 3 mei 2019 bij vonnis van de rechtbank Gelderland veroordeeld tot een
gevangenisstraf van 346 dagen en – dadelijk uitvoerbaar verklaarde - terbeschikkingstelling met voorwaarden. Daarbij is overwogen dat de maatregel in geval van omzetting naar dwangverpleging gemaximeerd zou zijn op vier jaren. Deze maatregel is ingegaan op 3 mei 2019.




1.2
Bij beslissing van de rechtbank Gelderland van 16 september 2022 is de tbs met voorwaarden omgezet in tbs met dwangverpleging.



1.3
Op 24 oktober 2025 heeft de rechtbank de maatregel verlengd met één jaar en een onderzoek gelast naar de mogelijkheden voor het opheffen van de verpleging. Op 30 januari 2026 heeft de rechtbank het bevel tot verpleging opgeheven en voorwaarden geformuleerd.



1.4
Bij vordering van 15 mei 2026, ingekomen op diezelfde datum, heeft de officier van justitie gevorderd dat deze maatregel wordt verlengd voor de duur van één jaar.



1.5
De vordering is behandeld ter openbare zitting van 10 juli 2026, waarbij zijn gehoord:
- betrokkene (via videoverbinding);
- zijn raadsman, mr. J.P.A. van Schaik;
- de deskundige [persoon 1] , reclasseringswerker (via videoverbinding);
- de officier van justitie, mr. A. Reah.



1.6
De behandeling is vervolgens aangehouden en voortgezet ter zitting van 11 augustus 2026, waarbij zijn gehoord:
- betrokkene (via videoverbinding);
- zijn raadsman, mr. J.P.A. van Schaik;
- de deskundige [persoon 1] , reclasseringswerker (via videoverbinding);
- een medewerker van het zorgkantoor (Menzis), mw. [persoon 2] als deskundige (via videoverbinding);
- de officier van justitie, mr. J.G. Kolkman.



1.7
De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken:
- het adviesrapport van de reclassering van 13 mei 2026, waarin wordt geadviseerd de terbeschikkingstelling te verlengen met een jaar;
- het advies van psychiater I. Maksimovic van 16 april 2026;
- een e-mail van de reclassering d.d. 9 juli 2026 met betrekking tot de stand van zaken;
- e-mails vanuit het openbaar ministerie van 5 en 10 augustus 2026 met betrekking tot de stand van zaken.






2De standpunten


2.1
De officier van justitie heeft ter zitting de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling met één jaar gehandhaafd, nu aan de voorwaarden voor verlenging is voldaan.



2.2
De raadsman van betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen. Daarbij heeft de raadsman benadrukt dat sprake is van een schrijnende situatie, nu de tbs-maatregel op 18 augustus 2026 van rechtswege eindigt en er nog geen geschikte vervolgplek voor betrokkene is gevonden.






3De beoordeling



Indexdelict



3.1

De terbeschikkingstelling is opgelegd vanwege (pogingen tot) diefstal (met braak). In het opleggingsvonnis zijn deze delicten niet aangemerkt als geweldsmisdrijf en is bepaald dat de maatregel is gemaximeerd tot vier jaar op het moment dat de tbs-maatregel met voorwaarden wordt omgezet in een tbs-maatregel met dwangverpleging.
De maatregel zal daarom van rechtswege eindigen op 18 augustus 2026, vier jaar na het bevel voorwaardelijke verpleging van de rechter-commissaris van 18 augustus 2022.




Stoornis




3.2
Uit het rapport van de kliniek blijkt dat bij betrokkene sprake is van een beneden gemiddelde intelligentie, een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische en borderline trekken. Betrokkene is een verslavingsgevoelige man bij wie (met name) gebruik en misbruik van cannabis en cocaïne als een rode draad door zijn leven loopt. De stoornissen zijn nog altijd aanwezig.



Verloop van de maatregel




3.3
Op 8 juni 2023 werd betrokkene opgenomen in de Van Mesdagkliniek. Het verblijf hier ging enigszins met horten en stoten maar uiteindelijk werd toegewerkt naar uitstroom naar RIBW Limor in Veendam. Op 22 maart 2025 kreeg betrokkene echter een CVA (beroerte) met blijvende gevolgen: afasie, geheugenproblemen en persoonsverandering. Zijn cognitief en lichamelijk functioneren verslechterde aanzienlijk. Betrokkene communiceert op dit moment beperkt, trekt zich terug in zijn eigen wereld, maakt geen gebruik van onbegeleid verlof en is sterk afhankelijk van zorg en begeleiding van buitenaf.



