Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:6555
2026-08-21
Bestuursrecht
ARN 25/431
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Einduitspraak. Pw. Geconstateerde gebreken zijn hersteld in het herzieningsbesluit. Geen wettelijke rente. Beroep ongegrond.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2011:BR5704 Raad van State 24-08-2011
- ECLI:NL:RVS:2012:BX4694 Raad van State 15-08-2012
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.651 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/431
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats 1] , eiser
(gemachtigde: [gemachtigde] )
en
het college van burgemeester en wethouders van Rheden, het college
(gemachtigden: [persoon 1] en [persoon 2] ).
Procesverloop
1. De rechtbank verwijst voor het procesverloop tot de tussenuitspraak van 22 april 2026 naar die tussenuitspraak.
1.1.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
1.2.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een herzieningsbesluit genomen. Dit herzieningsbesluit vervangt het eerder genomen besluit gedeeltelijk.
1.3.
Eiser heeft bij brieven van 6 juli 2026 en van 14 juli 2026 zijn zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld naar voren gebracht.
1.4.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.
Overwegingen
2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
2.1.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, geoordeeld dat het college het vermogen van eiser onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd heeft vastgesteld. In het dossier bevinden zich namelijk verschillende stukken van de Belastingdienst, maar het college heeft geen antwoord kunnen geven op de vraag of deze stukken zijn meegenomen bij de vaststelling van het vermogen. Ook heeft het college in dat kader onvoldoende gemotiveerd waarom de maand april 2024 niet is meegenomen bij de vaststelling van de huurachterstand.
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het college de proceskostenvergoeding in bezwaar onjuist heeft vastgesteld, omdat het college aan (de gemachtigde van) eiser slechts reiskostenvergoeding heeft toegekend voor het bijwonen van één hoorzitting, in plaats van twee.
2.2.
Het college heeft bij brief van 23 april 2026 laten weten de gebreken te willen herstellen. Op 24 juni 2026 heeft het college laten weten dat het herzieningsbesluit enige tijd op zich heeft laten wachten, omdat met eiser een aantal punten over de vaststelling van het vermogen afgestemd moest worden, maar dat het herstelbesluit ter goedkeuring bij de directie ligt en zo spoedig mogelijk zal worden verzonden. Op 30 juni 2026 heeft het college een herzieningsbesluit genomen die het bestreden besluit van 20 december 2024 gedeeltelijk vervangt.
Herzieningsbesluit van het college
3. Het college heeft met het herzieningsbesluit het bestreden besluit ingetrokken voor zover dit betrekking heeft op de vaststelling van het vermogen en de proceskostenvergoeding in bezwaar. Voor het overige is het bestreden besluit in stand gelaten.
3.1.
Het college heeft het vermogen van eiser opnieuw vastgesteld. Uit het overzicht dat het college heeft verstrekt, maakt de rechtbank op dat het college één extra maand aan huurachterstand als schuld heeft meegenomen, als ook vier schulden aan de Belastingdienst met de omschrijving ‘omzetbelasting’ en ‘dwangbevel aanslag omzetbelasting’. Daarnaast heeft het college de proceskostenvergoeding in bezwaar opnieuw vastgesteld. Hierbij is een vergoeding toegekend voor het bijwonen van twee hoorzittingen ten bedrage van € 23,60 (twee maal € 11,80).
Beoordeling door de rechtbank
4. Onder verwijzing naar rechtsoverwegingen 3 tot en met 4.5. in de tussenuitspraak van 22 april 2026 slagen de beroepsgronden van eiser tegen de zorgvuldigheid van de gevolgde bezwaarschriftenprocedure en tegen de ingangsdatum van de toegekende bijstand niet. Eisers gronden tegen het in het bestreden besluit vastgestelde vermogen en tegen de toegekende proceskostenvergoeding in bezwaar slagen wel.
4.1.