3.4
De geplande uitstroom via de reguliere TBS-route was hierdoor niet meer haalbaar. De kliniek is vervolgens gaan zoeken naar een andere vervolgplek, rekening houdend met de fysieke beperkingen en zorgbehoefte. Duidelijk werd dat betrokkene niet in aanmerking kwam voor reguliere verpleeghuis-voorzieningen. De reclassering ging vervolgens op zoek naar andere voorzieningen.



3.5
In oktober 2025 werd daarom de maatregel verlengd met één jaar met bevel tot onderzoek naar een mogelijke beëindiging van de verpleging, mede omdat zulks het zoeken naar een opvolgende verblijfslocatie wellicht zou kunnen vergemakkelijken. Hierbij speelde nadrukkelijk ook een rol het gegeven dat de maatregel gemaximeerd was en na vier jaar verpleging zou eindigen. Daarbij werd toen, abusievelijk, nog uitgegaan van 16 september 2026 als einddatum.



3.6
In het daarop volgende maatregelrapport adviseerde de reclassering dat betrokkene zou moeten worden geplaatst in een hooggestructureerde forensische woonsetting met 24-uurs toezicht, rekening houdend met zijn somatische en cognitieve beperkingen. Bij voorkeur in de regio [plaats] , omdat zijn familie daar woont. Indien hieraan wordt voldaan, werd een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging haalbaar geacht. De reclassering had twee instellingen gevonden en had er op basis van het vooroverleg veel vertrouwen in dat betrokkene na intake zou worden geaccepteerd in één ervan. Voorwaardelijke beëindiging van de verpleging zou daarbij zeker een positieve invloed hebben. Mocht het met deze twee instellingen niet lukken, dan zou er ongetwijfeld wel een andere instelling gevonden worden.



3.7

Bij beslissing van 30 januari 2026 heeft de rechtbank inderdaad onder het stellen van voorwaarden de verpleging van overheidswege beëindigd. Daarbij heeft zij echter overwogen:
“De rechtbank ziet echter wel aanleiding om de duur van dit verblijf strikt te maximeren tot het einde van de termijn waarop de gemaximeerde tbs-maatregel zou eindigen, namelijk 16 september 2026. Hiermee wil de rechtbank voorkomen dat betrokkene langer in de kliniek verblijft dan op grond van de gemaximeerde tbs mogelijk zou zijn geweest. Nu het vertrouwen van reclassering en kliniek groot is dat voor die tijd een geschikte vervolgplek is gevonden, zal de rechtbank de voorgestelde weg volgen en wordt op deze wijze een zorgvuldige overgang gewaarborgd, waarbij de continuïteit van zorg en veiligheid voor betrokkene en de samenleving gewaarborgd blijven.”




3.8
Deze voorwaarde is ongebruikelijk, omdat betrokkene nog in de Van Mesdagkliniek (een FPC) verbleef en een FPC niet een aangewezen verblijfslocatie is voor een tbs-gestelde zonder bevel tot verpleging, maar werd ingegeven door de bijzondere zorgbehoeften van betrokkene, die in de Van Mesdagkliniek nog wel konden worden gegarandeerd, maar in een willekeurige andere woonsetting niet zonder meer. Zodra een passende instelling was gevonden, zou betrokkene daarheen verhuizen.



Het einde van de maatregel in zicht




3.9
In aanloop naar de verlengingszitting in juli 2026 werd echter duidelijk dat de zoektocht naar een geschikte verblijfslocatie bepaald moeizamer verliep dan voorzien. Uit het advies van de reclassering blijkt dat de ene na de andere instelling opname van betrokkene niet passend vond, hetzij omdat de (samengestelde) problematiek te ernstig was, hetzij niet ernstig genoeg. Ook de bestaande onduidelijkheid over de juiste diagnose na het CVA in 2025 was problematisch voor een GGZ-indicatie. De omstandigheid dat iemand een beroerte heeft gehad, zegt op zichzelf niets over de fysieke en cognitieve gevolgen en de daaruit voortvloeiende zorgbehoefte. Dat moet in kaart worden gebracht door nadere observatie en diagnostiek.