Zoals hiervoor overwogen heeft het college bij het herzieningsbesluit opnieuw beslist over het vermogen van eiser en over de aan hem toe te kennen proceskostenvergoeding in bezwaar. De rechtbank stelt vast dat het college hiermee het bestreden besluit gedeeltelijk heeft gewijzigd. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft een beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. De rechtbank is van oordeel dat eiser belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen het herzieningsbesluit zodat zijn beroep mede tegen dit besluit is gericht.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn zienswijzen heeft verklaard het eens te zijn met het bij het herzieningsbesluit vastgestelde vermogen en de toegekende proceskostenvergoeding van € 23,60. Het college heeft de door de rechtbank bij tussenuitspraak in het bestreden besluit geconstateerde gebreken hersteld. Aanvullend betoogt eiser echter dat hij aanspraak maakt op vertragingsrente over de te laat betaalde proceskostenvergoeding. Het college had het volledige bedrag aan proceskostenvergoeding namelijk al na het bestreden besluit moeten uitbetalen. De rechtbank gaat daar onder 7 nader op in.
Overige opmerkingen van eiser
6. Eiser voert allereerst aan dat het college het ten onrechte doet overkomen dat het herstelbesluit langer op zich heeft laten wachten door zijn toedoen. Het college geeft namelijk aan dat de berekening “enige tijd heeft geduurd” omdat er iets met de gemachtigde van eiser moest worden afgestemd. Dat is onjuist, nu het college al over alle gegevens voor het vaststellen van het vermogen beschikte.
6.1.
Los van de vraag of eiser terecht stelt dat het college de vertraging bij het nemen van het herzieningsbesluit bij hem legt, verbindt de rechtbank geen gevolgen aan het feit dat het herzieningsbesluit niet binnen de gegeven termijn van vier weken is genomen. Het is dus verder ook niet relevant aan wie de overschrijding van deze termijn te wijten is.
7. Ten aanzien van de proceskostenvergoeding betoogt eiser dat hij ook aanspraak maakt op vertragingsschade. De rechtbank vat dit betoog op als een verzoek om toekenning van wettelijke rente.
7.1.
Dit betoog slaagt niet. Vast staat dat het college eiser bij het herzieningsbesluit alsnog € 11,80 heeft toegekend voor proceskosten in bezwaar en dit bedrag aan eiser verschuldigd is. Dit had het college al eerder, bij het bestreden besluit, moeten doen. Dat betekent dat het college zes weken na verzending van het bestreden besluit, 20 december 2024, in verzuim is en dat het college eiser (in beginsel) wettelijke rente moet nabetalen over een bedrag van € 11,80 vanaf 31 januari 2025 (zes weken na 20 december 2024). Het rentepercentage van de wettelijke rente (ten tijde in geding) is 6% per jaar. Uit artikel 4:98, tweede lid, van de Awb volgt echter dat het college geen wettelijke rente is verschuldigd als het bedrag daarvan minder bedraagt dan € 10. Gelet op wat hierboven is overwogen en het feit dat eiser in zijn zienswijze van 14 juli 2026 heeft aangegeven dat de reiskosten op 9 juni 2026 (volledig) zijn uitbetaald, betekent dit dat het bedrag aan wettelijke rente ver onder de € 10 blijft en dus niet tot uitbetaling kan komen.
8. Tot slot betoogt eiser dat het college ten onrechte geen uitvoering heeft gegeven aan de opdracht van de rechtbank in de tussenuitspraak om in deze procedure een besluit te nemen op zijn verzoek om bijzondere bijstand voor schulden. Het college dwingt hem ten onrechte om opnieuw een primaire aanvraag te doen.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat dit betoog van eiser geen doel kan treffen; dit betoog kan er namelijk niet toe leiden dat het bestreden besluit (voor het overige) of het herzieningsbesluit onrechtmatig moet worden geacht. Zoals de rechtbank in de tussenuitspraak heeft overwogen gaat het haar voorliggende geding over een besluit van het college om bijstand toe te kennen voor levensonderhoud. Het geding gaat niet over de vraag of eiser recht heeft op bijzondere bijstand voor schulden. De rechtbank kan daarom in dit geding hierover geen uitspraak doen en daarom ook niet vaststellen dat op dit punt sprake is van een gebrek in het bestreden besluit wat het college had moeten herstellen. De rechtbank heeft slechts volledigheidshalve (en ter voorlichting van partijen) overwogen dat het college het verzoek van eiser om bijzondere bijstand voor schulden als een aanvraag had moeten aanmerken, en dat, voor zover eiser dat verzoek nog handhaaft, dat verzoek alsnog in behandeling moet nemen en daarop separaat moet beslissen.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep, gericht tegen het bestreden besluit zoals gewijzigd met het herzieningsbesluit, is ongegrond. Het college heeft de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken namelijk hersteld met het herzieningsbesluit. Naar het oordeel van de rechtbank kan het herzieningsbesluit in stand blijven omdat eisers gronden daartegen niet slagen.
9.1.
Omdat met het herzieningsbesluit gedeeltelijk aan het beroep van eiser is tegemoet gekomen, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat het college het door eiser betaalde griffierecht van € 53,- vergoedt.
9.2.
De rechtbank ziet verder aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten. Eiser verzoekt in dat kader om vergoeding van de reiskosten die zijn gemachtigde heeft gemaakt en de vergoeding van de verletkosten die hij zelf heeft gemaakt om de zitting te kunnen bijwonen. Het verzoek om verletkosten wijst de rechtbank af. Als een partij in loondienst werkt – zoals eiser doet – komen deze kosten alleen voor vergoeding in aanmerking in het geval die partij verlof voor eigen rekening heeft moeten opnemen. Uit de stukken die eiser bij het formulier proceskosten heeft overgelegd volgt dat hij verlofuren heeft opgenomen voor het bijwonen van de zitting. Niet is gebleken dat sprake zou zijn van onbetaald verlof. Dit betekent dat hij voor deze uren door zijn werkgever is doorbetaald, er dus geen sprake is van gemiste inkomsten en dat deze uren daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen. Dat eiser deze uren nu niet meer voor andere doelen kan inzetten, maakt dit niet anders. Hij krijgt wel een vergoeding van de opgegeven reiskosten van zijn gemachtigde op basis van openbaar vervoer (Lent – Arnhem v.v.) van € 10,60 (twee maal € 5,30)
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep, gericht tegen het bestreden besluit zoals gewijzigd met het herzieningsbesluit, ongegrond;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 10,60
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de volgende uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: 24 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5704, en 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4694.
Artikel 4:87, eerste lid, van de Awb,
Artikelen 6:119 en 6:120 van het Burgerlijk Wetboek en het Besluit vaststelling wettelijke rente.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/431
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats 1] , eiser
(gemachtigde: [gemachtigde] )
en
het college van burgemeester en wethouders van Rheden, het college
(gemachtigden: [persoon 1] en [persoon 2] ).
Procesverloop
1. De rechtbank verwijst voor het procesverloop tot de tussenuitspraak van 22 april 2026 naar die tussenuitspraak.
1.1.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
1.2.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een herzieningsbesluit genomen. Dit herzieningsbesluit vervangt het eerder genomen besluit gedeeltelijk.
1.3.
Eiser heeft bij brieven van 6 juli 2026 en van 14 juli 2026 zijn zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld naar voren gebracht.
1.4.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.
Overwegingen
2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
2.1.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, geoordeeld dat het college het vermogen van eiser onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd heeft vastgesteld. In het dossier bevinden zich namelijk verschillende stukken van de Belastingdienst, maar het college heeft geen antwoord kunnen geven op de vraag of deze stukken zijn meegenomen bij de vaststelling van het vermogen. Ook heeft het college in dat kader onvoldoende gemotiveerd waarom de maand april 2024 niet is meegenomen bij de vaststelling van de huurachterstand.
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het college de proceskostenvergoeding in bezwaar onjuist heeft vastgesteld, omdat het college aan (de gemachtigde van) eiser slechts reiskostenvergoeding heeft toegekend voor het bijwonen van één hoorzitting, in plaats van twee.
2.2.
Het college heeft bij brief van 23 april 2026 laten weten de gebreken te willen herstellen. Op 24 juni 2026 heeft het college laten weten dat het herzieningsbesluit enige tijd op zich heeft laten wachten, omdat met eiser een aantal punten over de vaststelling van het vermogen afgestemd moest worden, maar dat het herstelbesluit ter goedkeuring bij de directie ligt en zo spoedig mogelijk zal worden verzonden. Op 30 juni 2026 heeft het college een herzieningsbesluit genomen die het bestreden besluit van 20 december 2024 gedeeltelijk vervangt.