Zorgconferentie met mogelijke oplossingen?




3.10
Tijdens een zorgconferentie op 6 augustus 2026 had De Waalboog aangegeven mogelijk een passende plek te kunnen bieden. De Waalboog heeft een verblijfsvoorziening, gericht op ouderen met somatische en/of psychogeriatrische problematiek.



3.11

De reclassering heeft hierover als volgt gerapporteerd:
“De Waalboog geeft aan mee te willen denken en mogelijk een passende plek te kunnen bieden voor de combinatie van gedragsproblematiek en cognitieve problematiek na het CVA. Voorwaarde is wel dat de Wlz-indicatie correct wordt afgegeven; met de huidige indicatie GGZ Wonen 3 kan betrokkene niet worden geplaatst, omdat de betreffende afdelingen minimaal een indicatie GGZ 4 of een VV-indicatie (niveau 5 of hoger) vereisen. De Waalboog beschikt over een observatieafdeling en is bereid betrokkene, na afloop van de TBS-titel, tijdelijk op te nemen als overbrugging, mits er een harde toezegging ligt dat betrokkene aansluitend voor observatie en NAH-diagnostiek terecht kan (bij de Winkler kliniek of een vergelijkbaar expertisecentrum) en dat daaruit een duidelijke, juiste en vooral hogere indicatie volgt. Daarnaast is financiële zekerheid vanuit het zorgkantoor nodig. Onder die voorwaarden wil De Waalboog zich inspannen om betrokkene aansluitend een passende plek binnen de eigen organisatie te bieden, bijvoorbeeld op een afdeling voor ouderen met psychiatrische problematiek in combinatie met NAH. Er bestaat brede overeenstemming dat het niet passend is dat betrokkene na afloop van de TBS zonder vervolgplek komt te staan, en dat gezamenlijk moet worden gezorgd voor een verantwoorde plaatsing. De kern van de impasse is dat de huidige Wlz-indicatie niet aansluit bij het actuele beeld en dat een herindicatie afhankelijk is van nadere NAH-diagnostiek, terwijl de TBS-titel op zeer korte termijn afloopt. Met het voorwaardelijke aanbod van De Waalboog voor een tijdelijke overbruggingsplaatsing lijkt de impasse doorbroken te kunnen worden.” (e-mail 6 augustus 2026 van het openbaar ministerie)




3.12
Dat was 6 augustus 2026. Op 10 augustus werd duidelijk dat De Waalboog toch geen plek kan bieden voor betrokkene, ook niet als tijdelijke overbrugging. Ook wanneer aan alle hiervoor vermelde (organisatorische en financiële) voorwaarden zou zijn voldaan, willen zij een dergelijke plek niet ter beschikking stellen. Aldus de reclassering via een e-mail van het openbaar ministerie van 10 augustus 2026, herhaald ter zitting op 11 augustus. Een verklaring voor deze tournure is onbekend.



De problemen in de praktijk




3.13
Eén van de prangende problemen is de benodigde zorgindicatie, zoals ook blijkt uit het hiervoor weergegeven citaat uit de e-mail van 6 augustus 2026 (rov 3.11). Voor een juiste zorgindicatie is een actueel psychiatrisch onderzoek met diagnostiek onontbeerlijk. Die is echter niet voorhanden, ook omdat betrokkene nukkig kan zijn en niet altijd even gewillig meewerkt aan onderzoek. Aan het NIFP-onderzoek in deze verlengingsprocedure heeft hij ook niet meegewerkt.



3.14
Voor een juiste diagnostiek werd een langere opname en observatie in een instelling met de nodige expertise nodig geacht. Daarbij werd gedacht aan de Winklerkliniek (expertisecentrum voor neuropsychiatrie) om tot een juiste diagnostiek te komen en de benodigde zorg in kaart te brengen en aldus een adequate [instelling] -indicatie af te kunnen geven. Dit is een zorgvuldige maar ook een langdurige en moeizame procedure waarvoor de tijd ontbreekt. Deze kliniek zegt echter hoe dan ook niet in de gelegenheid te zijn om betrokkene eerder te zien dan op 21 augustus 2026. Dat is echter na expiratie van de tbs-maatregel en ook dan is opname niet gegarandeerd (hij kan nog steeds worden afgewezen) en ook dan is er sprake van een wachtlijst.