Herzieningsbesluit van het college
3. Het college heeft met het herzieningsbesluit het bestreden besluit ingetrokken voor zover dit betrekking heeft op de vaststelling van het vermogen en de proceskostenvergoeding in bezwaar. Voor het overige is het bestreden besluit in stand gelaten.
3.1.
Het college heeft het vermogen van eiser opnieuw vastgesteld. Uit het overzicht dat het college heeft verstrekt, maakt de rechtbank op dat het college één extra maand aan huurachterstand als schuld heeft meegenomen, als ook vier schulden aan de Belastingdienst met de omschrijving ‘omzetbelasting’ en ‘dwangbevel aanslag omzetbelasting’. Daarnaast heeft het college de proceskostenvergoeding in bezwaar opnieuw vastgesteld. Hierbij is een vergoeding toegekend voor het bijwonen van twee hoorzittingen ten bedrage van € 23,60 (twee maal € 11,80).
Beoordeling door de rechtbank
4. Onder verwijzing naar rechtsoverwegingen 3 tot en met 4.5. in de tussenuitspraak van 22 april 2026 slagen de beroepsgronden van eiser tegen de zorgvuldigheid van de gevolgde bezwaarschriftenprocedure en tegen de ingangsdatum van de toegekende bijstand niet. Eisers gronden tegen het in het bestreden besluit vastgestelde vermogen en tegen de toegekende proceskostenvergoeding in bezwaar slagen wel.
4.1.
Zoals hiervoor overwogen heeft het college bij het herzieningsbesluit opnieuw beslist over het vermogen van eiser en over de aan hem toe te kennen proceskostenvergoeding in bezwaar. De rechtbank stelt vast dat het college hiermee het bestreden besluit gedeeltelijk heeft gewijzigd. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft een beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. De rechtbank is van oordeel dat eiser belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen het herzieningsbesluit zodat zijn beroep mede tegen dit besluit is gericht.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn zienswijzen heeft verklaard het eens te zijn met het bij het herzieningsbesluit vastgestelde vermogen en de toegekende proceskostenvergoeding van € 23,60. Het college heeft de door de rechtbank bij tussenuitspraak in het bestreden besluit geconstateerde gebreken hersteld. Aanvullend betoogt eiser echter dat hij aanspraak maakt op vertragingsrente over de te laat betaalde proceskostenvergoeding. Het college had het volledige bedrag aan proceskostenvergoeding namelijk al na het bestreden besluit moeten uitbetalen. De rechtbank gaat daar onder 7 nader op in.
Overige opmerkingen van eiser
6. Eiser voert allereerst aan dat het college het ten onrechte doet overkomen dat het herstelbesluit langer op zich heeft laten wachten door zijn toedoen. Het college geeft namelijk aan dat de berekening “enige tijd heeft geduurd” omdat er iets met de gemachtigde van eiser moest worden afgestemd. Dat is onjuist, nu het college al over alle gegevens voor het vaststellen van het vermogen beschikte.
6.1.
Los van de vraag of eiser terecht stelt dat het college de vertraging bij het nemen van het herzieningsbesluit bij hem legt, verbindt de rechtbank geen gevolgen aan het feit dat het herzieningsbesluit niet binnen de gegeven termijn van vier weken is genomen. Het is dus verder ook niet relevant aan wie de overschrijding van deze termijn te wijten is.
7. Ten aanzien van de proceskostenvergoeding betoogt eiser dat hij ook aanspraak maakt op vertragingsschade. De rechtbank vat dit betoog op als een verzoek om toekenning van wettelijke rente.
7.1.