3.15

Ter zitting is ook nog gehoord mw. [persoon 2] , werkzaam bij het zorgkantoor van Menzis. Zij is contactpersoon van [instelling] , de instelling die de indicatiestelling voor geestelijke gezondheidszorg (niet zijnde forensische zorg) regelt. Zij heeft benadrukt dat niet het zorgkantoor maar het [instelling] de indicatie bepaalt. Het zorgkantoor kan soms tijdelijk een indicatie omzetten omdat dat kan helpen een cliënt op te nemen, puur zodat de organisatie kan declareren. In deze casus is er overleg geweest met de Van Mesdagkliniek en is opgeschaald naar managementniveau. Bestuurders kunnen namelijk beslissen dat iemand, ondanks een wachtlijst, vóór gaat. Het heeft (nog) niet geresulteerd in een plek. Bij zorgaanbieders speelt een rol dat betrokkene nu op beveiligingsniveau 4 (het FPC) zit, ook al is steeds benadrukt dat mede door het CVA het delictgevaar fors is verminderd. Zowel de indicatie als de wachtlijsten zijn in deze casus een probleem waarvoor nog geen oplossing is gevonden.
De rechtbank wijst er op dat het bevel tot verpleging in januari 2026 is opgeheven, waaruit reeds een belangrijke afname van het delictgevaar blijkt. Waarom betrokkene desondanks nog in een FPC verblijft, is hiervoor onder 3.8 uitgelegd.




Samenvatting van het voorgaande





3.16
Bij betrokkene is van oudsher sprake van psychiatrische problematiek in de vorm van een gediagnostiseerde antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische en borderline trekken, ADHD en een langdurige verslavingsgeschiedenis, die heeft geleid tot een uitgebreid strafblad en twee eerdere tbs-maatregelen. Daarnaast had hij in maart 2025 een cerebro vasculair accident (CVA, d.w.z. beroerte in de zin van een acute verstoring van de bloedtoevoer naar de hersenen) dat blijvende, vermoedelijk zeer forse cognitieve verstoringen tot gevolg heeft gehad: afasie, geheugenproblemen en een verandering in gedrag en persoonlijkheid. Ook is er mogelijk sprake van - beginnende - dementie.



3.17
Deze combinatie van psychiatrische en fysieke, neurologische problematiek betekent dat de huidige kliniek niet de juiste verblijfplek voor betrokkene is. Sterker nog: betrokkene heeft behoefte aan een permanente verblijfplaats met intensieve begeleiding en verzorging op elk levensgebied.Maar los daarvan speelt het probleem dat de lopende tbs-maatregel gemaximeerd is en afloopt op 18 augustus 2026. Verlenging is daarmee niet mogelijk. Er moet dus dringend een ander, passend onderkomen worden gevonden voor betrokkene.



3.18

De reclassering is hiermee al geruime tijd aan de slag en heeft talloze instellingen aangezocht, maar is telkens gestuit op een afwijzing, hetzij omdat de gecombineerde problematiek van betrokkene te ernstig en te gecompliceerd was, hetzij omdat de gecombineerde problematiek niet ernstig genoeg leek te zijn, hetzij omdat het een gecombineerde problematiek was. Dit is een bekend en al langer bestaand probleem binnen de forensische zorg.


Beoordeling van de voorliggende casus





3.19
De bevindingen tot nu toe stemmen tot diepe treurnis. De rechtbank kan het niet anders verwoorden. Alle professioneel betrokkenen zijn het er over eens dat de patiënt naar een woonsetting moet waar enerzijds voldoende veiligheid (ook voor zijn omgeving) kan worden geboden en anderzijds voldoende zorg die aan zijn, steeds toenemende fysieke en cognitieve problematiek voldoet. Het lijkt er echter op dat niemand in staat of bereid is die zorg te bieden, niettegenstaande de enorme inspanningen die de reclassering en de Van Mesdagkliniek zich hebben getroost om hem op een passende plek onder te brengen na het einde van de maatregel.



3.20
Al eerder heeft deze rechtbank gewezen op de problematiek van comorbiditeit van psychische en fysieke aandoeningen. Daar komen in toenemende mate bij cognitieve of andere fysieke problemen door dementie als gevolg van de toenemende vergrijzing van de tbs-populatie. Er zijn niet of nauwelijks instellingen die deze benodigde zorg afdoende kunnen bieden. Plaatsing stuit vaak af op complicaties inzake beveiliging, zorgverlening, financiering of, zoals altijd, wachtlijsten en plaatsgebrek.



3.21
In het voorliggende geval gaat het om de problematische aansluiting van zorgverlening vanuit het tbs-kader naar zorgverlening binnen de reguliere GGZ. Bij de totstandkoming van de Wet op de verplichte geestelijke gezondheidszorg, de Wet zorg en dwang en de Wet op de forensische zorg, werd door de toenmalige minister, gevolgd door beide kamers, voortdurend gewezen op de zegeningen van het nieuwe systeem, een naadloze aansluiting van forensische geestelijke zorg en civiele geestelijke zorg. Daarvan is hier in ieder geval geen sprake. Uit de e-mail van de reclassering van 9 juli 2026:


“Zoals in het verlengingsadvies beschreven, ondervinden FPC Van Mesdag en de reclassering grote moeite om betrokkene uit te plaatsen. Dit hangt enerzijds samen met de te lage zorgindicatie, op dit moment een GGZ-3-indicatie (Wlz), terwijl de betrokken instellingen aangeven dat gelet op zijn NAH-problematiek minimaal GGZ 4, en naar verwachting GGZ 5 tot 6, meer passend zou zijn. Anderzijds speelt het aflopen van de tbs-titel een rol. De gemaximeerde tbs-maatregel biedt na 18 augustus 2026 geen grondslag meer voor verblijf in, of terugkeer naar, het FPC.”



3.22
Het vinden van adequate vervolgopvang voor betrokkene lijkt af te stuiten op administratieve regels, vaste werkwijzen, protocollen, toewijzingscriteria, financieringssystemen en -afspraken. Kortom, bureaucratie. De rechtbank wil hierbij op geen enkele manier te kort doen aan de persoonlijke inzet en betrokkenheid van medewerkers van reclassering, kliniek, zorgbureau etc. Zij lopen echter ook aan tegen de bureaucratische moloch die beleidsmakers in dit land, ongetwijfeld met de beste bedoelingen, hebben gecreëerd.



3.23
Als het gevolg daarvan is dat deze tbs-gestelde met ernstige psychiatrische problematiek, ernstige fysieke, cognitieve en gedragsproblemen op 18 augustus 2026 ineens dakloos is en geen enkele zorg meer krijgt, is er iets ernstig fout gegaan in het Nederlandse systeem van (forensische) geestelijke zorgverlening. Het wachten is dan hopelijk niet op een nieuwe strafrechtelijke ontsporing, maar belangrijker is dat de zorg voor deze betrokkene na jaren van intensieve begeleiding van overheidswege met als doel iemand weer (beter) te laten functioneren in de maatschappij, opeens onder het minimale niveau zakt dat van een beschaafd land mag worden verwacht. Alle regels, protocollen, indicaties ten spijt, het gaat hier om een evident zorgbehoevend mens voor wie de daklozenopvang niet een geschikte zorgvoorziening is.



3.24
De rechtbank kan niet anders dan de gemaximeerde tbs-maatregel verlengen met een jaar, in de wetenschap dat deze over één week van rechtswege zal ophouden te bestaan, en hopen dat de aangezochte instellingen hun maatschappelijke verantwoordelijkheid onder ogen zien en tezamen met de reclassering toch nog een mogelijkheid zien tot een oplossing te komen.



De beslissing




De rechtbank:



verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling van [betrokkene] met één jaar.




Deze beslissing is gegeven door mr. F.J.H. Hovens, als voorzitter, mr. M.E. Snijders en mr. L.M. Vogel, als rechters in tegenwoordigheid van mr. H. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 augustus 2026.




De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.





HR 18 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:282, NJ 2020/175 m.nt. Mevis; Hof Arnhem-Leeuwarden 8 februari 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1230.


Rb Gelderland 13 augustus 2021, 05/015829-84; ECLI:NL:RBGEL:2021:4473; Rb Gelderland 10 september 2021, 05/882455-17, ECLI:NL:RBGEL:2021:4954; Rb Gelderland 6 december 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:8717.