Dit betoog slaagt niet. Vast staat dat het college eiser bij het herzieningsbesluit alsnog € 11,80 heeft toegekend voor proceskosten in bezwaar en dit bedrag aan eiser verschuldigd is. Dit had het college al eerder, bij het bestreden besluit, moeten doen. Dat betekent dat het college zes weken na verzending van het bestreden besluit, 20 december 2024, in verzuim is en dat het college eiser (in beginsel) wettelijke rente moet nabetalen over een bedrag van € 11,80 vanaf 31 januari 2025 (zes weken na 20 december 2024). Het rentepercentage van de wettelijke rente (ten tijde in geding) is 6% per jaar. Uit artikel 4:98, tweede lid, van de Awb volgt echter dat het college geen wettelijke rente is verschuldigd als het bedrag daarvan minder bedraagt dan € 10. Gelet op wat hierboven is overwogen en het feit dat eiser in zijn zienswijze van 14 juli 2026 heeft aangegeven dat de reiskosten op 9 juni 2026 (volledig) zijn uitbetaald, betekent dit dat het bedrag aan wettelijke rente ver onder de € 10 blijft en dus niet tot uitbetaling kan komen.
8. Tot slot betoogt eiser dat het college ten onrechte geen uitvoering heeft gegeven aan de opdracht van de rechtbank in de tussenuitspraak om in deze procedure een besluit te nemen op zijn verzoek om bijzondere bijstand voor schulden. Het college dwingt hem ten onrechte om opnieuw een primaire aanvraag te doen.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat dit betoog van eiser geen doel kan treffen; dit betoog kan er namelijk niet toe leiden dat het bestreden besluit (voor het overige) of het herzieningsbesluit onrechtmatig moet worden geacht. Zoals de rechtbank in de tussenuitspraak heeft overwogen gaat het haar voorliggende geding over een besluit van het college om bijstand toe te kennen voor levensonderhoud. Het geding gaat niet over de vraag of eiser recht heeft op bijzondere bijstand voor schulden. De rechtbank kan daarom in dit geding hierover geen uitspraak doen en daarom ook niet vaststellen dat op dit punt sprake is van een gebrek in het bestreden besluit wat het college had moeten herstellen. De rechtbank heeft slechts volledigheidshalve (en ter voorlichting van partijen) overwogen dat het college het verzoek van eiser om bijzondere bijstand voor schulden als een aanvraag had moeten aanmerken, en dat, voor zover eiser dat verzoek nog handhaaft, dat verzoek alsnog in behandeling moet nemen en daarop separaat moet beslissen.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep, gericht tegen het bestreden besluit zoals gewijzigd met het herzieningsbesluit, is ongegrond. Het college heeft de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken namelijk hersteld met het herzieningsbesluit. Naar het oordeel van de rechtbank kan het herzieningsbesluit in stand blijven omdat eisers gronden daartegen niet slagen.
9.1.
Omdat met het herzieningsbesluit gedeeltelijk aan het beroep van eiser is tegemoet gekomen, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat het college het door eiser betaalde griffierecht van € 53,- vergoedt.
9.2.
De rechtbank ziet verder aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten. Eiser verzoekt in dat kader om vergoeding van de reiskosten die zijn gemachtigde heeft gemaakt en de vergoeding van de verletkosten die hij zelf heeft gemaakt om de zitting te kunnen bijwonen. Het verzoek om verletkosten wijst de rechtbank af. Als een partij in loondienst werkt – zoals eiser doet – komen deze kosten alleen voor vergoeding in aanmerking in het geval die partij verlof voor eigen rekening heeft moeten opnemen. Uit de stukken die eiser bij het formulier proceskosten heeft overgelegd volgt dat hij verlofuren heeft opgenomen voor het bijwonen van de zitting. Niet is gebleken dat sprake zou zijn van onbetaald verlof. Dit betekent dat hij voor deze uren door zijn werkgever is doorbetaald, er dus geen sprake is van gemiste inkomsten en dat deze uren daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen. Dat eiser deze uren nu niet meer voor andere doelen kan inzetten, maakt dit niet anders. Hij krijgt wel een vergoeding van de opgegeven reiskosten van zijn gemachtigde op basis van openbaar vervoer (Lent – Arnhem v.v.) van € 10,60 (twee maal € 5,30)
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep, gericht tegen het bestreden besluit zoals gewijzigd met het herzieningsbesluit, ongegrond;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 10,60
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de volgende uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: 24 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5704, en 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4694.
Artikel 4:87, eerste lid, van de Awb,
Artikelen 6:119 en 6:120 van het Burgerlijk Wetboek en het Besluit vaststelling wettelijke rente.